PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03328
Zitting 30 juni 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-003120-22) bij arrest van 19 augustus 2024 in de zaak met parketnr. 05-100207-22 onder 2 en 3 wegens “telkens: diefstal” en in de zaak met parketnr. 05-111587-22 wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Daarnaast heeft het hof de in beslag genomen nog niet teruggegeven stickers met framenummers onttrokken aan het verkeer. Verder heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] gedeeltelijk toegewezen en de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen. Voor de toegewezen bedragen heeft het hof schadevergoedingsmaatregelen opgelegd en de duur van de gijzelingen bepaald op respectievelijk ten hoogste 7, 8 en 2 dagen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. G. Spong, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
De verdachte is in hoger beroep veroordeeld wegens twee diefstallen en één diefstal in vereniging en heeft daarvoor een onvoorwaardelijke taakstraf gekregen. Het middel klaagt dat het hof in de strafmotivering heeft gelet op nieuwe verdenkingen en nog niet onherroepelijke uitspraken.
Deze conclusie houdt in dat het middel tevergeefs is voorgesteld.
3. Het middel
Het middel houdt in dat het onschuldbeginsel is geschonden doordat het hof bij de strafmaat in het bijzonder heeft gelet op nieuwe verdenkingen en nog niet onherroepelijke uitspraken. Daarnaast houdt het middel in dat het arrest niet voldoende met redenen is omkleed nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte die feiten heeft begaan en dat het openbaar ministerie geen strafvervolging voor deze feiten zal instellen.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2024 blijkt dat de raadsman van de verdachte ten aanzien van de strafoplegging onder meer het volgende heeft bepleit:
“Bij een strafoplegging is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Van de meest recente zaak op zijn strafblad is verdachte vrijgesproken. De laatste onherroepelijke veroordeling dateert uit 2017. Er is nog een aantal zaken niet onherroepelijk.”
De strafmotvering houdt blijkens het bestreden arrest het volgende in:
“Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder parketnummer 05-100207-22 onder 1 subsidiair, 2, 3 en het onder parketnummer 05-111587-22 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, in geval van bewezenverklaring van één of meer feiten, te volstaan met de oplegging van een taakstraf van zestig uur. Hij heeft daarbij gewezen op de ouderdom van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder het feit dat verdachte een nieuwe relatie heeft, zorgt voor het minderjarige kind van zijn vriendin, en bij DHL wil gaan werken als koerier.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie diefstallen van fietsaccu’s. Dit zijn ergerlijke feiten die veel overlast opleveren voor de betrokkenen. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van aangevers. Het hof rekent verdachte dit aan.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 juli 2024, waaruit blijkt dat verdachte al vele malen eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld. Dit pleit niet in zijn voordeel, nu deze eerdere bestraffingen verdachte er kennelijk niet van hebben weerhouden zich opnieuw aan diefstallen schuldig te maken. Er is blijkens het strafblad bovendien ook nog sprake van nieuwe verdenkingen en van nog niet onherroepelijke uitspraken. Het hof neemt ook in aanmerking dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Verder heeft het hof gelet op de toelichting van raadsman over de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Hoewel de aard en de ernst van de feiten in combinatie met de veelvuldige recidive de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer rechtvaardigt, ziet het hof in de zich misschien in de goede richting bewegende persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat het hof verdachte voor een feit heeft vrijgesproken, aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen voor de duur van tachtig uur, indien niet naar behoren verricht, te vervangen door veertig dagen hechtenis.”
Bij de bespreking van het middel is het volgende van belang. Als de feitenrechter bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening wil houden met niet-tenlastegelegde feiten, is dat – recidivebepalingen daargelaten – slechts in drie situaties mogelijk. In zijn arrest van 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, NJ 2021/400 m.nt. Klip, r.o. 2.3.1 heeft de Hoge Raad – onder verwijzing naar HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586, r.o. 2.4 – deze drie situaties uiteengezet:
“Het staat de rechter op zichzelf vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit
- wanneer het gaat om een ad informandum gevoegd feit en - in een geval als het onderhavige waarin de verdachte ter terechtzitting is verschenen - op grond van de door de verdachte ten overstaan van de rechter die de straf oplegt gedane erkenning, aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen, of
- wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan, dan wel
- wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.”
Daarnaast heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:340, NJ 2023/173 m.nt. Keijzer het volgende vooropgesteld:
“2.3.1 […] De rechter mag bij de strafoplegging rekening houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer als de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en dit feit wordt vermeld ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968). Daarbij wordt, mede gelet op artikel 78b van het Wetboek van Strafrecht, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.
Als in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd – al dan niet soortgelijk – feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, moet de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Maar als met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte ondanks een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo’n strafbaar feit - bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte er niet van heeft weerhouden opnieuw zo’n strafbaar feit te begaan - moet de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit al onherroepelijk zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.
Als de rechter in verband met de strafoplegging melding maakt van een niet tenlastegelegd feit mag ervan worden uitgegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. Dit kan anders zijn als uit de strafmotivering blijkt dat de vermelding van een niet tenlastegelegd feit niet tot strafverzwaring aanleiding heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat die vermelding is opgenomen naar aanleiding van wat door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd. (Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391.)”
Het hof heeft in een alinea in de strafmotivering die in het teken staat van de persoon van de verdachte overwogen dat de verdachte – gelet op zijn justitiële documentatie – vele malen voor soortgelijke delicten is veroordeeld, dat dit niet in zijn voordeel pleit nu deze eerdere bestraffingen de verdachte er kennelijk niet van hebben weerhouden zich opnieuw aan diefstallen schuldig te maken en dat er volgens het strafblad bovendien ook nog sprake is van nieuwe verdenkingen en van nog niet onherroepelijke uitspraken. Ook heeft het hof overwogen dat hoewel de aard en de ernst van de feiten in combinatie met de veelvuldige recidive de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer rechtvaardigt, het gelet op de in de goede richting bewegende persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat de verdachte door het hof voor een feit is vrijgesproken aanleiding ziet voor een taakstraf.
Met de vaststelling dat blijkens het strafblad “ook nog sprake [is] van nieuwe verdenkingen en van nog niet onherroepelijke uitspraken” heeft het Hof als onderdeel van zijn motivering van de straf, in antwoord op hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht (namelijk onder meer dat met de oplegging van een taakstraf kan worden volstaan) mijns inziens slechts tot uitdrukking gebracht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf nog steeds mogelijk te achten (iets na die overweging houdt het arrest immers in dat de aard en de ernst van de feiten in combinatie met de veelvuldige recidive de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer rechtvaardigt). Daarmee heeft het Hof hetgeen in het onder 5.5. geciteerde arrest HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:340, NJ 2023/173 m.nt. Keijzer, r.o. 2.3.1-2.3.3 niet miskend. Daarbij komt dat het hof uiteindelijk geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd, maar een taakstraf van tachtig uren. Ook als de bestreden overweging van het hof wordt aangemerkt als argument voor mogelijke toepassing van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, heeft de overweging in die zin feitelijk dus niet in strafverhogende zin gewerkt.
Ten overvloede merk ik nog op dat wanneer – ondanks het voorgaande – zou worden aangenomen dat de overweging ook van betekenis is geweest voor de opgelegde taakstraf, deze in het geheel van de strafmotvering van ondergeschikt belang is. Het hof heeft ten nadele van de verdachte immers primair acht geslagen op onherroepelijke veroordelingen, terwijl het – hoewel een gevangenisstraf gelet op de aard en ernst van de feiten en de veelvuldige recidive volgens het hof meer voor de hand lag en ook was gevorderd door de advocaat-generaal – overeenkomstig het verzoek van de raadsman een taakstraf heeft opgelegd waarbij de positieve veranderde persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat het hof de verdachte voor een feit heeft vrijgesproken de doorslag hebben gegeven.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
4. Afronding
Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de instelling van het cassatieberoep op 5 augustus 2025. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase wordt overschreden. Gelet op de opgelegde straf – kort gezegd: een taakstraf van 80 uren – kan dan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG