PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02378
Zitting 2 juni 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
Bij arrest van 14 mei 2025 heeft het gerechtshof Den Haag – na partiële terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 302.448,83, waarvan € 278.345,00 wegens gederfd levensonderhoud. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader in het arrest is bepaald.
Namens de verdachte hebben N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft P.G.J.M. Boonen, advocaat te Sittard, een verweerschrift ingediend.
Voordat ik overga tot bespreking van de middelen, merk ik ter inleiding nog het volgende op. Het betreft hier een tweede cassatieronde. De verdachte is in deze zaak eerder, te weten bij arrest van 21 april 2022, door het gerechtshof Den Haag wegens de moord op 3 augustus 2018 op [slachtoffer] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft toen tevens beslist op de vorderingen van vier benadeelde partijen en heeft ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde] – overeenkomstig de toegewezen vordering – een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De Hoge Raad vernietigde deze uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft (i) de duur van de opgelegde gevangenisstraf en (ii) de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad verminderde de duur van de opgelegde straf in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase en wees de zaak alleen ten aanzien van de onder ii genoemde beslissingen terug naar het gerechtshof Den Haag. Dat leidde tot het arrest dat nu in cassatie voorligt.
2. Het eerste middel
Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij wegens ‘gederfd levensonderhoud’ geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert niet zonder meer begrijpelijk is en/of dat art. 6 EVRM niet noopt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering, eveneens niet zonder meer begrijpelijk is.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij van 23 oktober 2019 met bijlagen. Dit formulier houdt onder meer in:
De bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde toelichting houdt onder meer in:
“Materiele schade
Wijlen [slachtoffer] was de kostwinner thuis. De holding van [slachtoffer] was gezond. Jaarlijks werd een salaris van 90.000,-- (bruto) uitgekeerd. Hij had een goede naam binnen de vertaalwereld en hij had alle mogelijkheden om in de toekomst een goede onderneming te drijven. Als bijlage 1 wordt een schematisch overzicht gegeven van de structuur van [B] en de onderliggende holdings alsmede het management fee en het salaris. Als bijlage 2 worden de jaarrekening van [A] B.V. over het jaar 2017 alsmede de jaarrekening van [B] B.V. 2017 overgelegd. Als bijlage 3 wordt de jaaropgave alsmede enkele salarisspecificaties van wijlen [slachtoffer] overgelegd. Als bijlage 4 wordt de stamrecht (lijfrente) overeenkomst overgelegd.
(…)
Gederfd levensonderhoud (op grond van artikel 51f lid 2 Sv jo artikel 6:108 lid 1 BW)
Als bijlage 6 wordt een door [de financieel adviseur] opgestelde berekening (met onderliggende bijlagen 6 a) van het inkomensverlies, ontstaan door het overlijden van [slachtoffer] , overgelegd. Bij de berekening van de overlijdensschade is aansluiting gezocht bij de rekenmethode van de letselschade raad (bijlage 7), gebaseerd op de notitie Denktank overlijdensschade.
Bij de berekening van het gederfd levensonderhoud wordt als uitganspunt genomen het netto gezinsinkomen zonder overlijden. Vervolgens wordt rekening gehouden met de ‘besparing’ van kosten op dit gezinsinkomen door het wegvallen van een volwassene.
Op basis van onderzoek verricht door het NIBUD naar het verbruik van een volwassene binnen het gezin, en daaraan gekoppeld welke uitgaven voor het gezin (dus) wegvallen als een volwassene overlijdt, is een tabel opgesteld om deze Weggevallen Normatieve Uitgaven vast te stellen. Dit onderzoek wordt periodiek herhaald en geactualiseerd. De betreffende tabel wordt weergegeven op pagina 9 van de letselschade richtlijn Rekenmodel overlijdensschade (bijlage 7).
Door het overlijden weggevallen uitgaven van de overledene komen in mindering op het netto besteedbare gezinsinkomen ter bepaling van de behoefte aan levensonderhoud.
In het kort ziet de rekenmethode er als volgt uit:
1. Het netto gezinsinkomen zonder overlijden (ZO) wordt verminderd met een vastgesteld percentage dat afhankelijk is van het gezinsinkomen, het aantal gezinsleden en de leeftijd van de kinderen zonder overlijden (weggevallen normatieve uitgaven = WNU).
2. Het netto gezinsinkomen met overlijden wordt verhoogd met andere weggevallen uitgaven (WU) en wordt verminderd met bijgekomen uitgaven (BU).
3. Het verschil tussen uitkomst van 1 en van 2 vormt de jaarschade.
Bij de berekening is voorts rekening gehouden met de gemiddelde leeftijd van de Nederlandse man aan de hand van de cijfers van het CBS. Tevens is bij de begroting van de toekomstschade gekapitaliseerd overeenkomstig de gangbare praktijk, rekening houdend met rendement en inflatie (bijlage 8).
Conform de berekeningen van de fiscalist (bijlage 6) komt het gederfd levensonderhoud op een bedrag van € 339.345,-- (in de berekening worden de uitgangspunten vermeld).”
Het hof heeft de zaak – na terugwijzing door de Hoge Raad – ter terechtzitting van 14 april 2025 behandeld. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt mede dat na de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden het thans alleen nog gaat om een beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij.
(…)
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Er is een management fee uitgekeerd, de afspraak was om het gelijk te houden. Het betrof een bedrag van € 9.000,-. De management fee ging vanuit de werkonderneming naar de holding.
Op een vraag van de voorzitter deelt de benadeelde partij mede dat zij geen uitkering uit de stamrechtovereenkomst heeft ontvangen.
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
U vraagt of uit de stamrechtverplichting een uitkering gedaan is. Daar werd zojuist nee op gezegd, maar ik leg uit hoe dat in elkaar zit. We zijn begonnen als VOF. In 2001 werd ons geadviseerd om dat om te zetten naar een BV-structuur. Normaal moet je dan een fors bedrag aan de belastingdienst betalen, maar dat kun je voorkomen door er een stamrechtverplichting van te maken. De verplichting is dan om maandelijks aan de leden een uitkering te doen. Dat vond plaats van 2001 tot 2018. Ook daarna heeft deze verplichting nog bestaan, zeker nog anderhalf jaar, ondanks dat de bedrijfsactiviteiten waren gestopt. Er zijn afspraken gemaakt met [de financieel adviseur] , de fiscalist van [benadeelde] , en met de belastingdienst. De uitkering bleef totdat het saldo 0 (nul) was. Daarna kan je de BV opheffen. Tot die tijd is de betaling doorgegaan.
De voorzitter merkt op dat de verdachte blijkt geeft er verstand van te hebben en dat dat ook in de lijn van de verwachting lag, nu hij immers belast was met de administratieve en boekhoudkundige taken.
De verdachte reageert dat hij de commerciële man was.
De voorzitter stelt vervolgens de berekening van het gederfde levensonderhoud, bijlage 6 bij de vordering benadeelde partij, aan de orde en merkt op dat bepaalde bedragen worden betwist door de verdediging.
De voorzitter deelt mede dat het hof – in het licht van de betwisting door de verdediging – op de volgende posten een nadere toelichting van de (advocaat van de) benadeelde partij wenst:
a. Verdiencapaciteit: hoe aannemelijk is het dat tot de pensioendatum jaarlijks een bedrag van € 19.000 zou zijn uitgekeerd, in aanmerking dat er over 2016 en 2017 een negatief resultaat was?
b. Wat zou de verdiencapaciteit van het slachtoffer zijn geweest indien de BV zou ophouden te bestaan en hij ander werk zou hebben moeten zoeken?
De raadsman van de verdachte deelt mede:
Op die vragen wil ik ook graag een antwoord. Daar komt nog het volgende bij. Bij de berekening van het netto consumptief inkomen zonder overlijden is de winst uit de B&B op 0 (nul) gesteld. De B&B was net geopend. Op basis van internetbronnen heb ik gezien dat deze nog bestaat. In de situatie na overlijden zie ik die post niet terugkeren. Mijn stelling is, zo zal ik bij pleidooi toelichten, dat van belang is om te weten wat het inkomen is uit de B&B. Verder heb ik gesignaleerd dat het AOW-pensioen van [benadeelde] in de berekening zowel voor als na overlijden op hetzelfde bedrag is gesteld, terwijl een alleenstaande een hogere AOW-uitkering ontvangt. De oudste raadsheer vraagt mij of ik nog andere cijfers betwist. Ik zal bij pleidooi de gestelde levensverwachting betwisten.
Teneinde de advocaat van de benadeelde partij in de gelegenheid te reageren op de door het hof en door de raadsman opgeworpen punten, onderbreekt het hof vervolgens het onderzoek. Na vijftien minuten wordt het onderzoek hervat en geeft de voorzitter het woord aan de advocaat van de benadeelde partij.
De advocaat van de benadeelde partij deelt mede:
Wat betreft de verdiencapaciteit: Uit het resultaat over 2016 en 2017 blijkt dat dat minder goede jaren waren. Er waren wel vaker schommelingen. Vertalers hebben het nu zwaar gelet op de vergoedingen die er zijn. Er bestond geen reden om te betwijfelen dat het uiteindelijk weer goed zou gaan. [slachtoffer] had een goed netwerk en was een goede vertaler. Er was geen reden om te denken dat hij niet een salaris om en nabij, misschien hetzelfde, zou hebben als waar in de berekening van wordt uitgegaan. Als de BV was gestopt en hij weer vertaler was geworden of gebleven, was er geen reden om te betwijfelen dat hij dat inkomen kon genereren.
Wat betreft de B&B: De vraag is of het uitmaakt wat [benadeelde] verdient met de B&B. [benadeelde] zegt dat ze op dit moment veel meer moet doen in de B&B dan ze ooit had gedacht en zou willen. Nu werkt ze 70-80 uur in de week tegen € 8.000 bruto per jaar. Ik hoor de raadsman van de verdachte vragen of het inkomen uit de B&B met stukken kan worden onderbouwd. Dat kan ik, met de jaarrekeningen van de B&B over de afgesloten boekjaren 2021 en 2022.
Wat betreft de AOW: Die vraag kan ik niet beantwoorden. Het zou hooguit een paar honderd euro per maand schelen.
De voorzitter stelt de advocaat van de benadeelde partij in de gelegenheid de vordering toe te lichten. Hij voert het woord overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities. In aanvulling op zijn pleitnotities deelt hij mede:
De verdediging stelt dat wij geen deskundige mogen inschakelen, maar het staat een ieder vrij om informatie te verzamelen. De fiscalist is geen deskundige in de zin van het Wetboek van Strafvordering, maar iemand die wij hebben ingeschakeld ons te helpen. Dat heeft [benadeelde] geld gekost, want dat valt buiten de toevoeging. Ik ben weliswaar gespecialiseerd slachtofferadvocaat, maar maak niet zelf de berekening die aan de vordering ten grondslag ligt. Ik ken ook maar weinig slachtofferadvocaten die zo'n berekening zelf maken. In bijna alle zaken schakelen wij daarvoor mensen in en daarvoor worden kosten gemaakt. Ik heb de verdediging aangeboden om vragen te stellen en die door onze fiscalist te laten beantwoorden, maar de verdediging wenste hier geen gebruik van te maken.
Wat betreft de schokschade: ik persisteer bij het gevorderde bedrag van € 10.000. In de jurisprudentie is tussen de € 10.000 en € 20.000 inmiddels een gangbaar bedrag.
De notariskosten zijn terecht afgewezen.
De raadsman van de verdachte deelt desgevraagd door de voorzitter mede dat de stukken als voldoende voorgehouden kunnen worden beschouwd.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities. In aanvulling op de pleitnotities deelt hij mede:
Ik refereer mij aan de beslissing van het hof over andere punten dan de gederfde kosten van levensonderhoud. De advocaat van de benadeelde partij zegt dat ik geen gebruik heb gemaakt van zijn aanbod om hun fiscalist eventuele vragen te laten beantwoorden. Ik heb inderdaad bedankt voor dat aanbod; het stellen van vragen aan een door de benadeelde partij ingeschakelde fiscalist biedt onvoldoende waarborgen. De verdediging wil een eigen deskundige kunnen raadplegen voor een tegenonderzoek.
De verwachtingen rondom de bestaanszekerheid van een vertaalbureau staan onder druk van de ontwikkelingen op het gebied van AI. Met de vervanging van vertalers door AI zouden de veronderstelde verdiensten van de onderneming lager moeten worden ingeschat. Vertalers krijgen tegenwoordig ook een lagere vergoeding dan vroeger.
Wat betreft de inkomsten uit de B&B geldt dat hoe hoger deze zijn, hoe lager de gederfde inkomsten zijn, omdat het in de berekening gaat om het gezinsinkomen.
De voorzitter merkt op dat de e-maiIcorrespondentie tussen de advocaat van de benadeelde partij en de raadsman van de verdachte geen deel uitmaakt van het dossier.
De advocaat van de benadeelde partij overlegt – met instemming van de raadsman van de verdachte – de betreffende e-mailcorrespondentie aan de griffier, alsmede de jaarrekeningen van de B&B over de afgesloten boekjaren 2021 en 2022. Deze stukken worden in het dossier gevoegd.
De advocaat van de benadeelde partij deelt op vragen van het hof mede:
De ontwikkelingen op het gebied van AI betekenen misschien dat er minder behoefte is aan vertalers, maar biedt misschien ook kansen aan bedrijven die AI-vertaalapplicaties kunnen bouwen. De verwachting was dat de onderneming in 2018 een wat zwaardere periode zou hebben, maar er was vertrouwen dat het over één tot twee jaar weer beter zou gaan. Daar was geen aanwijsbare reden voor, het ging altijd een beetje op en neer.
De advocaat van de benadeelde partij wordt door de voorzitter in gelegenheid gesteld andermaal het woord te voeren. Hij deelt mede:
Er heeft vandaag voldoende partijdebat plaatsgevonden. We kunnen vertrouwen op de rekenmethode, waarbij over bepaalde posten discussie bestaat. Subsidiair verzoek ik het hof schattenderwijs twee derde van het gevorderde bedrag toe te kennen.
De verdachte verklaart op vragen van de jongste raadsheer:
U vraagt mij of ik wil reageren op hetgeen mr. Boonen zojuist heeft gezegd. Er zijn altijd ongrijpbare factoren op economisch en personeel gebied die maken dat het met een onderneming minder kan gaan. We hebben het heel lang heel erg goed gehad. Een aantal jaren ging het wat minder, dat had sterk te maken met één grote cliënt die besloot zijn werk in het buitenland onder te brengen. We zijn een poosje bezig geweest dat te compenseren. Wat er nu gebeurt met AI is wel een ding.”
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 april 2025 is door de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang (en met weglating van voetnoten), het volgende in:
“Inleidende opmerkingen
4. Wat betreft de vordering tot schadevergoeding als gevolg van gederfd levensonderhoud het volgende. Er is het afgelopen decennium vaak kritiek geuit op het gegeven dat de Hoge Raad zich nogal rigide is gaan richten op de (in zijn eigen visie) twee belangrijkste kerntaken – te weten het bewaken van de rechtseenheid en de bevordering van de rechtsontwikkeling –, waardoor de effectuering van zijn derde kerntaak – namelijk het bieden van rechtsbescherming – naar de achtergrond is verdwenen.
5. Voorzichtig signaleer ik dat hierin met de recente jurisprudentie omtrent vorderingen tot schadevergoeding als gevolg van gederfd levensonderhoud, een zekere kentering teweeg lijkt te zijn gebracht. Sinds de onderhavige zaak is door de Hoge Raad een reeks van arresten gewezen, waarin Hof-beslissingen op dit punt – nota bene steeds contrair aan de conclusie AG – gecasseerd zijn. Het perspectief van de verdachte is in die arresten leidend gemaakt.
6. Ik beschouw dát in ieder geval als een duidelijke trendbreuk ten opzichte van het ‘Overzichtsarrest vordering benadeelde partij’ uit 2019, waarin juist de belangen van het slachtoffer meer centraal werden gesteld. De bedoeling van dat overzichtsarrest was immers te voorkomen dat de strafrechter vaker dan noodzakelijk een vordering niet-ontvankelijk zou verklaren. Of er per se een correlatie bestaat weet ik niet zeker, maar vaststaat wél dat de gevorderde en toegekende schadevergoedingen sinds dat overzichtsarrest aanzienlijk hoger en ook complexer zijn geworden. Het is daarom goed dat de Hoge Raad vanuit zijn rechtsbeschermende taak op de rem heeft getrapt.
Duiding jurisprudentie Hoge Raad
7. Want ‘rechtsbescherming’ is toch wel de rode draad die loopt door de bedoelde arrestenreeks waarvan het arrest in de onderhavige zaak deel uitmaakt.
8. De Hoge Raad wijst daarin in de eerste plaats meer algemeen op het ontbreken van de civielrechtelijke proceswaarborgen bij de beoordeling van vorderingen BP in de strafprocedure (r.o.v. 3.3.2). Wegens de strafrechtelijke context van de procedure is immers het niet mogelijk om het geheel aan civielrechtelijke proceswaarborgen in te passen, bijvoorbeeld die op het gebied van hoor en wederhoor (artikel 19 Rv), het partijdebat en het leveren van bewijs en tegenbewijs (artikel 149 en 150 Rv).
9. Voor dit aspect was ook in onze cassatieschriftuur aandacht gevraagd. Het bepaalde in artikel 334 lid 1 Sv brengt immers met zich mee dat de verdachte in de strafprocedure geen getuigen of deskundigen kan aanbrengen ter betwisting van de vordering BP. Dat staat op gespannen voet met artikel 6 lid 1 EVRM. Deze beperking van de mogelijkheden die de civiele procedure wél biedt, dwingt er dan ook toe dat de strafrechter zeker moet zijn dat beide partijen – desondanks – in de gelegenheid zijn geweest om hun standpunten over de toewijsbaarheid en de toelaatbaarheid van de vordering benadeelde partij afdoende naar voren te brengen, zeker wanneer het gaat om substantiële vorderingen van complexe aard. Meer concreet verwoordt: vastgesteld zal moeten kunnen worden dat de verwerende partij ook zonder nader onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van het horen van getuigen of het raadplegen van deskundigen, voldoende mogelijkheden heeft gehad om de vordering genoegzaam te betwisten.
10. Dat klemt volgens de Hoge Raad temeer bij vorderingen van nabestaanden tot vergoeding van gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108 lid 1 BW (r.o.v. 3.3.3). Hiervoor geldt immers dat de hoogte daarvan zal moeten worden begroot aan de hand van een aantal onzekere factoren, waaronder de verwachtingen omtrent de inkomsten die het slachtoffer en de nabestaande(n) in de toekomst zouden hebben genoten als het strafbare feit niet had plaatsgevonden en de verwachtingen omtrent de toekomstige inkomsten van de nabestaande in de door dit feit veroorzaakte situatie. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Omdat het hierbij gaat om informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt, is het voor de verdediging in de regel moeilijk om haar betwisting van deze feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing (bijvoorbeeld dus door nader onderzoek door een onpartijdige deskundige).
11. Dit perspectief van de Hoge Raad op de verdedigingsrechten wordt niet alleen ingegeven door de aldus bestaande disbalans tussen het straf- en civiele proces, maar ook door de ingrijpende consequenties die hoge schadevorderingen en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregelen voor de verdachte kunnen hebben. Dat zien we terug in r.o.v. 3.3.4 van het arrest in de onderhavige zaak.
12. Die consequenties zijn overigens niet alleen financieel van aard. Bij niet of niet tijdig betalen, kan immers de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden gijzeling ten uitvoer worden gelegd. Juist bij dit soort hoge vorderingen – gedaan in zaken waarin niet zelden ook lange gevangenisstraffen zijn opgelegd – is niet ondenkbeeldig dat de veroordeelde niet (volledig) kan betalen en dus het risico op extra vrijheidsbeneming met zich meedraagt. Die potentiële, ingrijpende consequenties, mogen niet uit het oog worden verloren als het gaat om een adequate vaststelling van de werkelijke schade van een benadeelde partij.
De vordering
13. In het licht van het voorgaande verzoek ik uw Hof om de vordering van de benadeelde partij strekkende tot vergoeding van gederfd levensonderhoud niet-ontvankelijk te verklaren. Vastgesteld moet worden dat deze vordering teveel leunt op onzekere factoren die nader onderzoek behoeven. Bovendien geeft de vordering er blijk van onvoldoende rekenschap te hebben gegeven van andere factoren die van invloed zijn op de (verwachte) inkomsten die het slachtoffer en de nabestaande in de toekomst zouden hebben genoten. Dit laatste brengt met zich mee dat de vordering onvoldoende onderbouwd is, terwijl [verdachte] voor het overige in staat moet worden gesteld om via getuigen- en deskundigenbewijs de vordering nader te betwisten. Behandeling van de vordering door de civiele rechter is daarom aangewezen. Daarbij is in het bijzonder het volgende van belang.
Onzekere factoren waarvan nader onderzoek noodzakelijk is
14. In de vordering wordt bij de berekening tot uitgangspunt genomen het jaarsalaris dat [slachtoffer] laatstelijk uit zijn holding haalde. Die holding werd echter gevoed door omzet uit [B] B.V. (hierna: ‘ [B] ’). Vaststaat dat [B] reeds in de jaren vóór 2018 verlies maakte. Uit de jaarrekening 2017 blijkt dat [B] in 2016 een negatief resultaat noteerde van ruim € 17.000; in 2017 was het negatieve resultaat opgelopen naar bijna € 20.000. Ook uit bevindingen van de recherche in het strafdossier blijkt dat de financiële situatie van [B] deplorabel was. Zelfs ondanks het vertrek van een loondienstwerker was sprake van een sterke afname van de liquiditeit van [B] . De omzetprognose over 2018 liet voorts een verdere daling zien ten opzichte van de jaren daarvoor, zodat – in de woorden van de recherche – “de financiële problemen alleen maar groter waren geworden”.
15. Terecht oordeelde de rechtbank in eerste aanleg dan ook dat gelet hierop "onzeker is of het inkomen dat deze vennootschap via [A] B.V. aan het slachtoffer uitbetaalde, ook in de toekomst zou kunnen worden uitbetaald” en dat "[d]e beantwoording van onder meer die vraag (...) nader (deskundigen)onderzoek [vergt] dat het bestek van deze strafprocedure te buiten gaat".
16. Daar komt bij dat moet worden aangenomen dat de ontwikkelingen op Al-gebied, de reeds slechte financiële situatie van [B] – en daarmee die van [A] B.V. – al snel de definitieve nekslag zouden hebben gegeven. Wellicht was deze ontwikkeling ten tijde van het opstellen van de vordering nog niet goed te bevroeden, maar met de kennis van nu is dit aspect in ieder geval ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Niet alleen de opdrachten, maar ook de tarieven binnen de vertaalsector zijn sinds 2022 flink gekelderd als gevolg van de snelle opkomst van Al. In 2024 leidde dit tot een hausse aan faillissementen.
17. Het is dus een utopische gedachte dat [slachtoffer] ook in 2018, laat staan in de jaren daarna, bijna een ton aan inkomsten uit [B] zou hebben kunnen halen. Veel meer in de rede ligt dat [B] binnen afzienbare tijd failliet zou zijn gegaan en dat [slachtoffer] een andere bron van inkomsten had moeten vinden. Naar de ‘levensverwachting’ van [B] zal dus ook nader onderzoek moeten worden gedaan, alsook naar de vraag wat omscholing van [slachtoffer] (op zijn leeftijd) had betekend voor zijn baankansen en verdiencapaciteiten.
Andere factoren die van invloed zijn
Winst uit onderneming [C]
18. Verder moet worden vastgesteld dat in de voorliggende berekening een aantal factoren onbenoemd blijft, die onmiskenbaar wel van invloed (kunnen) zijn op (de hoogte van) de vordering.
19. Ik wijs er in de eerste plaats op dat in de berekening van het ‘netto consumptief inkomen zonder overlijden’ een post staat opgenomen die luidt ‘winst uit onderneming [C]’. Dit betreft een Bed & Breakfast die per 1 augustus 2018 door de familie [...] is geopend. Aan deze post is in de berekening omtrent de situatie ‘zonder overlijden’ geen getal verbonden. In de berekening van het ‘netto consumptief inkomen na overlijden’ keert de post ‘winst uit onderneming [C] ’ echter in het geheel niet terug, terwijl uit openbaar toegankelijke (internet)bronnen blijkt dat de benadeelde de B&B sindsdien nog altijd exploiteert en op veel klandizie kan rekenen.
20. We moeten dus vaststellen dat een deel van het inkomen van de benadeelde niet in de berekening is meegenomen, terwijl bij gebreke van inzicht in de omvang van dit inkomensdeel evenmin duidelijk is welke invloed bijtelling van deze post op de hoogte van de schade uitoefent.
21. Dát de weglating van de post van inkomsten uit de B&B van invloed is op de hoogte van de gestelde schade, staat evenwel vast. Stel dat het netto-inkomen uit de B&B in (bijvoorbeeld) het jaar 2022 € 10.863 zou zijn geweest, dan zou het gezinsinkomen zonder overlijden op precies € 60.000 uitkomen (€ 49.137 plus € 10.863). Het gezinsinkomen ná overlijden zou dan op € 28.369 moet worden gesteld worden. Bij een gezinsinkomen van € 60.000 bedragen de normatieve uitgaven die na overlijden wegvallen 21,7% van dat inkomen. Dat is dus € 13.020. De inkomensbehoefte van het gezin is dan € 46.980. Van dat bedrag moeten de inkomsten ná overlijden worden afgetrokken, waarmee de schade zou uitkomen op (46.980 - 28.369 =) € 18.611. Met andere woorden, het schadebedrag is in dat jaar ongeveer € 1.300 lager dan nu is becijferd. Het schadebedrag is nu immers gesteld op € 19.990 (zie bijlage 6 bij de vordering, p. I).
22. Nog een voorbeeld. Stel dat de B&B in 2022 goed draaide en € 46.863 opleverde. Dan zou het netto gezinsinkomen zonder overlijden € 96.000 zijn (€ 49.137 plus € 46.863), en ná overlijden € 64.369. De normatieve uitgaven die wegvallen zijn dan 18,5%, oftewel € 17.760. Er blijft in dat geval dus € 78.240 over. Trek daar weer de inkomsten ná overlijden van af (in het fictieve voorbeeld dus € 64.369), en er blijft € 13.871 over. Dat is dan het schadebedrag. Het schadebedrag is daarmee bijna € 6.000 lager dan in de thans voorliggende berekening, dat nu immers gesteld is op € 19.990 (zie opnieuw bijlage 6 bij de vordering, p. I).
23. Anders gezegd: hoe hoger de inkomsten uit de B&B-onderneming, hoe lager het bedrag aan gederfd levensonderhoud wordt in de berekeningswijze die de benadeelde partij hier voorstaat. Dat B&B-inkomen is thans echter niet verwerkt in de vordering. Zonder inzicht in de boeken van de B&B kan er aldus ook in zoverre niet afdoende verweer worden gevoerd op deze punten.
Levensverwachting in relatie tot gezondheidsrisico’s
24. Voorts rijst nog de vraag of de aangenomen levensverwachting, gebaseerd op CBS-cijfers, in dit concrete geval wel aannemelijk is. Uit het strafdossier blijkt dat [slachtoffer] met gezondheidsproblemen kampte. Hij slikte antidepressiva en nam medicatie voor een hoge bloeddruk. Daarom kan niet zonder meer worden aangenomen dat voor de vaststelling van de levensverwachting kan worden aangehaakt bij het landelijk gemiddelde. Ook hier is nader onderzoek noodzakelijk. De vraag is welke invloed de van [slachtoffer] bekende gezondheidsproblemen op zijn concrete levensverwachting zou hebben gehad. Dat kan alleen een (medisch) deskundige beoordelen.
AOW-pensioen verkeerd becijferd
25. Voorts merk ik (ten overvloede) nog op dat in de thans voorliggende berekening de post AOW als pensioeninkomen van de benadeelde partij, zowel in het scenario met als zonder overlijden, dezelfde grootte heeft. Dit miskent evenwel dat de AOW-uitkering voor een alleenwonende hoger is dan in het geval er een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Daardoor wordt de schade door overlijden aldus te hoog ingeschat. De benadeelde partij gaat er qua AOW-pensioen immers (individueel) op vooruit na overlijden van haar partner. Ook in zoverre behoeft de voorliggende berekening bijstelling.
(…)
Uitleiding
29. Nog enkele opmerkingen ter uitleiding. De aanvaardbaarheid van een rekenmethode brengt nog niet mee dat ook de uitkomsten daarvan aanvaardbaar zijn als niet is vastgesteld dat de eenzijdig aan de berekening ten grondslag gelegde gegevens aanvaardbaar zijn, zo verwoordde de Hoge Raad het treffend. De onderhavige casus bewijst inderdaad het gelijk van die overweging.
30. In aanvulling op die overweging past de vaststelling dat ook de opstellers van Letselschade Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade, waarop de benadeelde partij zich baseert, niet pretenderen dat hun eigen methode onfeilbaar is. Weliswaar achten zij deze Richtlijn toepasbaar op een groot deel van de overlijdensschadezaken, maar zij onderkennen tegelijkertijd dat in geval van bijzondere omstandigheden, de schade concreet zal moeten worden vastgesteld. Die concrete toepassing moet in deze zaak, met alle onzekerheden waarover thans geen uitsluitsel kan worden geboden, dus aan de civiele rechter worden overgelaten.”
Het bestreden arrest van het hof van 14 mei 2025 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Het oordeel van het hof
Materiële schade
De wet geeft nabestaanden op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor wat betreft materiële schade aanspraak op kosten van gederfd levensonderhoud en kosten van lijkbezorging. Schade die het gevolg is van het overlijden van een naaste komt buiten deze in artikel 6:108 BW genoemde schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking.
- Gederfd levensonderhoud
De benadeelde partij vordert vergoeding van gederfd levensonderhoud tot een bedrag van € 339.345,00.
De verdediging heeft primair aangevoerd dat de berekening van het gederfde levensonderhoud te complex is en dat de benadeelde partij ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 23 april 2024 aandachtspunten geformuleerd voor de beoordeling van vorderingen tot schadevergoeding in het strafproces in het algemeen, en tot vergoeding van gederfd levensonderhoud in het bijzonder. Deze luiden als volgt.
Dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, brengt mee dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen. Gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de partijen voor het naar voren brengen en onderbouwen van hun stellingen, vergt deze verplichting doorgaans geen zelfstandige aandacht (in de motivering) van de strafrechter, maar dat kan onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als het gaat om een substantiële vordering van complexe aard waarvan de omvang zich niet eenvoudig laat vaststellen.
Waar het gaat om een vordering van een nabestaande tot vergoeding van gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek geldt dat de hoogte daarvan zal moeten worden begroot aan de hand van een aantal onzekere factoren, waaronder de verwachtingen omtrent de inkomsten die het slachtoffer en de nabestaande(n) in de toekomst zouden hebben genoten als het strafbare feit niet had plaatsgevonden en de verwachtingen omtrent de toekomstige inkomsten van de nabestaande in de door dit feit veroorzaakte situatie. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten, betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of en tot welk bedrag de benadeelde partij schade heeft geleden door gederfd levensonderhoud, in hoge mate afhankelijk is van een veelheid van – deels onzekere – feiten en omstandigheden waarvan het stellen en onderbouwen op de weg ligt van de benadeelde partij. Omdat het hierbij gaat om informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt, kan het voor de verdediging moeilijk zijn haar betwisting van deze feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing.
Verder geldt ook in zaken over een vordering tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud dat de (...) genoemde beperkingen van het strafproces doorgaans meebrengen dat de strafrechter – op het moment dat het onderzoek op de terechtzitting naar het tenlastegelegde strafbare feit is afgerond – geen ruimte ziet om zijn einduitspraak op te schorten, bijvoorbeeld om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen over de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij nader te onderbouwen of daarover nader onderzoek door een onpartijdige deskundige te laten plaatsvinden, zonder daarmee het strafproces onevenredig te belasten.
Ten slotte is in dit verband van belang dat de benadeelde partij zich bij het geldend maken van haar vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud kan voorzien van (gefinancierde) rechtsbijstand die (mede) gespecialiseerd is in de begroting en behandeling van die aanspraak. Deze gespecialiseerde bijstand en een gelijkwaardige mogelijkheid tot financiering daarvan ontbreekt in veel gevallen aan de zijde van de verdediging.
Tegen deze achtergrond vraagt de onder 3.3.2 genoemde verplichting van de strafrechter aandacht waar het gaat om schadevergoedingsvorderingen van nabestaanden voor gederfd levensonderhoud, mede omdat het in die gevallen kan gaan om zeer hoge vorderingen waarvan de toewijzing en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingrijpende consequenties voor de verdachte kunnen hebben. In die gevallen mag van de strafrechter worden verwacht dat hij er blijk van geeft, rekening houdend met de onder 3.3.3 genoemde bijzonderheden van het partijdebat over zo'n vordering, te hebben beoordeeld of beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan de zijde van de verdachte niet zo is, of het eigen onderzoek van de rechter naar de toewijsbaarheid van de vordering daarvoor voldoende compensatie biedt.
Met inachtneming van deze door de Hoge Raad geformuleerde aandachtspunten, heeft het hof de vordering van de benadeelde partij uitvoerig besproken op de terechtzitting van 14 april 2025. Daarbij heeft het hof eigen onderzoek verricht, in die zin dat het de (advocaat van de) benadeelde partij heeft bevraagd over diverse aspecten van de vordering. Ook de verdediging is daartoe in de gelegenheid gesteld. Er heeft vervolgens uitgebreid partijdebat plaatsgevonden, in twee termijnen. Het hof is van oordeel dat zowel de verdediging als de benadeelde partij in voldoende mate in de gelegenheid is geweest stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van de vordering genoegzaam naar voren te brengen. Van belang daarbij is dat de aan de berekening van de vordering (hierna: de berekening) ten grondslag gelegde gegevens voornamelijk de jaarrekeningen van de onderneming [B] B.V. betreffen. Dat zijn gegevens die zich óók in het domein van de verdachte bevinden. [B] B.V. was immers de gezamenlijke onderneming van het slachtoffer en de verdachte, zodat deze gegevens voor de verdachte beschikbaar en bekend waren. In zoverre was er dus geen beletsel voor de verdediging om inhoudelijk op de vordering te reageren. Dat dat beletsel er ook overigens niet was, blijkt uit de wijze waarop de verdediging de toewijsbaarheid van de vordering heeft betwist; namelijk op detailniveau en met eigen berekeningen. Ook de verdachte zelf heeft er door hetgeen hij ter terechtzitting in reactie op de stellingen van de advocaat van de benadeelde partij naar voren heeft gebracht, blijk van gegeven goed te begrijpen waarover het gaat en zich daartegen te kunnen verweren. Daarbij komt nog het volgende. Uit ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde e-maiIcommunicatie blijkt dat de advocaat van de benadeelde partij op 28 februari 2025 de verdediging heeft aangeboden om vragen over de berekening te stellen aan de door de benadeelde partij ingeschakelde fiscalist en desgewenst nadere informatie te versturen "om een beter c.q. completer beeld te krijgen van de (onderbouwing van de) vordering". De verdediging heeft te kennen gegeven van dit aanbod geen gebruik te hebben willen maken. Voor zover de berekening voor de verdediging onduidelijkheden bevatte, of voor zover de verdediging vragen had over de daarbij gemaakte keuzes, had zij dus de mogelijkheid om de door de benadeelde partij ingeschakelde fiscalist daarover vragen te stellen. De verdediging heeft tegengeworpen daarvan geen gebruik te hebben willen maken omdat die fiscalist geen onafhankelijke deskundige is. Wat daarvan ook zij, het stond de verdediging evenzeer vrij om een eigen fiscalist aan te zoeken. Dat zou buiten het bereik van gefinancierde rechtsbijstand vallen, maar daarin verschilt de positie van de verdachte niet van die van de benadeelde partij. De benadeelde partij kan weliswaar aanspraak maken op gefinancierde en gespecialiseerde rechtsbijstand, maar het door een fiscalist doen opstellen van een dergelijke berekening valt daar buiten.
Het voorgaande betekent dat de benadeelde partij in beginsel in dit deel van de vordering kan worden ontvangen.
Het hof zal vervolgens dit deel van de vordering inhoudelijk beoordelen, in het licht van hetgeen daartegen door de verdediging als subsidiair standpunt ter betwisting is gesteld.
Het hof stelt daarbij voorop dat de verdediging de aanvaardbaarheid van de bij de berekening gebruikte rekenmethode niet – gemotiveerd – heeft betwist. Gebruik is gemaakt van de door de Letselschaderaad en de Denktank Overlijdensschade opgestelde Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade, een binnen de rechtspraak algemeen geaccepteerde rekenmethode voor de berekening van overlijdensschade. Wel heeft de verdediging de aanvaardbaarheid van meerdere aan de berekening ten grondslag gelegde gegevens betwist, te weten ten aanzien van de levensverwachting en de verdiencapaciteit van het slachtoffer, de winst uit onderneming " [C] " en de AOW-bedragen.
o Levensverwachting
Bij de berekening van de vordering is rekening gehouden met de gemiddelde leeftijd van de Nederlandse man aan de hand van de cijfers van het CBS. Het slachtoffer had een statistisch verwachte sterfteleeftijd van 82,4 jaar en aldus een resterende levensverwachting van 26,3 jaar.
De verdediging heeft aangevoerd dat het slachtoffer met gezondheidsproblemen kampte, waardoor niet zonder meer kan worden aangenomen dat voor de vaststelling van de levensverwachting kan worden aangehaakt bij het landelijk gemiddelde. Alleen een (medisch) deskundige zou kunnen beoordelen welke invloed de gezondheidsproblemen van het slachtoffer op zijn levensverwachting zou hebben gehad.
Het hof verwerpt dit standpunt. Niet is gebleken dat het slachtoffer een specifieke aandoening had die rechtvaardigt dat bij hem sprake zou zijn van een verkorte levensverwachting.
o Verdiencapaciteit, meer specifiek inkomsten uit dienstbetrekking
De verdediging heeft aangevoerd dat bij de berekening tot uitgangspunt is genomen het jaarsalaris dat het slachtoffer uit zijn holding haalde en dat deze holding werd gevoed door omzet uit [B] B.V. (hierna [B] ). Nu [B] in de jaren vóór 2018 verlies maakte en het te verwachten was dat deze inkomsten in de jaren die zouden volgen alleen maar zouden dalen, mede onder invloed van de opkomst van artificiële intelligentie, dient volgens de verdediging nader onderzoek worden gedaan naar de 'commerciële levensverwachting' van [B] , alsook naar de vraag wat eventuele omscholing van het slachtoffer (op zijn leeftijd) had betekend voor zijn baankansen en verdiencapaciteiten.
Het hof verwerpt dit standpunt en overweegt hiertoe als volgt.
Uit de aan de berekening ten grondslag gelegde jaarstukken blijkt inderdaad dat de resultaten van [B] in de jaren 2016 en 2017 slechter waren dan in de jaren daarvoor. Dat enkele feit impliceert echter niet de verwachting dat [B] vóór 2030, het jaar waarin het slachtoffer zijn pensioenleeftijd zou bereiken, failliet zou gaan of dat de financiële situatie van [B] zo penibel zou zijn, dat het jaarsalaris van zowel het slachtoffer als zijn compagnon niet meer uitgekeerd zou kunnen worden. Het hof betrekt hierbij het volgende.
De verdachte heeft zelf tijdens zijn verhoor bij de politie op 30 april 2019, over [B] verklaard: "we hebben periodes gehad waarin het minder ging en we hebben ook jaren gehad dat we veel slechter gedraaid hadden. (...) We hebben altijd gedacht... we trekken het uiteindelijk weer vlot en dat is toen ook gebeurd". Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte gezegd dat een eerdere moeilijke periode, toen een grote opdrachtgever vertrok, in de jaren daarna voldoende gecompenseerd werd.
[benadeelde] heeft tijdens haar verhoor bij de politie op 1 november 2018 verklaard dat zij weliswaar wist dat "de vertaalwereld niet florissant gaat op dit moment, (...) maar het ging nog wel". Zij stelde dat [B] medische, technische en juridische takken had, die goed liepen. Omdat dit specialistische vertaalwerk "een zaak van leven of dood" kon zijn, zag zij geautomatiseerde vertalingen hierbij niet als bedreiging voor een beëdigd vertaler, zoals haar man.
Ook de belastingconsulent van [B] , [de belastingconsulent] , is in zijn verhoor bij de politie op 23 augustus 2018 positief over [B] . Hij heeft [B] "een goed draaiend bedrijf" genoemd: "er waren natuurlijk debiteuren en crediteuren, maar het was gewoon van een gezonde situatie." [A] B.V, de holding van het slachtoffer, heeft hij "heel liquide, een super gezond bedrijf" genoemd. Het slachtoffer kreeg inkomen uit [A] B.V. en zou pensioen krijgen uit [B] . Volgens [de belastingconsulent] was het slachtoffer "bezig met een wat grotere klant die was binnengehaald. Gezien de terugval in omzet was dit prettig".
Uit bovengenoemde opinies leidt het hof af dat [B] eerder mindere periodes had gekend, dat de onderneming deze te boven was gekomen en dat meerdere betrokkenen optimistisch waren over de levensvatbaarheid van [B] , mede in aanmerking genomen dat [B] specialistisch vertaalwerk deed. In het licht daarvan is hetgeen door de verdediging is aangevoerd onvoldoende voor de conclusie dat het salaris dat het slachtoffer – via zijn holding – uit [B] haalde, niet aan de berekening ten grondslag had mogen worden gelegd. Het hof betrekt daarbij ook dat de berekening (wat betreft het salaris) ziet op een relatief beperkte periode van twaalf jaar.
o Inkomsten uit onderneming “ [C] ”
De verdediging heeft aangevoerd dat er ten onrechte geen inkomsten uit de onderneming " [C] " (hierna: de B&B) in de berekening van het 'netto consumptief inkomen na overlijden' zijn vermeld. De hoogte van de inkomsten uit de B&B is volgens de verdediging van invloed op de hoogte van de gestelde schade. Immers, aldus de verdediging, hoe hoger de inkomsten uit de B&B, hoe lager het bedrag aan gederfd levensonderhoud wordt in de berekening. De verdediging meent dat zonder inzicht in de boeken van de B&B er geen afdoende verweer kan worden gevoerd op dit punt.
Het hof overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat de benadeelde partij de B&B (een eenmanszaak) drijft en dat zij hieruit inkomsten geniet. Op de terechtzitting in hoger beroep zijn van de zijde van de benadeelde partij de jaarrekeningen van 2021 en 2022 van de B&B overgelegd. Hieruit blijkt een bruto winst van € 12.959,00 over 2020, € 10.645,00 over 2021 en € 10.973,00 over 2022.
Deze inkomsten zijn ten onrechte niet betrokken in de berekening. Het bij de berekening gehanteerde rekenmodel gaat immers uit van het totale gezinsinkomen zonder overlijden, waarvan een percentage wordt afgetrokken als 'weggevallen normatieve inkomsten', hetgeen resulteert in de inkomensbehoefte na overlijden. Het verschil tussen de inkomensbehoefte en het gezinsinkomen na overlijden, is de jaarschade. Het hof zal de inkomsten uit de B&B verdisconteren in de berekening, hetgeen resulteert in een lagere schade. Daarbij gaat het hof ervan uit dat de benadeelde partij de B&B zal drijven totdat zij pensioengerechtigd is. Voor de jaren na 2022 gaat het hof uit van een gemiddelde van de brutowinst over de jaren 2020 tot en met 2022. Ook houdt het hof er rekening mee dat de benadeelde partij over de winst uit de B&B inkomstenbelasting moet afdragen.
o AOW-pensioen
De verdediging heeft aangevoerd dat in de berekening de post AOW als pensioeninkomen van de benadeelde partij, zowel in het scenario met als zonder overlijden, dezelfde grootte heeft. Dit miskent dat de AOW-uitkering voor een alleenwonende hoger is dan in het geval er een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Als gevolg hiervan zou de schade door overlijden te hoog worden ingeschat. De benadeelde partij gaat er qua AOW-pensioen immers (individueel) op vooruit na overlijden van haar partner. In zoverre behoeft de berekening bijstelling, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Een alleenstaande ontvangt als AOW-uitkering 70% van het minimumloon; een echtpaar ontvangt ieder 50% van het minimumloon. Het hof constateert dat in de berekening de AOW-post zonder overlijden is opgenomen zowel bij het slachtoffer als bij de benadeelde partij ad € 10.307 bruto. Dat betekent dat als AOW-post na overlijden bij de benadeelde partij een bedrag ad (7/5 van 10.307 =) € 14.430 bruto zou moeten worden opgenomen in plaats van de opgenomen € 10.307. Over de resterende levensjaren na AOW-leeftijd is dus jaarlijks een bedrag van (14.430 - / - 10.307 =) € 4.123 bruto te weinig in de berekening verdisconteerd. Het hof is met de verdediging van oordeel dat in zoverre de berekening bijstelling behoeft. Het hof zal er daarbij rekening mee houden dat de benadeelde partij over het hogere bedrag aan AOW ook belasting en premies zal moeten afdragen.
o Conclusie
Het voorgaande voert het hof tot de volgende conclusie.
Het verdisconteren van de inkomsten uit de B&B in de berekening leidt tot een vermindering van het schadebedrag met € 11.000,00. Het verdisconteren van de AOW-uitkering naar de norm voor een alleenstaande leidt tot een vermindering van het schadebedrag met € 50.000,00. Het hof maakt hierbij gebruik van zijn schattingsbevoegdheid. Artikel 6:97 BW bepaalt immers dat de rechter de schade begroot "op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat". In aanmerking genomen dat het hier gaat om toekomstige schade die per definitie niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, acht het hof het passend om schattenderwijs een correctie op de berekening aan te brengen. Daarbij heeft het hof gekozen voor afgeronde bedragen, in het voordeel van de verdachte. Ook heeft het hof de in mindering te brengen bedragen niet gekapitaliseerd, nu dit een te complexe berekening zou vergen. Het achterwege laten van kapitalisatie is eveneens in het voordeel van de verdachte.
Het hof zal dus een bedrag van € 278.345,00 aan gederfd levensonderhoud toewijzen aan de benadeelde partij, zijnde rechtstreekse schade. Hetgeen meer is gevorderd zal het hof afwijzen.
In 2019 wees de Hoge Raad een overzichtsarrest met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij. De Hoge Raad overwoog in dat arrest dat met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen de wetgever heeft beoogd om binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Op die vordering van de benadeelde partij is het materiële burgerlijk recht van toepassing. De Hoge Raad wees in dat arrest echter ook op het gegeven dat het strafproces aan de verdachte en de benadeelde partij niet dezelfde processuele waarborgen biedt als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering.In voornoemd artikel is bepaald dat het de benadeelde partij niet is toegestaan om ter onderbouwing van de vordering getuigen en deskundigen aan te brengen. De verdachte is het overigens, vanuit het oogpunt van de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM en in het bijzonder het beginsel van ‘equality of arms’, evenmin toegestaan om ter bestrijding van de vordering getuigen en deskundigen aan te brengen.Dit bezwaar wordt echter, zo overwoog de Hoge Raad, in afdoende mate ondervangen door art. 361 lid 3 Sv “welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.”
In dit verband verdient opmerking dat de strafprocedure voor de benadeelde partij vaak het enige reële perspectief op schadevergoeding biedt. Zo biedt het strafproces de mogelijkheid tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr. Art. 36f lid 1 Sr bepaalt dat aan de verdachte de verplichting kan worden opgelegd om aan de staat het toegewezen bedrag aan schadevergoeding te betalen. De staat keert het bedrag vervolgens uit aan de benadeelde partij. De staat is in dat geval verantwoordelijk voor de inning en op grond van art. 6:4:20 Sv kan tegen de veroordeelde gijzeling als drukmiddel worden ingezet om betaling te bewerkstelligen. Ook de voorschotregeling biedt voor de benadeelde partij een extra waarborg voor vergoeding van de schade. In art. 6:4:2 lid 7 Sv is namelijk bepaald dat indien de veroordeelde niet binnen acht maanden nadat het vonnis of arrest onherroepelijk is geworden aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de staat het (resterende) bedrag aan de benadeelde partij uitkeert.
Het zijn mede deze bepalingen die ertoe hebben geleid dat het aantal voegingen van benadeelde partijen in het strafproces de laatste jaren een hoge vlucht heeft genomen. Er worden niet alleen meer schadevergoedingsvorderingen aan de strafrechter voorgelegd, maar de vorderingen worden ook steeds hoger en complexer. Mijn ambtgenoot Hartlief wees er eerder op dat de hoogste smartengeldbedragen inmiddels door de strafrechter worden toegewezen. Deze hoge en complexe vorderingen houden vaak verband met schade wegens verlies van verdienvermogen of gederfd levensonderhoud. Dat laatste, schade wegens gederfd levensonderhoud, is waar het eerste middel in cassatie in de onderhavige zaak om gaat.
Voor de beoordeling van het middel is het van belang om eerst nog stil te staan bij hetgeen de Hoge Raad bij de eerdere cassatieronde in zijn arrest van 23 april 2024 heeft overwogen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij in het strafproces, en in het bijzonder de schadepost wegens gederfd levensonderhoud:
“3.3.2 Dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, brengt mee dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen. Gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de partijen voor het naar voren brengen en onderbouwen van hun stellingen, vergt deze verplichting doorgaans geen zelfstandige aandacht (in de motivering) van de strafrechter, maar dat kan onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als het gaat om een substantiële vordering van complexe aard waarvan de omvang zich niet eenvoudig laat vaststellen.
Waar het gaat om een vordering van een nabestaande tot vergoeding van gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek geldt dat de hoogte daarvan zal moeten worden begroot aan de hand van een aantal onzekere factoren, waaronder de verwachtingen omtrent de inkomsten die het slachtoffer en de nabestaande(n) in de toekomst zouden hebben genoten als het strafbare feit niet had plaatsgevonden en de verwachtingen omtrent de toekomstige inkomsten van de nabestaande in de door dit feit veroorzaakte situatie. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten, betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of en tot welk bedrag de benadeelde partij schade heeft geleden door gederfd levensonderhoud, in hoge mate afhankelijk is van een veelheid van – deels onzekere – feiten en omstandigheden waarvan het stellen en onderbouwen op de weg ligt van de benadeelde partij. Omdat het hierbij gaat om informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt, kan het voor de verdediging moeilijk zijn haar betwisting van deze feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing.
Verder geldt ook in zaken over een vordering tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud dat de (...) genoemde beperkingen van het strafproces doorgaans meebrengen dat de strafrechter – op het moment dat het onderzoek op de terechtzitting naar het tenlastegelegde strafbare feit is afgerond – geen ruimte ziet om zijn einduitspraak op te schorten, bijvoorbeeld om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen over de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij nader te onderbouwen of daarover nader onderzoek door een onpartijdige deskundige te laten plaatsvinden, zonder daarmee het strafproces onevenredig te belasten.
Ten slotte is in dit verband van belang dat de benadeelde partij zich bij het geldend maken van haar vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud kan voorzien van (gefinancierde) rechtsbijstand die (mede) gespecialiseerd is in de begroting en behandeling van die aanspraak. Deze gespecialiseerde bijstand en een gelijkwaardige mogelijkheid tot financiering daarvan ontbreekt in veel gevallen aan de zijde van de verdediging.
Tegen deze achtergrond vraagt de onder 3.3.2 genoemde verplichting van de strafrechter aandacht waar het gaat om schadevergoedingsvorderingen van nabestaanden voor gederfd levensonderhoud, mede omdat het in die gevallen kan gaan om zeer hoge vorderingen waarvan de toewijzing en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingrijpende consequenties voor de verdachte kunnen hebben. In die gevallen mag van de strafrechter worden verwacht dat hij er blijk van geeft, rekening houdend met de onder 3.3.3 genoemde bijzonderheden van het partijdebat over zo'n vordering, te hebben beoordeeld of beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan de zijde van de verdachte niet zo is, of het eigen onderzoek van de rechter naar de toewijsbaarheid van de vordering daarvoor voldoende compensatie biedt.
In deze zaak heeft het hof de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van gederfd levensonderhoud integraal toegewezen en daarbij – kort gezegd – overwogen dat de benadeelde partij haar vordering heeft onderbouwd met een berekening van een fiscalist aan de hand van een geaccepteerde rekenmethode en gebruikelijke standaardbedragen, en dat de verdediging geen initiatief heeft genomen voor het laten verrichten van een tegenonderzoek. Verder heeft het hof overwogen dat de verdediging ter betwisting van de vordering slechts in het algemeen heeft gesteld dat het een omvangrijke post betreft, dat de berekening eenzijdig is opgesteld en dat er een vraagteken kan worden gezet bij het berekende jaarlijkse inkomen, nu het de laatste jaren slechter ging met het bedrijf.
Mede gelet op wat hiervoor onder 3.3.4 is overwogen, en in aanmerking genomen dat de aanvaardbaarheid van een rekenmethode nog niet meebrengt dat ook de uitkomsten daarvan aanvaardbaar zijn als niet is vastgesteld dat de eenzijdig aan de berekening ten grondslag gelegde gegevens aanvaardbaar zijn, heeft het hof daarmee zijn oordeel dat de volledige vordering tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud toewijsbaar is, ontoereikend gemotiveerd.”
De Hoge Raad heeft de deur voor substantiële vorderingen van complexe aard aldus niet dicht willen doen. Wel vraagt, volgens de Hoge Raad, bij dergelijke vorderingen de verplichting van de strafrechter om zich ervan te vergewissen dat partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen naar voren te brengen, bijzondere aandacht. Volgens annotator Smeehuijzen is dit niet verrassend. De vordering wordt immers behandeld in een procedure die niet dezelfde processuele waarborgen biedt, en dat vergt uitleg. Daarnaast nadert dit type vordering per definitie de grenzen van wat de strafprocedure aan civielrechtelijk debat kan faciliteren. Een en ander zal mogelijk meebrengen dat vaker dan voorheen de benadeelde partij geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn of haar vordering, indien de vordering substantieel is en van complexe aard. In het geval dat de strafrechter tot het oordeel komt dat de benadeelde partij kan worden ontvangen, dan worden hoge eisen gesteld aan de motivering. In de rechtspraak zal zich verder uitkristalliseren wanneer aan die motiveringsplicht is voldaan.
Dat brengt mij bij de onderhavige zaak in de tweede cassatieronde. Het eerste middel klaagt om te beginnen dat het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij – voor zover het de schadepost ‘gederfd levensonderhoud’ betreft – geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is. Daarnaast klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat art. 6 EVRM in het onderhavige geval niet noopt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij voor zover het de schadepost gederfd levensonderhoud betreft, niet zonder meer begrijpelijk is. Het middel komt – in de kern – op tegen de beslissing van het hof dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering voor zover het de schadepost ‘gederfd levensonderhoud’ betreft, terwijl de verdediging in hoger beroep een aantal specifieke onduidelijkheden heeft aangewezen in de (onderbouwing van) deze vordering, die in een civiele procedure, met alle waarborgen van dien, beter bestreden zouden kunnen worden.
De stellers van het middel voeren om te beginnen aan dat het hof “niet of op onbegrijpelijke wijze het verschil in specialisatie van rechtsbijstand heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering”, nu het heeft overwogen dat “de benadeelde partij […] weliswaar aanspraak [kan] maken op gefinancierde en gespecialiseerde rechtsbijstand, maar het door een fiscalist doen opstellen van een dergelijke berekening […] daar buiten [valt]”.
Het hof wijst erop dat uit overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat de verdediging geen gebruik heeft willen maken van het aanbod van de advocaat van de benadeelde partij om de door hen ingeschakelde fiscalist vragen te stellen over de berekening en nadere informatie te laten sturen, omdat die fiscalist geen onafhankelijke deskundige is. Het hof overweegt dat “wat daar ook van zij, het (…) de verdediging evenzeer vrij[stond] om een eigen fiscalist aan te zoeken” en dat in dat opzicht de positie van de verdachte niet verschilt van die van de benadeelde partij. Het hof heeft in dit verband overwogen: “De benadeelde partij kan weliswaar aanspraak maken op gefinancierde en gespecialiseerde rechtsbijstand, maar het door een fiscalist doen opstellen van een dergelijke berekening [ik begrijp: de berekening van gederfd levensonderhoud, D.P.] valt daar buiten.”
Uit voorgaande overwegingen volgt dat het hof er blijk van heeft gegeven rekening te hebben gehouden met de omstandigheid dat de benadeelde partij weliswaar aanspraak kan maken op gefinancierde en gespecialiseerde rechtsbijstand, maar dat het door een fiscalist (en dus niet door een gefinancierd rechtsgeleerd raadsman) doen opstellen van een berekening van gederfd levensonderhoud, zoals in deze zaak heeft plaatsgevonden, buiten het bereik van de gefinancierde rechtsbijstand valt en dus niet via die weg wordt vergoed. Dat het hof daarmee onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de verdergaande specialisatie in de advocatuur, zie ik niet. Het hof is niet onbegrijpelijk uitgegaan van de feitelijke situatie dat voor de berekening van de vordering door de advocaat van de benadeelde partij de hulp van een fiscalist is ingeroepen. Verder maakt de omstandigheid dat de Hoge Raad er in zijn arrest dat leidde tot de terugwijzing van de zaak van uitgaat dat er ook advocaten zijn die mede gespecialiseerd zijn in de begroting van vorderingen, niet dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Daarmee faalt wat mij betreft de klacht dat het hof “niet of op onbegrijpelijke wijze het verschil in specialisatie van rechtsbijstand heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering”. Daarnaast acht ik dat oordeel toereikend gemotiveerd.
Een tweede punt dat de stellers van het middel naar voren brengen, houdt verband met het ontbreken van de mogelijkheid om in de strafprocedure een onpartijdige deskundige aan te stellen. Het aanbod van de benadeelde partij om extra informatie te verschaffen en de fiscalist aanvullingen te laten geven, biedt daarvoor geenszins compensatie, “terwijl het oordeel dat het ontbreken van die civielrechtelijke waarborg niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van de vordering benadeelde partij op het punt van het gederfde levensonderhoud, niet zonder meer begrijpelijk is.”
Het hof heeft – met inachtneming van de overwegingen uit het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2024 dat leidde tot terugwijzing – overwogen dat de vordering van de benadeelde partij uitvoerig op de zitting van 14 april 2025 is besproken, dat het hof daarbij eigen onderzoek heeft verricht (in die zin dat het de advocaat van de benadeelde partij heeft bevraagd over diverse aspecten van de vordering) en dat er in twee termijnen uitgebreid partijdebat heeft plaatsgevonden. Het hof komt vervolgens tot het oordeel dat “zowel de verdediging als de benadeelde partij in voldoende mate in de gelegenheid is geweest stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van de vordering genoegzaam naar voren te brengen.” Daarbij heeft het hof niet onbegrijpelijk van belang geacht dat de aan de berekening van de vordering wegens gederfd levensonderhoud ten grondslag gelegde gegevens zich in dit geval ook in het domein van de verdachte bevonden, nu [B] B.V. de gezamenlijke onderneming van het slachtoffer en de verdachte was. Een en ander brengt mee dat er geen beletsel was voor de verdediging om inhoudelijk op de vordering te reageren. Dat dat beletsel er ook overigens niet was “blijkt uit de wijze waarop de verdediging de toewijsbaarheid van de vordering heeft betwist; namelijk op detailniveau en met eigen berekeningen”, aldus het hof. Ook de verdachte zelf heeft er blijk van gegeven goed te begrijpen waar het over gaat en zich daartegen te kunnen verweren.
Het hof heeft verder overwogen dat het de verdachte vrijstond zelf een fiscalist aan te zoeken en dat de positie van de verdachte en de benadeelde partij voor wat betreft de gefinancierde rechtsbijstand onder de gegeven omstandigheden gelijk is. Volgens de stellers van het middel miskent het hof hiermee de feitelijke verdeling van lasten. Dit zie ik anders, nu het hof zich hiermee niet uitspreekt over de mogelijkheden tot vergoeding via andere wegen. Verder acht ik ook van belang dat het hof heeft overwogen dat er een uitgebreid partijdebat heeft plaatsgevonden, de aan de berekening van de vordering ten grondslag gelegde gegevens zich eveneens in het domein van de verdachte bevinden, de verdediging de vordering tot op detailniveau en met eigen berekeningen heeft betwist en de verdachte er blijk van heeft gegeven goed te begrijpen waar het over gaat en zich daartegen te kunnen verweren. Gelet op het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk.
Voor zover door de stellers van het middel wordt aangevoerd dat het aanbod van de benadeelde partij om extra informatie te verschaffen en de fiscalist aanvullingen te laten geven geenszins compensatie biedt voor het ontbreken van de mogelijkheid om in de strafprocedure een onpartijdige deskundige aan te stellen, merk ik op dat het hof daarvan ook niet is uitgegaan. Het hof heeft weliswaar vastgesteld dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van de door de benadeelde partij geboden mogelijkheid, maar daaraan geen gevolg verbonden.
Verder voeren de stellers van het middel nog aan dat de verdediging zich op het standpunt had gesteld dat – gelet op de bevindingen van de financiële recherche en de ontwikkelingen op het gebied van AI – door een deskundige nader onderzoek moest worden gedaan naar de levensvatbaarheid van [B] B.V., maar dat het hof hier zonder nadere motivering aan voorbij is gegaan, zodat niet begrijpelijk is “dat en waarom aan de verklaringen van onder meer de nabestaande en belastingconsulent van [B] over de verleden financiële positie(s) van [B] kan worden ontleend dat [slachtoffer] ook in 2018 en in de jaren daarna bijna een ton aan inkomsten uit [B] zou hebben kunnen halen.”
Met betrekking tot de levensvatbaarheid van [B] B.V. heeft het hof overwogen dat het enkele feit dat de jaren 2016 en 2017 slechter waren dan de jaren daarvoor, niet impliceert dat de verwachting is dat [B] B.V. voor 2030 failliet zou gaan of de financiële situatie zo penibel zou zijn dat het jaarsalaris niet meer uitgekeerd zou kunnen worden. Het hof heeft zich daarbij niet enkel gebaseerd op de verklaring van [benadeelde] en op de verklaring van de belastingconsulent van [B] B.V., maar ook op de bij gelegenheid van het politieverhoor op 30 april 2019 en ter terechtzitting in hoger beroep op 14 april 2025 afgelegde verklaring van de verdachte zelf. Het hof komt vervolgens tot het oordeel dat in het licht daarvan hetgeen door de verdediging is aangevoerd onvoldoende is voor de conclusie dat het salaris dat het slachtoffer uit [B] B.V. haalde, niet aan de berekening ten grondslag had mogen worden gelegd. Daarbij heeft het hof ook betrokken dat de berekening ziet op een relatief beperkte periode van twaalf jaar. Het oordeel van het hof, dat sterk berust op waarderingen van feitelijke aard, acht ik niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. In dat oordeel ligt overigens besloten dat de gestelde ontwikkelingen op het gebied van AI evenmin tot een andersluidende conclusie leidt. Uit de door het hof aangehaalde verklaringen volgt een positief beeld omtrent de levensvatbaarheid van [B] , mede omdat [B] specialistisch vertaalwerk deed.
Voor zover de stellers van het middel klagen dat het oordeel van het hof dat het ontbreken van de mogelijkheid om een onpartijdige deskundige aan te stellen niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering niet zonder meer begrijpelijk is, deel ik dat standpunt niet. De strafrechter is – zoals onder randnummer 2.7 al is overwogen – vanwege het ontbreken van bepaalde civielrechtelijke processuele waarborgen “tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.” Het aanstellen van een onpartijdige deskundige is daar niet in alle gevallen voor vereist en zo begrijp ik het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2024 ook niet. Daarbij wijs ik er in dit verband (wederom) op dat het hof heeft overwogen dat er een uitgebreid partijdebat heeft plaatsgevonden, de gegevens zich eveneens in het domein van de verdachte bevinden, de verdediging de vordering tot op detailniveau en met eigen berekeningen heeft betwist en de verdachte er blijk van heeft gegeven goed te begrijpen waar het over gaat en zich daartegen te kunnen verweren.
Tot slot komen de stellers van het middel op tegen het oordeel van het hof dat de aan de berekening ten grondslag gelegde gegevens aanvaardbaar zijn. Zowel ’s hofs oordeel dat de betwisting door de verdediging op detailniveau heeft plaatsgevonden als ’s hofs oordeel dat de betwisting iets te maken heeft met de aanvaardbaarheid van de eenzijdig aan de berekening ten grondslag gelegde gegevens, achten de stellers van het middel onbegrijpelijk. Ik volg de stellers van het middel daarin opnieuw niet. Het hof heeft gelet op hetgeen bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting van 14 april 2025 door de verdediging is aangevoerd, zoals volgt uit de aldaar overgelegde pleitnota en het proces-verbaal van deze zitting, naar mijn mening niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de toewijsbaarheid van de vordering door de verdediging op detailniveau en met eigen berekeningen is betwist. Dat de berekeningen van de verdediging enkel betrekking hebben op de winst uit onderneming “ [C] ” en de AOW-bedragen, maken dat niet anders. Ook ten aanzien van de verwachte (toekomstige) verdiencapaciteit van het slachtoffer is namelijk op verschillende punten door de verdediging verweer gevoerd. Daarbij acht ik ook van belang dat [B] B.V. de gezamenlijke onderneming was van het slachtoffer en de verdachte, en de verdachte blijkens het proces-verbaal van de zitting belast was met de administratieve en boekhoudkundige taken. Zoals het hof overweegt, heeft de verdediging daarmee de aanvaardbaarheid van meerdere aan de berekening ten grondslag gelegde gegevens betwist, namelijk ten aanzien van de levensverwachting en de verdiencapaciteit van het slachtoffer, de winst uit onderneming “ [C] ” en de AOW-bedragen. Voor zover de stellers van het middel in dit verband nog aanvoeren dat de verdachte in detentie zat en dus geen toegang had tot de benodigde gegevens, merk ik op dat mij niet is gebleken dat dit punt door of namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd. Daarom laat ik het verder rusten.
Al met al heeft het hof zich ervan vergewist dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen. Het hof heeft daarbij eveneens rekening gehouden met de beperkingen die het strafproces kent ten opzichte van een civiele procedure. Het oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafproces oplevert en art. 6 EVRM evenmin meebrengt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
3. Het tweede middel
Het tweede middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof “dat het verdisconteren van de inkomsten uit de door de benadeelde partij uitgebate B&B leidt tot vermindering van het schadebedrag met € 11.000,00 onbegrijpelijk is, althans niet zonder meer toereikend gemotiveerd is, nu het hof aan die ‘berekening’ c.q. schatting de aanname ten grondslag heeft gelegd dat de B&B tot aan de pensioenleeftijd van de benadeelde zou worden geëxploiteerd, terwijl […] voor die aanname geen aanknopingspunt bestaat in het verhandelde ter terechtzitting.”
Voor het proces-verbaal ter terechtzitting van 14 april 2025, de aldaar door de verdediging overgelegde pleitnotities en het arrest van het hof van 14 mei 2025 verwijs ik naar randnummers 2.4 tot en met 2.6 van deze conclusie.
De bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde toelichting houdt met betrekking tot de B&B in:
“Cliënte en haar echtgenoot [slachtoffer] hebben jaren hard gewerkt om uiteindelijk hun plannen om naar het platteland te kunnen verhuizen te realiseren. Zij hadden concrete plannen. Als de kinderen het huis uit zijn dan samen op het platteland een huisje. Kort voor het overlijden van [slachtoffer] zijn zij daadwerkelijk verhuisd naar [plaats]. Zij wilde daar een B&B beginnen. Cliënte moet nu alleen en onder de huidige omstandigheden een nieuw bedrijf starten. Zij is van origine geen ondernemer. Door aanhoudende psychische moeheid functioneert cliënte niet 100 %, in een totaal nieuwe omgeving moet zij een bedrijf van de grond zien te krijgen en daarvan kunnen leven. Onmogelijk met een B&B van maar 2 kamers. Activiteiten ernaast ontplooien is lastig, een baan erbij op Dreischor (gelegen op een eiland) is praktisch onmogelijk.
Duidelijk was dat de B&B voor erbij zou zijn. Een soort hobby. Het betreft een B&B met slechts twee kamers. [slachtoffer] zou werkzaam blijven in de vertaalwereld. Het gezin was afhankelijk van zijn inkomen. Bovendien had ook cliënte een inkomen uit dienstbetrekking bij [B] B.V.. Zulks blijkt ook uit de aangifte IB 2017 (bijlage 5). Dit inkomen is met het overlijden van [slachtoffer] en opheffing van de B.V. komen te ontvallen.”
In de schriftuur wordt door de stellers van het middel aangevoerd dat de B&B een hobbyproject was en dat een hobby niet wordt opgegeven “enkel en alleen omdat de pensioengerechtigde leeftijd behaald wordt.” Verwezen wordt naar de toelichting op de vordering van de benadeelde partij waarin is opgenomen “dat de B&B voor erbij zou zijn. Een soort hobby.” Verder wijzen de stellers van het middel erop dat in de berekening van het gederfd levensonderhoud door de benadeelde partij er veertien jaren na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is meegenomen. Het oordeel van het hof dat de inkomsten uit de B&B zouden stoppen na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, hetgeen bovendien op een aanname berust waarvoor geen aanknopingspunt bestaat in het verhandelde ter terechtzitting, is aldus onbegrijpelijk.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de jaarrekeningen van 2021 en 2022 van de B&B overgelegd. Het hof heeft overwogen dat de inkomsten uit de B&B ten onrechte niet zijn betrokken in de berekening en heeft dit alsnog verdisconteerd, hetgeen resulteert in een vermindering van het schadebedrag aan gederfd levensonderhoud met € 11.000,00. Uit de overwegingen van het hof volgt verder dat het ervan uit is gegaan “dat de benadeelde partij de B&B zal bedrijven totdat zij pensioengerechtigd is.” Daarnaast volgt uit de overwegingen van het hof dat het bij het verdisconteren van de inkomsten uit de B&B gebruik heeft gemaakt van de schattingsbevoegdheid ex art. 6:97 BW, nu het hier om toekomstige schade gaat die per definitie niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Het hof is daarbij uitgegaan van afgeronde bedragen, in het voordeel van de verdachte en heeft – eveneens in het voordeel van de verdachte – de in mindering te brengen bedragen niet gekapitaliseerd.
Allereerst verdient opmerking dat het hof terecht heeft overwogen dat het hier om toekomstige schade gaat die per definitie niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Vanuit die optiek acht ik het dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof ervan uit is gegaan dat de benadeelde partij de B&B zal bedrijven totdat zij pensioengerechtigd is. Het betreft hier immers een schatting en bij gebreke van enig verweer van de zijde van de verdediging hieromtrent, acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Daarbij breng ik ook onder de aandacht dat uit het proces-verbaal ter terechtzitting volgt dat de benadeelde partij 70 tot 80 uur per week kwijt is aan de B&B, zodat het ook in dat opzicht niet voor de hand ligt dat zij de B&B na de pensioengerechtigde leeftijd zal blijven runnen. Dat de benadeelde partij in haar berekening van het gederfd levensonderhoud ook een periode van vele jaren na de pensioengerechtigde leeftijd heeft betrokken, maakt dat niet anders, nu die berekening ervan uitgaat dat de B&B geen enkele winst maakt.
Het middel faalt.
4. Het derde middel
Het derde middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 6.221,23 onder de post ‘kosten advies en rapport fiscalist/financieel adviseur’ als vergoeding voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2 aanhef en sub b BW kan worden toegewezen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
De bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde toelichting houdt met betrekking tot de kosten van de fiscalist het volgende in:
“Kosten financieel adviseur (fiscalist)
Cliënte heeft, onder andere in verband met de eigen onderneming van haar echtgenoot, een financieel adviseur in moeten schakelen. Buiten het opmaken van de jaarrekeningen en het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting en de erfbelasting, heeft de betreffende adviseur ook een berekening gemaakt ten behoeve van onderhavige vordering benadeelde partij (gederfd levensonderhoud). Als bijlage 11 worden de facturen ad € 6.221,23 van de fiscalist overgelegd.”
Bijlage 11 houdt in:
[Begeleidend schrijven van [de financieel adviseur] van 15 oktober 2019 met daarbij een overzicht van in totaal tien gefactureerde bedragen in de periode van oktober 2018 tot en met september 2019 en één nog te factureren bedrag van oktober 2019, telkens met de omschrijving “Divers advies”]
De ter terechtzitting van 14 april 2025 door de verdediging overgelegde pleitnota houdt – voor zover hier van belang (en met weglating van voetnoten) – in:
“Kosten financieel adviseur (fiscalist)
26. Wat betreft de gevorderde kosten van de fiscalist merk ik op dat in de toelichting op de vordering wordt aangegeven dat het gevorderde bedrag (grotendeels) ziet op ‘het opmaken van de jaarrekeningen en het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting en de erfbelasting’. In zoverre betreffen dit – evenals de gevorderde notariskosten – geen kosten zijn als bedoeld in artikel 6:108 BW. Het ontbreekt ook aan een andere wettelijke grondslag om deze kosten toe te wijzen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:829).
27. Uit de vordering kan voorts niet worden afgeleid hoeveel tijd er door de fiscalist is besteed aan de rapportage die ten grondslag ligt aan de berekening ten behoeve van de vordering ‘gederfd levensonderhoud’.
28. Dit alles brengt met zich mee dat de vordering op dit punt, onafhankelijk van hetgeen Uw Hof beslist ten aanzien van de post ‘gederfd levensonderhoud’, bij gebrek aan voldoende specificatie en onderbouwing, geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.”
Het hof heeft in het bestreden arrest van 14 mei 2025 met betrekking tot deze schadepost het volgende overwogen:
“ - Kosten advies en rapport fiscalist/financieel adviseur
De verdediging meent dat de vordering op dit punt, onafhankelijk van de beslissing van het hof omtrent de post gederfd levensonderhoud, bij gebrek aan voldoende specificatie en onderbouwing, geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het hof oordeelt dat de kosten ter hoogte van € 6.221,23 aan fiscalist en financieel adviseur [de financieel adviseur] zoals daarvan blijkt in de brief van 15 oktober 2019 toewijsbaar zijn als vergoeding voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW. In de gegeven omstandigheden waren de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk. Ook zijn de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk. Het hof zal dan ook het gevorderde bedrag van € 6.221,23 toewijzen.”
Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51a lid 1 Sv komen alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit als bedoeld in art. 361 lid 2 aanhef en sub b Sv en voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Indien daarvan sprake is, komen op grond van art. 6:96 lid 2 aanhef en sub b BW als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking “redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid". Daarbij kan men denken aan administratiekosten, maar ook aan de kosten die zijn gemoeid met het inschakelen van een juridisch deskundige of een schade- of expertisebureau dat bijvoorbeeld de omvang van de schade in kaart brengt. In dit verband geldt een zogenaamde dubbele redelijkheidstoets: zowel het maken van de kosten (het inschakelen van een deskundige etc.) als de omvang van de kosten moeten redelijk zijn.
In de toelichting voeren de stellers van het middel aan dat de in bijlage 11 opgenomen facturen telkens als omschrijving “Divers advies” vermelden. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep “betwist dat de (ongespecificeerde) factuur (uitsluitend) ziet op tijd besteed aan het berekenen van – kort gezegd – het gederfd levensonderhoud.” Het hof heeft de gevorderde schade op dit punt volledig toegewezen. De klacht is tweeledig. Enerzijds wordt geklaagd dat “voor zover in dit oordeel besloten ligt dat de kosten betrekking hebbende op het ‘opmaken van de jaarrekeningen’ en ‘het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting en de erfbelasting’ kosten als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b BW zijn, (…) de (integrale) toewijzing van deze post van een onjuiste rechtsopvatting [getuigt], nu zulke kosten niet dienen ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.” Anderzijds wordt geklaagd dat “voor zover het Hof gepoogd heeft uit te drukken dat die gehele factuur ziet op het opmaken van de berekening voor het gederfd levensonderhoud (…) dat oordeel onbegrijpelijk [is].”
Het hof heeft geoordeeld dat de kosten ter hoogte van € 6.221,23 van de fiscalist/financieel adviseur zoals daarvan blijkt in de brief van 15 oktober 2019 volledig toewijsbaar zijn als vergoeding voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2 aanhef en sub b BW. Daartoe overweegt het hof dat de verrichte werkzaamheden in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat ook de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn.
Noch uit de brief van 15 oktober 2019, waarnaar het hof verwijst, noch uit het daarbij gevoegde overzicht van facturen en nog te factureren bedragen volgt waarop de door de fiscalist in rekening gebrachte werkzaamheden betrekking hebben. De daarbij gevoegde facturen vermelden telkens slechts als omschrijving “Divers advies”. Daar komt bij dat in de toelichting bij deze schadepost is opgenomen dat “buiten het opmaken van de jaarrekeningen en het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting en de erfbelasting, (…) de betreffende adviseur ook een berekening [heeft] gemaakt ten behoeve van onderhavige vordering benadeelde partij (gederfd levensonderhoud).” Ik vraag me dan ook af of de facturen niet ook betrekking hebben op deze werkzaamheden. Te meer, nu het om in totaal elf facturen gaat, verspreid over één jaar tijd. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat alle facturen zien op het opstellen van de berekening voor het gederfd levensonderhoud is dit oordeel, mede in het licht van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het hof in zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de kosten die betrekking hebben op het ‘opmaken van de jaarrekeningen’ en ‘het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting en de erfbelasting’ kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en sub b BW zijn, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting.
Het middel slaagt. Nu het de tweede cassatieronde betreft, heb ik mij nog afgevraagd of de Hoge Raad de zaak op dit punt zelf zou kunnen afdoen, in die zin dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard voor wat betreft de gevorderde kosten wegens het “advies en rapport fiscalist/financieel adviseur”, zodat nu tot een finale afronding van de zaak wordt gekomen. Ik kies daar uiteindelijk niet voor, omdat dit zou meebrengen dat de benadeelde partij zich alleen nog maar tot de civiele rechter kan wenden, terwijl het strafproces – zoals ik al eerder aanhaalde – vaak het enige reële perspectief op schadevergoeding biedt en aannemelijk is dat de benadeelde partij wel degelijk kosten heeft gemaakt ten behoeve van de berekening van het gederfde levensonderhoud.
5. Slotsom
Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt.
Ambtshalve merk ik op dat het hof bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij de duur van de gijzeling heeft bepaald op ten hoogste 365 dagen. Op grond van art. 36f lid 5 Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan, omdat het feit is gepleegd vóór 25 juli 2020. De Hoge Raad kan zelf bepalen dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel gijzeling kan worden toegepast voor de duur van ten hoogste 360 dagen. Gelet op het hierna volgende voorstel tot partiële terugwijzing geef ik de Hoge Raad in overweging om deze duur ten hoogste vast te stellen op 350 dagen, zodat ook na partiële terugwijzing van de zaak nog de mogelijkheid resteert om te bepalen dat gijzeling kan worden verbonden aan een eventueel op te leggen schadevergoedingsmaatregel.
Ambtshalve heb ik verder geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot:
- vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend (i) voor zover de vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 302.448,83 en voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer is opgelegd en (ii) wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan deze schadevergoedingsmaatregel;
- tot bepaling dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen € 296.227,60 bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel tot betaling aan de staat is opgelegd voor dat bedrag;
- tot bepaling dat ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregel met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van ten hoogste 350 dagen kan worden toegepast;
- tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij van een bedrag van € 6.221,23 voor “Kosten advies en rapport fiscalist/financieel adviseur” opnieuw wordt berecht en afgedaan en
- tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG