PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04911 C
Zitting 13 januari 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij vonnis van 30 november 2023 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: “het Hof”) (parketnr. H 211/21), middels bevestiging (met aanvulling en verbetering) van het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: “het Gerecht”) met uitzondering van de straftoemeting, wegens medeplegen van – kort gezegd – passieve ambtelijke omkoping, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 210 uren (105 dagen vervangende hechtenis).
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.W.M. Stevens, advocaat in Den Haag, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Er bestaat samenhang met de zaken 23/04854 C. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
2. De zaak
Uit het, door het Hof bevestigde, vonnis van het Gerecht kan worden afgeleid dat het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van zogenaamde TCI-informatie inhoudend dat het aanbestedingsproces rondom de vuilnisstortplaats op Sint Maarten (hierna ook: de Dump) niet integer zou zijn verlopen. In deze informatie werd onder meer de naam van [medeverdachte] genoemd als degene die steekpenningen zou hebben ontvangen. Op 7 juli 2018 is het opsporingsonderzoek Ruby gestart. Dit onderzoek richtte zich in eerste instantie op [medeverdachte] en zijn echtgenote [verdachte] . Zij werden verdacht van het medeplegen van het aannemen van steekpenningen in dienstbetrekking van [betrokkene 2] en zijn bedrijf [A] B.V. (hierna ook: [A] ) in ruil voor het winnen van de aanbesteding van de vuilnisstortplaats. Het onderzoek naar dit strafbare feit is beschreven in het zaaksdossier Aanbesteding Dump.
3. Het eerste middel
In het eerste middel wordt geklaagd dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gewezen uitspraak nietig zijn omdat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van het Hof d.d. 30 november 2024 (VS: bedoeld zal zijn 2023), tijdens welke zitting het vonnis in hoger beroep is uitgesproken, zich niet in het cassatiedossier bevindt.
Ik schets kort de gang van zaken met betrekking tot het processtuk in kwestie:
(i) Op 26 september 2024 is door de raadslieden (tijdig) verzocht om verstrekking van het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 30 november 2023.
(ii) Op 30 september 2024 is een schriftuur ingediend, waarin werd geklaagd over het ontbreken van het proces-verbaal.
(iii) Op 7 oktober 2024 is het proces-verbaal in het digitale dossier geplaatst en is een nadere termijn verleend om de schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken.
(iv) Op 21 oktober 2024 is een aanvullende schriftuur ingediend. Met deze schriftuur zijn geen wijzigingen aangebracht in het eerste middel.
Nu het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 30 november 2023 zich (thans) bij de stukken bevindt, mist het middel feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.
4. Het derde middel
In het, bij aanvullende schriftuur voorgestelde, derde middel wordt geklaagd dat de vordering ter terechtzitting in hoger beroep van de procureur-generaal ontbreekt, niet blijkt dat de procureur-generaal op de voet van art. 353 SvSM zijn vordering, inhoudende een omschrijving van de geëiste straf of maatregel, ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgelezen en niet blijkt dat de procureur-generaal de vordering na voorlezing aan het Hof heeft overgelegd. Volgens de steller van het middel dient dit te leiden tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak.
Door de raadslieden is de vordering ter terechtzitting in hoger beroep opgevraagd. Ik schets hier de gang van zaken omtrent dit verzoek:
(i) Op 27 augustus 2024 is door de raadslieden van de verdachte (tijdig) verzocht om verstrekking van, onder meer, de schriftelijke vordering ter terechtzitting van het OM in hoger beroep.
(ii) Op 4 september 2024 is aan de raadslieden medegedeeld dat het stuk niet is aangetroffen en zal worden opgevraagd bij het Hof.
(iii) Op 10 september 2024 heeft de griffie van de Hoge Raad een e-mail van het Hof ontvangen waarmee diverse opgevraagde stukken aan de Hoge Raad zijn verstrekt. Meegezonden is een e-mailbericht van een “Senior Legal Assistance to the Sollicitor-General & the International Legal Assistance Centre Carib” aan het Hof waarin is opgenomen: “De schriftelijke vordering ter terechtzitting van het OM in eerste aanleg en hoger beroep zijn niet op een aparte vordering overhandigd. De eis is telkens opgenomen in het schriftelijke requisitoir.”
(iv) Op 30 september 2024 is een schriftuur ingediend.
(v) Op 8 oktober 2024 is door de griffie van de Hoge Raad medegedeeld dat het stuk geen deel uitmaakt van het dossier dat aan de Hoge Raad is toegestuurd en is een nadere termijn verleend om de schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken.
(vi) Op 17 oktober 2024 is door de raadslieden nogmaals om het stuk verzocht. Op dezelfde datum is door de griffie medegedeeld dat in het portaalbericht van 8 oktober 2024 reeds is medegedeeld dat dit stuk geen deel uitmaakt van het dossier dat is toegestuurd aan de Hoge Raad.
(vii) Op 21 oktober 2024 is een aanvullende schriftuur ingediend, waarin het onderhavige middel is voorgesteld.
Het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 4, 5 en 6 september 2023 houdt het volgende in:
“Het Hof hervat het onderzoek van de zaak op 5 september 2023 in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de onderbreking daarvan.
(…)
De procureur-generaal voert het woord overeenkomstig de inhoud van het door hem aan het Hof overgelegde op schrift gestelde requisitoir, dat in het dossier is gevoegd en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
De procureur-generaal deelt in aanvulling daarop het volgende mede: (…)
De procureur-generaal vordert daarop in de zaak van [medeverdachte] een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur 3 jaren en de ontzetting uit het recht ambten te bekleden voor de duur van 7 jaren. De procureur-generaal deelt voorts mede dat in het requisitoir abusievelijk 5 jaren staat.
(…)
Het Hof hervat het onderzoek van de zaak op 6 september 2023 in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de onderbreking daarvan.
(…)
De procureur-generaal voert het woord overeenkomstig de inhoud van het door hem aan het Hof overgelegde op schrift gestelde repliek, dat in het dossier is gevoegd en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
De procureur-generaal deelt in aanvulling daarop het volgende mede:
Punt drie in mijn repliek voer ik ook aan in de zaak van [medeverdachte] . Ik pas mijn eis aan conform de door het Gerecht opgelegde straffen. De redelijke termijn is met langer dan zes maanden, maar minder dan twaalf maanden overschreden. Dat betekent een strafkorting van tien procent. Voor [medeverdachte] betekent dat een strafkorting van vier maanden zoals het Gerecht heeft overwogen. Ten aanzien van [verdachte] sluit ik mij ook aan bij de overweging van het Gerecht.”
In het requisitoir, dat ziet op zowel de onderhavige zaak van de verdachte als de zaak van de medeverdachte gaat de procureur-generaal, per zaakdossier, in op de ten laste gelegde feiten en hetgeen hier in hoger beroep tegenin is gebracht en geeft hij aan welke feiten wat hem betreft bewezen verklaard kunnen worden en of de motivering van het Gerecht wat hem betreft aanvulling behoeft. Vervolgens worden overwegingen met betrekking tot de strafmaat weergegeven. Het requisitoir eindigt met een eis ten aanzien van de verdachte en de medeverdachte. Ten aanzien van de verdachte luidt deze als volgt:
“Eis [verdachte]
Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd, met aanvulling van gronden, doch met uitzondering van de op te leggen straf en zij dient te worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.”
Het op schrift gestelde repliek houdt (met weglating van voetnoten) onder meer het volgende in:
“Redelijke termijn
In beide zaken heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, waarmee het Gerecht geen, althans niet naar behoren, rekening heeft gehouden. Ik verwijs naar mijn opmerkingen bij [medeverdachte] .”
Art. 353 lid 1 SvSM, dat ingevolge art. 302 SvSM toepasselijk is op zowel de terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep, luidt als volgt:
1. Nadat, behoudens het bepaalde bij artikel 347, de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad, kan de procureur-generaal het woord voeren en legt hij zijn vordering, na voorlezing, aan het Hof over. De vordering omschrijft de straf of de maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist, en vermeldt in dat geval tevens, welk bepaald strafbaar feit zou zijn begaan. De procureur-generaal maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 1:77 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 177a, is ingesteld. Van deze mededeling van de procureur-generaal wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gedaan.
Art. 353 SvSM bepaalt dat de procureur-generaal kan rekwireren, maar schrijft dwingend voor dat hij zijn vordering, na voorlezing, overlegt aan het Hof. Aan het nalaten de vordering voor te lezen en te overleggen is in de wet geen nietigheid verbonden. De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie – over het op dit punt nagenoeg gelijkluidende art. 311 lid 1 SvNL – evenwel geoordeeld dat , het voorlezen van de vordering een zo belangrijk onderdeel is van een accusatoir en openbaar strafproces, dat dit op straffe van (substantiële) nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het daarop gebouwde vonnis of arrest is vereist. Van voorlezing van de vordering moet in het proces-verbaal van de zitting blijken. Het nalaten van overlegging van de vordering wordt niet met nietigheid bedreigd.
Uit de wet, waarin wordt voorgeschreven dat de vordering wordt voorgelezen en overgelegd, volgt dat de vordering op schrift wordt gesteld. De wet bevat verder geen voorschriften voor de vorm van de vordering. Niet is bijvoorbeeld voorgeschreven dat de vordering een separaat document betreft. Wat betreft de inhoud van de vordering geldt dat deze, indien geëist, de straf of maatregel bevat en, in dat geval ook, het strafbare feit dat zou zijn begaan (de kwalificatie).
In de onderhavige zaak is, zo maak ik op uit de berichtgeving vanuit het Hof, geen separate vordering opgesteld. Wel is onderaan het op schrift gestelde requisitoir de vordering (“eis”) opgenomen dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd, met aanvulling van gronden, met uitzondering van de op te leggen straf, en dat de verdachte dient te worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt dat de procureur-generaal het woord heeft gevoerd overeenkomstig de inhoud van dit door hem aan het Hof overgelegde op schrift gestelde requisitoir (dat in het dossier is gevoegd en als herhaald en ingelast wordt beschouwd). Het proces-verbaal vermeldt met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte] vervolgens dat de procureur-generaal een (andere) straf vordert (dan in het schriftelijk requisitoir vermeld). Ten aanzien van de verdachte is dit niet zo opgenomen. Kennelijk heeft de procureur-generaal ter terechtzitting een misslag in de vordering ten aanzien van de medeverdachte zoals weergegeven in het schriftelijk requisitoir willen herstellen. Uit het proces-verbaal volgt voorts dat de procureur-generaal in de zaak van de verdachte bij repliek (dat ook op schrift is overgelegd) de strafeis heeft aangepast aan de straf die het Gerecht in eerste aanleg heeft opgelegd: een gevangenisstraf van tien maanden.
Gelet op het voorgaande meen ik dat is voldaan aan het vereiste uit art. 353 lid 1 SvSM dat de procureur-generaal zijn vordering voorleest. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit het proces-verbaal volgt dat de procureur-generaal zijn in het requisitoir opgenomen vordering heeft voorgedragen (en bij repliek heeft bijgesteld). Dat de vordering niet separaat op schrift is gesteld, maar is opgenomen in (aan het einde van) het requisitoir maakt dit niet anders.
Voor zover in het middel wordt geklaagd dat vordering ontbreekt of dat is nagelaten de vordering te overleggen, leidt het middel (bovendien) reeds niet tot cassatie omdat deze verzuimen niet tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het vonnis van het Hof dienen te leiden.
Het middel faalt.
5. Het tweede middel
Het tweede middel is gericht tegen (de motivering van) het oordeel van het Hof dat de verdachte met een ander, [medeverdachte] , als medepleger, giften en diensten heeft 'gevraagd' dan wel 'aangenomen', 'wetende dat' deze werden gedaan 'teneinde [medeverdachte] te bewegen' iets te doen of na te laten. Ook wordt geklaagd dat het Hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging dat vrijspraak diende te volgen zonder dat het Hof in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij in de periode van 2 juni 2015 tot en met 30 augustus 2018 te Sint Maarten, telkens tezamen en in vereniging telkens met haar echtgenoot [medeverdachte] , welke echtgenoot handelend als ambtenaar, werkzaam als hoofd van de afdeling Infrastructuur (Infrastructure Management), bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI),
een gift en een dienst heeft aangenomen van [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [A] B.V.,
en telkens voor zichzelf en/of haar echtgenoot en/of een ander een gift en een dienst heeft gevraagd aan [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [A] B.V.,
zijnde die giften en diensten:
- het aangaan van een dienstverleningsovereenkomst met het bedrijf van [B] en een geldbedrag van in totaal ANG 233.496,91 en
- het aangaan van een arbeidsovereenkomst met de zoon van verdachte [betrokkene 6] jr. en een geldbedrag van in totaal ANG 128.832,09;
telkens wetende dat die giften en diensten haar, de verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte] en een ander werden gedaan en verleend, teneinde haar mededader [medeverdachte] te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten en ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door haar medeverdachte [medeverdachte] , handelend als ambtenaar in strijd met zijn plicht, in zijn bediening was gedaan of nagelaten,
hebbende verdachte en/of haar mededaders
- niet alleen vanwege zakelijke redenen positief geadviseerd middels een intern toewijzingsadvies (Internal Awarding Advice) om te bewerkstelligen dat aan [A] B.V. dat contract werd gegund; en
- informatie aan [A] B.V. verstrekt en de benodigde aanbestedingsdocumenten opgesteld en geadviseerd en geassisteerd bij het opstellen van aanbestedingsdocumenten, benodigd voor het verkrijgen van het beheerscontract van de vuilstortplaats (Contract Management Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017).”
Het Hof heeft het (Promis)vonnis van het Gerecht bevestigd, met aanvulling en verbetering van de bewijsmiddelen en -overwegingen. Daarmee heeft het Hof aan de bewezenverklaring het volgende (met weglating van voetnoten) ten grondslag gelegd:
Geschriften, van belang voor deze zaak
Op 24 november 2015 verschijnt in The Daily Herald een advertentie onder de kop: Public Tender Management Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017. Als 'principal' wordt genoemd het Ministerie van VROMI, vertegenwoordigd door het Department of Infrastructure Management. Als uiterste inlevermoment voor biedingen wordt 30 november 2015 om 10.00 uur genoemd. Ook wordt melding gemaakt van een informatiebijeenkomst. Verdere informatie kan volgens deze advertentie verkregen worden bij het Ministerie van VROMI, Department of Infrastructure Management, ter attentie van [medeverdachte] .
Op 1 december 2015 stelt het Department of Infrastructure Management van VROMI een Internal Awarding Advice op, waarbij de twee binnengekomen biedingen, waarvan een van [A] ad NAf 4.662.920,- en een van [C] ad NAf 7.187.672,-, worden geëvalueerd. De conclusie van het departement luidt dat op basis van het puntensysteem, zoals omschreven in de Terms of Reference, het beheerscontract voor de Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017 zou moeten worden gegund aan [A] . Dit advies is ondertekend door de contract manager [betrokkene 7] en het hoofd van het departement [medeverdachte] .
Na goedkeuring door de Raad van Ministers op 8 en 27 januari 2016, en ondertekening van het Landsbesluit door de Gouverneur op 10 maart 20165, wordt op 16 maart 2016 tussen het Land Sint Maarten, vertegenwoordigd door de Minister van VROMI [getuige 2] , en [A] , vertegenwoordigd door [betrokkene 2] , overeengekomen dat [A] van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 de Sanitary Landfill zal beheren, met de mogelijkheid van verlenging met een jaar. Hiervoor wordt een vergoeding overeengekomen van NAf 4.462.920,-. Dit contract draagt de naam: Agreement Management Sanitary Landfill Pond Island 2016-2017.
[A] is opgericht op 2 juni 2015, met als statutair directeur [betrokkene 2] .
In de periode van 29 juli 2015 tot en met 30 november 2015, de dag waarop de biedingen binnen moeten zijn, vindt de navolgende communicatie plaats.
- Op 29 juli 2015 mailt [betrokkene 4] , voormalig bedrijfsleider bij [C] , het bid-document van [C] uit 2011 naar [medeverdachte] , die de ontvangst bevestigt. Dit betreft de biedingsdocumenten die [C] in 2011 heeft ingediend voor de aanbesteding van het beheerscontract van de Landfill met daarin de specificaties.
- Op 14 augustus 2015 wordt van de printer bij VROMI het Kamer van Koophandel uittreksel van [A] ingescand en gestuurd naar het e-mailadres van [medeverdachte] . [medeverdachte] mailt dit, zonder toelichting, naar het e-mailadres van zijn dochter.
- Op 18 augustus 2015 wordt op de tijdens de huiszoeking bij [B] inbeslaggenomen computer de bestandsmap [map 4] geopend.
- Op 18 augustus 2015 wordt op de bij [B] aangetroffen computer een bestand aangemaakt, genaamd Plan of Action.docx van [A] . Uit de documenteigenschappen blijkt dat dit bestand is aangemaakt door [verdachte] . Als contributor staat vermeld: [betrokkene 1] . In het Plan of Action van [A] van 10 september 2015 wordt onder punt 6.1 onder 'involved parties' als 'Employer/Principal' genoemd: Ministry of VROMI, met als contactpersoon: [medeverdachte] .
Het gerecht constateert dat het Plan of Action zoals aangetroffen in de computer van [B] inhoudelijk overeenkomt met teksten vermeld in het door [betrokkene 4] aan [medeverdachte] toegestuurde bid 2011 van [C] .
- Op 28 augustus 2015 wordt op de bij [B] aangetroffen computer een bestand aangemaakt, genaamd Equipment for works.docx van [A] . Uit de documenteigenschappen blijkt dat dit bestand is aangemaakt door [verdachte] . Als contributor staat vermeld: [betrokkene 1] .
Het gerecht constateert dat bij dit document dezelfde foto's zijn gevoegd als in het bid van [C] uit 2011.
- Op 28 augustus 2015 stuurt [medeverdachte] van zijn zakelijke e-mailadres een e-mail naar zijn privé e-mailadres met als tekst: "Hi [betrokkene 3] , Please fill out accordingly and return to me."
Als attachment is gevoegd een document genaamd: Equipment list for work.docx van [A] . In de documenteigenschappen van dit bestand staat als creator [verdachte] vermeld en als contributor [medeverdachte] .
Het gerecht constateert dat dit bestand vrijwel identiek is aan het hiervoor genoemde document Equipment for works.docx van [A] .
- Op 29 augustus 2015 stuurt [medeverdachte] van zijn privé e-mailadres naar zijn zakelijke e-mailadres en zijn privé e-mailadres een e-mail met de tekst: Prepare for a formal letter to purchase these items from [C] B.V. Als attachment is gevoegd een document genaamd [naam 1] .docx. Dit betreft een Word bestand met daarin opgenomen de 'investments' met daarbij de vermelding "included" of "purchase". In de documenteigenschappen staat [verdachte] als creator en als contributor vermeld.
- Op 29 augustus 2015 wordt een Word document opgemaakt waarin de vragen van [A] inzake de aanbesteding zijn opgenomen. In de documenteigenschappen is [verdachte] als creator en contributor opgenomen.
- Op 30 augustus 2015 stuurt [medeverdachte] van zijn privé e-mailadres naar zijn zakelijke e-mailadres en privé e-mailadres een e-mail met als onderwerp: brief [C] ending contract and purchase goods met als tekst: Place a letter head and send out. Bij deze e-mail zijn twee attachments gevoegd: a. het eerder genoemde document van 29 augustus 2015: [naam 1] .docx en b. een document: [naam 2] .docx. Dit laatste document betreft een conceptbrief van secretaris-generaal [getuige 3] van VROMI aan [C] , cc aan [medeverdachte] , inhoudende dat het beheer van de Landfill stopt per 31 december 2015. Tevens wordt gevraagd om medewerking van [C] bij de verkoop van materieel aan de overheid omdat dit de overgang voor de nieuwe contractant soepeler zal maken en de tender prijs laag kan houden. Verder wordt [C] bedankt voor haar positieve inzet in de afgelopen 15 jaar. In de kenmerken van dit bestand staat [verdachte] als creator en contributor vermeld.
- Op 30 augustus 2015 stuurt [medeverdachte] een e-mail naar zijn dochter [betrokkene 1] met de tekst:
Hi [betrokkene 1] ,
did you make the following docs:
*organizational chart
*Staffing use for the works based on the organizational chart.
It's going good but still need to put in some serious extra time to fine tune it. Spent about 12 hours nearly non stop on it but we nearly there. Just need to get lots of info from the boys yet.
Love daddy.
- Op 30 augustus 2015 antwoordt [betrokkene 1] :
Hi daddy,
I do have the organization chart. I'll send it to you just in case though. Also when you get a chance could you send me the tender document?
- [medeverdachte] antwoordt hierop op diezelfde dag:
Hi [betrokkene 1] ,
I'll send you the tender docs just now.
- Op 31 augustus 2015 stuurt [betrokkene 3] een e-mail naar [medeverdachte] met als onderwerp: Equipment list en als tekst: Please see Attachments. Als bijlage wordt een equipment list for works 2015 bijgevoegd.
- Op 16 september 2015 stuurt [medeverdachte] een e-mail naar [betrokkene 3] met als onderwerp: please have these filled out en met de tekst: handle as fast as possible. Als bijlage is gevoegd: Curriculum vitae of key personnel.docx.
- Op 29 oktober 2015 stuurt [medeverdachte] een e-mail naar [betrokkene 3] met het onderwerp questions en met de tekst:
Questions:
1. If government tenders the security separately who is responsible for our equipment if something happens and who covers our lost wages?
2. Are the equipments being used on landfill presently by [C] for sale if we would win the tender?
If you had other questions please add and send back now for me on a letterhead.
Het gerecht constateert dat de vragen gelijkluidend zijn aan de vragen die staan vermeld in het hierboven genoemde Word document dat op 29 augustus 2015 is opgemaakt en waarin de vragen van [A] inzake de aanbesteding zijn opgenomen.
- Op 29 oktober 2015 stuurt [betrokkene 3] de vragen die [medeverdachte] hem heeft gestuurd naar het zakelijke e-mailadres van [medeverdachte] .”
Het Hof heeft daaraan de volgende bewijsmiddelen toegevoegd:
“Tijdens het onderzoek in de data van de in beslag genomen gegevensdragers die na de huiszoeking bij het bedrijf [B] in beslag genomen zijn, werd een zip-bestand aangetroffen. In dit zip-bestand waren documenten aanwezig die betrekking hebben op het aanbestedingstraject (tender) van de landfill in het jaar 2015. De verbalisant heeft per gegevensdrager de bestandskenmerken van de aanwezige bestanden in onderstaande tabellen weergegeven.
[...]
[map 1]
Bestandsnaam
Creation data/
Creator
Modifier
planofactionandlistofequipment.zip
28/08/2015
N.v.t.
N.v.t.
Equipment for works.docx
28/08/2015
[verdachte]
[betrokkene 1]
Needed information.docx
19/08/2015
[betrokkene 1]
[betrokkene 1]
Plan of action.docx
18/08/2015
[verdachte]
[betrokkene 1]
[map 2]
Bestandsnaam
Creation data/
Creator
Modifier
planofactionandlistofequipment.zip
04/09/2015
N.v.t.
N.v.t.
Equipment for works.docx
28/08/2015
[verdachte]
[betrokkene 1]
Needed information.docx
19/08/2015
[betrokkene 1]
[betrokkene 1]
Plan of action.docx
18/08/2015
[verdachte]
[betrokkene 1]
[map 3] (Externe harde schijf uit tas [verdachte]
)
Bestandsnaam
Creation data/
Creator
Modifier
planofactionandlistofequipment.zip
28/08/2015
N.v.t.
N.v.t.
Equipment for works.docx
28/08/2015
[verdachte]
[betrokkene 1]
Needed information.docx
19/08/2015
[betrokkene 1]
[betrokkene 1]
Plan of action.docx
18/08/2015
[verdachte]
[betrokkene 1]
Op 3 december 2015 stuurt de verdachte een e-mail naar [betrokkene 3] : "Dear [betrokkene 3] , thank you for your interest in the services of [B] . As per our conversation the following has been agreed: A company will be established of which their will be 3 shareholders. (...) Equipment will be sold: please provide the bill of all equipment. Administration & Payroll: Payroll will be made for 2 persons monthly and approximately 5 persons twice a month. (...) Although not discussed I suggest you have labour contracts with your employees. (...) Kind Regards, [verdachte] "
[betrokkene 3] heeft over de e-mail van 3 december 2015 van [B] aan hem het volgende verklaard:
"Ik denk dat [betrokkene 2] en ik een meeting met [verdachte] (het Hof begrijpt: de verdachte) hadden bij haar op kantoor. Als ik deze mail zie dan herinner ik mij dat er gesproken is over het creëren van een holdingstructuur. In de holding zouden dan de machines komen die aan de werkmaatschappij zouden worden verhuurd. Het was een bedrijf op [plaats] waar mijn moeder de eigenaresse van zou zijn. Dit is echter nooit gebeurd. Wij hebben wel [verdachte] betaald om het op te richten. Het heet [D] Ltd. [verdachte] wilde vervolgens een Bill of sale van de machines enzo maar dat heb ik volgens mij nooit naar haar verstuurd. [verdachte] zei dat dat beter was om een offshore op [plaats] te hebben omdat je dan minder belasting betaald. Het is niet doorgegaan omdat ik volgens mij USD 900 per maand zou moeten betalen voor die offshore. Mijn moeder voelde er ook niet zo veel voor. Ik denk dat dit contact met [verdachte] tot stand is gekomen, omdat [medeverdachte] (het Hof begrijpt: de medeverdachte/partner van de verdachte) tegen haar heeft gezegd dat wij hadden gewonnen of zouden winnen. [medeverdachte] heeft de eerste meeting met haar geregeld, ik had haar nummer ook helemaal niet. [medeverdachte] had zijn vrouw voorgesteld als accountant en die meeting georganiseerd."
[betrokkene 2] heeft het volgende verklaard: [betrokkene 3] regelde het opstellen van de aanbestedingsdocumenten die door [A] zijn ingediend voor de aanbesteding. Ik ben wel een keer met [betrokkene 3] bij [medeverdachte] thuis geweest.”
Het Hof heeft de volgende overwegingen van het Gerecht bevestigd:
“Het gerecht leidt uit de inhoud van deze correspondentie en stukken af dat [medeverdachte] , in samenwerking met [verdachte] , in de aanloop naar de aanbesteding van het beheerscontract voor de landfill niet alleen informatie heeft verstrekt aan een van de latere bieders, te weten [A] , maar ook dat hij - samen met hun dochter - daadwerkelijk heeft geholpen bij het opstellen van aanbestedingsdocumenten, die nodig waren voor het verkrijgen van het beheerscontract, en dat zij deze documenten ook hebben opgemaakt.”
Vervolgens heeft het Hof bewijsoverwegingen van het Gerecht verbeterd, in die zin dat een overweging van het Gerecht over de betrokkenheid van de verdachte bij het aanbestedingsproces is vervangen door de volgende overweging:
“ [verdachte] heeft gesteld dat niet zij, maar haar dochter [betrokkene 1] in het kader van een stageproject aan de aanbestedingsdocumenten heeft gewerkt. [betrokkene 1] zou dat hebben gedaan op de computer van de verdachte, waardoor abusievelijk de naam van [verdachte] als creator van bepaalde documenten is verschenen.
Het Hof overweegt als volgt.
Het Hof beziet de in de documenteigenschappen genoemde gegevens in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen. Zo is [betrokkene 3] veelvuldig bij de politie en als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord, waarbij hij consistent heeft verklaard dat [verdachte] betrokken was bij het opstellen van de aanbestedingsdocumenten van [A] . Die verklaring wordt voorts ondersteund door de omstandigheid dat de aanbestedingsdocumenten van [A] zijn opgeslagen in de map van het cliëntenbestand van [B] , het bedrijf van de verdachte. Niet valt in te zien dat [betrokkene 1] (of [medeverdachte] ) de documenten in die map zou hebben opgeslagen, zodat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 1] (of [medeverdachte] ) de creator van die documenten is. Daar komt nog bij dat uit het dossier blijkt dat [verdachte] de financieel deskundige is, terwijl haar dochter in het kader van een stage aan de aanbestedingsdocumenten zou hebben gewerkt. Het Hof acht het ook om die reden niet aannemelijk geworden dat [betrokkene 1] dit zelfstandig, eigener beweging, zonder hulp van/ruggespraak met [verdachte] heeft gedaan. Het verweer wordt daarom verworpen.
Het moet – blijkens de inhoud van de door [verdachte] aangemaakte documenten – voor haar ook duidelijk zijn geweest dat dit documenten waren voor een aanbesteding waarin haar echtgenoot [medeverdachte] ambtshalve een belangrijke rol vervulde. Niet alleen stond [medeverdachte] in de advertentie voor de aanbesteding als aanspreekpunt vermeld, ook in het door [verdachte] aangemaakte Plan of Action wordt als Employer/Principal genoemd: Ministry of VROMI met als contactpersoon: [medeverdachte] . Opvallend is dat in dat Plan of Action gebruik wordt gemaakt van dezelfde teksten als in het bid van [C] uit 2011, dat door [medeverdachte] van [betrokkene 4] was verkregen. In het door [verdachte] aangemaakte en in de computer van [B] aangetroffen document Equipment for works.docx wordt gebruik gemaakt van foto's uit datzelfde bid van [C] uit 2011. Aan het als bijlage bij de e-mail van 28 augustus 2015 gevoegde document Equipment list for work.docx, dat nagenoeg gelijkluidend is aan het in de computer van [B] aangetroffen document, hebben [verdachte] en [medeverdachte] beiden gewerkt – [verdachte] als creator en [medeverdachte] als contributor.
De betrokkenheid van [verdachte] bij het aanbestedingsproces volgt verder uit de omstandigheid dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bij [verdachte] thuis zijn geweest en dat zij toen – mede gelet op de e-mail van 3 december 2015 – afspraken hebben gemaakt over het verlenen van administratieve diensten door [B] aan [A] , terwijl op dat moment nog niet bekend was geworden dat het contract van de dump aan [A] zou worden gegund.
De stelling van de verdediging dat de e-mail van 3 december 2015 geen betrekking heeft op [A] , acht het Hof niet aannemelijk geworden. Op de eerste plaats past de e-mail van 3 december 2015 in de tijdlijn van de daadwerkelijke totstandkoming van de overeenkomst tussen [B] en [A] , inhoudende dat [B] de administratieve werkzaamheden voor [A] vanaf het fiscale jaar 2015 zal uitvoeren. Deze overeenkomst is immers kort na 3 december 2015 ondertekend door [verdachte] als directeur van [B] en [betrokkene 2] als directeur van [A] – namelijk op 11 januari 2016 – en met terugwerkende kracht in werking getreden vanaf 4 januari 2016. Dat de e-mail van 3 december 2015 betrekking heeft op [A] leidt het Hof voorts af uit de verklaring van [betrokkene 3] over die e-mail. Die verklaring wordt bovendien ondersteund door de inhoud van de door de raadsvrouw overgelegde nadere e-mailcorrespondentie tussen [verdachte] / [B] en [betrokkene 5] en/of [betrokkene 3] . Tot slot heeft [verdachte] in de e-mail van 3 december 2015 vermeld dat is afgesproken dat [B] de payroll zal gaan doen voor zeven werknemers, terwijl in de Tender Proposal van [A] , die op 30 november 2015 – dus slechts drie dagen eerder – is ingediend, ook is opgenomen dat zeven werknemers op de payroll van [A] staan. Het verweer wordt daarom verworpen.”
De volgende bewijsmiddelen en -overwegingen van het Gerecht heeft het Hof wederom bevestigd:
“Over het verdere verloop van, en het vervolg op de aanbestedingsprocedure en de betalingen die in het kader daarvan door [A] zijn gedaan bevat het dossier voorts de volgende informatie.
Diverse personen hebben zich uitgelaten over de overgang van het beheerscontract van [C] naar [A] en de rol van [medeverdachte] in dat verband. Het gerecht geeft hun verklaringen hierna weer.
[getuige 1] heeft onder meer het volgende verklaard.
"Ik was directeur bij [C] . [medeverdachte] kan nogal dwingend zijn. Het moet gaan zoals hij wil en hij geeft weinig ruimte. Als het niet gaat hoe hij het wil dan kom je weer in de donkere wereld van Sint Maarten terecht. Dan gaan de dingen zoals ik liever niet wil dat ze zouden gaan. Ik had moeite met de laatste aanbesteding van de Dump. Het was een bestek met zoveel eisen waarbij je, wilde je alles opvolgen, een hoop moest investeren. Ik denk dat wij een nette prijs hadden neergelegd na zoveel jaar ervaring. Dan komt er een ander en die schrijft voor een veel lager bedrag in, daar was ik wel ziek van. Ik had het gevoel dat de inschrijving van [betrokkene 3] niet klopte. Als je al bepaalde vaste kosten optelt die in het bestek zijn genoemd dan zat je al boven het bedrag waar [A] op had ingeschreven. Na het verliezen van de aanbesteding voelde ik me genaaid. We stonden onder tijdsdruk, het was een hele korte periode dat je de bieding moest inleveren. Die trucjes ken ik ook. Ik bedoel dat de periode van aanbesteding heel kort is en dat het kan zijn dat iemand anders de informatie al heeft. Voor een degelijk belangrijk, groot project is dat raar. Je voelt al in het hele proces dat het niet klopte, alles zat te dicht op elkaar.
Ik ken [verdachte] als de vrouw van [medeverdachte] . Ik heb een keer een overeenkomst met haar gesloten. [medeverdachte] vroeg of we werk hadden, want ze had geen werk. Ze kon helpen met werkvergunningen. [medeverdachte] is nogal persistent. Het enige wat ik doe is dingen afwegen. Je bent het zat om telkens te horen dat je niemand wil helpen en dan weeg je dat af, wat kost het. Er ging wel door mijn hoofd dat als ik [verdachte] niet aan werk hielp, [C] daar last van kreeg. Dit is niet uit liefde gegaan."
[getuige 1] heeft verder verklaard dat de betalingen aan [verdachte] voor het helpen in de werkvergunningssfeer onzin-betalingen waren. "We hadden dit als [C] niet nodig. Ik heb dit in 2015 stop gezet omdat er niks gebeurde", aldus [getuige 1] .
[getuige 1] heeft, gehoord als getuige ter terechtzitting van 28 september 2021 het volgende verklaard:
" [medeverdachte] was iets dwingender dan de gemiddelde zakenrelatie. Het was beter maar om te doen wat hij wilde. In die zin voelde ik mij onder druk gezet door hem. Ik noemde al als voorbeeld de overeenkomst met [B] , maar hetzelfde geldt voor de overeenkomst met [E] . [C] heeft die overeenkomsten met [verdachte] getekend onder druk van [medeverdachte] . Hij bleef er maar op terugkomen. De druk die ik voelde was reëel. Als iemand steeds weer terugkomt met het verzoek een overeenkomst te tekenen dan ervaart ieder normaal mens dat als druk. Uiteindelijk heb ik ook getekend. [B] ontving maandelijks een bedrag van [C] . In de overeenkomst staat welke werkzaamheden zij hiervoor moesten doen. Dat deden ze niet."
[getuige 2] heeft onder meer het volgende verklaard.
"Ik was van november 2015 tot december 2016 minister van VROMI. Ik kreeg direct na mijn aanstelling het verzoek om snel een advies te tekenen met betrekking tot de aanbesteding van de Dump. Wij hebben de vragen met betrekking tot [A] voorgelegd aan [medeverdachte] . Een van de vragen waar ik moeite mee had was de ervaring die [A] zou hebben. Ik wist dat [C] al jaren de Dump beheerde en van [A] had ik nog nooit gehoord. [medeverdachte] zou in mijn beleving de belangen van de overheid moeten waarborgen. Maar zijn argumenten lagen meer in de lijn van [A] . Dat vond ik raar. [medeverdachte] deelde de zorg die wij hadden niet. [medeverdachte] was aan het sturen en had mooie praatjes waarom vooral [A] de aanbesteding moest krijgen."
[getuige 2] heeft verder verklaard 100% zeker te weten dat [medeverdachte] geld kreeg van [A] . [A] kreeg ineens overal opdrachten voor: het ophalen van vuilnis, het schoonmaken van stranden en het beheer van de Dump.
[getuige 3] , secretaris-generaal van het Ministerie van VROMI, heeft verklaard dat zijn ministerie vijf diensten kent. De verantwoordelijke voor de beheersdienst is [medeverdachte] . Hij heeft verklaard dat de Terms of Reference voor de aanbesteding van het beheerscontract van de Sanitary Landfill zijn opgesteld door de Beheersdienst en dat het proces van aanbesteding en toewijzing werd getrokken vanuit de Beheersdienst. Vanuit die dienst was [medeverdachte] daar als hoofd bij betrokken.
Ter zitting als getuige gehoord, heeft [getuige 3] verklaard dat hij het opmerkelijk vond dat de prijs van [A] zo dicht lag bij het voor het beheer van de Dump in de begroting gereserveerde bedrag, omdat die begroting weliswaar geen geheim was, maar het werk in redelijkheid niet voor die prijs kon worden uitgevoerd. Het gereserveerde bedrag was veel te krap voor een gedegen beheer van de Dump. Hij vond het dan ook opmerkelijk dat [A] dacht dat ze het voor dat bedrag konden doen en merkt op dat de berekeningen van [A] achteraf ook niet bleken te kloppen.
[betrokkene 2] heeft onder meer het volgende verklaard. "Ik weet dat er iets gaande was tussen [medeverdachte] en [C] . [C] was het bedrijf dat voordat wij de aanbesteding wonnen het beheer van de Dump deed. Ik voelde dat [medeverdachte] en [C] geen vrienden meer waren zoals dat daarvoor wel het geval was. Ik denk dat [A] geen betrokkenheid zou hebben gehad bij de Dump wanneer de relatie tussen [medeverdachte] en [C] goed was gebleven. Dan was [C] gewoon de Dump blijven doen."
[betrokkene 2] heeft verklaard dat [betrokkene 3] weleens heeft gezegd dat de dochter van [medeverdachte] hielp met de aanbestedingsstukken.
[betrokkene 3] heeft het volgende verklaard.
"Toen de tender uitkwam kon je de documentatie/de Terms of Reference ophalen bij de overheid. Om alles goed op papier te zetten heb ik de hulp ingeschakeld van [betrokkene 8] . Ook heb ik de hulp ingeschakeld van [medeverdachte] wanneer ik iets niet begreep in de Terms of Reference. Een voorbeeld is dat er gevraagd werd om een CV. [medeverdachte] heeft toen aangegeven dat ik al mijn ervaring op papier moest zetten omdat ervaring heel belangrijk was om de tender te verkrijgen. [medeverdachte] adviseerde mij hoe ik de organisatiestructuur op moest bouwen."
[betrokkene 3] heeft verder verklaard dat het opstellen van de tenderdocumenten is geregeld door [medeverdachte] , zijn vrouw en [betrokkene 8] . "Tijdens de informatiebijeenkomst op 29 oktober 2015 heb ik vragen gesteld. Ik had niet echt ervaringen met aanbestedingen dus ik heb vooraf aan [medeverdachte] gevraagd wat voor soort vragen ik zou kunnen stellen. Hij heeft me vervolgens per e-mail de vragen gestuurd die ik tijdens de informatiemeeting heb gesteld. Op de vraag van verbalisanten waarom [medeverdachte] zich zo nadrukkelijk bemoeide met de aanbesteding van [A] antwoordde [betrokkene 3] : "It's all about the kick backs".
In het begin lijkt het alsof ze je helpen. [verdachte] kon helpen met de aanbestedingsstukken, daar hebben we haar USD 5.000,- voor moeten betalen. Dit was op aanraden van [medeverdachte] . Zoals gezegd: Alles was [medeverdachte] , [medeverdachte] , [medeverdachte] .”
Rapport SOAB d.d. 17 februari 2017
Uit het rapport van 17 februari 2017 van het SOAB, gericht aan de minister van VROMI, blijkt dat er na de overname van het beheerscontract van de Landfill op 1 januari 2016 naast een gebrek aan expertise sprake was van een algeheel gebrek aan "compliance management":
"Assessment Sanitary Landfill Management Agreement.
Though some transition issues were expected there have been numerous fires and incidents at the Landfill which initiated a request (...) to assess the situation.
(…)
two weaknesses were identified.
(…)
we noted the absence of the requirement of expertise in the field of sanitary landfilling.
(...)
The assessment of compliance with the TOR by the Contractor and Principal revealed that both have not been sufficiently compliant.
(…)
The key responsibilities of the Principal are to ensure compliance with the contract and related TOR by the Contractor, to monitor their operations, to rectify the situation as appropriate and to provide the policy and guidelines for waste management on St Maarten to guide the activities at the sanitary landfill. The TOR and contract contain sufficient enforcement measures and sanctions to deal with cases of non-compliance, however these were insufficiently enacted by the Principal. (…)
There is a general lack of contract compliance management.”
Ten aanzien van de ten laste gelegde geldbedragen
a. Het bedrag van NAf 233.496,91
Op 3 december 2015, twee dagen na de totstandkoming van het eerder genoemde, mede door [medeverdachte] ondertekende, Internal Awarding Advice stuurt [verdachte] vanuit [B] een e-mail naar [betrokkene 3] , waarin zij aangeeft wat zij hebben besproken. In deze e-mail staat onder meer welke administratieve diensten [B] voor haar rekening neemt voor [A] .
In de administratie van [B] wordt een overeenkomst aangetroffen tussen [B] en [A] , inhoudende dat [B] de administratieve werkzaamheden voor [A] vanaf het fiscale jaar 2015 zal uitvoeren. Dit document is op 11 januari 2016 door [verdachte] als directeur van [B] en [betrokkene 2] als directeur van [A] ondertekend, en treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 4 januari 2016. Op 25 januari 2016 wordt, onder verwijzing naar de overeenkomst van 4 januari 2016, hiervoor een bedrag overeengekomen van USD 2.500,- per maand. Op 4 december 2017 wordt een verhoging van de maandelijkse fee overeengekomen tot USD 4.950,-.
Bij huiszoeking bij het accountantskantoor [B] , toebehorend aan [verdachte] , werd administratie met betrekking tot [A] aangetroffen. Uit de fysieke bankafschriften van rekeningnummer [0001] van [B] blijkt dat [B] over de periode 29 februari 2016 tot en met 19 april 2018 in totaal een bedrag van NAf 233.496,91 betaald heeft gekregen van [A] .
[betrokkene 3] heeft hierover het volgende verklaard. " [verdachte] deed de administratie voor [A] . Wij betaalden best veel aan haar, zij heeft haar prijs bij ons neergelegd en dat hebben wij geaccepteerd. Achteraf kwam ik erachter dat wij eigenlijk veel teveel betaalden voor het werk dat zij deed, maar ik heb helemaal geen ervaring met het aannemen van een accountant. Ze is bij ons terechtgekomen op aanraden van haar man [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft ons gewezen om [verdachte] als accountant te nemen. Later is de prijs van [verdachte] nog omhoog gegaan. Toen [verdachte] het contract eenmaal had en ik van haar af wilde, wilde ik geen slapende honden wakker maken. Dit is vanwege de functie van [medeverdachte] . Hij is het hoofd van de onderhoudsafdeling van VROMI. Hij heeft een functie waarbij je beslissingen kunt maken, je wilt dus wel aan de goede kant van hem staan." Op de vraag hoe het komt dat afvalverwerkingsbedrijven allemaal door het kantoor van [verdachte] worden benaderd dan wel contracten met haar afsluiten antwoordt [betrokkene 3] : "Dat komt door de functie van [medeverdachte] . Hij kan je maken of breken. Ik weet niet wat er gebeurt als je niet voor [verdachte] kiest. Je voelt wel een bepaalde druk om voor haar te kiezen.
Wij moesten op verzoek van [medeverdachte] zijn zoon een baan geven, terwijl hij er niet vaak was en wij moesten zijn vrouw als accountant inhuren. Het is [medeverdachte] , [medeverdachte] , [medeverdachte] die dit vraagt. En hadden we een probleem als we hen zouden ontslaan...YES! Hij kan wraakzuchtig zijn en kan ervoor zorgen dat je geen werk meer krijgt."
[betrokkene 2] heeft hierover als volgt verklaard. "USD 2.500,- per maand is heel veel voor de hoeveelheid administratie. Eigenlijk is ze ons te slim af geweest. Later hoorde ik van anderen dat wij teveel betaalden, maar toen was het al te laat.
Ik denk dat als wij het contract met [verdachte] zouden beëindigen, dan zou er druk op ons worden uitgeoefend en zouden wij het contract verliezen. Dat heeft te maken met de positie van haar man."
Op de vraag waarom [A] specifiek [medeverdachte] en [verdachte] inhuurde antwoordde [betrokkene 2] : "Als je daar niet in meegaat dan bestaat de mogelijkheid dat je het contract verliest."
b. Het bedrag van NAf 128.832,09
In het dossier bevindt zich een Waste Management Service Agreement met bijlagen, waarin [A] als werkgever en [medeverdachte] als werknemer overeenkomen dat laatstgenoemde voor [A] werkzaamheden zal verrichten ingaande 1 januari 2016, tegen een in bijlage A genoemd salaris vanaf 1 februari 2017 van NAf 6.725,25 bruto per maand.
Tijdens een huiszoeking bij [B] werd beslag gelegd op digitale en fysieke administratie van [B] . Hieruit kwam naar voren dat [B] de administratie voert voor [A] en dat de administratie inzicht geeft in de salarisbetalingen van [A] . In de administratie zijn in de periode 29 januari 2016 tot en met 15 augustus 2018 totaal 32 betalingen per cheque verwerkt ten aanzien van de begunstigde [medeverdachte] tot in totaal NAf 128.832,09.
[betrokkene 2] heeft hierover als volgt verklaard. "Ik heb weleens gevraagd waarom [medeverdachte] zoveel verdiende en dan zei [betrokkene 3] : because of his knowledge. Ik weet niet welke knowledge. Soms kwam [medeverdachte] niet eens opdagen voor zijn werk. Daar werd niets aan gedaan vanwege de invloed die zijn vader had denk ik. Dat is de power die [medeverdachte] heeft, dat heeft hij ook bij [C] gedaan, maar die betaalden op een gegeven moment niet meer."
[betrokkene 3] heeft hierover als volgt verklaard. " [medeverdachte] zat in de container bij de ingang van de Dump. Hij deed alleen het noteren en invoeren in de computer van de gewichten van de trucks. Zijn moeder heeft bij ons aangegeven dat [medeverdachte] een baan nodig had. Ik had een salaris van NAf 1.800,- per maand aangeboden aan [medeverdachte] . Zijn vader [medeverdachte] vertelde toen tegen mij dat zijn zoon meer zou moeten verdienen omdat hij ervaring had met computers. Die ervaring was handig als de computer kapot ging, hij kon dat dan maken. Het klopt dat wij maar één computer hadden staan." Op de vraag wie bepaalde dat het salaris van [medeverdachte] van NAf 1.800,- omhoog ging, antwoordt [betrokkene 3] : " [medeverdachte] vertelde dat hij meer wilde verdienen. Ik ben daarmee akkoord gegaan. Ik heb er niet moeilijk over gedaan omdat het de zoon van [medeverdachte] was en het werk heel moeilijk zou kunnen maken in de toekomst. Het klopt dat de weegbrug al na drie maanden kapot ging. Daarna deden we schattingen van hoeveel een truck woog.
[medeverdachte] kwam precies op het goede moment vragen voor die baan omdat ik iemand nodig had. Hij wist dat ongetwijfeld via zijn vader." Wanneer [betrokkene 3] een reactie wordt gevraagd op de opmerking dat hij de vrouw en zoon van [medeverdachte] inhuurt voor ongeveer USD 5.000,- per maand, antwoordt hij: "Ja ongelooflijk, en dat terwijl ze bijna niks doen."
[betrokkene 3] heeft verder verklaard dat [medeverdachte] ’s loonsverhoging absoluut ook te maken had met het feit dat hij de zoon is van [medeverdachte] . "Dat maakt uit want [medeverdachte] is het hoofd van VROMI en je wilt die relatie niet verstoren. [medeverdachte] is ook iemand die wraakzuchtig ("vindictive") kan zijn. Dit is ook één van de redenen dat ik heb toegestemd met de vaststelling van het loon van [medeverdachte] . Ik heb geen sollicitatiegesprek met [medeverdachte] gehad. [verdachte] vertelde dat hij werk zocht en zo is het gegaan." Op de vraag of [medeverdachte] goed functioneerde antwoordt [betrokkene 3] : "Als hij er was wel."
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] en [verdachte] voor de door hen in de aanloop naar de aanbesteding in het tenderproces aan [A] verleende bijstand en de toekenning van het beheerscontract aan [A] , verschillende tegenprestaties hebben verlangd, die ook daadwerkelijk aan haar en haar zoon zijn betaald.
[betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben op overtuigende wijze verklaard dat zij niet de ruimte voelden om tegen die verlangens in te gaan. Het ging om betalingen die nodig waren om aan de goede kant van [medeverdachte] te staan, zoals [betrokkene 3] het uitdrukt. Het was ook vanwege de functie van [medeverdachte] , die ervoor kon zorgen dat [A] het contract zou verliezen en/of geen werk meer zou krijgen, dat [verdachte] en de zoon van [medeverdachte] tegen relatief hoge bedragen door [A] werden ingehuurd.
De verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] staan niet op zichzelf, maar worden ook ondersteund door de verklaring van [getuige 2] , inhoudende dat [medeverdachte] voorafgaand aan de aanbesteding aan het sturen was en mooie praatjes had waarom vooral [A] de aanbesteding moest krijgen, waarbij hij niet zozeer de belangen van de overheid, maar meer die van [A] leek te dienen. Voor wat betreft de betalingen aan [verdachte] kan steun worden gevonden in de verklaring van [getuige 1] , inhoudende dat [C] , in de tijd dat zij de Dump nog beheerde, op aandringen van [medeverdachte] een overeenkomst heeft gesloten met diens echtgenote, en daarvoor, in de woorden van [getuige 1] , onzinbetalingen aan haar heeft gedaan, omdat hij geen last wilde krijgen met [medeverdachte] . Dit sterkt het gerecht in de overtuiging dat ook de door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] aan [verdachte] betaalde fees moeten worden aangemerkt als steekpenningen.
Dat [verdachte] niet alleen weet had van haar eigen inkomsten vanuit [A] , maar ook van die van haar zoon, blijkt uit de door haar zelf in het geding gebrachte salarisadministratie, waarover zij in het kader van haar eigen werkzaamheden voor [A] beschikte.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3]
De raadsman heeft gesteld dat de medeverdachten in hun verklaringen ten overstaan van opsporingsambtenaren steeds anders/wisselend hebben verklaard. Het gerecht vat deze, verder niet concreet onderbouwde stelling op in die zin dat de raadsman heeft bedoeld te zeggen dat de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet consistent zijn en dat hun verklaringen bovendien niet met elkaar overeenstemmen, zodat zij wegens een gebrek aan betrouwbaarheid niet bruikbaar zijn voor het bewijs.
Het gerecht overweegt hierover als volgt.
Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan in het algemeen diverse wegen open. Zo kan worden gekeken of hetgeen met betrekking tot een bepaalde verdachte of overigens is verklaard, overeenkomt met, of steun vindt in – zo te noemen – objectieve feitelijke gegevens, of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf (dat wil zeggen zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is én of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. Daarnaast kan de ouderdom en de complexiteit van de feiten waarover is verklaard bij de beoordeling een rol spelen evenals een' mogelijk motief voor het afleggen van de verklaring.
In het onderhavige onderzoek heeft [betrokkene 3] als getuige verklaard op 11 december 2018, 2 april 2019, 3 april 2019, 20 februari 2020, 21 februari 2020 en op 24 april 2020. [betrokkene 2] is als verdachte gehoord op 3 april 2018, 8 december 2018, 23 oktober 2019, 12 maart 2020 en 13 maart 2020.
Uit hun verklaringen blijkt zonder meer dat zij niet van meet af aan openheid van zaken hebben willen gegeven. Mogelijk heeft het risico van een strafrechtelijke veroordeling een rol gespeeld bij de beslissing om niet direct man en paard te noemen. Op enig moment hebben zij echter, geconfronteerd met onderzoeksbevindingen, (ieder voor zich) aangegeven wel openheid van zaken te zullen geven.
Met inachtneming van het hierboven gegeven beoordelingskader komt het gerecht tot het oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] betrouwbaar zijn, nu deze op essentiële punten zowel innerlijk als ten opzichte van elkaar voldoende consistent zijn. Hun verklaringen stemmen overeen en versterken het bewijs ten aanzien van de bewezenverklaarde geldbedragen en handelingen. Het gerecht betrekt bij zijn oordeel dat hun verklaringen bovendien steun vinden in objectieve gegevens in het dossier, waaronder bijvoorbeeld cheques, facturen, overige administratie, alsmede verklaringen van getuigen. Ook neemt het gerecht in ogenschouw dat zij hun eigen rol niet onbelicht hebben gelaten en zichzelf in zoverre hebben belast. Aldus de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] met inachtneming van de nodige behoedzaamheid beziend, heeft het gerecht deze, zoals tot het bewijs gebezigd, gewogen en betrouwbaar geoordeeld.
Het gerecht heeft geconstateerd dat de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest deze getuigen te ondervragen nu beiden zich ter terechtzitting op hun verschoningsrecht hebben beroepen. Dat gegeven staat in casu aan het gebruik tot bewijs van hun verklaringen niet in de weg, nu de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit voldoende steun vindt in de daarmee op relevante wijze in verband staande bewijsmiddelen zoals hierboven weergegeven. Het verweer wordt daarom verworpen.”
Naar aanleiding van een in hoger beroep gevoerd verweer heeft het Hof in aanvulling op de overwegingen van het Gerecht over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] het volgende overwogen:
“De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1, (mede) gelet op de ontlastende verklaringen die [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris in hoger beroep hebben afgelegd.
Het Hof overweegt als volgt.
Het Hof stelt vast dat de mededaders [betrokkene 3] en [betrokkene 2] veelvuldig bij de politie zijn gehoord, alsmede als verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, waarbij zij uitgebreid en belastend hebben verklaard over de betrokkenheid van [medeverdachte] en [verdachte] bij het ten laste gelegde feit.
Vervolgens zijn [betrokkene 3] en [betrokkene 2] wederom gehoord, ditmaal als getuige bij de rechter-commissaris in hoger beroep. Bij die verhoren zijn [betrokkene 3] en [betrokkene 2] (grotendeels) teruggekomen op hun eerder afgelegde verklaringen en hebben zij de betrokkenheid van [medeverdachte] en [verdachte] ontkend.
Het Hof heeft geen aanleiding kunnen vinden voor redenen waarom [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bij de politie en als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg destijds niet de waarheid hebben verklaard. Daarbij is van belang dat die verklaringen – in tegenstelling tot hun verklaringen bij de rechter-commissaris in hoger beroep – gedetailleerd zijn en op essentiële punten zowel innerlijk als ten opzichte van elkaar voldoende consistent. Daarbij komt dat deze reeks van verklaringen niet op zichzelf staat, maar steun vindt in andere (objectieve) bewijsmiddelen, zoals door het Gerecht in het vonnis waarvan beroep is overwogen. Daarnaast geldt dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] – geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen – op enig moment ieder voor zich hebben aangegeven openheid van zaken te zullen geven, waarna zij niet alleen belastende verklaringen over [medeverdachte] en [verdachte] hebben afgelegd, maar ook hun eigen rol niet onbelicht hebben gelaten en zichzelf in zoverre hebben belast. [betrokkene 3] heeft daar ook als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg over verklaard dat het op een gegeven moment geen zin meer had om te ontkennen en dat hij bovendien zijn verklaringen bij de politie in vrijheid heeft afgelegd. Dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] vervolgens bij de rechter-commissaris in hoger beroep ook hun eigen aandeel in het ten laste gelegde ontkennen, dan wel flink reduceren, terwijl zij bovendien inmiddels onherroepelijk zijn veroordeeld, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van die verklaringen. Ten aanzien van [betrokkene 3] komt daar voorts nog bij dat hij op de terechtzitting in eerste aanleg als getuige is beëdigd in de zaken van [medeverdachte] en [verdachte] , waarna hij heeft verklaard dat hij bij de politie verschillende verklaringen heeft afgelegd en dat hij toen steeds naar waarheid heeft verklaard.
Gelet op dit alles acht het Hof de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] afgelegd bij de politie en als verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg geloofwaardig. Dit in tegenstelling tot hun nadien bij de rechter-commissaris in hoger beroep afgelegde verklaringen. Het Hof zal de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris in hoger beroep dan ook als ongeloofwaardig terzijde schuiven.”
Voordat ik overga tot bespreking van het middel, sta ik stil bij het van toepassing zijnde juridisch kader. Passieve ambtelijke omkoping (in strijd met de plicht) is strafbaar gesteld in art. 2:351 SrSM.
Art. 2:351 SrSM luidt:
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar:
a. die, een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem of een ander gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;
b. die, een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem of een ander gedaan, verleend of aangeboden wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten;
c. die, voor zich zelf of een ander, een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem zelf te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;
d. die, voor zich zelf of een ander, een gift of belofte dan wel een dienst vraagt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem zelf, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten.
Voor de toepassing van art. 2:351 SrSM is, in lijn met art. 363 SrNL, het volgende van belang. De strafbaarstelling ziet op zowel het aannemen als het vragen van een gift, belofte of dienst. Voor het begrip gift wordt een ruime definitie gehanteerd. Elk overdragen aan een ander van iets dat voor deze waarde heeft kan daaronder worden verstaan. Van een persoonlijke bevoordeling van de ontvanger hoeft daarbij geen sprake te zijn; een ambtenaar kan ook worden omgekocht door een gift bestemd voor een ander, bijvoorbeeld familieleden. Het aannemen of vragen kan direct of indirect, via een tussenpersoon, plaatsvinden. Om te kunnen spreken van passieve ambtelijke omkoping is vereist dat de ambtenaar wist (of, in de culpoze variant, redelijkerwijs moest vermoeden) dat de gift (of dienst) de strekking had om hem te bewegen tot een bepaalde ambtshandeling of naar aanleiding daarvan is gedaan. Voor het ‘weten’ is voorwaardelijk opzet voldoende. Het is niet vereist dat de ambtenaar zich door de gift daadwerkelijk heeft laten beïnvloeden, in de zin dat hij tot het verrichten van de tegenprestatie zou moeten zijn overgehaald (‘omgekocht’). Ook hoeft het oogmerk van degene die de ambtenaar omkoopt niet te worden bewezen (wat beoogde deze precies?); voor de strafbaarheid van de ambtenaar wordt het kennelijke doel of de uiterlijke strekking van de giften doorslaggevend geacht doorslaggevend geacht. De door de ambtenaar te leveren tegenprestatie kan bestaan uit het doen of het niet doen in strijd met zijn plicht. Niet is noodzakelijk dat er een direct verband bestaat tussen de gift en een concrete tegenprestatie. Ook voldoende is dat de giften worden gedaan om een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen.
Voor wat betreft medeplegen van ambtelijke omkoping gelden de criteria die de Hoge Raad in zijn algemeenheid hanteert voor medeplegen. Medeplegen veronderstelt een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij bepalend is of de (intellectuele en/of materiële) bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken. Voor de beoordeling daarvan zijn verschillende factoren van belang, zoals de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Voor medeplegen is niet vereist dat elke deelnemer alle delictsbestanddelen vervult; de bestanddelen kunnen zijn verdeeld over de verschillende deelnemers. Dit brengt met zich dat de verdachte kan deelnemen aan een kwaliteitsdelict zonder zelf over de vereiste kwaliteit te beschikken. Dan moet wel vaststaan dat het opzet van de verdachte gericht was op het aanwezig zijn van de betreffende kwaliteit bij een van de andere deelnemers. Ook als geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering kan sprake zijn van medeplegen. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding. Op de (feiten)rechter rust in geval hij in zo’n situatie tot een bewezenverklaring komt de taak om in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.
Het middel bevat klachten die zich richten tegen de motivering van de bewezenverklaring. Voor de bespreking van het middel stel ik voorop dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Tegen deze achtergrond zal ik het middel bespreken.
De zaak betreft het medeplegen van ambtelijke omkoping in het kader van de aanbesteding van een vuilnisstortplaats op Sint Maarten. Het Hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte, samen met haar echtgenoot (de medeverdachte [medeverdachte] ), giften en diensten heeft aangenomen en gevraagd in ruil voor door hen in de aanloop naar de aanbesteding in het tenderproces aan [A] verleende bijstand en de toekenning van het beheerscontract aan [A] . Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte aan [A] informatie hebben verstrekt en de benodigde aanbestedingsdocumenten hebben opgesteld en hebben geadviseerd en geassisteerd bij het opstellen van de aanbestedingsdocumenten. Ook is, door de medeverdachte – onder wie als hoofd van de beheersdienst van het ministerie van VROMI, het beheer van de vuilnisstortplaats viel – positief geadviseerd over de gunning van het beheerscontract aan [A] . De aangenomen en gevraagde goederen en diensten bestaan uit het door [A] aangaan van een dienstverleningsovereenkomst met [B] , het bedrijf van de verdachte, en van een arbeidsovereenkomst met de zoon van de verdachte en de medeverdachte, en betalingen die op basis van deze overeenkomsten door [A] zijn gedaan.
In cassatie wordt de bewezenverklaring ten aanzien van de verdachte betwist. De klachten zien op de motivering van het oordeel van het Hof met betrekking tot (i) de betrokkenheid van de verdachte bij het verrichten van de bewezen verklaarde gedragingen in het kader van het aanbestedingsproces, (ii) het door de verdachte aannemen en vragen van goederen en diensten en (iii) het medeplegen door de verdachte.
Betrokkenheid van de verdachte bij het aanbestedingsproces
Ambtelijke omkoping veronderstelt (het aannemen/vragen van giften en diensten met de strekking tot) de omkoping van een ambtenaar. In de onderhavige zaak is dat de medeverdachte [medeverdachte] , de echtgenoot van de verdachte. Het Hof heeft bij, een deel van, de bewezenverklaarde gedragingen ook de betrokkenheid van de verdachte vastgesteld. Het Hof heeft, evenals het Gerecht, uit de inhoud van de in de bewijsvoering genoemde correspondentie en documenten afgeleid dat [medeverdachte] samen met zijn vrouw, de verdachte, in de aanloop naar de aanbesteding niet alleen informatie heeft verstrekt aan één van de latere bieders ( [A] ), maar ook dat zij – samen met hun dochter – daadwerkelijk hebben geholpen bij het opstellen van aanbestedingsdocumenten die nodig waren voor het verkrijgen van het beheerscontract, en dat zij deze documenten ook hebben opgemaakt. De betrokkenheid van de verdachte bij het opstellen van de aanbestedingsdocumenten heeft het Hof, evenals het Gerecht, onder meer gebaseerd op de bestandeigenschappen van verschillende documenten die ten behoeve van de aanbesteding zijn opgesteld. Daaruit blijkt ten aanzien van een aantal documenten dat deze zijn aangemaakt met het gebruikersaccount van “ [verdachte] ” (vermeld als creator van het document).
De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat niet de verdachte maar haar dochter, op de computer van de verdachte, aan de documenten heeft gewerkt. Het Hof heeft ten aanzien daarvan overwogen dat het de in de documenteigenschappen genoemde gegevens niet op zichzelf heeft bezien, maar in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen. Daarbij verwijst het Hof onder meer naar de getuige [betrokkene 3] , die volgens het Hof consistent heeft verklaard dat de verdachte betrokken was bij het opstellen van de aanbestedingsdocumenten van [A] . Onderdeel van de bewijsvoering is een verklaring van [betrokkene 3] , die inhoudt dat [verdachte] (VS: ik begrijp de verdachte) kon helpen met de aanbestedingsstukken en zij daarvoor USD 5.000,- hebben moeten betalen. Aan die verklaring heeft het Hof klaarblijkelijk meer geloof gehecht dan aan de in de schriftuur genoemde verklaringen. Voor zover in cassatie over het gebruik van deze verklaring wordt geklaagd, stuit de klacht af op de vrijheid van de feitenrechter in de selectie en waardering van bewijsmateriaal. Het Hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom het de als bewijsmiddelen gebezigde verklaringen van [betrokkene 3] (en [betrokkene 2] ) betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs heeft geacht. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van hetgeen in cassatie naar voren is gebracht. Daarbij merk ik op dat de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij het opstellen van de aanbestedingsdocumenten de betrokkenheid van de verdachte niet hoeft uit te sluiten. Het Hof is er blijkens de bewijsoverwegingen van uitgegaan dat zowel de verdachte als [betrokkene 1] aan documenten ten behoeve van de aanbesteding heeft gewerkt.. Met betrekking tot de betaling van $5.000 geldt overigens dat deze in de zaak van de verdachte niet in de bewezenverklaring is opgenomen; het Hof heeft de verdachte op dit onderdeel vrijgesproken omdat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte met deze betaling bekend was.
De verklaring van [betrokkene 3] omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij het aanbestedingsproces wordt volgens het Hof ondersteund door de omstandigheid dat de aanbestedingsdocumenten van [A] zijn opgeslagen in de map van het cliëntenbestand van [B] , het bedrijf van de verdachte.
Het Hof heeft onder meer overwogen dat niet valt in te zien dat dochter [betrokkene 1] (of haar man, medeverdachte [medeverdachte] ) de documenten in die map zou hebben opgeslagen, zodat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 1] (of [medeverdachte] ) de creator van die documenten is. Voorts neemt het Hof in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat [verdachte] de financieel deskundige is, terwijl haar dochter in het kader van een stage aan de aanbestedingsdocumenten zou hebben gewerkt. Het Hof acht het ook om die reden niet aannemelijk geworden dat [betrokkene 1] zelfstandig, zonder hulp van/ruggespraak met [verdachte] aan de documenten heeft gewerkt.
Voor de overwegingen over en naar aanleiding van de documenten geldt, opnieuw, dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Voornoemde vaststellingen heeft het Hof wat mij betreft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. Wat betreft de bestandlocatie wijs ik op het door het Hof als aanvullend bewijsmiddel opgenomen proces-verbaal, waaruit blijkt dat bij onderzoek in de data op gegevensdragers die in beslag zijn genomen bij de doorzoeking bij [B] , het bedrijf van de verdachte, diverse aanbestedingsdocumenten (en een zip-bestand) zijn aangetroffen, die waren opgeslagen in een mappenstructuur met daarin de map “Backup_ [B] ”. Uit voornoemd proces-verbaal kan worden afgeleid dat daarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen documenten die zijn aangemaakt door gebruiker ‘ [verdachte] ’ en documenten die zijn gecreëerd door ‘ [betrokkene 1] ’. Of de bestanden, op enig moment, ook op een Samsung computer hebben gestaan en wie al dan niet in het bezit was van zo’n computer, is daarvoor niet relevant. Dat aan de documenten is gewerkt met een gebruikersaccount dat, vermoedelijk, aan [betrokkene 1] kan worden gelinkt, brengt (uitgaande van de stelling van de verdediging dat op de computer van de verdachte maar één gebruikersaccount stond) al met zich dat op verschillende computers aan de documenten is gewerkt. Dat doet niets af aan de omstandigheid dat de documenten door de gebruiker ‘ [verdachte] ’ zijn aangemaakt. Overigens begrijp ik uit voornoemd proces-verbaal ook dat de documenten niet alleen zijn aangetroffen op de computer van de verdachte, maar ook op twee externe harde schijven die na de huiszoeking bij [B] in beslag zijn genomen. Een van deze harde schijven is aangetroffen in de tas van de verdachte.
De conclusies die het Hof op grond van voornoemde vaststellingen trekt, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 1] , op 30 augustus 2015, e-mailcontact had met haar vader, de medeverdachte [medeverdachte] , (en mogelijk door haar vader werd geholpen bij het opmaken van aanbestedingsdocumenten) maakt dit niet anders. Ook de door de verdediging ingenomen stelling dat uit het dossier niet zou blijken van e-mailcontact tussen de verdachte en haar dochter, echtgenoot of [A] over de aanbestedingsdocumenten staat aan de begrijpelijkheid niet in de weg. Met betrekking tot de datums waarop de diverse documenten volgens de bewijsmiddelen zijn aangemaakt, merk ik op dat ook na het moment waarop [betrokkene 1] , volgens de steller van het middel, het eiland heeft verlaten (namelijk op 28 augustus), documenten zijn opgemaakt waarin ‘ [verdachte] ’ als creator is vermeld: dit zijn in ieder geval een document met vragen die [A] kon stellen met betrekking tot de aanbesteding en het Word-bestand [naam 1] . Ook deze documenten hangen blijkens hun inhoud samen met de aanbestedingsprocedure.
Met betrekking tot de inhoud van de (alle) documenten die de verdachte heeft opgemaakt heeft het Hof overwogen dat op basis van de inhoud ervan voor haar duidelijk moet zijn geweest dat dit documenten waren voor een aanbesteding waarin haar echtgenoot [medeverdachte] ambtshalve een belangrijke rol vervulde.
Tot slot heeft het Hof de betrokkenheid van de verdachte bij het aanbestedingsproces afgeleid uit het feit dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bij haar thuis zijn geweest en dat zij toen afspraken hebben gemaakt over het verlenen van administratieve diensten door [B] aan [A] . Dit zou zijn gebeurd vóórdat bekend was geworden dat het beheerscontract voor de vuilstortplaats aan [A] zou worden gegund. De mail, waarin wordt gerefereerd aan wat eerder is afgesproken, dateert immers van 3 december 2015.
Het Hof heeft de stelling van de verdediging, dat die e-mail geen betrekking zou hebben op [A] , niet aannemelijk geacht. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat de e-mail van 3 december 2015 in de tijdlijn past van de totstandkoming van de overeenkomst tussen [B] en [A] – waarin wordt afgesproken dat [B] vanaf het fiscale jaar 2015 administratieve werkzaamheden voor [A] zou uitvoeren en die (is ondertekend op 11 januari 2016 en met terugwerkende kracht) in werking is getreden op 4 januari 2016. Bevestiging voor deze lezing heeft het Hof gevonden in de (door het Hof aan het bewijs toegevoegde) verklaring van [betrokkene 3] en in door de verdediging overgelegde correspondentie tussen de verdachte en [A] . Het Hof heeft ook betekenis toegekend aan de vermelding in de e-mail dat [B] de payroll voor zeven werknemers zou gaan doen en dat dit aantal overeenkomt met het in het aanbestedingsvoorstel van drie dagen daarvoor genoemde aantal werknemers van [A] . Ook dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Dat in de genoemde e-mailcorrespondentie óók is gesproken over (de oprichting van) een holding structuur maakt dat niet anders. Daarbij merk ik nog op dat het Hof kennelijk mede vanwege de betrokkenheid van [betrokkene 2] bij de bespreking heeft geoordeeld dat dit geen betrekking had op de door de verdediging genoemde eenmanszaak van [betrokkene 3] . Ook dat is niet onbegrijpelijk.
Gelet op het voorgaande is oordeel van het Hof dat de verdachte betrokken was bij de totstandkoming van de aanbestedingsdocumenten van [A] niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het verweer van de verdediging op dit punt – of dit nu aan te merken is als een Meer-en-vaartverweer of een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt – is voldoende gemotiveerd verworpen.
Door de verdachte aannemen en vragen van goederen en diensten
Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] van [A] tegenprestaties hebben verlangd voor, kort gezegd, hun hulp bij de aanbesteding. Het Hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte samen met de medeverdachte [A] heeft gevraagd (i) [B] in te huren voor de administratie van [A] en (ii) hun zoon aan te nemen en op basis van deze dienstverlenings- en arbeidsovereenkomsten betalingen te doen naar aanleiding van hetgeen door hen is gedaan. Deze betalingen heeft zij vervolgens samen met [medeverdachte] aangenomen.
In cassatie staat niet ter discussie dat voornoemde overeenkomsten zijn gesloten en de betalingen zijn verricht. Voor zover wordt geklaagd dat de verdachte deze betalingen niet heeft aangenomen, omdat deze zijn gedaan aan [B] en de zoon van de verdachte, gaat de steller van het middel er ten onrechte vanuit dat aannemen in de zin van art. 2:351 SrSM vereist de verdachte zelf direct begunstigde van de giften moet zijn. Bewezen verklaard is dat de verdachte (als medepleger) diensten en giften heeft aangenomen en, voor zichzelf, haar echtgenoot en haar zoon, heeft gevraagd, wetende dat die giften en diensten de verdachte en anderen werden gedaan en werden verleend teneinde de medeverdachte ergens toe te bewegen. Bepalend is of verdachte (in voorwaardelijk zin) heeft geweten dat de gift of dienst werd gedaan of verleend met het doel haar echtgenoot, de ambtenaar, ergens toe te bewegen of naar aanleiding van iets dat hij heeft gedaan of nagelaten.
Ten aanzien van de totstandkoming van de overeenkomsten geldt het volgende. Het Hof heeft op grond van de (door het Hof betrouwbaar en bruikbaar geachte) verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] vastgesteld dat de invloed van [medeverdachte] de reden was om de overeenkomsten aan te gaan en niet te beëindigen. Volgens [betrokkene 3] moesten zij “op verzoek van [medeverdachte] zijn zoon een baan geven, terwijl hij er niet vaak was en moesten [zij] zijn vrouw als accountant inhuren. Het is [medeverdachte] , [medeverdachte] , [medeverdachte] die dit vraagt. En hadden we een probleem als we hen zouden ontslaan… YES! Hij kan wraakzuchtig zijn en kan ervoor zorgen dat je geen werk meer krijgt.” [betrokkene 2] heeft op de vraag waarom [A] specifiek [medeverdachte] en [verdachte] inhuurde geantwoord: "Als je daar niet in meegaat dan bestaat de mogelijkheid dat je het contract verliest.” Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat over het aangaan van de dienstverleningsovereenkomst met [B] al met de verdachte werd gesproken toen nog niet bekend was dat het beheerscontract voor de vuilstortplaats aan [A] zou worden gegund. Het Hof heeft geconstateerd dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] voorafgaand aan de gunning bij de verdachte zijn langs geweest om hierover te praten. Zij zijn volgens [betrokkene 3] bij elkaar geïntroduceerd door de medeverdachte [medeverdachte] . Het oordeel dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] van [A] heeft gevraagd [B] in te huren als accountant is daarmee genoegzaam gemotiveerd. Het Hof heeft in het vonnis tot uitdrukking gebracht dat de verdachte namens [B] de overeenkomst is aangegaan in de wetenschap dat daar gedragingen van (haarzelf en) haar echtgenoot, de medeverdachte, als ambtenaar tegenover stonden. Gelet op de door het Hof vastgestelde betrokkenheid van de verdachte bij het opstellen van de aanbestedingsdocumenten en het helpen en assisteren van [A] daarbij, is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Ook op dit punt is het oordeel van het Hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van ambtelijke omkoping niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Met betrekking tot de arbeidsovereenkomst van de zoon van de verdachte heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte bij [A] heeft aangegeven dat haar zoon een baan nodig had. De medeverdachte zou hebben aangegeven dat zijn zoon meer zou moeten verdienen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] niet de ruimte voelden in te gaan tegen de wensen van de medeverdachte [medeverdachte] en zijn naaste familie. Dat de verdachte zich hiervan bewust is geweest is hiervoor reeds besproken. Haar bekendheid met de salarisbetalingen van [B] aan haar zoon volgt uit de bewijsmiddelen. Onder die omstandigheden heeft het Hof ook (het medeplegen van) het vragen om en accepteren van de arbeidsovereenkomst van de zoon van de verdachte en/of de op basis daarvan verrichte betalingen bewezen kunnen verklaren.
Medeplegen door de verdachte
Over het medeplegen zelf kan ik kort zijn, nu de daarvoor relevante oordelen van het Hof in het voorgaande al zijn besproken. Ten aanzien van een deel van de gedragingen, het (assisteren bij het) opstellen van de aanbestedingsdocumenten, heeft het Hof de betrokkenheid van de verdachte zelf vastgesteld. Dat haar rol in het geheel kleiner is geweest dan die van haar man, doet niet af aan het kennelijke oordeel van het Hof dat zij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de ambtelijke omkoping. Deze beperktere rol hangt begrijpelijkerwijs ook ermee samen dat niet zij maar haar man als hoofd van de beheersdienst, en dus als ambtenaar, bepaalde invloed kon uitoefenen. In het kader van het medeplegen heeft het Hof overwogen dat de verdachte samen met de verdachte heeft verlangd dat [A] , in ruil voor de hulp van haarzelf en de medeverdachte en de invloed van de medeverdachte, bepaalde tegenprestaties heeft verlangd en deze heeft geaccepteerd. Het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de ambtelijke omkoping, wetende dat giften en diensten werden aangeboden, vanwege gedragingen van haarzelf en haar echtgenoot als ambtenaar, volgt reeds uit haar betrokkenheid bij het opstellen van de documenten en haar bekendheid met de inhoud ervan en de (ook in de aanbestedingsdocumenten vermelde) rol van haar echtgenoot in de aanbestedingsprocedure vanuit het ministerie. Ondersteuning voor deze wetenschap kan tot slot worden gevonden in de door het Hof aangehaalde verklaring van [getuige 1] , directeur van [C] . Uit zijn verklaring dat in de tijd dat [C] het beheer voor de vuilstortplaats uitvoerde [C] op verzoek van de medeverdachte [medeverdachte] een overeenkomst met het bedrijf van de verdachte is aangegaan, en allerlei “onzinbetalingen” deed, heeft het Hof niet alleen kunnen afleiden dat het in geval van [A] ook om steekpenningen zou gaan, maar – gelet op het ‘patroon’ – wat mij betreft ook ondersteuning kunnen vinden voor het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte met betrekking tot de reden voor het door [A] aangaan van de overeenkomst met haar bedrijf.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
6. Slotsom
De middelen falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
Ambtshalve wijs ik op de redelijke termijn in cassatie. Het cassatieberoep is ingesteld op 30 november 2023. Dit betekent dat de redelijke termijn van berechting zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM reeds is overschreden en dus ook overschreden zal zijn wanneer de Hoge Raad uitspraak zal doen. Dit dient te leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen. Overige gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik ambtshalve niet aangetroffen
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G