PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00145
Zitting 9 juni 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 9 februari 2005 door het gerechtshof te Amsterdam wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. Namens de verdachte heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken kan het volgende worden opgemaakt. De verdachte is op 9 februari 2005 door het hof Amsterdam bij verstek veroordeeld voor het invoeren van verdovende middelen als bedoeld op lijst I bij de Opiumwet. Voor de zitting bij het hof was de verdachte niet in persoon gedagvaard. Op 24 december 2023 is aan de verdachte door een medewerker van de grensbegeleiding de mededeling uitspraak betreffende dit arrest betekend.
Op 15 januari 2024 heeft de griffie van het gerechtshof een akte instellen cassatie opgemaakt. Aan deze akte is een handgeschreven brief gehecht, gedateerd op 11 januari 2024, die door de griffie is aangemerkt als een volmacht tot het instellen van cassatie. In deze brief, die kennelijk is opgesteld door de verdachte, valt te lezen dat hij “nogmaals” een medewerker van het hof machtigt namens hem een akte cassatie te laten opmaken, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van het hof. Verder geeft de verdachte aan dat hij dit al op 29 december 2023 via de mail heeft gedaan en ook op 3 januari 2024 de benodigde documenten per post heeft verstuurd, maar dat hij heeft begrepen dat deze niet ontvangen zijn, terwijl hij wel een bevestiging van ontvangst van alles dat hij heeft opgestuurd via de mail heeft gekregen. Aan de akte is ook een brief gehecht, geadresseerd aan het ressortsparket van het openbaar ministerie Amsterdam, waarin de verdachte aangeeft beroep in cassatie te willen instellen omdat hij het niet eens is “met de veroordeelde gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden” en waarin hij aangeeft dat hij daarnaast qua gezondheid niet kan overleven als hij deze straf moet uitzitten. Deze brief vermeldt als datum 29 december 2023.
Uit het webportaal van de Hoge Raad blijkt dat de raadsman van verdachte op 27 april 2024 het volgende bericht aan de Hoge Raad heeft verzonden (weergegeven voor zover hier relevant):
“Verzoekt aanvullende stukken: Edelhoogachtbare heer / vrouwe,
Bij de gedingstukken bevindt zich een brief van de [griffier] van het hof van 19 februari 2024 waarin is vermeld dat omdat de Hoge Raad verzoeker vermoedelijk niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn cassatieberoep (omdat dat beroep te laat zou zijn ingesteld) de bewijsmiddelen, noch de redengevende feiten en omstandigheden in het arrest van 9 februari 2005 opgenomen.
Bij de gedingstukken die ik van de Hoge Raad ontving, bevindt zich achter de cassatieakte een brief van verzoeker van 29 december 2023 gericht aan Ressortsparket waarin hij verklaart dat hij beroep in cassatie wil instellen tegen het arrest van 9 februari 2005.
Bij de gedingstukken die ik van de Hoge Raad ontving bevindt zich achter de cassatieakte verder ook nog een brief van 11 januari 2024 aan de griffie van het hof waarin verzoeker onder meer verklaart dat hij nogmaals een medewerker van het hof machtigt tot het instellen van cassatie en dat hij dit ook al op 29 december 2023 per e-mail heeft gestuurd en op 3 januari 2024 de benodigde documenten per post heeft verzonden.
Navraag bij verzoeker met betrekking tot hetgeen in de hiervoor weergegeven alinea is opgenomen leerde mij dat hij aangeeft dat hij de brief van 29 december 2023 per e-mail aan de strafgriffie van het hof heeft verzonden en dat hij van de strafgriffie van het hof per e-mail een ontvangstbevestiging heeft ontvangen en daarvan een schermafdruk heeft gemaakt. Die zend ik als bijlage hierbij (*). Verder gaf hij aan dat hij diezelfde brief op 3 januari 2024 per post naar het Ressortsparket heeft gestuurd omdat op de betekeningsstukken dat adres onderaan vermeld stond.
Gelet op het voorgaande verzoek ik u dat wordt nagegaan wanneer voornoemde brief van 29 december 2023 per post bij het Ressortsparket is ingekomen en verzoek ik u mij op de hoogte te brengen van de uitkomst daarvan, en verzoek ik verder om de toezending van een afschrift van:
- de e-mail die het hof op 29 december 2023 van verzoeker heeft ontvangen;
- het arrest van het hof van 9 februari 2005 met (een aanvulling met) bewijsmiddelen en de redengevende feiten en omstandigheden;”
In het hiervoor weergegeven bericht refereert de raadsman van de verdachte aan de brief van 29 december 2023 die de verdachte per e-mail aan de strafgriffie van het hof heeft verzonden en geeft hij aan een ontvangstbevestiging van dit bericht als bijlage bij het portaalbericht te hebben gevoegd. Deze in het digitale dossier geplaatste bijlage toont een schermafdruk van een automatische ontvangstbevestiging d.d. 29 december 2023. Hierin staat dat de strafgriffie van het gerechtshof Amsterdam een e-mail in goede orde heeft ontvangen en dat deze zo spoedig mogelijk wordt behandeld. Er is niet te zien wie de ontvanger van de mail is. Eveneens op 27 april 2024 is door de raadsman van de verdachte de originele e-mail in het web portaal van de Hoge Raad geplaatst. Daaruit valt op te maken dat de e-mail is ontvangen door “ [e-mailadres] ”. In de cassatieschriftuur wordt aangevoerd dat dit e-mailadres toebehoort aan de ex-vriendin van de verdachte die hem zou hebben geholpen bij het instellen van cassatie.
Er is aan de raadsman door de griffier van de Hoge Raad op 25 juli 2024 te kennen gegeven dat beide door hem opgevraagde stukken zich niet bij de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden en dat naar aanleiding daarvan de Hoge Raad informatie heeft ingewonnen bij het hof Amsterdam. De reactie van het hof is op diezelfde datum aan het digitale dossier toegevoegd en luidt als volgt (voor zover hier van belang):
“Er is op 29 december 2023 geen contact geweest per e-mail (en voorzover ik kan nagaan ook niet op een andere wijze) met verzoeker. Blijkens de bijgevoegde brief van [griffier] , heeft eerst in januari 2024 contact plaatsgevonden. In diezelfde brief van [griffier] is ook te lezen dat er geen uitgewerkt arrest is. Beide stukken zijn dus niet opgemaakt en kan ik u om die reden niet doen toekomen.”
In de cassatieschriftuur en de aanvulling daarop wordt betoogd dat bij de e-mail die door de vriendin van de verdachte op 29 december 2023 aan het hof Amsterdam is verstuurd de hiervoor genoemde brief van diezelfde datum als bijlage is gevoegd en dat deze brief als bijzondere volmacht moet worden aangemerkt. Er is dus op tijd cassatie ingesteld. Daar komt nog eens bij dat in de latere handgeschreven brief van 11 januari 2024 door de verdachte is verklaard dat hij de brief van 29 december 2023 op 3 januari 2024 per gewone post aan het ressortsparket heeft verzonden en dat in redelijkheid hieraan niet kan worden getwijfeld, zodat er in cassatie van moet worden uitgegaan dat die brief binnen de termijn voor het instellen van cassatie door het ressortparket is ontvangen en dat dus, met het oog op twee arresten van de Hoge Raad van 22 september 2015, ook in dat geval tijdig cassatie is ingesteld.
Naar aanleiding van het voorgaande heb ik op 8 april 2026 aan de raadsman van de verdachte laten verzoeken om (een afschrift van) de e-mail die op 29 december 2023 volgens hem naar het gerechtshof Amsterdam is verstuurd vanuit het [e-mailadres] en waarop betrokkene een automatische ontvangstbevestiging van het gerechtshof zou hebben ontvangen. Subsidiair heb ik, mocht deze e-mail niet beschikbaar zijn, verzocht op de hoogte te worden gesteld van het tijdstip dat de betrokkene de e-mail op 29 december 2023 heeft verstuurd naar het hof Amsterdam en het precieze tijdstip van de automatische ontvangstbevestiging.
Op 10 april 2026 heeft de raadsman gereageerd op het voornoemde verzoek. Kort gezegd, komt deze reactie erop neer dat de originele e-mail in het ongerede is geraakt en dus niet meer beschikbaar is. Wel is er door de raadsman van de verdachte een screenshot van een ander e-mailbericht dat op 29 december 2023 door verdachte (volgens de steller van het middel tevens middels het Gmail-account van zijn ex-vriendin) aan het hof is gezonden. Dit bericht is getiteld “Cassatie parketnummer 23-001120-04 bewijsstukken deel 2” en houdt het volgende in:
“Beste Medewerker
De benodigde bewijsstukken zal ik per post verzenden.
Met vriendelijke groeten
[verdachte] ”
Later op diezelfde dag is door de raadsman van de verdachte te kennen gegeven dat de ex-vriendin van de verdachte op haar telefoon een ontvangstbevestiging (verstuurd vanaf het e-mailadres van het hof Amsterdam) heeft aangetroffen van 29 december 23.38 uur. Van deze ontvangstbevestiging is een screenshot in het webportaal van de Hoge Raad geplaatst.
Naar aanleiding van het voorgaande zijn op mijn verzoek op 14 april 2026 inlichtingen ingewonnen bij het hof Amsterdam. Er is aan het hof verzocht om, zo nodig met behulp van de IT-dienst bij het hof, opnieuw onderzoek in te stellen naar het e-mailverkeer tussen het hof en de verdachte (middels het [e-mailadres] ) op 29 december 2023. Het hof heeft, ondanks enkele herinneringen, ten tijde van het nemen van deze conclusie nog niet aan dit verzoek voldaan. Gelet op het belang van de voortgang van de zaak, meen ik dat niet langer op een antwoord van het hof kan worden gewacht en zal ik concluderen op basis van de gegevens die ik nu heb.
Die gegevens komen erop neer dat de verdachte vanaf het moment dat hij op 11 januari 2024 volmacht verleende voor het instellen van cassatie, het standpunt heeft ingenomen dat hij op 29 december 2023 per e-mail een brief heeft gezonden naar de griffie van het gerechtshof Amsterdam. Gelet op de inhoud van die brief kan deze bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de wens van de verdachte om beroep in cassatie in te stellen. Als deze brief inderdaad op 29 december 2023 naar het hof is gezonden, dan is dit beroep tijdig ingediend. Dat aan de brief geen gevolg is gegeven door een akte op te maken, mag niet strekken te nadele van de verdachte.
De verzending van deze brief per mail aan de griffie van het hof, heeft de verdachte onderbouwd door overlegging van een afdruk van een door de griffie verzonden ontvangstbevestiging en van een mail over de verzending van bewijsstukken, die een vervolg lijkt op een eerdere mail. Beide berichten vermelden als datum 29 december 2023. Specifieke informatie over het wel of niet zijn ontvangen van deze mail(s) heeft het hof niet kunnen verstrekken. Daarom meen ik dat aan de betrouwbaarheid en herkomst van deze stukken niet dient te worden getwijfeld.
Gezien het voorgaande zou ik willen uitgaan van de stelling in de cassatieschriftuur, namelijk dat op 29 december 2023 op geldige wijze cassatieberoep is ingesteld tegen het arrest van het hof van 9 februari 2005,. Derhalve acht ik het cassatieberoep ontvankelijk, zodat ik toekom aan de bespreking van de cassatiemiddelen.
3. Het eerste middel
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet steunt op de inhoud van in het arrest opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het arrest leidt dus aan nietigheid, aldus de steller van het middel.
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, bevindt zich een uittreksel van het arrest van het hof. Dit uittreksel bevat echter geen bewijsmiddelen. Bij die stukken bevindt zich ook geen aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv met daarin de bewijsmiddelen die zijn gebruikt.
De raadsman van de verdachte heeft op 27 april 2024 ingevolge art. 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden tijdig verzocht om alsnog in het bezit te worden gesteld van “het arrest van het hof van 9 februari 2005 met (een aanvulling met) bewijsmiddelen”. De griffier van het hof heeft de Hoge Raad al op 25 juli 2024 bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt.
Op grond van art. 359 lid 3 en lid 8 Sv moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring. De uitspraak van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven. Het middel is terecht voorgesteld.
4. Afronding
Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft daarom geen bespreking.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG