PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01055
Zitting 9 juni 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 11 maart 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22001932-21) wegens "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood", veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren en negen maanden. Verder zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] (deels) toegewezen en het hof heeft in verband daarmee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Th.J. Kelder, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. D.J. Troost, advocaat in Rotterdam, heeft namens de [benadeelde 2] een verweerschrift ingediend.
2. De zaak in het kort
De verdachte was van beroep vrachtwagenchauffeur. Hij heeft met de vrachtwagen die hij bestuurde, met een te hoge snelheid gereden op de afrit van de snelweg en is met die snelheid door een rood licht de kruising op gereden die zich aan het einde van die afrit bevond. Op de kruising heeft hij een auto aangereden die werd bestuurd door [slachtoffer] . Als gevolg daarvan is [slachtoffer] overleden. Het is niet in geschil dat dit rijgedrag werd veroorzaakt doordat de verdachte, die aan diabetes lijdt, een te lage suikerspiegel (een hypoglykemie of ‘hypo’) had. In deze zaak ligt de focus dan ook niet zozeer op het rijgedrag zelf, als wel op het handelen van de verdachte rondom deze hypo.
Het hof heeft bewezen geacht dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en met aanmerkelijke verwaarlozing van de geboden zorgvuldigheid heeft gereden. Dit oordeel berust op de conclusie dat de verdachte niet de passende maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat hij op een veilige manier zijn werk kan uitoefenen en om te voorkomen dat hij als gemotoriseerde verkeersdeelnemer opnieuw in een (ernstige) hypo belandt. Het eerste cassatiemiddel keert zich tegen dit oordeel met twee motiveringsklachten en met een rechtsklacht over het bestanddeel ‘schuld’ in de zin van art. 6 WVW 1994.
In aansluiting aan de veroordeling van de verdachte heeft het hof de vorderingen benadeelde partij (deels) toegewezen van [benadeelde 3] en [benadeelde 2] , de moeder en de vader van het slachtoffer, en aan [benadeelde 1] , de broer van het slachtoffer. Aan ieder van hen heeft het hof een vergoeding toegekend voor immateriële schade wegens schokschade. Het tweede cassatiemiddel is tegen deze beslissing gericht en bevat klachten over zowel de toewijsbaarheid van schokschade als de hoogte van het toegekende bedrag.
3. Het eerste middel
Het middel valt uiteen in drie deelklachten. De eerste klacht is dat niet alle in het arrest voor het bewijs redengevende omstandigheden blijken uit geciteerde of nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen. De tweede deelklacht houdt in dat het hof zich in dit geval ten onrechte heeft geconcentreerd op de vraag of het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval, maken dat het verkeersgedrag van de verdacht aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is. Het hof had daarentegen de vraag moeten beantwoorden of de verdachte “het verwijt van grove of aanmerkelijke schuld c.q. verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid” viel te maken ten aanzien van de onmacht als gevolg van de hypo. Daarmee zou het hof een onjuiste uitleg hebben gegeven aan het begrip ‘schuld’ in art 6 WVW 1994. De derde deelklacht borduurt hierop voort. De door het hof aangenomen omstandigheden zouden ontoereikend zijn voor de vaststelling van de genoemde mate van schuld ten aanzien van de geconstateerde onmacht.
Bewezenverklaring en bewijsmotivering
Ten laste van de verdacht heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 11 maart 2019 op of omstreeks 21.45 u, te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de kruising van de afrit ( […] ) van de Rijksweg […] en de [a-straat] , althans op één van deze wegen, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl:- hij, verdachte, reeds lange tijd bekend was met diabetes en- hij eerder, op 8 februari 2019, een ernstige hypoglykemie had gehad en- hij in de periode voorafgaand aan 11 maart 2019 lange werkdagen maakte en- hij op die 11 maart 2019 zichzelf reeds meerdere malen een insulinehoeveelheid (een zogenaamde "bolus") had moeten toedienen in verband met een te hoog glucosegehalte in zijn bloed,
- ondanks bovengenoemde omstandigheden met die vrachtwagen is gaan rijden en/of is blijven rijden en- op die afrit met een snelheid van 89 km/u heeft gereden, terwijl daar een maximumsnelheid van 50 km/u gold en- zonder te remmen in strijd met een voor hem geldend rood licht uitstralend verkeerslicht de kruising van die afrit met de [a-straat] is opgereden en- aan de overkant van die kruising met een snelheid van ongeveer 75 km/u in botsing of aanrijding is gekomen met een van rechts komende bestuurder van een personenauto, genaamd [slachtoffer] ,
waardoor dat voertuig van die [slachtoffer] vooruit werd geduwd en in een greppel onder die door verdachte bestuurde vrachtwagen is terechtgekomen,
waardoor die [slachtoffer] werd gedood;
zulks terwijl hij, verdachte, ten tijde van die botsing/aanrijding een zeer lage suikerspiegel had (een zogenaamde "hypo”).
Deze bewezenverklaring berust in ieder geval op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in een aanvulling op het arrest, waarnaar ik hier verwijs. In aanvulling hierop heeft hof het volgende overwogen:
Inleiding Op 11 maart 2019 omstreeks 21:48 uur heeft op de kruising van een afrit van de […] aan de [a-straat] te [plaats] een aanrijding plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) om het leven is gekomen.
De verdachte reed die bewuste dag als vrachtwagenchauffeur. Op de Rijksweg […] reed de verdachte met onverminderde snelheid de afrit op. De verdachte reed vervolgens met een zeer hoge snelheid door het voor hem rood licht uitstralende verkeerslicht, de kruising op. Hij botste aldaar tegen de personenauto van het slachtoffer. Deze auto werd meegesleept en kwam onder de vrachtauto van de verdachte terecht. Als gevolg hiervan is het slachtoffer ter plaatse overleden.
Verder staat vast dat de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van het verkeersongeval een extreem lage glucosewaarde had (een zogeheten hypoglykemie, hierna ook: hypo) en enige tijd voorafgaand, tijdens en kort na het ongeval niet of nauwelijks bij bewustzijn was.
Standpunt verdediging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte zich - overeenkomstig haar overlegde pleitnota - op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, omdat het voor hem niet voorzienbaar was dat hij tijdens het rijden een ernstige hypoglykemie) zou krijgen. (…)
Beoordeling
Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte het strafrechtelijke verwijt van artikel 6 van de, Wegenverkeerswet 1994 kan worden gemaakt, zoals ten laste is gelegd, komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, in dit geval een dodelijk slachtoffer, kan worden afgeleid dat sprake is van aanmerkelijke schuld.
Het hof stelt voorop dat bijzondere hoedanigheden doorgaans grotere verantwoordelijkheden met zich meebrengen. In het geval van de verdachte is de eerste relevante hoedanigheid die van professioneel vrachtwagenchauffeur. Van een beroepschauffeur mag over het algemeen een grotere oplettendheid in het verkeer worden verwacht dan van een doorsneeverkeersdeelnemer. Dat geldt temeer wanneer er gevaarlijke stoffen worden vervoerd, hetgeen de verdachte dikwijls deed, ook op de avond van de aanrijding. De tweede van belang zijnde hoedanigheid is die van diabetespatiënt. Ook die hoedanigheid, waarvan de verdachte zich terdege bewust was, levert een extra zorgplicht op. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat een van de symptomen van diabetes kan zijn dat men plotseling voor een kortere tijd het bewustzijn kan verliezen ten gevolge van een hypo. Beide genoemde hoedanigheden vragen van de verdachte een extra oplettendheid en leveren in dit geval voor hem een grotere verantwoordelijkheid op. Van hem wordt verwacht, dat hij zich deze grotere verantwoordelijkheid realiseert en dat hij deze waarmaakt. Ten overvloede merkt het hof op dat deze verantwoordelijkheid te allen tijde bij de verdachte zelf ligt/ óók als hij door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) en zijn artsen rijgeschikt wordt geacht. Hij is immers de enige die in de praktijk kan beoordelen of zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid - met het oog op zijn diabetes - gedurende de dag zodanig is dat hij veilig aan het verkeer kan deelnemen.
Ter beantwoording van de vraag of de verdachte een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt acht het hof, in het licht van hetgeen zojuist is vooropgesteld, de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Uit het dossier volgt, dat de verdachte sinds 2010 last heeft van hypo’s en dat hij reeds eerder hypo’s heeft gehad tijdens de beroepsuitoefening als vrachtwagenchauffeur. Op 26 april 2017 zat de verdachte tijdens zijn werk in een hypo. Op 8 februari 2019, een maand voor het tenlastegelegde ongeval, verkeerde de verdachte wederom in een hypo. De verdachte stond toen met zijn vrachtwagen stil op de verkeerde weghelft. Voor de politieambtenaren die ter plaatse waren gekomen was de verdachte toen (ook) niet goed aanspreekbaar. Uit het dossier blijkt dat hij op die dag en de vier dagen daaraan voorafgaand gemiddeld bijna 14 uur per dag aan het werk was. De verdachte heeft na dit incident op 8 februari 2019 geen contact opgenomen met zijn behandelend artsen.Op 11 maart 2019, de dag van het ongeval, is de verdachte rond 08:30 uur begonnen met zijn werkzaamheden. Omstreeks 21:00 uur begint hij aan zijn laatste rit van [plaats] naar [plaats] ; de rit die eindigt met het ernstige verkeersongeval. De verdachte had die dag dus al een lange werkdag achter de rug. Óók in de werkdagen in de week voorafgaand aan het ongeval maakte de verdachte - zoals reeds hierboven vermeld - lange werkdagen; hij werkte gemiddeld bijna 14 uur per dag. Iets na 20:00 uur, een uur voor zijn vertrek van [plaats] naar [plaats] , heeft de verdachte zijn laatste meting uitgevoerd. De waarde bij die laatste meting was 6,3 millimol glucose/L bloed. Uit het dossier volgt dat de verdachte dient te streven naar een waarde tussen de 3,9 millimol glucose/L bloed en de 9,3 millimol glucose/L bloed. Beneden de genoemde onderwaarde ontstaan risico's op een hypo. Kort na het ongeval bleek de verdachte niet aanspreekbaar te zijn en uit onderzoek volgt dat zijn bloedsuikerspiegel zeer laag was, namelijk 2,2 millimol glucose/L bloed. Ten opzichte van de laatste meting was dit een daling van 3,4 millimol.
Uit de zich in het dossier bevindende meetgegevens blijkt dat zo'n sterke daling bij de verdachte niet ongewoon was. De verdachte heeft gedurende de dag van het ongeval veel moeite om zijn glucosewaarde onder controle te houden, hetgeen volgt uit de zich in het dossier bevindende meetgegevens waarop grote schommelingen in de glucosewaarden zijn waar te nemen. Uit de weergave van die metingen blijkt dat tussen 06:50 uur en 07:20 uur een daling optrad van meer dan 5 millimol. Hetzelfde is het geval tussen 13:50 uur en 14:50 uur. Beide keren kan er gesproken worden van een hypo. Uit het dossier volgt eveneens dat de verdachte in de 90 dagen voorafgaand aan het ongeval op 11 maart 2019 256 keer een hypo heeft gehad (voor hem: een glucosewaarde van 3,9 millimol of minder). Daarvan was de verdachte 27 keer aan het werk en in 10 gevallen was hij aan het rijden. Voorts blijkt dat er in 41 gevallen sprake was van een waarde van 2,2 millimol of minder, zijnde de gemeten waarde tijdens het ongeval. Meermalen werd daarbij een sterke daling van de bloedsuikerspiegel gezien, waarbij binnen een uur een daling van meer dan 5 millimol optrad.
(…)
Het hof merkt voorts op dat voor deelname aan het verkeer het van essentieel belang is dat er sprake is van hypo-awareness. Dit houdt in dat de diabeet hypo’s tijdig voelt aankomen, zodat hij daar adequaat naar kan handelen. Uit het dossier volgt dat de hypo-awareness van de verdachte onvoldoende is geweest. [deskundige] stelt in zijn rapport dat de verdachte niet altijd adequaat heeft gereageerd op de genoemde hypo’s, aangezien sommige hypo’s, die door de verdachte wel werden gesignaleerd, toch opmerkelijk lang aanhielden. Ook de verdachte zelf geeft in zijn politieverhoor van 3 juni 2020 aan dat een onafhankelijke arts van het CBR heeft verklaard dat hij last heeft van hypo-unawareness. Bovendien hadden de eerdere incidenten die hadden plaatsgevonden, met name het incident van 8 februari 2019, een maand voor het ongeval, als duidelijke waarschuwing moeten gelden.
Het hof is van oordeel dat er bij de verdachte op 11 maart 2019 evenmin sprake was van een goede hypo-awareness. Immers, naar het oordeel van het hof bestonden er op het moment dat de verdachte op de [b-straat] reed in de richting van de [deskundige] al aanwijzingen dat hij zich in ‘de eerste fase' van een hypo bevond. Aldaar zag [getuige] dat de verdachte geen verlichting voerde en dat de verdachte stil stond op de rijbaan en schokkend in beweging kwam. Uit de in het dossier bevindende camerabeelden is eveneens gebleken dat de verdachte, als hij de tunnel uit rijdt, in strijd, met de verkeersregels gebruik heeft gemaakt van de niet voor hem bestemde tunnelbuis. In plaats van adequaat handelen door zijn suikerwaarde te meten is de verdachte toen toch doorgereden. Naar het oordeel van het hof had de verdachte echter toen al moeten ingrijpen door zichzelf suiker toe te dienen, alvorens zijn rit te vervolgen.
(...)
Conclusie
Gelet op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval - zoals hiervoor overwogen - beschouwt het hof het verkeersgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Het hof is derhalve van oordeel dat het ongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Van een vrachtwagenchauffeur, die al jarenlang lijdt aan diabetes en die al langere tijd last had van hypo's, mag worden verlangd dat hij in het belang van de verkeersveiligheid zelf de verantwoordelijkheid neemt om passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat hij op een veilige manier zijn werk kan uitoefenen en om te voorkomen dat hij als gemotoriseerde verkeersdeelnemer opnieuw in een (ernstige) hypo belandt. Door dit na te laten en toch als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer deel te nemen, heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en het risico op een plotselinge black-out in het verkeer aanvaard.”
Het juridisch kader
Het middel stelt de uitleg van het begrip schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 aan de orde. Deze bepaling luidt:
“Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.”
Onder de hier bedoelde ‘schuld’ (of culpa) wordt gedoeld op een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De Hoge Raad heeft dit als volgt verwoord in HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398 (hierna: het arrest uit 2024):
“2.6.1In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan (vgl., over schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4201). Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (vgl., over schuld in de zin van artikel 308 Sr, HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5630). In het licht van de onder 2.5 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis bestaat die ‘schuld’ als delictsbestanddeel in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte “minder nadacht, wist, beleidvol was dan de mensch in het algemeen”, dus of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
In cassatie kan alleen worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 – in dit geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag – uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Verder verdient opmerking dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin. (Vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.)”
Aan het in het arrest genoemde HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822 kan verder het volgende worden ontleend (hierna: het arrest uit 2004):
“[Het door het hof vastgestelde] (…) verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is. Dat kan in concreto evenwel anders zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk zijn geworden - bijvoorbeeld dat de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde - waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.”
Kort gezegd komt dit erop neer dat het begrip schuld kan worden ontleed in onder meer een begane aanmerkelijke (voorzienbare) onvoorzichtigheid aan de ene kant en verwijtbaarheid van dit gedrag aan de andere kant. Ik zal dit hieronder nader uitwerken voor zover dat nodig is voor de beoordeling van het middel.
Uit het geciteerde arrest uit het 2024 volgt dat sprake is van een onvoorzichtigheid in het geval van een tekortschieten door de verdachte in zijn handelen of nalaten. Of daarvan sprake is, kan worden vastgesteld door een vergelijking te maken met het (te verwachten) handelen van de gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid (de criteriumfiguur). Dit is een gedachtenoefening ter beantwoording van de vraag hoe de verdachte had moeten handelen. Dit is het normatieve aspect van de culpa.
Voor de nadere invulling daarvan is van belang in hoeverre voorzienbaar was dat het handelen of nalaten (onvoorzichtig was/) de strafrechtelijk relevant geachte gevolgen zou hebben, zoals bijvoorbeeld een verkeersongeluk. Om van schuld te kunnen spreken dient het handelen of nalaten verder in strijd te zijn met een geschreven of ongeschreven zorgvuldigheids- of rechtsnorm. In maatschappelijke gebieden die sterk gereguleerd zijn, zoals het verkeer, zal vaak sprake zijn van geschreven normen. De voorzienbaarheid van een gevolg zal dan over het algemeen gegeven zijn bij de overtreding van zo’n norm, die immers juist is bedoeld dit gevolg te voorkomen; verkeersregels dienen er bijvoorbeeld toe ongelukken te voorkomen. Dit leidt dan tot een objectivering van de culpa. Waar geen geschreven normen bestaan, kan juist de voorzienbaarheid van het gevolg de norm bepalen. Een dergelijke voorzienbaarheid kan immers een zorgplicht meebrengen het gevolg te voorkomen.
In de rechtspraak, zoals het arrest uit 2004, ligt besloten dat van schuld als hier bedoeld alleen sprake is als de aanmerkelijke onvoorzichtigheid ook verwijtbaar is. Dan gaat het erom of de verdachte wel in staat was zich conform de norm, oftewel zoals de criteriumfiguur, te gedragen. Verschillende omstandigheden kunnen daaraan in de weg staan. In het aangehaalde arrest uit 2004 wordt als specifiek voorbeeld genoemd de ‘verontschuldigbare onmacht’. Ook bij het oordeel over de verwijtbaarheid speelt de voorzienbaarheid een rol, maar dan negatief: wat men niet kan voorzien, kan men niet vermijden.
Het arrest uit 2004 behelst een tweestappenplan als het gaat om de vaststelling van de onvoorzichtigheid en de verwijtbaarheid. In de eerste stap wordt de vraag gesteld of de verdachte zich onvoorzichtig heeft gedragen. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, geldt in het algemeen dat dit gedrag ook verwijtbaar was. Dit kan ‘in concreto’ echter anders zijn als omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de verwijtbaarheid en daarmee de schuld wegnemen.
Hoewel het onderscheid tussen de onvoorzichtigheid (waarin ook het element van de wederrechtelijkheid is begrepen) en de verwijtbaarheid een werkbaar analytisch kader is, bestaat tussen beide een zeer grote samenhang en zijn zij in werkelijkheid niet altijd goed van elkaar te scheiden. De tweestappenbenadering, waarbij de verwijtbaarheid in beginsel volgt uit de onvoorzichtigheid, is daar op zichzelf al een illustratie van.
Bij de beoordeling van de verwijtbaarheid kan verder de culpa in causa een relevant aspect zijn. Wanneer de verdachte op het moment van handelen door omstandigheden niet anders kón handelen en de verwijtbaarheid dus in beginsel zou kunnen ontbreken, dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte deze omstandigheden zelf teweeg heeft gebracht en of dit ertoe zou moeten leiden dat toch van verwijtbaarheid sprake is. Gerelateerd aan de in het arrest uit 2004 genoemde onmacht, dient dus te worden nagegaan of die onmacht verontschuldigbaar is. In de literatuur wordt het beeld gebruikt dat het beoordelingsmoment van de schuld dan als het ware naar voren schuift.
Ten slotte wijs ik nog op belangrijke rol van de tenlastelegging. In het arrest uit 2024 overweegt de Hoge Raad dat de vraag of sprake is van aanmerkelijke schuld “wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd”. De schuldgraad en de omstandigheden die relevant zijn voor het schuldverwijt, worden dus in eerste instantie bepaald door het openbaar ministerie in de tenlastelegging. Zolang de tenlastelegging voldoende feitelijke betekenis heeft, mag de rechter zijn bewezenverklaring echter ook laten steunen op gedragingen en omstandigheden die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen.
Bespreking van het middel
Ik begin met de bespreking van de tweede en derde deelklacht. De steller van het middel baseert deze klachten op een rechtsopvatting die ook tot uitdrukking komt in een noot van N. Rozemond waarnaar de toelichting op het middel verwijst. De noot is geplaatst bij twee arresten van de Hoge Raad uit 2018. Ik zal deze zaken iets uitgebreider beschrijven, voor een goed begrip van het betoog van Rozemond en omdat zij enige gelijkenis vertonen met de onderhavige zaak.
In beide gevallen ging het om een verkeersongeluk dat de bestuurders hadden veroorzaakt terwijl zij een epileptische aanval hadden. In HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:830, NJ 2018/472 oordeelde het hof dat het ongeluk desalniettemin aan de schuld van de verdachte te wijten was. Het hof stelde de in het arrest uit 2004 geïntroduceerde tweestapsbenadering voorop. Vervolgens wees het op de omstandigheid dat de verdachte bekend was met zijn aandoening, voorafgaand aan het ongeval niet volledig aanvalsvrij was, op de dag van het ongeval zijn medicatie niet had ingenomen (wat een aanvalsprovocerende werking kan hebben) en deze medicatie op zich al de rijvaardigheid beïnvloedde. De Hoge Raad was het eens met de conclusie van het hof, maar volstond bij het weergeven van het toetsingskader met enkel de eerste stap, dus van het criterium voor het aannemen van een aanmerkelijk onvoorzichtigheid.
In HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1534, NJ 2018/473 ging het om een Arubaanse zaak, maar de toepasselijk strafbepaling kwam “in de kern” overeen met art. 6 WVW 1994. Ook hier oordeelde het hof dat het ongeluk aan de schuld van de verdachte te wijten was. Het hof stelde geen kader voorop, maar oordeelde wel conform de tweestapsbenadering als eerste dat sprake was van aanmerkelijk onvoorzichtig rijden en ging toen na of sprake was van verontschuldigbare onmacht. Het hof nam in aanmerking dat de verdachte al jaren bekend was met haar epilepsie, waarbij zij maandelijks aanvallen kreeg waarvan zij het moment, de aard en ernst niet op voorhand kon inschatten. Zij had ervoor gekozen geen medicatie te slikken voor de epilepsie en had geen medisch advies ingewonnen over de invloed van haar ziekte op haar rijvaardigheid. Van verontschuldigbare onmacht was volgens hof daarom geen sprake, ook al had haar huisarts steeds toestemming gegeven voor de afgifte en verlenging van haar rijbewijs. Van de verdachte mocht worden verlangd na te gaan of aan die toestemming daadwerkelijk een inhoudelijke medische beoordeling was voorafgegaan. Ook dit oordeel liet de Hoge Raad in stand en wederom stelde hij slechts de eerste stap van het toetsingskader voorop. Vermeldenswaard is nog dat in beide zaken de tenlastelegging alleen elementen van het rijgedrag vermeldde en niet ook van het gedrag van de verdachten rondom hun ziekte.
Rozemond constateert in zijn noot dat in beide zaken onduidelijk blijft aan de hand van welk criterium de rechter moet oordelen. Uit de enkele verwijzing van de Hoge Raad naar het criterium voor de vaststelling van de aanmerkelijke onvoorzichtigheid, zou kunnen worden afgeleid dat de omstandigheden die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de onmacht, bij de beoordeling van de aanmerkelijk onvoorzichtigheid moeten worden meegenomen in “het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval”. In dat geval zou het echter voor de hand liggen deze omstandigheden ook op te nemen in de tenlastelegging.
In feite, zo zegt Rozemond, gaat het hier echter niet om deze eerste stap, maar om de tweede stap, meer concreet om de vraag of sprake is van verontschuldigbare onmacht. Dan zou de verontschuldigbare onmacht worden beoordeeld als een beroep op een schulduitsluitingsgrond. Welke maatstaf daarbij moet worden gehanteerd (‘ontbreken alle verwijtbaarheid’, ‘voldoende’ of ‘aanmerkelijke’ onvoorzichtigheid) blijft echter dan eveneens in het midden. Het zou volgens hem ook niet eenvoudig zijn om een algemeen geldend criterium te formuleren, zodat zou kunnen worden volstaan met specifieke criteria voor bepaalde soorten gevallen, zoals nalatigheid op het gebied van medicijngebruik en epilepsie. Echter, de casuïstiek, zo besluit Rozemond, “lijkt (…) een vorm van grove schuld ten aanzien van de onmacht te impliceren”.
Rozemond gebruikt daarbij nog als argument dat in het geval de omstandigheden die tot de onmacht hebben geleid worden opgenomen in de tenlastelegging, binnen de eerste stap moet worden beoordeeld of zij (mede) leiden tot het oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Opname van deze omstandigheden in de tenlastelegging ligt echter niet voor de hand als het openbaar ministerie de onmacht betwist. In dat geval zal de beoordeling van de onmacht in de sfeer liggen van een beroep van de verdachte op een exceptie. Volgens Rozemond is er geen goede reden de toepasselijke criteria te laten afhangen van de inhoud van de tenlastelegging. Voor beide zou daarom moeten worden uitgegaan van aanmerkelijk schuld ten aanzien van de onmacht.
De tweede deelklacht houdt in dat het hof deze laatste vraag centraal had moeten stellen en niet had moeten nagaan of het verkeersgedrag van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest.
Om te beginnen wijs ik erop dat, anders dan in de door Rozemond besproken gevallen, in de onderhavige zaak de omstandigheden die betrekking hebben op de gestelde onmacht, wél deel uitmaken van de bewezenverklaring. Weliswaar wordt daarin als oorzaak van het ongeval beschreven, kort gezegd, dat de verdachte met een te hoge snelheid door rood licht de kruising op is gereden. Daarbij wordt echter ook vermeld dat de verdachte ten tijde van de aanrijding een hypo had, terwijl voor die hypo relevant wordt geacht dat de verdachte i) al lange tijd bekend was met diabetes, ii) op 8 februari 2019 ook een ernstige hypo had, iii) voorafgaand aan de dag van de aanrijding lange werkdagen maakte en iv) zich op de dag van de aanrijding al meerdere malen extra insuline had moeten toedienen.
Het hof heeft vervolgens, op grond van deze bewezenverklaarde omstandigheden en de (overige) bewijsoverwegingen, voor het oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld doorslaggevend geacht dat hij heeft nagalaten ervoor te zorgen “dat hij op een veilige manier zijn werk kan uitoefenen en om te voorkomen dat hij als gemotoriseerde verkeersdeelnemer opnieuw in een (ernstige), hypo belandt“. Aan de hieraan voorafgaande overweging dat het hof “het verkeersgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend” beschouwt, moet dus kennelijk volgens het hof een ruime invulling worden gegeven, die mede inhoudt dat het hof wel degelijk is nagegaan of de verdachte ten aanzien van de door hem benoemde onmacht aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. In zoverre mist de tweede deelklacht feitelijke grondslag.
Door deze gezamenlijke beoordeling van zowel het rijgedrag dat direct heeft geleid tot de aanrijding als van de omstandigheden rondom de hypo die heeft geleid tot dit rijgedrag, heeft het hof ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat fouten van elkaar zijn te onderscheiden door de volgorde in de tijd of doordat zij opeenvolgende schakels zijn in een causale keten die leidt tot een bepaald gevolg, zoals een aanrijding, maakt niet dat zij afzonderlijk moeten worden beoordeeld als een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of eventueel als een verontschuldigbare onmacht. Een dergelijk onderscheid doet geen recht aan de complexiteit van het begrip schuld waar relevante factoren steeds in onderlinge samenhang moeten worden gewaardeerd. Alleen door het geheel van omstandigheden en van gedragingen van de verdachte in aanmerking te nemen, kan worden gekomen tot een oordeel over de aanmerkelijke onvoorzichtigheid en over de verwijtbaarheid.
Daarbij speelt voor mij mee dat anders het gevaar ontstaat van een droste-effect bij de beoordeling van verontschuldigbare onmacht. Tegenover de omstandigheden en gedragingen die aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de onmacht vormen, kunnen ook weer omstandigheden staan die afdoen aan de verwijtbaarheid van die onvoorzichtigheid. In theorie is het mogelijk dat ook ten aanzien van die omstandigheden een culpa in causa/aanmerkelijke onvoorzichtigheid bestaat. In de onderhavige zaak is bijvoorbeeld een van de gevoerde verweren dat de hypo zodanig plotseling opkwam dat de verdachte, ondanks alle voorzorgsmaatregelen, niet in staat was daarop te reageren.
De tweede deelklacht faalt
De derde deelklacht houdt in dat de bewijsmotivering ontoereikend is voor de bewezenverklaring van schuld, dan wel dat deze motivering niet begrijpelijk is. Deze klacht berust op twee pijlers. De eerste betreft het “cruciale verwijt” dat de verdachte niet adequaat heeft gehandeld door zijn suikerwaarde te meten nadat hij zich, vlak na het begin van de rit die tot het ongeval leidde, in de eerste fase van een hypo bevond. Dit ‘verwijt’ is volgens de steller van het middel onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te weten dat de verdachte op dat moment “in een door hem niet voorziene hypo terecht is gekomen en dat hij in die hypo niet of nauwelijks bij (normaal) bewustzijn was”. De tweede pijler betreft de mate van schuld. De motivering van de aanmerkelijkheid van de onvoorzichtigheid van de verdachte is ontoereikend, aldus de steller van het middel.
Het gerechtshof is in vijf stappen gekomen tot zijn conclusie dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Als eerste heeft het hof de hiervoor bedoelde criteriumfiguur bepaald, namelijk de professionele vrachtwagenchauffeur en de diabetespatiënt. Beide hoedanigheden vergen volgens het hof een extra oplettendheid en leveren een grotere verantwoordelijkheid op. Ten tweede wijst het hof erop dat de verdachte gewaarschuwd was in die zin dat hij tweemaal eerder tijdens zijn werk als vrachtwagenchauffeur een hypo had gehad. De laatste keer was een maand voor het ongeval, nadat hij de vier dagen daarvoor gemiddeld bijna veertien uur per dag had gewerkt. Als derde stelt het hof vast dat de verdachte de dag van het ongeval lang had gewerkt en ook de dagen daarvoor lange werkdagen had gemaakt van gemiddeld veertien uur per dag.
De vierde stap is de vaststelling door het hof dat een sterke daling van de bloedsuikerspiegel niet ongewoon was, niet in zijn algemeenheid gelet op meetgegevens van de negentig voorafgaande dagen, maar ook niet op de dag van het ongeval zelf. Die dag zijn voorafgaand aan het ongeluk twee sterke dalingen gemeten die hebben geleid tot een waarde die kan worden aangemerkt als een hypo. Ten slotte overweegt het hof als vijfde dat voor deelname aan het verkeer hypo-awareness van essentieel belang is, maar dat deze bij de verdachte ontbrak, zowel in zijn algemeenheid, omdat sommige gemeten hypo’s opmerkelijk lang aanhielden, als op de dag van het ongeval zelf, waarvoor het hof verwijst naar het ontbreken van een reactie van de verdachte op een ‘eerste fase’ van een hypo. Daarbij stelt het hof vast dat aan de verdachte was verteld dat hij last had van hypo-unawareness.
Anders dan de steller van het middel, lees ik in het arrest niet dat het niet controleren van de bloedsuikerspiegel na de ‘eerste fase’ van de hypo, het “cruciale verwijt” is dat de verdachte wordt gemaakt. De bewezenverklaring houdt immers in dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld door te “gaan rijden en/of (…) blijven rijden”, ondanks de hiervoor onder 3.22 genoemde bewezenverklaarde vier omstandigheden. Van deze omstandigheden maakt geen deel uit dat de verdachte de bedoelde meting achterwege heeft gelaten. Mede gelet op de context waarin het hof de gewraakte overweging heeft gegeven, moet deze dan ook niet als zelfstandig verwijt van het hof worden aangemerkt, maar als een onderbouwing van het gebrek aan hypo-awareness bij de verdachte. In zoverre berust de eerste pijler van deze deelklacht op een onjuiste lezing van het arrest.
Wat de tweede pijler betreft, herhaal ik dat in cassatie alleen kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 – in dit geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid – uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Gelet op het door mij geschetste juridische kader, merk ik nog op dat het hof de omgang van de verdachte met diabetes niet heeft getoetst aan geschreven zorgvuldigheidsnormen. Het hof heeft de vereiste zorgvuldigheid dan ook op andere wijze vastgesteld. Zoals hiervoor weergegeven, komt daarbij in belangrijke mate betekenis toe aan de voorzienbaarheid van de gevolgen van het gedrag van de verdachte.
In de kern komen de overwegingen van het hof erop neer dat de verdachte ondanks zijn grotere verantwoordelijkheid, ondanks zijn kennis van de risico’s op een hypo in het algemeen en die dag in het bijzonder en ondanks zijn bewustheid dat hij hypo’s niet goed voelt aankomen, toch is gaan rijden althans is gaan rijden zonder aanvullende maatregelen die het risico op hypo’s of de ongevoeligheid daarvoor compenseren. Het oordeel van het hof dat dit gedrag ‘aanmerkelijk’ onvoorzichtig is geweest is daarmee toereikend gemotiveerd.
Ook de derde deelklacht faalt.
De eerste deelklacht houdt in dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op redengevende feiten en omstandigheden die niet blijken uit aangehaalde of met voldoende nauwkeurigheid aangeduide bewijsmiddelen. Het gaat om de passage in het arrest:
“Uit het dossier volgt, dat de verdachte sinds 2010 last heeft van hypo’s en dat hij reeds eerder hypo’s heeft gehad tijdens de beroepsuitoefening als vrachtwagenchauffeur. Op 26 april 2017 zat de verdachte tijdens zijn werk in een hypo. Op 8 februari 2019, een maand voor het tenlastegelegde ongeval, verkeerde de verdachte wederom in een hypo. De verdachte stond toen met zijn vrachtwagen stil op de verkeerde weghelft. Voor de politieambtenaren die ter plaatse waren gekomen was de verdachte toen (ook) niet goed aanspreekbaar. Uit het dossier blijkt dat hij op die dag en de vier dagen daaraan voorafgaand gemiddeld bijna 14 uur per dag aan het werk was. De verdachte heeft na dit incident op 8 februari 2019 geen contact opgenomen met zijn behandelend artsen.”
Daarvan zou alleen uit de bewijsmiddelen volgen dat verzoeker sinds 2010, last heeft van hypo’s, dat op 8 februari 2010 sprake was van een ernstige hypoglykemie en dat toen hulpverleners nodig waren om hem te behandelen. De overige omstandigheden zijn niet met bewijsmiddelen onderbouwd, waaronder met name ook het incident van 26 april 2017 en de omstandigheid dat de verdachte voorafgaand aan het incident van 8 februari 2019 gemiddeld bijna veertien uur per dag had gewerkt.
Door de verdachte wordt niet betwist dat wel uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte “op 8 februari 2019, een ernstige hypoglykemie had gehad” en dat hij in “de periode voorafgaand aan 11 maart 2019 lange werkdagen maakte”. Het zijn deze omstandigheden die volgens de bewezenverklaring bijdragen aan het oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Zoals hiervoor in het juridisch kader beschreven, mag de rechter zijn bewezenverklaring echter ook laten steunen op gedragingen en omstandigheden die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen. Kennelijk om die reden heeft het hof verwezen naar het incident van 26 april 2017 en naar het verband tussen de lange werkdagen voorafgaand aan het incident van 8 februari 2019 en het ongeval op 11 maart 2019.
Wanneer deze omstandigheden worden weggedacht, blijft staan dat de verdachte na het incident van 8 februari 2019 op de hoogte was het risico van een hypo in het verkeer en dat hij voorafgaand aan het ongeval lange werkdagen maakte, waarbij het een feit van algemene bekendheid is dat energiegebruik door zware inspanningen de suikerspiegel omlaag kan brengen. Verder laat dit de andere door het hof relevant geachte omstandigheden onverlet, zoals de verhoogde zorgplicht, de algemene kennis van de risico’s en van de sterke daling van de suikerspiegel en de bekendheid met hypo-unawareness. Dit alles kan het oordeel van het hof zelfstandig dragen.
De derde deelklacht kan niet tot cassatie leiden en daarmee evenmin het middel in zijn geheel.
4. Het tweede middel
Dit middel bevat klachten over de vergoeding van schokschade aan de broer en de ouders van het slachtoffer. De eerste deelklacht keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. De tweede deelklacht heeft betrekking op de hoogte van het toegekende bedrag.
[benadeelde 3] en [benadeelde 2] , de moeder en de vader van het slachtoffer, en [benadeelde 1] , de broer van het slachtoffer, hebben ieder een vergoeding van immateriële schade van € 15.000,- gevorderd op de grondslag van schokschade. Deze vordering is als volgt nader toegelicht (met overneming en vernummering van voetnoten):
“Vordering benadeelde partij [1] - [benadeelde 1] (broer)
Shockschade De [benadeelde 1] meent dat hij in aanmerking komt voor vergoeding van shockschade op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW. Zoals reeds besproken leefde hij in gezinsverband samen met zijn broertje en onderhielden zij een zeer nauwe en affectieve relatie met elkaar.
Hij heeft reeds in de slachtofferverklaring naar voren gebracht dat hij zelf op het plaats delict is geweest en daar dus is geconfronteerd met de gevolgen. Voorts heeft hij op andere wijze een gedetailleerd beeld kunnen vormen van wat er zich op het moment van het ongeval heeft afgespeeld.Zo heeft hij, als iemand die de Nederlandse taal voldoende beheerst, als eerste familielid kennis moeten nemen van het bericht van de verbalisanten aan de deur dat zijn broertje was overleden. Vervolgens heeft hij dit bericht moeten vertalen voor zijn ouders, een bijna onmogelijke opdracht.
Vervolgens is hij tevens de eerste geweest die zijn broertje heeft geïdentificeerd in het uitvaartcentrum. Dit was een enorme shock voor cliënt, niet alleen om zijn broertje zo te zien maar ook vanwege het feit dat dit relatief kort na het moment is geweest dat de verbalisanten bij cliënt en zijn ouders aan de deur kwamen.
Hij en zijn ouders hebben daarnaast ongeveer 10 gesprekken met de familieagent gehad over de gang van zaken. Ook zijn er twee gesprekken met de officier van justitie geweest, waarin vele details van het ongeval zijn besproken.
Ook is hij geconfronteerd met verschillende video’s van het ongeval, waarin duidelijk te zien is hoe het ongeval heeft plaatsgevonden en de omstandigheden ter plaatse waren. Deze video’s zijn gemaakt door vrienden van het broertje van [benadeelde 1] , die toevalligerwijs bij het tankstation stonden vlakbij waar het ongeval plaatsvond. Zij hebben de video’s gemaakt van het ongeluk, niet wetende dat dit uiteindelijk hun vriend betrof.
Tevens is hij in grote mate geconfronteerd met de media-aandacht rondom deze zaak. Zo zijn er meerdere artikelen gepubliceerd en is er door de media veelvuldig contact gezocht met de familie om informatie in te winnen.
Dit alles heeft een enorme impact gehad op [benadeelde 1] , met als gevolg dat hij veel last heeft van nachtmerries en herbelevingen/hallucinaties en daarvoor meerdere bezoeken aan een psycholoog danwel psychiater heeft gebracht. Uit de rapporten van deze deskundigen blijkt dat cliënt, door het ongeval een post-traumatische stress-stoornis heeft opgelopen tezamen met gestagneerde rouw en hallucinaties, wat een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is Eerder heeft hij al specialistische hulp, zoals EMDR-therapie, gehad, maar op een gegeven moment is deze hulp gestopt.
Wel heeft [benadeelde 1] medicatie nodig om zijn klachten te verzachten en het ziektebeeld te bestrijden (bijlage 3).
Vanwege het feit dat deze inhoudelijke behandeling nu weer veel stress en emoties met zich mee heeft gebracht, is er wederom om aanmelding verzocht bij de GGZ (bijlage 4).
Nu [benadeelde 1] rechtstreeks is geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het misdrijf heeft plaatsgevonden, deze confrontatie een hevige schok teweeggebracht heeft nu hij een nauwe en affectieve band met zijn broertje had die door het misdrijf is gedood en uit deze hevige schok geestelijk letsel is voortgevloeid en dit letsel in rechte kan worden vastgesteld, meent [benadeelde 1] dat hij in aanmerking komt voor vergoeding van deze psychische schade.
De vordering van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) behelst € 15.000,00.
Vordering benadeelde partij [2] - [benadeelde 3] (moeder) Shockschade [benadeelde 3] is de moeder van het slachtoffer en vordert wegens een bij haar vastgesteld erkend ziektebeeld als gevolg van de confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval shockschade op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW.
Evident is dat [benadeelde 3] als moeder van het slachtoffer, waarbij zij in gezinsverband samenleefden en zij een verzorgende rol had ten aanzien van haar zoon, hevig geschokt is door het voorval.
Voorts heeft zij haar zoon kort na het incident moeten identificeren wat tot hevige emoties heeft geleid gezien de toedracht van het ongeval. Daarnaast heeft mevrouw vele gesprekken moeten voeren met de politie en hebben er twee gesprekken plaatsgevonden met de officier van justitie. In deze gesprekken is er gedetailleerd besproken wat er zich die dag heeft voorgedaan, waardoor mevrouw een zeer realistisch beeld heeft kunnen creëren van hoe het ongeluk eruit heeft moet gezien. Ook is mevrouw veelvuldig blootgesteld aan de aandacht van de media omtrent het ongeluk, iets was maakt dat je steeds opnieuw (onvrijwillig) geconfronteerd wordt met de gebeurtenis.
Dit alles heeft tot gevolg gehad dat mevrouw al geruime tijd kampt met psychische klachten. De klachten uiten zich o.a. in angstaanvallen, slaapproblematiek en somberheid. Mevrouw is bang ook haar andere zoon te verliezen en heeft nachtmerries over dat de politie opnieuw met slecht nieuws aan haar deur staat (bijlage 5). Haar zoon, [benadeelde 1] , doet naar aanleiding van dit traumatische moment de voordeur alleen nog open met de sleutel in plaats van dat hij aanbelt. Het geluid van de deurbel is voor mevrouw ondragelijk geworden.
Volgens de psychiater lijdt cliënte aan gecompliceerde rouw en is er daarnaast een stemmingsstoornis en post-traumatische stress-stoornis vastgesteld. In verband met dit ziektebeeld is cliënte doorverwezen naar de psychiater, waar zij in de periode van 28 juni 2019 tot en met 29 maart 2021, ruim 1,5 jaar, in behandeling is geweest (bijlage 6).
Daarnaast heeft mevrouw vandaag de dag nog diverse medicatie nodig om haar klachten te verzachten en het ziektebeeld te bestrijden (bijlage 7). Mevrouw kwam in de beginperiode van haar behandeling bij de psychiater in aanmerking voor EMDR-therapie, echter heeft deze therapie niet plaatsgevonden omdat het lastig was een therapeut te vinden die de Turkse taal machtig is. Daarom is ook de therapie in eerste instantie even gepauzeerd, maar vanwege het feit dat deze inhoudelijke behandeling nu weer veel stress en emoties met zich mee heeft gebracht en ook de aanhoudende klachten, is er wederom om aanmelding verzocht bij de GGZ (bijlage 8).
De confrontatie met de gevolgen van het ongeval hebben bij mevrouw een hevige emotionele shock teweeggebracht die bij haar heeft geleid tot een stemmingsstoornis en post-traumatische stress-stoornis.
Nu moeder rechtstreeks is geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het misdrijf heeft plaatsgevonden, deze confrontatie een hevige schok teweeggebracht heeft nu haar zoon door het misdrijf is gedood en uit deze hevige schok geestelijk letsel is voortgevloeid en dit letsel in rechte kan worden vastgesteld, meent moeder dat zij in aanmerking komt voor vergoeding van deze psychische schade.
De vordering van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) behelst €15.000,00.
Vordering benadeelde partij [3] - [benadeelde 2] (vader) (…)
Shockschade
De [benadeelde 2] is de vader van het slachtoffer en vordert wegens een bij hem vastgesteld erkend ziektebeeld als gevolg van de confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval shockschade op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW.
Evident is dat de [benadeelde 2] als vader van het slachtoffer, waarbij zij in gezinsverband samenleefden en hij een verzorgende rol had ten aanzien van zijn zoon, hevig geschokt isdoor het voorval.
Voorts heeft hij zijn zoon kort na het incident moeten identificeren wat tot hevige emoties heeft geleid gezien de toedracht van het ongeval. Daarnaast heeft de [benadeelde 2] vele gesprekken moeten voeren met de politie en hebben er twee gesprekken plaatsgevonden met de officier van Justitie. In deze gesprekken is er gedetailleerd besproken wat er zich die dag heeft voorgedaan, waardoor hij een zeer realistisch beeld heeft kunnen creëren van hoe het ongeluk eruit heeft moet gezien. Ook is hij veelvuldig blootgesteld aan de aandacht van de media omtrent het ongeluk, iets was maakt dat je steeds opnieuw (onvrijwillig) geconfronteerd wordt met de gebeurtenis.
Dit alles heeft tot gevolg gehad dat de [betrokkene 1] al geruime tijd kampt met psychische klachten. Volgens de huisarts lijdt hij aan gecompliceerde rouw en is er daarnaast een stemmingsstoornis vastgesteld. In verband met dit ziektebeeld is hij doorverwezen naar de psychiater (bijlage 14).
De confrontatie met de gevolgen van het ongeval hebben bij de [benadeelde 2] een hevige emotionele shock teweeggebracht die bij haar heeft geleid tot een stemmingsstoornis.
Nu vader rechtstreeks is geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het misdrijf heeft plaatsgevonden, deze confrontatie een hevige schok teweeggebracht heeft nu zijn zoon door het misdrijf is gedood en uit deze hevige schok geestelijk letsel is voortgevloeid en dit letsel in rechte kan worden vastgesteld, meent vader dat hij in aanmerking komt voor vergoeding van deze psychische schade.
De vordering van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) behelst € 15.000,00.”
De verdediging heeft volgens de ter terechtzitting van 12 februari 2024 voorgedragen pleitnota het volgende verweer gevoerd tegen deze vordering:
“69. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van shockschade, merkt de verdediging het volgende op. Voor vergoeding van shockschade is, onder andere blijkens het Flatgebouw-arrest (HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958), vereist dat sprake is van geestelijk letsel dat naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Dat is slechts het geval, indien de emotionele schok heeft geleid tot geestelijk letsel dat, gelet op aard, duur en/of gevolgen, ernstig is. Voorts moet het geestelijk letsel in voldoende mate objectiveerbaar zijn. (…)
71. Naast de harde eis van voldoende ernstig en in voldoende mate objectiveerbaar geestelijk letsel, zijn volgens de Hoge Raad (blijkens het Flatgebouw-arrest) een aantal gezichtspunten van belang (zie rov. 3.5). Deze gezichtspunten loop ik kort langs.
72. Volgens de Hoge Raad zijn onder andere de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad van belang. In dit kader is ook de intentie van de dader van belang. Relevant is daarom om op te merken dat van enige vorm van opzet geen sprake is. Verdachte heeft gehandeld conform het advies van zijn toenmalige internist en diabetesverpleegkundige - zoals door de rechtbank ook in het voordeel van de verdachte is meegewogen.
73. Een tweede gezichtspunt is de wijze waarop de secundaire slachtoffers zijn geconfronteerd met het ongeval en de gevolgen daarvan. Relevant in dit kader is dat geen van de benadeelde partijen getuige is geweest van het ongeval. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Ten aanzien van moeder [benadeelde 3] en vader [benadeelde 2] geldt dat het onduidelijk is hoe zij zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. Daardoor kan niet worden vastgesteld op welke wijze de benadeelde partijen zijn geconfronteerd met het ongeval en de gevolgen daarvan. Bovendien is van een onverhoedse confrontatie geen sprake geweest, nu beide ouders vóór de waarneming van hun zoon op de hoogte waren gesteld van de gebeurtenissen en de staat waarin hun zoon zich bevond.
74. Kortom, de verdediging is van oordeel dat, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt, de vorderingen tot vergoeding van shockschade allen moeten worden afgewezen. Er is geen sprake van voldoende ernstig en in voldoende mate objectiveerbaar geestelijk letsel. Bovendien is de intentie van de verdachte op geen enkel moment gericht geweest op het veroorzaken van het ongeval: van opzet is geen sprake. Verdachte heeft gehandeld conform het advies van zijn toenmalige internist en diabetesverpleegkundige. Bovendien waren de benadeelde partijen geen getuige van het ongeval en was ten aanzien van moeder [benadeelde 3] en vader [benadeelde 2] geen sprake van onverhoedse latere confrontatie; onduidelijk is zelfs hoe en wanneer de confrontatie heeft plaatsgevonden.
(…)
77. Kortom: primair is de verdediging van oordeel dat alle vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen.
78. Subsidiair is zij van mening dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, nu de vorderingen een onevenredige belasting Van hét strafproces vormen.
79. Mocht Uw Hof oordelen dat de vorderingen vanwege de shockschade dienen te worden toegewezen, dan dient de vordering vanwege de shockschade slechts voor dat deel te worden toegewezen, dat overblijft na aftrek van de reeds ontvangen schadevergoeding wegens affectieschade. Blijkens het eerdergenoemde arrest Flatgebouw, dient de rechter over te gaan tot aftrek van de shockschade vanwege toekenning van affectieschade, indien dit blijkens de omstandigheden van het geval billijk is. Volgens de verdediging is dat het geval gelet op de situatie van [verdachte] en de specifieke feiten en omstandigheden. Aftrek van de affectieschade (€17.500 voor de moeder en €17.500 voor de vader) leidt er per saldo toe dat er van de shockschade niets overblijft.
80. Mocht Uw Hof van mening zijn dat de affectieschade niet van de shockschade zou moeten worden afgetrokken, dan verzoekt de verdediging om matiging van de shockschade ex art. 6:109 jo. art. 6:106 BW.”
Het hof heeft de gevorderde immateriële schade van elk van de drie benadeelde partijen toegewezen tot een bedrag van € 15.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente, en heeft in verband daarmee ook steeds de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft deze beslissing in het arrest als volgt gemotiveerd:
“Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 1]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 1] , de broer van het slachtoffer, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van. € 32.500, bestaande uit shockschade ter hoogte van € 15.000 en affectieschade ter hoogte van € 17.500.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 32.500, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 15.000, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
(…)
Shockschade
Voorts heeft [benadeelde 1] een bedrag van € 15.000 ter vergoeding van shockschade gevorderd. Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit het hof aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Het hof overweegt hiertoe dat vergoeding van immateriële schade als gevolg van shockschade alleen kan plaatsvinden als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele shock bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij het verkeersongeval niet direct heeft waargenomen. Vergoeding kan echter ook plaatsvinden als bij de benadeelde door directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld.
Het hof stelt vast dat bij [benadeelde 1] een hevige emotionele shock is teweeggebracht door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het verkeersongeval. Hij is kort na het ongeval op de plaats van het ongeval geweest, heeft zijn broertje moeten identificeren en heeft de toegezonden filmpjes van het ongeval, waarin duidelijk te zien is hoe het ongeval heeft plaatsgevonden en hoe de omstandigheden ter plaatse waren, gezien. Daarnaast heeft hij zijn ouders kort na het ongeval op de hoogte moeten stellen van het overlijden van hun kind. Hoewel hij het verkeersongeval zelf niet heeft waargenomen, is hij dus wel direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen ervan. Deze confrontatie heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van PTSS, alsook in de vorm van hallucinaties en herbelevingen Hij is hiervoor behandeld en gebruikt medicatie.
De gevorderde shockschade zal gelet op het bovenstaande geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 2]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 2] , de. vader van het slachtoffer, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van € 16.570,40 geleden materiële (gederfde inkomsten) en € 15.000 immateriële schade (shockschade) als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 31.580,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 15.000, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
(…)
Shockschade Voorts heeft [benadeelde 2] een bedrag van € 15.000 ter vergoeding van shockschade gevorderd. Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit het hof aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, zoals hiervoor bij de vordering van [benadeelde 1] is vermeld.
Het hof stelt vast dat de benadeelde het verkeersongeval niet direct heeft waargenomen. Vergoeding kan echter ook plaatsvinden als bij de benadeelde door directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld. Uit de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing van dit deel van de vordering komt naar het oordeel van het hof duidelijk naar voren dat de confrontatie met de gevolgen van het verkeersongeval bij de benadeelde partij, waaronder de identificatie van zijn zoon, de vader van het slachtoffer, een hevige emotionele shock teweeggebracht heeft die heeft geleid tot aanhoudende psychische klachten. Volgens de huisarts lijdt hij aan gecompliceerde rouw en er is daarnaast een stemmingsstoornis vastgesteld. De gevorderde shockschade zal gelet op het bovenstaande geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
(…)
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 3]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 3] , moeder van het slachtoffer, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 15.000, bestaande uit shockschade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 15.000, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing deze vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Shockschade
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit het hof ook hier aan bij hiervoor onder de vordering van [benadeelde 1] genoemde vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het hof stelt vast dat de benadeelde het verkeersongeval niet direct heeft waargenomen. Vergoeding kan echter ook plaatsvinden als bij de benadeelde door directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld. Uit de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing van de vordering komt naar het oordeel van het hof duidelijk naar voren dat de confrontatie met de gevolgen van het verkeersongeval, waaronder het identificeren van haar zoon, bij de benadeelde partij een hevige emotionele shock teweeggebracht heeft die heeft geleid tot. aanhoudende psychische klachten. Volgens de psychiater lijdt zij aan gecompliceerde rouw en is daarnaast een stemmingsstoornis en PTSS vastgesteld.
De gevorderde shockschade zal gelet op het bovenstaande geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de. wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.”
Het juridisch kader
De ouders en broer hebben aanspraak gemaakt op de vergoeding van twee soorten schade, te weten schokschade en affectieschade. Beide soorten schade stellen zij te hebben geleden als gevolg van het strafbare feit waarvoor de verdachte terechtstaat.
Met schokschade wordt gedoeld op gevallen waarin personenschade wordt geleden, niet omdat de benadeelde in kwestie zelf fysiek letsel heeft opgelopen, maar doordat deze is geconfronteerd met een schokkende gebeurtenis. Het teweegbrengen van deze schok kan een onrechtmatige daad opleveren en aanspraak geven op vergoeding van (im)materiële schade als die schok heeft geleid tot psychisch letsel.
Affectieschade moet daarvan worden onderscheiden en is, kort gezegd, het nadeel wegens het verdriet en leed dat iemand ondervindt omdat een naaste is overleden of gewond. Op een vergoeding van affectieschade wegens overlijden bestaat alleen recht volgens de maatstaven van art. 6:108 lid 3-6 BW. Die schadevergoedingsplicht wordt in het leven geroepen door de onrechtmatige daad die jegens het overleden slachtoffer is gepleegd. Dit is anders bij schokschade. Het teweegbrengen van de schok is een zelfstandige, onrechtmatige daad jegens degene die de schok heeft ondergaan.
In HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958 heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld over de beoordeling van schokschade en de samenloop met affectieschade:
“3.4Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen
De feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
(…)
Naast een aanspraak op vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door een hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, kan een secundair slachtoffer ook, als naaste van het primaire slachtoffer, een aanspraak hebben op een vaste vergoeding op grond van de artikelen 6:107 lid 1, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en 6:108 lid 1 in verbinding met artikel 6:108 lid 3 BW (‘affectieschade’). In zo’n geval van samenloop van deze aanspraken zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade.
In cassatie kunnen de oordelen over de omvang van de hiervoor besproken verplichting tot vergoeding van schade in beginsel slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht. Bij dit onderzoek kan van belang zijn in hoeverre blijkt dat de feitenrechter bij zijn oordeel acht heeft geslagen op beslissingen van (Nederlandse) rechters in vergelijkbare gevallen.”
Dit arrest verlegde de koers voor de beoordeling van schokschade. Sinds de eerste acceptatie van de figuur van schokschade door de Hoge Raad in 2002, gold als een van de vereisten voor toekenning daarvan dat de hevige emotionele schok was teweeggebracht door het waarnemen van het feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Met het aangehaalde arrest uit 2022 is deze directe confrontatie niet meer een noodzakelijke voorwaarde, maar een gezichtspunt dat de rechter samen met andere in zijn oordeel moet betrekken. Daarbij hoeft geen sprake meer te zijn van een ‘directe’ confrontatie met ‘ernstige’ gevolgen van het feit. Wel kan bij een latere confrontatie een rol spelen of die onverhoeds was.
Engelhard en Engelhard wijzen erop dat aan de formulering van dit gezichtspunt door de Hoge Raad de aanname ten grondslag lijkt de liggen dat de aanwezigheid bij het voorval en de onmiddellijke kennisname daarvan de slagingskans van een schokschadeclaim versterken. De betekenis van het onverhoedse karakter van een confrontatie volgt niet uit de rechtspraak, maar met Kroese zou kunnen worden gedacht dat de reden is dat een hevige emotionele schok zich in beginsel minder snel zal voordoen bij degene die op de confrontatie is voorbereid. Daarbij is het niet ondenkbaar dat hetgeen waarmee men wordt geconfronteerd alsnog alle verwachtingen overtreft, bijvoorbeeld als het lichaam van de overledene sterkt gehavend blijkt.
Andere gezichtspunten dan de confrontatie met het feit en de gevolgen daarvan, zijn in ieder geval de aard, de toedracht en de gevolgen van het gepleegde feit. Dit zegt iets over de ernst van normschending. Een derde gezichtspunt is de aard en hechtheid van de relatie tussen degene die overlijdt en degene die de schok ondergaat. Deze opsomming van gezichtspunten is echter niet limitatief.
Ik wijs erop dat deze rechtspraak een beperking aanbrengt in het aantal gevallen waarin sprake is van onrechtmatig handelen. Niet in ieder geval dat een overlijden (of zware verwonding) door een (strafbaar) feit een schok teweegbrengt die tot psychisch letsel leidt, bestaat recht op een vergoeding van schade. Alleen wanneer een beoordeling van relevante gezichtspunten daarvoor grond geeft, handelt de pleger van het feit ook onrechtmatig jegens de geschokte. Voor die gevallen waarin dat niet zo is, bestaat mogelijk wel een aanspraak op vergoeding van affectieschade. De beoordeling van de gezichtspunten dient dus enige inhoud te hebben en toekenning van schokschade mag geen automatisme te zijn, ook niet als zowel de schok die een overlijden teweegbrengt als het psychisch letsel die dit veroorzaakt, is komen vast te staan (en zeer invoelbaar is).
Dit gezegd hebbende, lijkt de feitenrechter met het aangehaalde arrest uit 2022 meer ruimte te hebben gekregen om tot een vergoeding van schokschade te komen. Die rechter kan immers waarde hechten aan verschillende aspecten van het geval en hoeft geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het ontbreken of het in verminderde mate aanwezig zijn van één van de gezichtspunten. Dit gegeven kan immers worden ‘gecompenseerd’ door een grotere rol voor andere gezichtspunten.
Daarvan zijn ook voorbeelden te vinden in de rechtspraak van de Hoge Raad. In HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1250 ging het om de toegewezen vorderingen voor schokschade van de ouders en zussen van een slachtoffer van moord. De confrontatie met het lichaam van het slachtoffer vond plaats in het mortuarium. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand en overwoog dat aan dit oordeel niet afdeed dat de confrontatie niet onverhoeds en niet onvermijdbaar was, gelet ook op de vaststellingen van het hof rond de toedracht van het bewezenverklaarde, het op het slachtoffer toegepaste geweld en de directe familieband tussen het slachtoffer en de benadeelde partijen. Over het letsel had het hof vastgesteld dat bij het slachtoffer de schedel was ingeslagen, de neus was verbrijzeld en de bovenkaak was gebroken. Hoe de ernst van dit (zichtbare) letsel precies past in de afweging van de gezichtspunten, volgt niet zonder meer uit het arrest. Het zou zowel extra gewicht kunnen toekennen aan het gezichtspunt van de ernst van de normschending als aan het gezichtspunt van de confrontatie.
Met dit arrest vergelijkbaar is het hiervoor geciteerde HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958. Daar ging het om de doodslag op een meisje door haar van grote hoogte van een flatgebouw te laten vallen. De vader van het meisje vorderde vergoeding van schokschade. Hij was in het mortuarium geconfronteerd met het stoffelijk overschot van zijn dochter en “de schokkende, destructieve impact van de val op haar lichaam”. Uit de onderbouwing van de vordering volgde dat deze confrontatie later nogmaals heeft plaatsgevonden door het zien van foto’s.
Ook op andere gezichtspunten kan worden “gecompenseerd” bijvoorbeeld van het feit dat tussen de overledene en de benadeelde geen “bijzondere affectieve relatie” bestond.
Engelhard en Engelhard stellen dat uit deze rechtspraak het beeld naar voren komt dat in gevallen van het visueel waarnemen van het lichaam met de (impact van) de verwondingen, het eerste het derde gezichtspunt voldoende compenseren voor het ontbreken van fysieke aanwezigheid bij het feit en van een onverhoedse confrontatie.
Tot slot van dit juridisch kader nog iets over de taak van de strafrechter bij de beoordeling van een vordering benadeelde partij. In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan. Verder schrijft art. 361 lid 4 Sv voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.
Bespreking van het middel
Het middel valt uiteen in twee deelklachten. Als eerst wordt geklaagd dat het hof, ondanks een daartoe gevoerd verweer, de gezichtspunten onvoldoende in zijn oordeel heeft betrokken. De tweede deelklacht richt zich tegen de vaststelling van de hoogte van schokschade. Daarbij zou het hof geen acht hebben geslagen op beslissingen van rechters in vergelijkbare zaken en geen rekening hebben gehouden met de aanspraak die de ouders al hebben gemaakt op de vergoeding van affectieschade.
Die laatste aanspraak is niet eenvoudig op te maken uit de stukken. Wel volgt uit de standpunten die de verdachte en de ouders tijdens het proces hebben ingenomen, dat de ouders inderdaad een vergoeding van affectieschade hebben ontvangen. Volgens een bijlage bij de vordering benadeelde partij zou dit een ‘voorschot’ zijn geweest van € 35.000,- voor beiden gezamenlijk. Dit komt overeen met het Besluit affectieschade. Dit stelt de hoogte van de vergoeding voor een ouder op € 17.500,-. De vordering van de broer van het slachtoffer tot vergoeding van affectieschade is door het hof afgewezen.
De eerste deelklacht is een motiveringsklacht. Het hof zou de hiervoor beschreven drie gezichtspunten niet of onvoldoende hebben betrokken bij zijn oordeel, terwijl de verdediging wel had betoogd dat rekening moest worden gehouden met het feit dat het ging om een ongewild ongeval en de verdachte geen opzet had. Verder was aangevoerd dat geen van de benadeelde partijen getuige is geweest van het ongeval en dat niet blijkt op welke wijze de ouders zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval, maar dat die confrontatie in ieder geval niet onverhoeds is geweest.
Het hof heeft inderdaad in de motivering van zijn beslissing de nadruk gelegd op de confrontatie van de benadeelde partijen door het “waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.” De vraag of het hof daarmee blijk heeft gegeven van een juiste rechtsopvatting hoeft hier niet te worden beantwoord nu daarover in cassatie niet wordt geklaagd. Hoe dan ook volgt uit de overwegingen van het hof dat het bij zijn oordeel wel degelijk heeft betrokken dat het slachtoffer de broer respectievelijk de zoon van de benadeelde partijen was.
Op grond van het hiervoor weergegeven juridisch kader is het zeer wel mogelijk om op basis van voldoende zwaarwegende omstandigheden op twee gezichtspunten tot het oordeel te komen dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens degene die een hevige emotionele schok heeft ondergaan. Anders dan de steller van het middel tot uitgangspunt lijkt te nemen, is de verminderde aanwezigheid van een gezichtspunt niet in alle gevallen ook een contra-indicatie voor de aanwezigheid van een onrechtmatige daad.
Wat betreft de broer [benadeelde 1] heeft het hof over de confrontatie met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan vastgesteld, dat de broer geen getuige is geweest van het ongeval. Het hof heeft over de confrontatie verder vastgesteld dat hij kort na het ongeval op de plaats delict is geweest, dat hij het slachtoffer heeft moeten identificeren en dat hij videobeelden heeft bekeken waarop duidelijk te zien is hoe het ongeval heeft plaatsgevonden en hoe de omstandigheden ter plaatse waren. Over het moment van deze identificatie en de wijze waarop deze plaatsvond, vermeldt het hof niets. Met enige aarzeling meen ik dat deze feiten en omstandigheden voldoende zijn om tot het oordeel te komen dat de verdachte jegens de broer van het slachtoffer onrechtmatig heeft gehandeld. Dat betekent dat het oordeel van het hof, dat uit deze confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval waarbij de broer van de benadeelde partij om het leven is gekomen volgt dat de verdachte jegens de broer onrechtmatig heeft gehandeld, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.
Dat ligt naar mijn mening anders ten aanzien van het oordeel van het hof dat de verdachte ook jegens de ouders van het primaire slachtoffer onrechtmatig heeft gehandeld. Anders dan bij de broer van het primaire slachtoffer, houden de vaststellingen van het hof niet in dat zij op de plaats delict zijn geweest of dat zij de videobeelden hebben bekeken die zijn gemaakt van het ongeval. Het hof heeft vastgesteld dat de confrontatie met de gevolgen van het verkeersongeval, waaronder de identificatie van hun zoon, een hevige emotionele shock teweeg heeft gebracht. Over het moment van deze identificatie en de wijze waarop deze plaatsvond vermeldt het hof niets. Met name wordt niets vastgesteld over eventuele verwondingen die de ouders hebben moeten waarnemen op het lichaam van hun zoon. Dat klemt in dit geval temeer, omdat door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd dat niet blijkt op welke wijze de ouders van het slachtoffer zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. Het hof verwijst in zijn motivering wel nog naar de schriftelijke onderbouwing van de vordering benadeelde partij. Waar het hof dan precies op doelt, wordt echter niet duidelijk. Ook in de schriftelijke onderbouwing wordt niet nader ingegaan op de identificatie van hun zoon. De daar genoemde gesprekken waardoor de ouders een zeer realistisch beeld hebben kunnen creëren van het ongeval en de blootstelling aan de aandacht van de media, zullen ongetwijfeld belastend zijn geweest, maar kunnen niet zonder meer worden aangemerkt als confrontaties als hier bedoeld. De vaststelling van het hof dat zij hun zoon hebben geïdentificeerd kan het oordeel dat de verdachte onrechtmatig jegens de ouders van het primaire slachtoffer heeft gehandeld niet zelfstandig dragen. Om die reden acht ik het oordeel van het hof dan ook niet toereikend gemotiveerd.
De tweede deelklacht behoeft dan geen bespreking voor zover die ziet op de ouders. Als daarover anders zou worden geoordeeld, meen ik dat de tweede deelklacht ook hier slaagt wat de ouders betreft, voor zover deze klacht inhoudt dat bij het bepalen van de hoogte van de vordering niet is ingegaan op de aanspraak die de ouders al hebben gemaakt op de vergoeding van affectieschade. Ik verwijs daartoe naar het gevoerde verweer en rov. 3.9 van het onder 4.8 geciteerde arrest HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958.
Voor zover de deelklacht zich richt tegen de motivering van de hoogte van de aan de broer toegekende vergoeding voor schokschade, faalt deze. Ik wijs erop dat aan de broer geen affectieschade is toegekend en dat de verdachte bij het hof geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de vordering. Waarom het in deze omstandigheden voor de begrijpelijkheid van de toekenning van het bedrag aan de broer nodig zou zijn geweest dat het hof expliciet ervan blijk had gegeven acht te hebben geslagen op beslissingen van de (Nederlandse) rechter in vergelijkbare gevallen, zie ik niet in. In de schriftelijke onderbouwing van de vordering is overigens wel verwezen naar een aantal uitspraken van Nederlandse rechters waarbij een vergoeding is toegekend voor immateriële schade wegens schokschade. Het oordeel van het hof is toereikend gemotiveerd.
Het middel slaagt deels.
5. Afronding
Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt voor zover het is gericht tegen de toewijzing van de vorderingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 2] en faalt voor het overige.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Ik wijs erop dat inmiddels meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 20 maart 2024. Hieraan behoeven echter geen consequentie te worden verbonden voor de straf, omdat de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk is opgelegd, terwijl het uitgangspunt is dat geen vermindering wordt toegepast op een bijkomende straf. Daarom kan volstaan worden met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de toewijzing van de vordering benadeelde partij van [benadeelde 3] en [benadeelde 2] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag om in zoverre opnieuw te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG