PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00456 B
Zitting 9 juni 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klaagster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster.
1. Inleiding
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 26 januari 2024 (RK-nummer 23/009327) het klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van de op grond van art. 94 en 94a Sv onder derden gelegde beslagen op alle vorderingen van de klaagster op die derden en teruggave aan haar van deze voorwerpen, gegrond verklaard ten aanzien van het beslag dat een bedrag van € 1.550.000 te boven gaat en in zoverre de teruggave gelast aan de klaagster.
Cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en Th.J. Kelder, advocaat in ‘sGravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Tevens is cassatieberoep ingesteld door A.C. Schaafsma, officier van justitie bij het Functioneel Parket. Namens het openbaar ministerie heeft W.J.V. Spek, plaatsvervangend officier van justitie bij het functioneel parket en bij het arrondissementsparket Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Th.J. Kelder, advocaat in ’s-Gravenhage, heeft dit cassatieberoep namens de klaagster tegengesproken.
2. De zaak in het kort
De klaagster heeft werkzaamheden verricht ter bevordering van de verkoop van (met name) schepen door [A] B.V. (hierna: [A] ) aan de Bahama’s en Trinidad en Tobago. De klaagster wordt verdacht van (het medeplegen van) valsheid in geschrift door een hogere commissie voor elk verkocht schip met [A] te zijn overeengekomen dan in verschillende documenten is genoemd. In het kader van deze verdenking is zowel klassiek (art. 94 Sv) als conservatoir (art. 94a Sv) beslag gelegd op een aantal vorderingen van de klaagster op [A] en op ABN AMRO. Deze vorderingen bestaan (grotendeels) uit de genoemde commissie, die door [A] nog niet was uitbetaald maar waarop de klaagster volgens een arbitraal vonnis recht zou hebben.
De klaagster heeft tegen dit beslag een klaagschrift ingediend. In haar beschikking heeft de rechtbank het verweer van de klaagster verworpen dat beslagformaliteiten niet zijn nagekomen en dat dit tot opheffing van het beslag zou moeten leiden. Daartegen richt zich het cassatiemiddel van de klaagster. De rechtbank verwerpt ook het verweer van de klaagster dat geen sprake kan zijn geweest van valsheid in geschrift. De rechtbank oordeelt echter ook dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de stelling van het openbaar ministerie dat zonder de valsheid in geschrift de overeenkomsten met de Bahama’s en Trinidad en Tobago niet zouden zijn gesloten en de klaagster geen recht zou hebben gehad op commissie. De rechtbank acht het daarom hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de beslagen gelden zal verbeurd verklaren of een ontnemingsvordering zal toewijzen. Het beslag wordt door de rechtbank slechts gehandhaafd tot het bedrag van de maximaal op te leggen geldboete. Hiertegen richt zich het cassatiemiddel van het openbaar ministerie, dat ik hierna als eerste zal bespreken.
3. Het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel
Het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel houdt in dat de rechtbank met haar oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, op grond van de verdenking in de strafzaak tegen klaagster de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd zal verklaren dan wel als wederrechtelijk verkregen voordeel zal ontnemen, het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure heeft miskend en is vooruitgelopen op de beslissingen die zullen worden genomen in de nog te voeren procedure in de strafzaak of de ontnemingszaak, dan wel dat dit oordeel onbegrijpelijk is en/of onvoldoende is gemotiveerd.
De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Feiten
Op 9 februari 2021 is klassiek beslag gelegd onder een derde, te weten BV [A] , op alle vorderingen van klager op die derde, voortvloeiende uit de Service Provider Agreement d.d. 8 juni 2015 (Bahamas) en de Service Provider Agreement d.d. 18 november 2015 (Trinidad en Tobago).
Op 9 februari 2021 is conservatoir beslag gelegd onder een derde, te weten ABN-AMRO Bank N.V. Amsterdam, op de vordering van klager uit hoofde van de escrow-agreement met kenmerk [klaagster] [rekeningnummer 1] op die derde.
Op 9 februari 2021 is conservatoir beslag gelegd onder een derde, te weten ABN-AMRO Bank N.V. Amsterdam, op de vordering van klager uit hoofde van de escrow-agreement met kenmerk [klaagster] [rekeningnummer 2] op die derde.
Op 9 februari 2021 is conservatoir beslag gelegd onder een derde, te weten B.V. [A] , op alle vorderingen van klager op die derde en voorts alle gelden, geldswaarden en/of roerende zaken die geen registergoederen zijn, die de derde-beslagene uit hoofde van een thans bestaande rechtsverhouding onder zich heeft en/of zal verkrijgen en/of aan de klager verschuldigd is of zal worden, zulks ter verzekering van het verhaal van de vordering(en).
Het beslag is gelegd ten laste van klager in het kader van de onder opgemeld parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de klager. Het Openbaar ministerie verdenkt klager van (mede)plegen van valsheid in geschrift in het kader van door Bahama’s en Trinidad & Tobago aan [A] verleende bouwopdrachten. Voorts is het Openbaar Ministerie voornemens een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig te maken.
Standpunt klager
Het klaagschrift strekt tot gegrondverklaring en het gelasten van de opheffing van het beslag, zodat klager zo spoedig mogelijk kan beschikken over de banktegoeden en (geldelijke) vorderingen. Klager heeft daartoe het volgende aangevoerd. De beslagen zijn niet rechtsgeldig gelegd omdat aan de formele voorschriften voor beslaglegging niet is voldaan. Daarnaast bestaat er geen grondslag voor de beslagen omdat de verdenking, dat klager zich (samen met een ander) schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, evident onjuist is. Verbeurdverklaring van het volledig beslagen bedrag is hoogst onwaarschijnlijk. Ook het standpunt van het Openbaar Ministerie, dat alle vergoedingen van [klaagster] als wederrechtelijk voordeel moeten worden aangemerkt en daarom voor ontneming in aanmerking komen, is onjuist.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe heeft de officier van justitie vooropgesteld dat een inhoudelijke discussie over het bewijs van het strafrechtelijk verwijt geen onderdeel uitmaakt van de klaagschriftprocedure. Daarnaast heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. Weliswaar is niet voldaan aan de eis van betekening, maar dit heeft niet tot gevolg dat de beslagen nietig zijn, temeer nu klager bekend was met de beslagen. De verdenkingen, zoals omschreven in de concept tenlastelegging, rechtvaardigen de beslaglegging en het belang van strafvordering rechtvaardigt het voortduren daarvan. De schriftelijke vastlegging tussen partijen als genoemd in de concept tenlastelegging, is op het onderdeel van de hoogte van de commissie voor klager niet in overeenstemming met de werkelijke afspraken tussen partijen. Daarnaast zijn de building contracts vals omdat daarin in strijd met de waarheid is opgenomen dat – kort samengevat – niet aan derden betaald zal worden in verband met het te sluiten respectievelijk gesloten contract. In werkelijkheid is dit wel gebeurd of zou het gebeuren namelijk aan klager, die als derde is aan te merken.
Die werkelijke afspraken zouden in de weg hebben gestaan aan een ‘probleemloze’ acceptatie van de export kredietverzekering door [B] . Zonder een dekkingstoezegging van [B] had [A] het biedingsproces niet kunnen starten. Derhalve was, zonder de (mede-)gepleegde valsheid in geschrift, de gunning van de Bahama’s en Trinidad & Tobago niet doorgegaan. De vordering van klager op [A] ziet uitsluitend op nog door [A] aan haar te betalen commissies op basis van de valse SPA’s. Deze vordering is derhalve verkregen door middel van de gepleegde strafbare feiten. Daarmee komt deze vordering voor verbeurdverklaring op grond van artikel 33a Sr in aanmerking. De beslagen bedragen op de beide bankrekeningen (de escrow rekeningen), in totaal ruim 25 miljoen euro, vormen, voor zover geen sprake zal zijn van verbeurdverklaring van deze bedragen, in ieder geval wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr. Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel schat de officier van justitie op 35 miljoen euro.
Beoordelingskader
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.
Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag is naar het oordeel van de officier van justitie gelegen in een mogelijke verbeurdverklaring en/of een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De vraag die dan beantwoord dient te worden is of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, die verbeurdverklaring zal bevelen of een vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel zal toewijzen.
Als het belang van strafvordering zich niet (meer) verzet tegen teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp geldt de hoofdregel dat het voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen, tenzij een ander dan de beslagene redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
Beoordeling
Wat er zij van de stelling van klager dat bij het leggen van de beslagen niet aan de formele wettelijke vereisten is voldaan, dit leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat de beslagen nietig zijn. Het achterwege blijven van een geldige betekening is niet met nietigheid bedreigd.
Vervolgens ligt dan de vraag voor of er andere redenen zijn om het beklag gegrond te verklaren en de teruggave van het beslagene aan klager te gelasten.
Hoewel de verdenking van valsheid in geschrift ten tijde van het leggen van de beslagen ook al bestond heeft het strafrechtelijk onderzoek zich vooral gericht op een verdenking van ambtelijke en niet ambtelijke omkoping bij het verkrijgen van de opdrachten van Bahama’s en Trinidad & Tobago. Die verdenking van corruptie heeft het Openbaar Ministerie laten vallen.
Ten aanzien van de valsheid in geschrift acht de raadkamer, anders dan klager, het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift komt. Uit het dossier volgen in ieder geval aanwijzingen dat klager met [A] een hoger commissiepercentage is overeengekomen dan in de verschillende documenten is genoemd, terwijl deze documenten waren bedoeld om tot bewijs van enig feit te dienen.
Vervolgens is de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring zal komen of aan de verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De officier van justitie neemt in dat kader de stelling in dat vaststaat dat [A] de aanbestedingen niet zou hebben verkregen als geen valsheid in geschrift was gepleegd. Zonder de valse contracten zouden alle inkomsten niet zijn genoten en had klager geen recht op een percentage daarvan. De officier van justitie heeft deze stelling evenwel hoegenaamd niet onderbouwd en de rechtbank zijn daarvoor ook niet voldoende aanknopingspunten gebleken. De raadkamer acht het dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later tot dit oordeel zal komen en die inkomsten dus verbeurd zal verklaren dan wel als wederrechtelijk genoten, zal ontnemen. Het beklag moet in zoverre dan ook gegrond worden verklaard.
De maximale geldboete die bij een veroordeling voor de twee ten laste gelegde feiten van valsheid in geschrift kan worden opgelegd bedraagt € 1 550 000 (uitgaande van een rechtspersoon en de ten tijde van de pleegdata geldende hoogtes van de boetecategorie zes). Ter hoogte van dit bedrag is er nog wel een strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag, te weten voor verhaal van een eventueel op te leggen geldboete.
Het beklag zal aldus deels gegrond worden verklaard.
De officier van justitie heeft nog aangevoerd dat in deze beklagzaak niet tot teruggave aan klager kan worden overgegaan omdat beslag op dezelfde voorwerpen ligt in de strafzaak tegen [A] . Anders dan de officier van justitie stelt de rechtbank echter vast dat klager, en niet [A] , ten aanzien van dat beslag als de redelijkerwijs rechthebbende moet worden aangemerkt. Dit volgt uit het arbitraal vonnis van 2 februari 2021, aangevuld op 19 februari 2021, waarin de vorderingen van klager zijn toegewezen (DOC-946) en uit het feit dat [A] geen aanspraak maakt op hetgeen onder de beslagen ligt (productie 27 zijdens klager).
De teruggave zal dan ook worden gelast aan klager, en wel van het meerdere boven een bedrag van € 1 550 000.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beklag gegrond ten aanzien van het beslag dat een bedrag van € 1 550 000 te boven gaat;
gelast in zoverre de teruggave aan klager.”
Voor wat betreft het procesverloop is het volgende van belang. Het namens de klaagster op 11 april 2023 ingediende klaagschrift is op 11 oktober 2023 van een nadere schriftelijke toelichting voorzien. Op 16 oktober 2023 heeft het openbaar ministerie hierop schriftelijk gereageerd. Vervolgens is het klaagschrift op 18 oktober 2023 in openbare raadkamer behandeld. Het proces-verbaal van die behandeling in raadkamer luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:
“De belanghebbende BV [A] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
In dit proces-verbaal zijn verklaringen en mededelingen steeds zakelijk weergegeven.
De voorzitter merkt op dat tegen [klaagster] een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld en vermaant de bestuurder [betrokkene 1] daarom oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mee dat hij niet tot antwoorden is verplicht.
De voorzitter deelt mee dat door [klaagster] een nadere toelichting is ingediend en dat door het OM een standpunt is ingediend. De beklagprocedure kent weliswaar een summier karakter maar het is belangrijk te weten waar de verdenking van het Openbaar Ministerie globaal op rust. [klaagster] heeft bepaalde stellingen, zoals dat een commissie van 15% zou zijn overeengekomen, betwist. Waar baseert het OM deze stelling op?
De officier van justitie deelt mee:
Dat staat al in de mondelinge toelichting vermeld. Het gaat vooral om de verhoren van [betrokkene 1] (01301 en 01302). Uit het document 737 op pagina 14 volgt dat mondeling is afgesproken dat 15% commissie betaald zou worden. Verder volgt ook uit het dossier dat men bewust de 15% niet op papier heeft laten zetten, omdat [A] dan problemen zou krijgen met de exportkredietverzekering [B] . Dat wil zeggen dat er op papier iets anders staat dan defacto tussen partijen is afgesproken.
U vraagt mij of 5% de maximaal te rechtvaardigen commissie betreft.
Zaaksdossier 007 ziet op [B] , maar [A] zelf erkent al dat er vanaf 2000 richtlijnen bestonden die maakten dat bij een commissie van meer dan 5% aanvullende vragen werden gesteld. Dat was ook beleid bij [B] . Hoge commissies worden uiteindelijk gebruikt door een agent om lokale ambtenaren om te kopen. Als aanvrager van een kredietverzekering moet je in staat zijn om uit te leggen waarom meer commissie gerechtvaardigd is en zal men inzicht moeten geven in welke werkzaamheden de agent heeft verricht.
U vraagt mij hoe ik de stelling van [klaagster] , dat [klaagster] niet gezien moet worden als een agent, bezie. Met [klaagster] zijn diverse FPA’s gesloten. Hij was degene die een deal wilde sluiten voor [A] in de betreffende landen. Er was sprake van dienstverlening, niet als joint venture. Men wilde no cure no pay betaald worden. In onze optiek was hij een derde. Het Openbaar Ministerie acht valsheid in geschrifte bewijsbaar. Ik zie nu dat de verdediging een poging doet om een andere juridische duiding aan de zaak te geven.
De oudste rechter merkt op:
In de concept tenlastelegging staat dat in contracten is opgenomen dat niet aan derden zal worden betaald. Begrijp ik het goed dat het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat wel aan derden is betaald?
De officier van justitie deelt mee:
[klaagster] erkent 10 miljoen ontvangen hebben van [A] . Het ging om contracten tussen [A] en Trinidad/Barbados. [klaagster] was geen partij en dus een derde.
Landen nemen ook in hun contracten op niet aan derden te betalen, teneinde een contract tot stand te laten komen. Het is niet de bedoeling zomaar allerlei mensen te betalen, vanwege het risico op corruptie. Er wordt in het contract een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, omdat [betrokkene 1] / [klaagster] wel betaald heeft gekregen. [betrokkene 1] was aanwezig bij het tekenen van het contract op Curaçao. Daar is een foto van. De oudste rechter houdt voor dat de verdenking oorspronkelijk zag op corruptie. Dat klopt en op valsheid. De oudste rechter vraagt wie de om te kopen personen dan zouden zijn. Dat is het onderwerp van dit dossier geworden. Bedrijven uit Nederland betalen niet meer rechtsreeks, maar schuiven daar iemand tussen. Daar werden agenten voor gebruikt en de commissie die de agent kreeg. De oudste rechter houdt voor dat er dan meer derden zijn dan alleen [klaagster] . De verdenking zag op zowel corruptie als valsheid in geschrift ambtelijk danwel niet-ambtelijk.
De officier van justitie legt een schriftelijke toelichting over, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en daarvan deel uitmaakt.
De oudste rechter merkt op:
In het klaagschrift wordt vermeld dat overleg plaats zou vinden met het Openbaar Ministerie om tot een vergelijk te kunnen komen.
De officier van justitie deelt mee:
Er is een eerste overleg met de verdediging geweest. In een aanbiedingsbrief is aangegeven dat men een buitengerechtelijke afdoening wilde verkennen. De reden was gelegen in de medewerking van [betrokkene 1] aan het onderzoek. Gelet op de procespositie is onduidelijk of dat gaat lukken.
Mr. [betrokkene 2] merkt op:
De teneur van het gesprek is niet dat wij daar hoopvol over zijn.
Mr. [betrokkene 3] merkt op:
Er kan gepraat worden, maar het is niet aan ons om een stap te zetten. Cliënt is niet bereid om concessies te doen.
De advocaat mr. [betrokkene 2] voert het woord overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities. De pleitnotities zijn aan dit proces-verbaal gehecht en maken daarvan deel uit.
De voorzitter onderbreekt de behandeling voor beraad.
De voorzitter deelt na hervatting van het onderzoek mee dat de rechtbank een aantal vragen heeft aan de officier van justitie, te weten:
1) Of de officier van justitie kan ingaan op het verweer dat de beslagen niet rechtsgeldig zijn gelegd; 2) Hoeveel geld nu precies onder beslag ligt en wat de te verwachten hoogte is van een ontnemingsvordering en of de officier van justitie vindt dat het beslag op het gehele bedrag gehandhaafd moet blijven;
3) of de officier van justitie kan ingaan op de stelling van [betrokkene 1] dat hij niet heeft verklaard dat 15% commissie is afgesproken;
4) Zowel in de strafzaak tegen [A] als in de strafzaak tegen [klaagster] is beslag gelegd. Betreft dit hetzelfde beslag? Klopt het dat bij een (gedeeltelijke) opheffing van het beslag met betrekking tot [klaagster] in de andere strafzaak tegen [A] nog beslag blijft liggen?
De officier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld andermaal het woord te voeren. De officier van justitie deelt mee:
Er wordt bestreden dat er klassiek beslag gelegd zou zijn. Dit blijkt echter uit de documenten FIN 005, 006 en 007. Uit document 006 volgt dat klassiek beslag is gelegd op de Escrow-rekening in dollars. Wat betreft de eisen van de betekening klopt het dat de betekening civielrechtelijk niet volgens de regels der kunst heeft plaatsgevonden, ik wil verwijzen naar een uitspraak van 1 december 1998, ECLI:1998:ZD:1434, NJ 1999, 223.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat aan dergelijke vormverzuimen geen nietigheid wordt gekoppeld. Temeer niet als de beslagene bekend is met de beslagen.
Uit bijlage E bij het aanvullend klaagschrift volgt dat daags na de inbeslagname de advocaat contact heeft gehad met de officier van justitie aangaande het klassiek en conservatoir beslag, zodat duidelijk is dat [klaagster] bekend was met de beslagen.
Ik heb de toezegging tot de opheffing van het beslag niet in het dossier kunnen ontdekken. Ik ben het nagegaan bij de officier van justitie en die bestrijdt dat. Anders bevestig je dat toch ook meteen? Wat er ook zij van de rekenfouten die gemaakt zouden zijn in de mail van [betrokkene 7] van maart van dit jaar, het is een mail gestuurd in de hoop om met de verdediging in gesprek te komen. Het zijn scenario’s.
[betrokkene 1] heeft als commissie een bedrag gehad. Dat staat ook in de arbitrage genoemd. Er is niet in geschil dat men al 10 miljoen heeft gehad. Er ligt beslag op het restant. Dat zijn de bedragen op de Escrowrekeningen van de ABN in dollars en euro’s. Het gaat over ruim 26 miljoen in euro’s. Dat bedrag staat genoemd in de schriftelijke reactie op het klaagschrift. De jongste rechter vraagt of dat ook de globaal verwachte hoogte van de ontneming zal bedragen. Dat gaat over 35 miljoen, de volledige commissie die [betrokkene 1] heeft gehad. Hij kreeg alleen commissie als de transacties zouden doorgaan. Er bestaat voldoende causaliteit tussen de strafbare feiten en de winst die [betrokkene 1] heeft gehad. Er worden nergens kosten vermeld. Als er geen valsheid in geschrifte was gepleegd, was er geen contract tot stand gekomen. Ik heb de rekensom gezien (het subsidiair en meer subsidiaire standpunt) die is opgeworpen met de bedoeling om in gesprek gekomen. Dat is echter niet gebeurd.
Mr. [betrokkene 3] merkt op:
Wij zijn in gesprek geweest en u kende dit document niet.
De officier van justitie deelt mee:
Er worden woorden in mijn mond gelegd. Er is dubbel beslag gelegd, omdat wij niet precies wisten van wie dat geld op de Escrowrekening was. Voordat er betaald werd heeft [A] contact met het Openbaar Ministerie gezocht of zij dat bedrag mochten overmaken. Op dat moment werd aan het Openbaar Ministerie bekend dat er geld/vermogen van [klaagster] in Nederland was. Toen is beslag gelegd ten aanzien van beiden, omdat niet bekend was van wie de Escrowrekening was. ABN-Amro heeft de dag na de inbeslagname de vereiste Payment Notice ontvangen. Als het beslag in de zaak tegen [klaagster] wordt opgeheven, blijft het beslag ten aanzien van [A] liggen.
Mr. [betrokkene 2] merkt op:
Er zijn beslagen gelegd onder [klaagster] ten laste van [A] , maar niet onder [A] .
De officier van justitie vervolgt:
De 15% commissie volgt uit V013. Ik houd u die passages voor. Hieruit volgt dat de schriftelijke overeenkomst ziet op 5% margin “but [betrokkene 4] assured me 15%”. Daarmee is duidelijk wat tussen [betrokkene 1] en [A] is afgesproken. Ik houd nog een citaat voor: “assured 15 % build in, in event of order that was indeed what I have been paid”. Dat kun je niet anders lezen dan hoe ik het nu voorlees. [A] heeft vanaf moment één in beide zaken met 15% commissie gerekend. [A] calculeert niet, maar [betrokkene 5] . De stukken waaruit ik citeerde bevinden zich in het raadkamerdossier op pagina 14, document 737. Daar staat ook een citaat van [betrokkene 1] : “ [A] was worried if we included 15% margin we would create issues, it remained clear [klaagster] would be entitled to his 15% margin”. De verdediging interpreteert dat anders, maar wij zien dit als bewijs dat men zich bewust was van de motieven om in de schriftelijke vastlegging dingen anders weer te geven dan wat feitelijk was afgesproken. Ten aanzien van de proportionaliteit wordt het strafmaatverweer vermengd met de proportionaliteit van de beslaglegging. Er ligt een lager beslag dan het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is verder geen concreet verweer gevoerd. Het beslag is nog proportioneel.
De oudste rechter vraagt of het klopt dat de pijler van de verdenking erop ziet dat in de overeenkomst staat vermeld dat er geen derden zijn betaald, terwijl die wel zouden zijn betaald.
De officier van justitie vervolgt:
De valsheden op de concept tenlastelegging zien op 3 documenten, te weten de SPA’s, de aanvragen [B] en de drie verkoopovereenkomsten. In de verkoopovereenkomsten staat dat er geen derden zijn betaald. [betrokkene 1] was nadrukkelijk daarbij betrokken.
De oudste rechter merkt op:
Als het zo is dat [klaagster] als derde kan worden beschouwd, dan staat niet ter discussie dat er is betaald. Kunnen de raadslieden daarop in algemene zin reageren en uitleggen waarom dit evident tot vrijspraak zou leiden?
De raadslieden deelt in reactie hierop mee:
Mr. [betrokkene 2]:
[klaagster] valt niet als derde te beschouwen in de zin van welke overeenkomst dan ook. Wat [klaagster] krijgt, komt uit Trinidad of Tobego vandaan. Men moet onder een derde verstaan een niet zichtbare derde. De achtergrond van de bepaling is dat niemand wordt omgekocht. Iedereen die bijdraagt aan het project wordt betaald. Het is een verkeerde creativiteit van het Openbaar Ministerie om [klaagster] als een derde te bestempelen.
Mr. [betrokkene 3] :
De bepaling is evident niet zo bedoeld. Het Nederlandse recht is niet van toepassing. De Kings Council legt uit hoe de bepaling wel bedoeld is. Ik verwijs naar de statement van [betrokkene 6] . Niemand heeft de overeenkomst willen aantasten. Ten aanzien van de FPA’s is cliënt bereid om uit te leggen hoe het zit met 2008. Het was niet de perfecte overeenkomst. Er is gebudgetteerd door [A] met 15%. Als het contract binnen is, gaat men verder onderhandelen. Cliënt wordt dan afgeknepen tot 10%. In het arbitraal vonnis is uitgemaakt wat er onder die overeenkomst verschuldigd is, dat is niet 15 %. Er is niets aangevoerd ten aanzien van de 2014 overeenkomsten en 2008 valt uit te leggen. Er wordt verwezen naar het dossier dat er klassiek beslag is gelegd. Het blijkt dat niet aan de wettelijke vereisten van het beslag is voldaan. Ten aanzien van het conservatoir beslag wordt erkend dat het niet deugdelijk is gelegd. De wet vereist een betekening door een deurwaarder. Het beslag is niet rechtsgeldig gelegd en daar kan het arrest van de Hoge Raad niets aan veranderen.
Ten aanzien van de rekenfouten is uitgelegd waar het Openbaar Ministerie fout zit. Zij zitten er qua contractprijzen al 110 miljoen naast.
Het ontnemingsbedrag is 35 miljoen. Cliënt heeft recht op 48 miljoen. Er moet iets vrijgegeven worden. Er ligt een instructie ten aanzien van het Escrow bedrag. Zodra het beslag wordt opgeheven kan daar uitvoering aan worden gegeven, De Escrow-agent is gehouden het aan cliënt uit te keren. Gevraagd wordt om alle beslagen op te heffen, voorzover die beslagen betaling aan cliënt voorkomen.
Aan de vertegenwoordiger van [klaagster] in de persoon van [betrokkene 1] wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij verklaart bij die gelegenheid:
ik doe al 54 jaar zaken. Ik ben nog nooit beschuldigd van wangedrag. Ik ben betrokken bij zeer grote projecten van [C] , zoals het bouwen van bruggen, wegen en luchthavens. Projecten worden vaak samengevoegd op grond van een joint venture. Ik heb graag het gevoel dat de rechtbank eerlijk is naar mij toe. Ik heb 45 jaar ervaring in deze projecten gestopt. Ik heb nog nooit zo hard gewerkt als voor deze twee projecten. Het was duidelijk voor iedereen met wie ik contact had en dat [A] en [klaagster] een nauwe en symbiotische relatie hadden. In 1999 was het eerste contact met [A] . Er ontwikkelde zich een nauwe relatie. Het is wel de Cariben. Er zijn wat ik noem gentleman agreements/herenakkoorden gesloten. [A] had een beperkte hoeveelheid mankracht. Er werd overeengekomen dat ik zou handelen als hun regio adviseur en dat wij hun verkoop- en marketing activiteiten zouden afhandelen in een groot deel van de Cariben. Er zijn honderden kleine eilanden. De prospecten voor verkoop zijn nooit gegarandeerd en de budgetten zijn klein. Met name als het om vaartuigen gaat, koopt de cliënt tweedehands schepen of kleine vaartuigen die niet geschikt zijn.
Met [betrokkene 5] kwamen wij overeen dat wij de bruto vergoeding zouden verdelen. De officier van justitie lijkt het verschil tussen een bruto vergoeding en commissie niet te begrijpen. Bij elke verkoop zit een bruto vergoeding marge opgenomen van rond de 40%. Wij zijn overeengekomen dat wij zouden delen als wij die bruto vergoeding aan zouden kunnen houden. Dan zou ik 15% van die brutovergoeding houden. Het is belangrijk voor uw begrip dat dit geen commissie is. De prijzen waren inclusief de bruto kosten die gedeeld zouden gaan worden. Het duurt jaren om zo’n project te realiseren. Ik neem het volledige risico op mij. Mijn bedrijf heeft alle kosten op zich moeten nemen. Ik denk dat we hier niet zouden praten, als wij geen van die contracten gewonnen zouden hebben. Ik heb er heel hard voor moeten werken.
Het is onzin dat er sprake is van een vals document. Als wij die winstmarge aan zouden kunnen blijven houden, dan zou ik het overeengekomen percentage krijgen. Al dat gepraat over de overeenkomst in 2008 heeft nergens toe geleid. Pas 6 jaar later hebben wij een contract in de Bahama’s gewonnen. Die projecten uit 2014 hebben geen enkele relatie met het project uit 2008. Deze zaak heeft een grote invloed op mijn gezondheid. Ik wil niet te persoonlijk worden, maar mijn vrouw is zo boos op mij dat ik hiermee doorga. Maar mijn reputatie staat op het spel.
De Bahama’s is begonnen in 2005, Trinidad in 2010. Al die jaren heb ik risico genomen. Ik hou vast aan deze twee projecten, omdat ik geen andere businessplannen kan invoeren. We zijn op 10% uitgekomen in plaats van 15%, omdat wij de brutovergoeding niet konden aanhouden. Er zijn concessies gedaan naar de cliënt toe. Dat reduceerde de winstmarge. Het kabinet had het project goedgekeurd. Vandaar die 10% en niet 15%, maar het is geen vervalst document. Ik heb juist gehandeld. Ik wil u nogmaals bedanken en ik hoop dat ik op de Nederlandse Justitie kan rekenen. Ik hoop dat ik onschuldig verklaard word in plaats van schuldig.
De voorzitter deelt mee dat de rechtbank als volgt heeft beslist.
De voorzitter verklaart het onderzoek in raadkamer gesloten en deelt mee, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden op 16 november 2023 om 13.00 uur.
De voorzitter deelt mee dat er niemand bij de uitspraak aanwezig hoeft te zijn. Het is nog onbekend of het een einduitspraak zal betreffen of dat de rechtbank een tussenbeschikking zal wijzen, waarna nog een schriftelijke ronde plaats kan vinden.”
Naar aanleiding van de behandeling in raadkamer heeft de rechtbank op 16 november 2023 een tussenbeschikking gewezen. Deze tussenbeschikking houdt onder meer het volgende in:
“De rechtbank is van oordeel dat zij op dit moment nog niet voldoende is ingelicht om een beslissing op het klaagschrift te nemen. Zij ziet daarom aanleiding het onderzoek in openbare raadkamer te heropenen, teneinde nadere schriftelijke vragen ter beantwoording aan het Openbaar Ministerie te formuleren.
Het Openbaar Ministerie krijgt 2 weken de tijd voor beantwoording van deze vragen. Vervolgens wordt klager in de gelegenheid gesteld binnen 2 weken na ontvangst van de beantwoording door het Openbaar Ministerie schriftelijk te reageren.
De rechtbank zal 4 weken na ontvangst van de reactie van klager een beslissing nemen op het klaagschrift en die aan partijen zenden.
De rechtbank wenst onderstaande vragen door het Openbaar Ministerie nader beantwoord te zien:
1. Kan uit de concept tenlastelegging van [klaagster] (hierna [klaagster] ) geconcludeerd worden dat [klaagster] alleen wordt vervolgd voor vermeende valsheid in documenten die betrekking hebben op de gunning door Bahama’s?
2. Waarop is concreet de verdenking gebaseerd dat [klaagster] in werkelijkheid meer commissie heeft ontvangen dan de percentage(s) genoemd in de documenten opgenomen in de concept tenlastelegging? Graag onder verwijzing naar vindplaatsen in het dossier.
3. Als de tenlastelegging nog wordt uitgebreid, dan geldt vraag 2 ook voor de in die uitbreiding opgenomen documenten;
4. Wat is concreet het verwijt aan [klaagster] in het kader van de in de concept tenlastelegging opgenomen valsheid in geschrift door “in contracten in strijd met de waarheid opgenomen dat geen derden zijn of worden betaald "? De rechtbank ziet deze vraag graag beantwoord per in de concept tenlastelegging opgenomen document;
5. Hoe is het bedrag van het vermoedelijke door [klaagster] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 41 063 772 – zoals opgenomen in de aanvraag SFO en in de KVl’s – samengesteld?
6. Wat is de concrete onderbouwing van de stelling dat de betrokken gunning van Bahama’s aan [A] niet door was gegaan, zonder de gestelde (mede-)gepleegde valsheid in geschrift?
7. Voorzover de tenlastelegging nog wordt uitgebreid met het project Trinidad & Tobago, daarvoor dezelfde vraag als onder 6 vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
heropent het onderzoek in openbare raadkamer;
verzoekt het Openbaar Ministerie de hiervoor weergegeven vragen te beantwoorden en verzoekt klager daarop te reageren, op de termijnen hiervoor genoemd en
de antwoorden respectievelijk de reactie aan elkaar te zenden en aan de rechtbank (aan de griffier).”
Namens het openbaar ministerie is op 29 november 2023 antwoord gegeven op de door de rechtbank in de tussenbeschikking geformuleerde vragen. Tevens zijn ter onderbouwing daarvan bijlagen toegestuurd. Namens de klaagster is hierop bij schrijven van 22 december 2023 gereageerd. De beantwoording namens het openbaar ministerie luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt (met overname en vernummering van voetnoten):
“Vraag 5: Hoe is het bedrag van het vermoedelijk door [klaagster] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 41 063 772,- - zoals opgenomen in de aanvraag SFO en in de KVI’s – samengesteld?
Als bijlage bij de beantwoording van de vragen is het PV aanvraag Strafrechtelijke Financieel Onderzoek (SFO-001) d.d. 10 februari 2021 gevoegd. Het in de SFO genoemde bedrag is gebaseerd op de – toen binnen het onderzoek bekende – voor [klaagster] bestemde commissies inzake de Bahama’s- en Trinidad & Tobago-opdrachten.
Vraag 6 en 7: Wat is de concrete onderbouwing van de stelling dat de betrokken gunning van Bahama’s en Trinidad & Tobago niet door was gegaan, zonder de gestelde (mede-)gepleegde valsheid in geschrift?
In het raadkamerdossier is de concept ontnemingsvordering jegens onder meer [A] B.V. opgenomen. In deze concept-vordering is toegelicht op grond waarvan het OM zich op het standpunt stelt dat de winst behaald met de verkoop en levering van schepen aan Trinidad & Tobago en aan de Bahama’s als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt kan worden en bij [A] B.V. ontnomen dient te worden.
Kort samengevat komt deze vordering erop neer dat de ten laste gelegde valsheden gepleegd werden om in aanmerking te komen voor een exportkredietverzekering van [B] . [A] B.V. had het biedingsproces niet kunnen starten zonder een dekkingstoezegging van [B] voor de substantiële risico’s bij de bouw van schepen voor deze beide landen. In het Urker Visafslagarrest oordeelde de Hoge Raad dat artikel 36e Sr strekt tot ontneming van voordeel dat de veroordeelde met de schending van een wettelijk voorschrift heeft verkregen. Dat de veroordeelde eenzelfde voordeel had kunnen verkrijgen zonder zodanige schending staat daaraan niet in de weg. Met andere woorden, voor de beantwoording van de vraag of er wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten, kan ermee worden volstaan het strafbare feit weg te denken. Met alternatieve scenario’s waarbij hetzelfde voordeel zou zijn (kunnen) verkregen bij rechtmatig handelen, hoeft geen rekening te worden gehouden.
Daarnaast geldt dat onder voordeel uit een strafbaar feit in de zin van artikel 36e Sr. ook kan worden begrepen daadwerkelijk genoten voordeel in het geval dat het strafbare feit op zichzelf geen rechtstreeks voordeel oplevert, doch kennelijk ertoe strekt en geëigend is voordeel te genereren. Een patroon aan valsheden gepleegd door [A] en [klaagster] ter verkrijging van de Bahama’s en T&T opdrachten betreffen dergelijke strafbare feiten.
[klaagster] heeft met [A] B.V. commissie-afspraken gemaakt die een no cure no pay karakter draagt. Met andere woorden: [klaagster] komt alleen in aanmerking voor een commissie indien [A] een opdracht in de wacht sleept. Aangezien [A] de opdrachten van Trinidad & Tobago en Bahama’s met valsheid in geschriften heeft verkregen (waaronder de valse SPA’s), zijn de door [klaagster] gefactureerde en deels betaalde commissies ook aan te merken als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Overigens kan de commissie van [klaagster] ook als wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen indien zou blijken dat [klaagster] slechts voor één misdrijf zou worden veroordeeld. Een veroordeling van [A] voor de feiten op haar tenlastelegging inzake de Bahama’s en Trinidad & Tobago (waaronder ook de feiten die zien op de valsheden in de aanvragen voor een exportkredietverzekering bij [B] ) is voldoende grond voor een ontneming van de commissies als wederrechtelijk verkregen voordeel. Artikel 36e lid 3 Sr vereist niet dat de daar bedoelde strafbare feiten door dezelfde (rechts-)persoon zijn gepleegd als de (rechts-)persoon van wie wordt ontnomen.”
De rechtbank heeft vastgesteld dat het beslag is gelegd op grond van zowel art. 94 als 94a Sv en dat sprake is van derdenbeslag. Bij de beoordeling van een beklag tegen het uitblijven van een last tot teruggave, zijn in dat geval de volgende overwegingen uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823 van belang (met weglating van voetnoten):
“Het summiere karakter van de procedure
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven.
(…)
Art. 94 Sv: toetsingsmaatstaven
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv.
(…)
Art. 94a Sv: toetsingsmaatstaven
Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.”
De rechtbank heeft overwogen dat zij het niet hoogst onwaarschijnlijk acht dat de strafrechter, later oordelend, tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen van valsheid in geschrift komt. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier in ieder geval aanwijzingen volgen dat de klaagster met [A] een hoger commissiepercentage is overeengekomen dan in de verschillende documenten is genoemd, terwijl deze documenten waren bedoeld om tot het bewijs van enig feit te dienen. Daaropvolgend is de rechtbank ingegaan op de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat deze later oordelende strafrechter tot een verbeurdverklaring zal komen of aan de klaagster de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank overweegt in dat verband dat de stelling van de officier van justitie, inhoudende dat [A] de aanbestedingen niet zou hebben gekregen als geen valsheid in geschrift was gepleegd zodat zonder de valse contracten alle inkomsten niet zouden zijn genoten en klaagster aldus geen recht zou hebben op een percentage daarvan, niet is onderbouwd en dat de rechtbank daarvoor ook niet voldoende aanknopingspunten zijn gebleken. Als gevolg daarvan is de rechtbank van oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de inkomsten verbeurd zal verklaren of als wederrechtelijk verkregen voordeel zal ontnemen. Dit maakt dat de rechtbank het beklag in zoverre gegrond verklaart, behoudens voor een bedrag ter hoogte van de geldboete die bij een veroordeling voor valsheid in geschrift in casu maximaal kan worden opgelegd.
De rechtbank heeft aldus allereerst geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat al dan niet gedeeltelijk tot een bewezenverklaring van het medeplegen van valsheid in geschrift zal worden gekomen, nu uit het dossier aanwijzingen volgen dat klaagster met [A] een hoger commissiepercentage is overeengekomen dan in verschillende documenten (met bewijsbestemming) staat weergeven. Ik vermoed en ga ervan uit dat de rechtbank daarmee mede heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, hetgeen de eerste te beantwoorden vraag vormt bij de beoordeling van het voortduren van het beslag met als grondslag art. 94a lid 2 Sv. Dat de rechtbank voor wat betreft het strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag uiteindelijk wijst op de maximale geldboete die bij een veroordeling voor de twee tenlastegelegde feiten kan worden opgelegd, duidt hier ook op.
Vervolgens overweegt de rechtbank dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de inkomsten van de klaagster waarop beslag ligt, verbeurd zal verklaren of zal ontnemen, wegens het ontbreken van een causaal verband tussen de valse contracten en de inkomsten van de klaagster. Hoewel de rechtbank in haar beschikking de juiste beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd, heeft de rechtbank met dit oordeel mijns inziens het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer miskend.
De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 16 november 2023 vragen aan het openbaar ministerie gesteld, meer in het bijzonder – onder 5 – hoe het bedrag van het vermoedelijk door klaagster wederrechtelijk verkregen voordeel van € 41.063.772, zoals opgenomen in de aanvraag SFO en in de KVI’s, is samengesteld en – onder 6 en 7 – wat de concrete onderbouwing is voor de stelling dat de betrokken gunning van de Bahama’s en Trinidad & Tobago aan [A] niet was doorgegaan zonder de gestelde valsheid in geschrift. Bij de beantwoording van vraag 5 verwijst het openbaar ministerie naar het aangehechte proces-verbaal aanvraag SFO (SFO-001). Bij de beantwoording van de vragen 6 en 7 wordt verwezen naar de conceptontnemingsvordering jegens [A] en wordt naar voren gebracht dat de vordering er samengevat op neerkomt dat de tenlastegelegde valsheid in geschrift werd gepleegd om in aanmerking te komen voor een exportkredietverzekering van [B] en dat zonder een dekkingstoezegging van [B] het biedingsproces door [A] niet had kunnen worden gestart. Nu de betaalafspraken tussen de klaagster en [A] een no cure no pay-karakter hadden en de klaagster derhalve enkel commissies zou verkrijgen als [A] de opdrachten zouden worden gegund, zijn deze commissies naar het oordeel van het openbaar ministerie als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken.
De rechtbank heeft geoordeeld dat deze stelling van het openbaar ministerie voor wat betreft de causaliteit tussen de valsheid in geschrift en het voordeel niet is onderbouwd en daarvoor ook overigens onvoldoende aanknopingspunten zijn gebleken (zodat verbeurdverklaring of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel hoogst onwaarschijnlijk is). Daarmee heeft de rechtbank het summiere karakter van de beklagprocedure miskend omdat een oordeel over de causaliteit tussen het voordeel dan wel het beslag enerzijds en het strafbare feit anderzijds, naar het mij voorkomt, is voorbehouden aan de zittings- en/of ontnemingsrechter bij een oordeel over een eventuele verbeurdverklaring of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Met haar oordeel heeft de rechtbank zich in feite uitgelaten over het (al dan) niet bestaan van een dergelijk causaal verband, zodat het te ver is vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren straf- en/of ontnemingszaak. Dat het einddossier reeds gereed is en het onderzoek is afgerond, zoals in de schriftuur houdende tegenspraak naar voren is gebracht, maakt dat in een geval als het onderhavige niet anders.
Gelet op het voorgaande meen ik dan ook dat het middel slaagt. Dit zal moeten leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Rotterdam. Daarvan uitgaande is bespreking van het namens klaagster voorgestelde middel in beginsel niet nodig. Ik zal echter toch iets zeggen over dit middel omdat het voor de hand ligt dat het betreffende wederom bij de rechtbank zal worden gevoerd.
4. Het namens klaagster voorgestelde middel
Het middel
Het namens klaagster voorgestelde middel houdt in dat “de rechtbank het verweer dat geen sprake is van een rechtsgeldige beslaglegging, althans dat die beslaglegging nietig is, nu diverse door de wet gestelde voorschriften niet zijn nageleefd, ten onrechte, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft verworpen”. Daartoe wordt aangevoerd dat de rechtbank “(i) alle gestelde verzuimen die verband houden met de wettelijke vereisten bij het leggen van beslag gezamenlijk [heeft] beoordeeld, en daarbij in het midden [heeft] gelaten of die verzuimen zich al dan niet hebben voorgedaan, terwijl deze verzuimen een individuele beoordeling ten gronde vergden, en (ii) ten onrechte en onbegrijpelijk [heeft] overwogen dat de beslagen niet nietig zijn omdat het achterwege blijven van een geldige betekening niet met nietigheid is bedreigd, alsmede ten onrechte niet [heeft] beslist op het verweer dat de beslagen niet (rechtsgeldig) zijn gelegd.”
De processuele feiten
Namens klaagster is in de nadere schriftelijke onderbouwing van het klaagschrift van 11 oktober 2023 onder meer naar voren gebracht:
“Beslaglegging en onderzoek
In Bijlage 1 is de chronologie van de beslaglegging en het onderzoek van het OM uiteengezet. De belangrijkste conclusies daaruit zijn, samengevat:
- (…)
- Ondanks herhaalde verzoeken sinds begin 2021 heeft het OM tot op heden geen stukken aangeleverd waaruit blijkt dat de beslagen aan [klaagster] zijn betekend, terwijl uit het op 7 september 2023 door het OM verstrekte dossier ook niet blijkt dat het OM zich van de relevante vereisten bewust is geweest; daarmee heeft het OM tot op heden niet bewezen dat de beslagen rechtsgeldig zijn gelegd. (…)”
Het hiervoor onder randnummer 3.3 weergegeven proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 18 oktober 2023 vermeldt voor zover voor de beoordeling van het middel van belang het volgende:
“De advocaat mr. [betrokkene 2] voert het woord overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities. De pleitnotities zijn aan dit proces-verbaal gehecht en maken daarvan deel uit.
De voorzitter onderbreekt de behandeling voor beraad.
De voorzitter deelt na hervatting van het onderzoek mee dat de rechtbank een aantal vragen heeft aan de officier van justitie, te weten:
1) Of de officier van justitie kan ingaan op het verweer dat de beslagen niet rechtsgeldig zijn gelegd; (…)
De officier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld andermaal het woord te voeren. De officier van justitie deelt mee:
Er wordt bestreden dat er klassiek beslag gelegd zou zijn. Dit blijkt echter uit de documenten FIN 005, 006 en 007. Uit document 006 volgt dat klassiek beslag is gelegd op de Escrow-rekening in dollars. Wat betreft de eisen van de betekening klopt het dat de betekening civielrechtelijk niet volgens de regels der kunst heeft plaatsgevonden, ik wil verwijzen naar een uitspraak van 1 december 1998, ECLI:1998:ZD:1434, NJ 1999, 223.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat aan dergelijke vormverzuimen geen nietigheid wordt gekoppeld. Temeer niet als de beslagene bekend is met de beslagen.
Uit bijlage E bij het aanvullend klaagschrift volgt dat daags na de inbeslagname de advocaat contact heeft gehad met de officier van justitie aangaande het klassiek en conservatoir beslag, zodat duidelijk is dat [klaagster] bekend was met de beslagen.
(…)
De officier van justitie deelt mee:
Er worden woorden in mijn mond gelegd. Er is dubbel beslag gelegd, omdat wij niet precies wisten van wie dat geld op de Escrowrekening was. Voordat er betaald werd heeft [A] contact met het Openbaar Ministerie gezocht of zij dat bedrag mochten overmaken. Op dat moment werd aan het Openbaar Ministerie bekend dat er geld/vermogen van [klaagster] in Nederland was. Toen is beslag gelegd ten aanzien van beiden, omdat niet bekend was van wie de Escrowrekening was. ABN-Amro heeft de dag na de inbeslagname de vereiste Payment Notice ontvangen. Als het beslag in de zaak tegen [klaagster] wordt opgeheven, blijft het beslag ten aanzien van [A] liggen.
Mr. [betrokkene 2] merkt op:
Er zijn beslagen gelegd onder [klaagster] ten laste van [A] , maar niet onder [A] .
(…)
Mr. [betrokkene 3] :
(…). Er wordt verwezen naar het dossier dat er klassiek beslag is gelegd. Het blijkt dat niet aan de wettelijke vereisten van het beslag is voldaan. Ten aanzien van het conservatoir beslag wordt erkend dat het niet deugdelijk is gelegd. De wet vereist een betekening door een deurwaarder. Het beslag is niet rechtsgeldig gelegd en daar kan het arrest van de Hoge Raad niets aan veranderen. (…).”
De overgelegde pleitnotities houden het volgende in (met overneming en vernummering van voetnoten):
“2.2. Wij zullen evenwel eerst ingaan op een aantal formele gebreken die kleven aan de beslaglegging.
Er is geen sprake van een rechtsgeldige beslaglegging
De wet vereist:
a) Dat de schriftelijke machtiging SFO zo spoedig mogelijk wordt betekend aan de verdachte,
b) Voor een beslag ex art 94a Sv op straffe van nietigheid dat een maximumbedrag waarvoor het recht tot verhaal zal worden uitgeoefend in het beslagexploot wordt vermeld en dat het verzoek machtiging samen met de rechterlijke machtiging en het beslagexploot door een gerechtsdeurwaarder worden betekend aan zowel de beslagene als de derde-beslagene, en
c) voor een beslag ex art. 94 Sv een kennisgeving door het OM aan de derde-beslagene.
Betekening aan een partij in Barbados, zoals [klaagster] , dient op grond van het Haags Betekeningsverdrag (1965) te geschieden door (a) verzending door de Nederlandse verzendende autoriteit aan de Central Authority van Barbados (The Registrar of the Supreme Court of Barbados) conform het verdragsmodel, en (b) betekening in persoon aan de Secretary van [klaagster] door de Central Authority van Barbados. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van een Process Server, zijnde een "officer under direction of the Attorney General” van Barbados.
Het strafdossier bevat geen enkel stuk waaruit blijkt van rechtsgeldige betekening van de aanvraag machtiging SFO, de machtiging SFO en beslagexploten aan enige partij, waaronder in ieder geval [klaagster] . Daarmee is niet aangetoond dat is voldaan aan (a) en (b). Document FIN-012, op grond waarvan beslag ex art. 94a Sv ten laste van [klaagster] onder [A] zou zijn gelegd, vermeldt bovendien geen maximumbedrag waarvoor het recht tot verhaal zal worden uitgeoefend. Het is ook om die reden nietig.
Het strafdossier bevat ook geen kennisgevingen aan de derde-beslagenen. Er is [klaagster] ook geen kennisgeving van klassiek beslag aan ABN Amro bekend. Daarmee is ook niet aangetoond dat is voldaan aan (c).
Zeker omdat het OM veelvuldig gevraagd is om de bedoelde bewijzen aan te leveren en rechtsgeldige beslaglegging bij toelichting van 11 oktober 2023 uitdrukkelijk is betwist, staat vast dat het OM niet heeft aangetoond dat de beslagen rechtsgeldig zijn gelegd. De beslagen moeten om die redenen als niet rechtsgeldig gelegd worden verklaard.”
Verder houdt de schriftelijke reactie namens klaagster van 22 december 2023 onder meer het volgende in (met overneming en vernummering van voetnoten):
“1.2. In deze procedure staat de beslaglegging immers bloot aan een volledige toetsing door Uw Rechtbank en heeft de gevraagde beschikking onmiddellijk effect. Uw Rechtbank is immers door [klaagster] verzocht om in deze procedure een constitutieve opheffingsbeschikking te wijzen. Uw Rechtbank is daartoe in deze procedure bevoegd juist “onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter”. Meer concreet dient Uw Rechtbank in deze procedure op grond van de wet zonder discretionaire bevoegdheid de beslagen uitvoerbaar bij voorraad:
(i) als niet gelegd verklaren of op te heffen indien niet aan de formele vereisten van beslaglegging is voldaan
(ii) als niet gelegd verklaren of op te heffen indien en voor zover de beslagen geen doel hebben getroffen,
(iii) als niet gelegd verklaren, op te heffen of te beperken indien en voor zover de vordering waarvoor de beslagen zijn gelegd niet bestaan, “summierlijk van de ondeugdelijkheid van de door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt” of de beslagen niet voldoen aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit, en
(iv), zo nodig ambtshalve te beperken indien en voor zover er grond bestaat om de vordering waarvoor de beslagen zijn gelegd te herbegroten.
In al deze gevallen worden de beslagen opgeheven, als niet gelegd verklaard of het effect daarvan beperkt, zonder dat daarvoor op enige wijze een oordeel over de strafzaak vereist is of wordt gegeven.
(…)
Formele vereisten
Hoewel [klaagster] sinds begin 2021 vele malen heeft gevraagd om de beslagstukken, heeft het OM die tot op heden niet aan weten te leveren. [klaagster] heeft er in haar toelichting en ter zitting reeds op gewezen dat ook uit het aangeleverde dossier niet blijkt dat voldaan is aan de formele vereisten voor beslaglegging. Het OM heeft deze stellingen niet betwist en heeft daar ook niets tegenover gesteld.
Het OM is hier bovendien niet eerlijk over geweest. [klaagster] heeft in haar toelichting en ter zitting aan de hand van Productie 15 reeds gesteld dat volgens ABN Amro het OM geen klassiek beslag ten laste van [klaagster] heeft gelegd. Daarop kwam geen reactie van het OM. Op verzoek heeft ABN Amro per e-mail van 29 november 2023 (nogmaals, nu nog meer expliciet) bevestigd dat zij nooit stukken heeft ontvangen over een vermeend klassiek beslag ten laste van [klaagster] (Productie 25). Daarmee staat vast dat de op ambtseed opgemaakte stukken AMB-84, FIN-006 en FIN-007 in strijd met de waarheid stellen dat op 9 februari 2021 klassiek beslag bij ABN Amro ten laste van [klaagster] zou zijn gelegd.
N.B. Overigens heeft ABN Amro in dezelfde e-mail laten weten dat zij op 9 en 16 februari 2021 ook geen stukken heeft ontvangen over een vermeend conservatoir beslag ten laste [klaagster] .
Daarmee staat ook vast dat AMB-84, FIN-008, FIN-010, FIN-010a, FIN-011 en FIN-011a in strijd met de waarheid stellen dat er op 9 of 16 februari 2021 conservatoir beslag bij ABN Amro ten laste van [klaagster] zou zijn gelegd. In het verlengde daarvan moet worden opgemerkt dat ook FIN-12a dubieus is. Dit betreft een niet ondertekend document gedateerd 8 februari 2021, dat echter naar alle waarschijnlijkheid van latere datum is, en dat de auteur niet identificeert.
Zoals ter zitting reeds is toegelicht, blijkt uit niets in het dossier dat de vermeende conservatoire beslagen conform de wet en verdragen zijn betekend aan ABN Amro, [A] en [klaagster] (inclusief een schriftelijk verzoek machtiging met bedrag waarvoor verlof wordt verzocht, een schriftelijke voorafgaande rechterlijke machtiging en een beslagexploit). Het OM heeft ook na de zitting geen enkel bewijs van voldoening aan deze vereisten aan kunnen dragen.
Daarmee staat vast dat er door het OM niet is aangetoond dat er een (rechtsgeldig) (klassiek of conservatoir) beslag ten laste van [klaagster] bij ABN Amro en [A] is gelegd en moeten de beslagen als niet gelegd worden verklaard. [klaagster] heeft er belang bij dat dit door Uw Rechtbank wordt bevestigd, onder meer zodat de bij ABN Amro op de escrowrekening voor [klaagster] aangehouden gelden (per 31 december 2020 EUR 6.779.649,09 en USD 21.596.471,20) conform het Arbitraal Vonnis en de door partijen ondertekende betalingsopdracht zo spoedig mogelijk alsnog door ABN Amro aan [klaagster] kunnen worden uitgekeerd en daarnaast het volgens het Arbitraal Vonnis verschuldigde saldo zo spoedig mogelijk alsnog door [A] aan [klaagster] kan worden voldaan.
Geen doel getroffen
In zijn antwoord suggereert het OM dat het klaagschrift zou zien op opheffing van beslagen op vermogensbestanddelen die aan [A] toekomen. Dat is, wat onaardig geformuleerd, (zowel civielrechtelijk als strafrechtelijk) juridische kolder. Voor zover beoogt is om beslag te leggen op vorderingen die [A] op (het saldo van de escrowrekening bij) ABN Amro zou hebben of die [A] op [klaagster] zou hebben, heeft dat geen doel getroffen. Uit het dictum van het Arbitraal Vonnis (Productie 26) volgt immers dat dergelijke vorderingen niet bestaan.
De onverdeelde gemeenschap die tussen [klaagster] en [A] gold met betrekking tot het saldo van de escrowrekening moet geacht worden al op 2 februari 2021 te zijn geëindigd door wijzen van het Arbitraal Vonnis. Voorafgaand aan 2 februari 2021 kon door een crediteur van [A] slechts deelgenotenbeslag worden gelegd op de escrowrekening. Indien het OM een dergelijk deelgenotenbeslag zou hebben gelegd (wat niet zo is) zou dat op 2 februari 2021 automatisch zijn vervallen ex art. 733 lid 2 Rv. Vanaf 2 februari 2021 hield ABN Amro het saldo van de escrowrekening exclusief voor [klaagster] . Anders gezegd, [A] had volgens het Arbitraal Vonnis vanaf 2 februari 2021 geen vordering meer op ABN Amro, dus ook geen vordering waarop een crediteur toen nog beslag kon leggen. Zoals het Arbitraal Vonnis bevestigt, bestaat er uitsluitend een vordering van [klaagster] op (het saldo van de escrowrekening bij) ABN Amro en een vordering van [klaagster] op [A] (die beide niet rechtsgeldig zijn beslagen). Na een jarenlange en peperdure arbitrage staat vanaf 2 februari 2021 dus onherroepelijk vast dat [A] geen enkel recht kan doen laten gelden met betrekking tot het saldo van de escrowrekening. Om hierover geen enkel denkbaar misverstand te kunnen laten voortbestaan heeft de advocaat van [A] op verzoek per e-mail van 12 december 2023 bevestigd dat [A] geen aanspraak maakt op het saldo van de escrowrekening (Productie 27). Het verbaast dan ook niet dat [A] niet in deze procedure is verschenen.
[A] is uiteraard ook geen rechthebbende op de vordering van [klaagster] op [A] . Op de vordering van [klaagster] op [A] kan dus ook niet ten laste van [A] beslag worden gelegd. Enige poging daartoe van het OM heeft dus geen doel getroffen.
Als de vermeende beslagen op de vordering van [klaagster] op (het saldo van de escrowrekening bij) ABN Amro en de vordering van [klaagster] op [A] worden opgeheven of als niet gelegd worden verklaard, kan aan alle aspecten van het Arbitraal Vonnis worden voldaan. Andere vermeende beslagen hoeven daar niet voor worden opgeheven.
Belang bij toetsing van zowel formele als materiële vereisten
Om te voorkomen dat de beslagen enkel op formele gronden worden opgeheven of als niet gelegd worden verklaard, het OM vervolgens poogt om alsnog beslagen te leggen waarvoor Uw Rechtbank vervolgens opnieuw benaderd zou dienen te worden, geeft [klaagster] er de voorkeur aan dat de beslagen niet uitsluitend op formele gronden worden opgeheven of als niet gelegd worden verklaard maar dat daarbij tevens wordt geoordeeld dat er materieel geen of onvoldoende grond voor beslag bestaat. [klaagster] heeft er evenwel recht op en belang bij dat de beweerde beslagen niet alleen materieel maar ook formeel worden getoetst (onder meer om de aansprakelijkheid van [A] c.q. de Nederlandse Staat voor de verschuldigde rente vanaf de datum van vermeende beslaglegging te bepalen).”
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank uiteindelijk het volgende overwogen:
“Wat er zij van de stelling van klager dat bij het leggen van de beslagen niet aan de formele wettelijke vereisten is voldaan, dit leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat de beslagen nietig zijn. Het achterwege blijven van een geldige betekening is niet met nietigheid bedreigd.”
De beoordeling van het middel
Allereerst wijs ik erop dat het onderzoek in raadkamer zich kan uitstrekken tot vragen met betrekking tot de rechtmatigheid van het beslag, waarmee de Hoge Raad doelt op de formaliteiten waaraan moet worden voldaan bij een inbeslagname. De beklagrechter hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of deze formaliteiten in acht zijn genomen. Mocht in een klaagschrift echter worden verzocht om teruggave “met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan de beslaglegging zelve onrechtmatig moet worden geacht, zal de rechter moeten onderzoeken of hij de feitelijke grondslag van dat beklag voldoende aannemelijk acht en of die onregelmatigheid bij de beslaglegging tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden”, waarbij de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de klager mag worden gelegd.
Het middel richt zich specifiek tegen het oordeel van de rechtbank over de volgende gestelde schendingen van beslagvoorschriften, die door de klaagster ook bij de rechtbank aan de orde zijn gesteld:
“(a) het niet betekenen van de schriftelijke machtiging SFO als bedoeld in art. 103, tweede lid, Sv aan klaagster en derde-beslagenen; (b) het niet vermelden van het maximumbedrag waarvoor het recht tot verhaal zal worden uitgeoefend in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploot als bedoeld in art. 94c, aanhef en onder b, Sv jo. art. 719, eerste lid, Rv; (c) het niet betekenen aan klaagster en derde-beslagenen van het verzoek machtiging, de rechterlijke machtiging en de beslagexploten ex art. 94c Sv jo. art. 702, tweede lid, Rv, art. 719, tweede lid, Rv, art. 720 Rv, art. 475 Rv en art. 45, eerste lid, Rv, en; (d) het niet doen van een schriftelijke kennisgeving aan derde-beslagenen ex art. 94, derde lid, Sv jo. art. 94b, aanhef en onder 1°, Sv.”
Uit de overweging van de rechtbank “wat er zij van de stelling van klager dat bij het leggen van de beslagen niet aan de formele wettelijke vereisten is voldaan”, volgt dat het onderzoek naar de feitelijke grondslag van dit verweer, dus of de genoemde kennisgevingen en betekeningen daadwerkelijk en op de juiste wijze hebben plaatsgevonden, niet is uitgevoerd. De steller van het middel klaagt daarover terecht.
De rechtbank heeft in de aangehaalde overweging verder tot uitdrukking gebracht dat in dit geval geen van de gestelde gebreken, zou een daarvan komen vast te staan, onder geen enkele omstandigheid zou kunnen leiden tot gegrondverklaring van het beklag. Daarover merk ik het volgende op.
Het in het middel met een (d) aangeduide gestelde gebrek is van een andere orde dan de andere drie. Dit betreft namelijk niet een vormvoorschrift, maar een constitutief vereiste. In de onderhavige zaak is blijkens de bestreden beschikking zowel klassiek beslag (art. 94 Sv) als conservatoir beslag (art. 94a Sv) gelegd. Het klassieke beslag is blijkens de bestreden beschikking op 9 februari gelegd onder een derde, te weten BV [A] (hierna: [A] ), op alle vorderingen van klaagster op die derde voortvloeiende uit de Service Provider Agreement van 8 juni 2015 (Bahama’s) en de Service Provider Agreement van 18 november 2015 (Trinidad & Tobago). Het betreft hier dus klassiek beslag op vorderingen.
Nu de beslagen objecten vorderingen betreffen, geldt op grond van art. 94b aanhef en onder 1 Sv dat het beslag wordt gelegd (en beëindigd) door een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar, aldus aan [A] . Mocht deze formaliteit niet in acht zijn genomen, dan is het aannemelijk dat geen beslag op de vordering ligt. De wettekst lijkt daarop te wijzen. Ook Borgers, Vennix en Lambertina lijken deze mening toegedaan. Vennix merkt in dit verband op dat deze schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar door een opsporingsambtenaar kan plaatsvinden en dat het moment waarop de kennisgeving de schuldenaar bereikt, gelet op de wettekst, het moment lijkt waarop het beslag tot stand komt. Voor het leggen van beslag op vorderingen geldt dat dit voorafgaand aan de introductie van art. 94b Sv was geregeld in art. 125a-e (oud) Sv, waarbij in art. 125e (oud) Sv was bepaald dat dit beslag werd gelegd door uitreiking van een schriftelijke verklaring aan de schuldenaar. De bepalingen komen inhoudelijk dus overeen.
Zoals gezegd is daarnaast sprake van conservatoir beslag. Dit conservatoir beslag betreft (i) beslag onder een derde, te weten ABN AMRO Bank N.V., op de vordering van de klaagster uit hoofde van de escrow-agreement met kenmerk [klaagster] [rekeningnummer 1] op die derde, (ii) beslag onder een derde, te weten ABN AMRO Bank N.V., op de vordering van de klaagster uit hoofde van de escrow-agreement met kenmerk [klaagster] [rekeningnummer 2] op die derde en (iii) beslag onder een derde, te weten [A] , op alle vorderingen van de klaagster op die derde en voorts alle gelden, geldswaarden en/of roerende zaken die geen registergoederen zijn, die de derde-beslagene uit hoofde van een thans bestaande rechtsverhouding onder zich heeft en/of zal verkrijgen en/of aan de klaagster verschuldigd is of zal worden, zulks ter verzekering van het verhaal van de vordering(en). Het gaat bij het conservatoire beslag onder (i), (ii) en (iii) dus in wezen om beslag op vorderingen, evenals bij het klassieke beslag.
Op grond van art. 94b aanhef en onder 1 Sv geldt ook voor dit beslag dat het wordt gelegd (en beëindigd) door een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar.
Hieruit volgt dat het gestelde achterwege blijven van een kennisgeving aan de derde-beslagenen wel degelijk gevolgen kan hebben voor het bestaan dan wel de geldigheid van het beslag. De overweging va de rechtbank dat wat er zij van de stelling van klaagster dat bij het leggen van de beslagen niet aan de formele wettelijke vereisten is voldaan, dit niet leidt tot het oordeel dat de beslagen nietig zijn, acht ik dan ook niet begrijpelijk, zodat het middel ook daarom slaagt.
Aan deze overweging voegde de rechtbank toe dat het achterwege blijven van een geldige betekening niet met nietigheid is bedreigd. Niet duidelijk is geworden op welke betekening de rechtbank hier het oog heeft gehad en of daaronder ook of enkel de hier al besproken kennisgeving aan de derde-beslagene is begrepen. Voor zover wordt gedoeld op de onder (a), (b) en (c) gestelde schending van de beslagvoorschriften, merk ik op dat ik uit de rechtspraak niet de algemene regel kan afleiden dat de schending van een betekeningsvoorschrift nooit kan leiden tot nietigheid van het beslag.
Wat betreft de in het middel onder (a) genoemde betekening van de machtiging strafrechtelijk financieel onderzoek bedoelde schending van de beslagregels, kan worden gewezen op HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6956. In dit arrest was de vraag aan de orde wat het gevolg is als de machtiging van de rechter-commissaris tot het leggen van conservatoir beslag niet overeenkomstig art. 103 lid 2 Sv wordt betekend aan de beslagene en de derde-beslagene. De steller van het middel meent dat ook een machtiging SFO op deze wijze moet worden betekend. Hij vindt daarbij Borgers, maar ook het openbaar ministerie aan zijn zijde.Voor wat betreft het niet naleven van het voorschrift van art. 103 lid 2 Sv heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“Verweer en middel steunen op de opvatting dat niet-naleving van het voorschrift van art. 103, tweede lid, Sv tot nietigheid leidt. Die opvatting is echter onjuist, in aanmerking genomen dat de wet de niet-naleving van genoemd voorschrift niet met nietigheid bedreigt en dat de stelling dat niet-naleving van die bepaling desniettegenstaande nietigheid ten gevolge dient te hebben, in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht (vgl. HR 28 november 1995, LJN ZD0303, DD 96.122). Omstandigheden op grond waarvan in het onderhavige geval anders zou moeten worden geoordeeld, zijn blijkens de processen-verbaal van de behandeling in raadkamer en de aldaar overgelegde pleitaantekeningen niet aangevoerd.”
Hier wordt dus geen algemene regel geformuleerd dat van nietigheid nooit sprake kan zijn. De Hoge Raad laat immers de mogelijkheid open dat omstandigheden kunnen worden aangevoerd waardoor toch nietigheid moet worden aangenomen.
Een algemene regel als hier bedoeld, lees ik ook niet in HR 1 december 1998, NJ 1999/223:
“3.1
Het middel, waarin niet wordt bestreden 's Hofs vaststelling dat de Rechter-Commissaris voorafgaand aan het beslag van art. 94a Sv een machtiging zoals bedoeld in art. 103 Sv heeft verleend, voert aan dat bij het leggen van het beslag op gelden op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschriften niet in acht zijn genomen, omdat betekening aan de veroordeelde en de mede-veroordeelde achterwege is gebleven.
3.2
Het middel is ondeugdelijk.
Het primaire uitgangspunt van het middel, dat schending van vormvoorschriften bij de beslaglegging van art. 94a Sv alleen dan geen nietigheid meebrengt voorzover dit in art. 94c Sv uitdrukkelijk wordt vermeld, is in zijn algemeenheid onjuist, zo dat het reeds om die reden niet tot cassatie kan leiden.
Evenmin kan tot cassatie leiden het subsidiaire uitgangspunt, waarin wordt betoogd dat het strafvorderlijk conservatoir beslag nietig is indien niet-naleving van vormvoorschriften 'ook naar de regeling van het burgerlijk procesrecht nietigheid van het beslag tot gevolg heeft', hetgeen volgens het middel hier het geval is. Immers, dit betoog ziet eraan voorbij dat het Hof weliswaar heeft overwogen dat niet kan worden vastgesteld of betekening van het proces-verbaal van beslaglegging aan de veroordeelde en de mede-veroordeelde heeft plaatsgevonden, maar tevens heeft geoordeeld — kennelijk daarbij in aanmerking nemend hetgeen is bepaald in de art. 700 en 702 Rv gelezen in verband met het bepaalde in de art. 439 e.v. Rv, in het bijzonder de laatste volzin van het eerste lid van art. 443 Rv — dat achterwege blijven van die betekening niet met nietigheid is bedreigd. Dat oordeel van het Hof is juist.”
De Hoge Raad verwerpt dus de gestelde regel dat schending van beslagvoorschriften altijd tot nietigheid van het beslag leidt als die sanctie niet uitdrukkelijk is uitgesloten. De nietigheid in het concrete geval is verder volgens de Hoge Raad (alleen al daarom) niet aan de orde omdat ook naar burgerlijk recht geen nietigheid is voorgeschreven. Dit laat de mogelijkheid open dat andere gebreken, die naar burgerlijk recht wel met nietigheid zijn bedreigd, ook in het strafrecht consequenties hebben.
Dit is geheel in overeenstemming met de hiervoor onder 4.7 genoemde rechtspraak die voorschrijft dat de rechter na de feitelijke vaststelling van enige onregelmatigheid bij de beslaglegging steeds moet beoordelen of die tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden. Borgers pleit er in dit verband voor dat aantasting van formaliteiten in het burgerlijk recht die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, ook in het strafrecht in principe tot nietigheid van het beslag moet leiden. “Alleen in die gevallen waarin de ratio van de formaliteit in de strafvorderlijke context niet meer tot uiting komt, kan de voorgeschreven nietigheidssanctie worden genegeerd. (…) Indien een formaliteit niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, is de rechter vrij in het gevolg dat hij verbindt aan het niet in acht nemen van dat voorschrift. Dat geldt naar mijn mening niet alleen voor de civiele rechter, maar ook voor de strafrechter - de klachtrechter ex artikel 552a Sv - die oordeelt over een strafvorderlijk conservatoire inbeslagneming.”
De overweging van de rechtbank dat de door de klaagster gestelde schending van betekeningsvoorschriften niet met nietigheid is bedreigd is dan ook niet zonder meer begrijpelijk. Ook om deze reden slaagt het middel.
5. Afronding
Het namens het Openbaar Ministerie voorgestelde middel slaagt. Het namens klaagster voorgestelde middel slaagt eveneens.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Rotterdam, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG