ECLI:NL:PHR:2026:60

ECLI:NL:PHR:2026:60, Parket bij de Hoge Raad, 13-01-2026, 23/04175

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 15-01-2026
Zaaknummer 23/04175
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Diefstal. Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat verdachte als kwetsbaar aangemerkt had moeten worden en in de gelegenheid had moeten worden gesteld om voorafgaand aan het politieverhoor een advocaat te raadplegen. Ook klaagt het middel over het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand. De AG meent dat beide klachten slagen. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04175

Zitting 13 januari 2026

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte

1. Het cassatieberoep

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 12 oktober 2023 (parketnummer 23-000435-23) in zaak B (parketnummer 13-254592-21) veroordeeld wegens "diefstal" zonder dat daarvoor een straf of maatregel is opgelegd. Ook al was het hoger beroep alleen gericht tegen het oordeel van de rechtbank in zaak B, heeft het hof de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak A (parketnummer 13-141212-21) bewezenverklaarde bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van 4 dagen, geheel voorwaardelijk en met een proeftijd van 1 jaar. Door de rechtbank was voor het bewezenverklaarde in zaak A en het bewezenverklaarde in zaak B namelijk één straf opgelegd.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.W. Kuijpers en D.W.H.M. Wolters, beiden advocaat in Hoofddorp, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt over de verwerping door het hof van het verweer in zaak B dat de verdachte als kwetsbaar aangemerkt had moeten worden en in de gelegenheid had moeten worden gesteld om een advocaat te raadplegen voorafgaand aan het politieverhoor en over het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand.

Het bestreden arrest is gewezen door een enkelvoudige strafkamer van het hof en is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“zij op 22 september 2021 te [plaats] een fopspeen, die aan de Albert Heijn toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een geschrift, zijnde een landelijk aangifteformulier winkeldiefstal van 22 september 2021 betreffende de Albert Heijn te [plaats] .

Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de aangever:

Op 22 september 2021 heeft de beveiliger van de Albert Heijn te [plaats] gezien dat de verdachte de winkel in liep, een baby fopspeen pakte en in haar broekzak stopte en via kassa 1 zonder te betalen de winkel verliet.

De aangehouden persoon gaf op te zijn:

[verdachte]

[geboortedatum] /1983

2. Een proces-verbaal van 22 september 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 5-7).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als afgelegde verklaring van verdachte:

V: U word verdacht van winkeldiefstal. Er is gezien dat u een speen, in uw broekzak deed en deze niet ter betaling heeft aangeboden. Wat kan u daarover zeggen?

A: Ik heb het meegenomen.

V: En u heeft hem niet afgerekend?

A: Nee.”

In de aantekening van het mondeling arrest heeft het hof, voor zover relevant, het volgende overwogen:

“Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit en heeft daartoe kort gezegd het volgende aangevoerd. De verdachte had als kwetsbare verdachte moeten worden aangemerkt en derhalve had zij in de gelegenheid moeten worden gesteld om een advocaat te raadplegen voordat zij als verdachte werd gehoord. Nu dat is nagelaten, is er naar het oordeel van de verdediging sprake geweest van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dit dient ertoe te leiden dat de verklaring van de verdachte moet worden uitgesloten van het bewijs. Hierdoor blijft slechts één bewijsmiddel over, hetgeen tot een vrijspraak dient te leiden.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt als volgt. Uit de dossierstukken blijken geen concrete feiten of omstandigheden op grond waarvan de politie de verdachte had moeten aanmerken als een kwetsbare verdachte. De verdachte heeft tijdens haar verhoor (digitale pagina 6) te kennen gegeven dat zij geen advocaat hoefde te raadplegen en dat het nu goed met haar gaat. Er waren geen persoonlijke omstandigheden waar de verbalisanten van op de hoogte moesten zijn. De enkele omstandigheid dat de verdachte een bijzonder antwoord gaf op de vraag waarom zij een speen had weggenomen, hoeft niet tot de conclusie te leiden dat de verdachte kwetsbaar was. Het komt vaker voor dat de verdachte een bijzonder of vreemd antwoord geeft. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een vormverzuim en dient er geen bewijsuitsluiting te volgen

Het hof komt gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van hetgeen haar ten laste is gelegd.”

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnotitie. Deze pleitnotitie houdt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in (ik laat verwijzingen weg):

II. Bewijsuitsluiting verklaring cliënte op grond van artikel 359a Sv

2. Het dossier bevat een aangifte van winkeldiefstal en een verklaring die door cliënte bij de politie is afgelegd. De verdediging stelt zich op het standpunt dat cliënte, op grond van artikel 28c jo artikel 28b lid 1 Sv, aangemerkt had moeten worden als een kwetsbare verdachte en derhalve geconsulteerd had moeten worden voordat zij als verdachte werd gehoord. De officier van justitie in eerste aanleg zag dit ook zo en rekwireerde daarom voor dit feit ook tot vrijspraak.

De kwetsbaarheid van cliënte ten tijde van het incident blijkt uit het feit dat zij voorafgaand aan het incident al meerdere verdenkingen van diefstal op haar documentatie had staan waarin werd geseponeerd omdat 'anders dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleerde' of waar cliënte schuldig werd bevonden zonder oplegging van een straf of maatregel. Bovendien heeft cliënte zelf bij de politie aangegeven dat zij aan psychoses leidde en dat zij onder behandeling was bij [specialist] van instantie Mentrum. Cliënte reageerde tijdens de voorgeleiding in verband met de aanhouding niet op de door [hulpofficier van justitie] gestelde vraag of zijn een advocaat wilde bij verhoor (zie p-v vgl. ter aanhouding) en niet gesteld kan dus worden dat zij afstand deed van dit recht. Voorts is ook uit hetgeen de officier van justitie in eerste aanleg heeft betoogd, gebleken dat cliënte als kwetsbaar aangemerkt had moeten worden. Zo voerde zij aan dat cliënte volgens de politie in 2022 reeds 31 registraties op haar nam had en dat de hoofdagent zich zorgen maakte. Gelet op deze mutaties in het politiesysteem en de eerdere beslissingen in strafzaken van cliënte had ervan uit moeten worden gegaan dat cliënte door haar geestelijke toestand niet in staat was om een strafprocedure te begrijpen en er effectief aan deel te nemen. Zij had hierdoor op zijn minst als kennelijk kwetsbaar aangemerkt dienen te worden. En ook in een dergelijk geval - bij het vermoeden van kwetsbaarheid - kan niet van consulatie afgezien worden. Het is overduidelijk dat cliënte haar belangen niet zelf kon behartigen en zij had derhalve door een raadsman ingelicht moeten worden over haar rechten, plichten en de gevolgen die afstand van bijstand van een raadsman konden opleveren. De hulpofficier van justitie had haar dus - zeker nu zij ook niet reageerde op zijn vraag of ze bijstand tijdens verhoor wenste - haar als kwetsbaar moeten aanmerken en de piketcentrale in kennis moeten stellen dat er een advocaat gewenst was. Dat cliënte kwetsbaar was, blijkt ook nog eens aan het antwoord dat zij gaf op de vraag waarom zij de speen had gestolen. "Een speen is prettig." Zij gaf aan geen kind te hebben. Dit antwoord spreekt boekdelen.

3. Nu cliënte niet is geconsulteerd, had de verklaring van cliënte door de politierechter niet als bewijsmiddel gebruikt kunnen worden. Ik verwijs hierbij naar de arresten Ibrahim et al/United Kingdom en Beuze/Belgie waarin door het EHRM werd geoordeeld dat in het geval een verdachte geen toegang heeft gehad tot een advocaat (dan wel niet rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht op toegang tot een advocaat) moet worden geoordeeld of de procedure in zijn geheel eerlijk is verlopen. Relevante factoren hierbij zijn (onder andere) de eventuele kwetsbaarheid van de verdachte, de kwaliteit van de verklaring en het gebruik van de verklaring en in het bijzonder of deze een integraal of belangrijk onderdeel vormde van de bewijsconstructie. Ook het bestaan van een juridisch kader voor het beperken van de toegang tot een advocaat en of aan dit juridisch kader is voldaan is van een relevante factor. Hierbij wordt opgemerkt dat indien de afgelegde verklaring wordt uitgesloten van het bewijs, het niet waarschijnlijk is dat de procedure als geheel als oneerlijk zal kunnen worden gekwalificeerd.

4. Gelet op deze relevante factoren die door het EHRM haar voren worden gebracht, stelt de verdediging zich op het standpunt dat door gebruik te maken van de verklaring van cliënte, de procedure als geheel niet als eerlijk aan te merken valt. Dit geldt vooral nu het gaat om een verdachte waar de politie zich zorgen om maakt - zij geeft bovendien in het verhoor zelf aan dat zij last heeft van psychoses - en die vreemde uitlatingen doet bij de politie zoals 'een speen is prettig’. De verklaring vormt voorts een zeer belangrijk onderdeel van de bewijsconstructie (het is tweede en dus doorslaggevende bewijsmiddel). Het verzuim om cliënte consultatiebijstand te bieden kan bovendien niet worden hersteld. Dat de verklaring van een niet-geconsulteerde kwetsbare verdachte niet voor het bewijs kan worden gebruikt, is bovendien vaste jurisprudentie.

5. Concluderend kan naar het oordeel van de verdediging worden gesteld dat sprake is geweest van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Er is een belangrijk rechtsbeginsel in aanzienlijke mate geschonden. Dit dient ertoe te leiden dat de verklaring van cliënte, op grond van artikel 359a Sv, uitgesloten dient te worden van het bewijs. Nu hierdoor slechts één bewijsmiddel overblijft, zal cliënte vrijgesproken dienen te worden van de ten laste gelegde diefstal.”

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2023 houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“De advocaat-generaal voert het woord en leest de vordering voor. Deze wordt aan het gerechtshof overgelegd en in het dossier gevoegd. Hij deelt mede:

Ik had mevrouw graag gezien. Wanneer je een dossier leest waarbij het uittreksel van de Justitiële Documentatie dikker is dan het procesdossier van de politie, rijst de vraag wat er aan de hand is. Het feit kan wettig en overtuigend bewezen worden. Mevrouw is aangehouden en heeft bekend. Zij is gewezen op het recht op rechtsbijstand, maar heeft hiervan afgezien. Het feit kan daarmee bewezen worden. Het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing. Mede gelet op de beslissing van de politierechter destijds verzoek ik u mevrouw schuldig te verklaren zonder toepassing van straf.

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging en doet dit aan de hand van haar pleitnotitie. Deze pleitnotitie wordt aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd. In aanvulling daarop deelt zij mede:

Mocht u van mening zijn dat de verklaring van cliënt wel gebruikt kan worden als bewijsmiddel, dan verzoek ik u de advocaat-generaal te volgen en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen.

De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren in repliek. Hij deelt daarop mede:

Er zijn bepaalde criteria opgesteld die de politie in acht moet nemen voor het vaststellen van een kwetsbare verdachte. Tijdens een verhoor is het echter niet altijd goed vast te stellen door de politie. Indien iemand afstand doet van het recht op rechtsbijstand, is het voldoende om dat aan te nemen. Ik ben het met de raadsvrouw eens dat het vreemd is dat een vrouw van middelbare leeftijd zonder kinderen aangeeft dat een fopspeen prettig is. Echter, het is niet aan de politie om te oordelen over de levenssituatie van de verdachte. De politie heeft gedaan wat ze moesten doen. Er is daardoor geen sprake van verzuim en er dient geen bewijsuitsluiting te volgen.

Destijds is er door de officier van justitie vier dagen geëist. Ik kan er mee leven dat u een geheel voorwaardelijke straf oplegt voor het bewezenverklaarde in de andere zaak. Dit betekent dat er in deze zaak een schuldverklaring zonder straf volgt en in de andere zaak die eis van vier dagen gevangenisstraf voorwaardelijk volgt.

De raadsvrouw voert het woord in dupliek als volgt:

Het voorstel van de advocaat-generaal is een redelijk voorstel waar de verdediging zich in kan vinden. De verdediging persisteert wel bij het standpunt over de schending van het consultatierecht. De politie kan in het systeem zien om welke verdachte het gaat en het aantal registraties. Daar komt bij dat er al zorgen bestonden over mevrouw. De politie moet het zekere voor het onzekere nemen bij kennelijke kwetsbaarheid.”

Juridisch kader

In het middel staat de vraag centraal of het hof de verdachte terecht niet heeft aangemerkt als kwetsbare verdachte en in het verlengde daarvan kon oordelen dat de verdachte van haar recht op rechtsbijstand rechtsgeldig afstand heeft gedaan.

In de eerste plaats merk ik op dat mijn ambtgenoot Van Wees in zijn conclusie van 12 december 2023 uitvoerig is ingegaan op het recht op rechtsbijstand van de kwetsbare verdachte, de waarborgen van art. 6 EVRM, en de eisen die moeten worden gesteld aan het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Deze conclusie bevat ook een beschrijving van de ontwikkelingen van de wettelijke waarborgen die voor kwetsbare verdachten gelden in relatie tot het recht op rechtsbijstand, waarnaar ik hier gemakshalve verwijs. De onderhavige conclusie bouwt daarop voort. Ik zal hier volstaan met een korte weergave van de relevante bepalingen en een dito beschrijving van het juridisch kader dat geldt voor het recht op rechtsbijstand en voor het doen van afstand hiervan door kwetsbare verdachten.

Art. 6 lid 3, onder c, EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

“Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.”

De relevante wettelijke bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering luiden als volgt:

“Artikel 28

1. De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.

2. Aan de verdachte wordt overeenkomstig de wijze bij de wet bepaald door een aangewezen of gekozen raadsman rechtsbijstand verleend.

(…)

Artikel 28a

1. De verdachte kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, tenzij in dit wetboek anders is bepaald.

2. Wanneer de rechter of opsporingsambtenaar blijkt dat de verdachte de in het eerste lid bedoelde afstand van recht wil doen, licht deze hem in over de gevolgen daarvan en deelt deze hem mee dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt.

Art. 28ab

(…)

Art. 28b

1. Indien een kwetsbare verdachte of een verdachte van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld, is aangehouden, stelt de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand onverwijld van zijn aanhouding in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. Deze kennisgeving kan achterwege blijven indien de verdachte een raadsman heeft gekozen en deze of een vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn.

(…)

Art. 28c

1. De aangehouden verdachte voor wie ingevolge artikel 28b een raadsman beschikbaar is, wordt de gelegenheid verschaft om voorafgaand aan het eerste verhoor gedurende een termijn van ten hoogste een half uur met hem een onderhoud te hebben. De hulpofficier van justitie kan deze termijn, indien deze ontoereikend blijkt, op verzoek van de verdachte of zijn raadsman met ten hoogste een half uur verlengen, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet. Het onderhoud kan ook door middel van telecommunicatie plaatsvinden.

2. De verdachte, bedoeld in artikel 28b, eerste lid, kan slechts afstand doen van het in het eerste lid bedoelde onderhoud, nadat hij door een raadsman over de gevolgen daarvan is ingelicht.

Art. 28d

1. Op verzoek van de aangehouden verdachte en de verdachte die is uitgenodigd om op een plaats van verhoor te verschijnen om te worden verhoord, kan de raadsman het verhoor bijwonen en daaraan deelnemen. Het verzoek wordt gericht aan de verhorende ambtenaar of de hulpofficier van justitie. De verhorende ambtenaar kan een verzoek van de verdachte of diens raadsman tot onderbreking van het verhoor voor onderling overleg afwijzen, indien door het voldoen aan herhaalde verzoeken de orde of de voortgang van het verhoor zou worden verstoord.

(…)”

Uit de hiervoor weergegeven wettelijke regeling blijkt dat voor de kwetsbare verdachte bijzondere waarborgen gelden met betrekking tot de aanwijzing van een raadsman en het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Art. 28b lid 1 Sv schrijft voor dat voor de (aangehouden) kwetsbare verdachte altijd een raadsman wordt aangewezen. Art. 28c lid 2 Sv bepaalt dat de kwetsbare verdachte slechts afstand van consultatiebijstand kan doen indien hij door een raadsman over de mogelijke gevolgen daarvan is geïnformeerd. Uit deze regeling blijkt niet wie als kwetsbare verdachte dient te worden aangemerkt. Dit begrip is ook elders in de wet niet gedefinieerd.

De hiervoor geciteerde bepalingen zijn met de Wet van 17 november 2016 ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures. In art. 13 van deze richtlijn is vastgelegd dat lidstaten ervoor dienen te zorgen dat bij de toepassing van de richtlijn rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten en kwetsbare beklaagden. Wie als zodanig aangemerkt dienen te worden, wordt in de richtlijn niet gespecificeerd.

Kort na vaststelling van de richtlijn heeft de Europese Commissie de lidstaten in een aanbeveling aangezet tot versterking van de procedurele rechten van kwetsbare verdachten en beklaagden. De aanbeveling verstaat onder ‘kwetsbare personen’ alle verdachten en beklaagden die door hun leeftijd, geestelijke of lichamelijke toestand of handicap niet in staat zijn een strafprocedure te begrijpen en er effectief aan deel te nemen. Ook wordt in de aanbeveling vermeld dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat er een ‘vermoeden van kwetsbaarheid’ geldt ten aanzien van met name personen met een ernstige psychologische, intellectuele, lichamelijke of zintuiglijke beperking, of met een geestesziekte of cognitieve aandoening, die daardoor de procedure moeilijker begrijpen en er moeilijker effectief aan kunnen deelnemen.

Uit de wetsgeschiedenis van de implementatie van richtlijn 2013/48 EU kan worden afgeleid dat onder het begrip ‘kwetsbare verdachte’ jeugdige verdachten en verdachten met een psychische stoornis of een verstandelijke beperking vallen. Het gaat daarbij om de ‘kennelijke kwetsbaarheid’ van de verdachte. Omdat het, vanwege het vroege stadium van de strafprocedure waarin een beslissing moet worden genomen over de rechtsbijstand, niet mogelijk en ook niet vereist is dat de kwetsbaarheid van de verdachte aan de hand van rapportages, en/of met toepassing van art. 509a Sv wordt vastgesteld, dient in gevallen waarin bij de voorgeleiding wordt getwijfeld over de kwetsbaarheid van de verdachte, steeds een raadsman opgeroepen te worden.

De bijzondere waarborgen die gelden voor kwetsbare verdachten hebben ook implicaties voor de door het EHRM geformuleerde waarborgen voor het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Het is vaste rechtspraak dat die afstand vrijwillig moet zijn en aan de “knowing and intelligent” standaard moet voldoen en dat de rechter dit dient te onderzoeken. Uit de uitspraken van het EHRM van 12 juni 2025 (Krpelík v. Tsjechië) en 8 februari 2024 (Bogdan v. Oekraïne), blijkt dat in het bijzonder streng moet worden toegezien op de waarborgen die gelden voor de rechtsgeldigheid van de afstand van het recht op rechtsbijstand wanneer het gaat om kwetsbare verdachten.

In zijn arrest van 9 april 2024 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat in beginsel sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv als de verdachte tijdens het opsporingsonderzoek weliswaar te kennen heeft gegeven afstand te doen van het recht op consultatie en/of verhoorbijstand, maar die afstand niet rechtsgeldig is omdat de verdachte als gevolg van de met zijn kwetsbaarheid samenhangende beperkingen niet in staat was zijn wil te bepalen. Als daarover verweer wordt gevoerd, dient dit in de regel tot bewijsuitsluiting te leiden van de verklaring die de verdachte tijdens het politieverhoor zonder rechtsbijstand heeft afgelegd.

De beoordeling van het middel

Ik bespreek eerst de klacht over de verwerping van het verweer dat de verdachte als kwetsbaar aangemerkt had moeten worden en in de gelegenheid had moeten worden gesteld om een advocaat te raadplegen voorafgaand aan het politieverhoor. Daarna ga ik in op het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand.

In hoger beroep heeft de raadsvrouw van verdachte aangevoerd dat de verdachte als kwetsbare verdachte had moeten worden aangemerkt en daarom in de gelegenheid had moeten worden gesteld om voorafgaand aan haar verhoor een advocaat te raadplegen. Nu dit is nagelaten, is sprake van een vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting van de verklaring van verdachte dient te leiden.

Aan het verweer dat de verdachte als kwetsbare verdachte had moeten worden aangemerkt, heeft de raadsvrouw ten grondslag gelegd dat:

1) uit de justitiële documentatie van verdachte bleek dat meerdere zaken waren geseponeerd omdat ‘ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleerde’ of waarin de verdachte schuldig werd bevonden zonder oplegging van straf of maatregel,

2) de verdachte tijdens het politieverhoor heeft aangegeven dat zij lijdt aan psychoses en onder behandeling was bij het Mentrum,

3) de verdachte bij de voorgeleiding niet heeft gereageerd op de vraag of zij een advocaat wilde bij het verhoor en

4) ook uit de verklaring dat zij de speen heeft weggenomen omdat “een speen prettig is” kon worden afgeleid dat het ging om een kwetsbare verdachte.

Het hof heeft dit verweer verworpen en daaraan ten grondslag gelegd dat er geen concrete feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan de politie de verdachte als kwetsbare verdachte had moeten aanmerken. Verder heeft het hof bij zijn oordeel betrokken dat de verdachte tijdens haar verhoor heeft aangegeven dat zij geen advocaat hoefde te raadplegen en dat het nu goed met haar gaat. Dat de verdachte een bijzonder antwoord gaf op de vraag waarom zij een speen heeft weggenomen, hoefde naar het oordeel van het hof niet tot de conclusie te leiden dat de verdachte kwetsbaar was, omdat het vaker voorkomt dat verdachten een bijzonder of vreemd antwoord geven.

In het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd is deze motivering niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte tijdens het politieverhoor desgevraagd heeft verklaard dat zij bekend is met psychische problematiek, dat zij medicatie tegen psychose gebruikt en bij Mentrum wordt behandeld, zoals door de raadsvrouw van verdachte op de terechtzitting naar voren is gebracht. Een psychische stoornis maakt een verdachte bij uitstek ‘kwetsbaar’. Daar komt bij dat door de raadsvrouw van verdachte is gewezen op de justitiële documentatie van de verdachte, waaruit blijkt dat meermaals zaken tegen verdachte zijn geseponeerd op de grond dat ‘ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert’ of waarin zij schuldig is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Deze omstandigheden hadden voor het hof toch minst genomen een indicatie moeten vormen voor de kwetsbaarheid van de verdachte. Het oordeel dat ‘uit de dossierstukken geen concrete feiten of omstandigheden blijken op grond waarvan de politie de verdachte had moeten aanmerken als een kwetsbare verdachte’ is dan ook onbegrijpelijk. In een dergelijke situatie moet het zekere voor het onzekere worden genomen. Het gaat immers om de kennelijke kwetsbaarheid van een verdachte; bij twijfel dient een advocaat te worden opgeroepen. De enkele omstandigheid dat de verdachte (ook) heeft verklaard dat het nu goed met haar gaat, zoals door het hof is overwogen, maakt dit mijns inziens niet anders.

Het voorgaande brengt mee dat de verwerping van het verweer dat de verdachte als kwetsbaar aangemerkt had moeten worden en in de gelegenheid had moeten worden gesteld om voorafgaand haar verhoor een advocaat te raadplegen, ontoereikend is gemotiveerd.

Vervolgens heeft het hof kennelijk ook geoordeeld dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van haar recht op rechtsbijstand. Ook dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft niet kenbaar onderzocht of de verdachte redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand. Daartoe was het hof wel gehouden, nu de raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte als kwetsbaar aangemerkt had moeten worden en daarmee de vrijwilligheid (en dus de rechtsgeldigheid) van de afstand van het recht op rechtsbijstand ter discussie heeft gesteld.

Bovendien is door de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte bij haar voorgeleiding desgevraagd niet eenduidig heeft gereageerd op de vraag of zij een advocaat wilde bij haar verhoor. Het proces-verbaal van voorgeleiding houdt immers onder andere in: “Verdachte reageerde niet op mijn vraag of zij een advocaat wilde bij haar verhoor.” Dat roept de vraag op of de verdachte wel op ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand. Dit gegeven vormt een tweede, zelfstandige, omstandigheid die het hof aanleiding had moeten geven de rechtsgeldigheid van de afstand van het recht op rechtsbijstand te onderzoeken.

Het middel slaagt.

3. Slotsom

Het middel slaagt.

Ambtshalve merk ik op dat in cassatie de redelijke termijn zal worden overschreden, nu het cassatieberoep is ingesteld op 26 oktober 2023. Indien het middel niet slaagt, kan worden volstaan met constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?