ECLI:NL:PHR:2026:61

ECLI:NL:PHR:2026:61, Parket bij de Hoge Raad, 13-01-2026, 24/03401

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer 24/03401
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. OM-cassatie. Het middel is gericht tegen de vrijspraak ter zake van smaadschrift door op naam van aangever een advertentie met seksuele inhoud op een homodatingwebsite te plaatsen, art. 261 Sr. Telastlegging van een bepaald feit? De AG meent dat het middel faalt. Conclusie strekt tot verwerping.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03401

Zitting 13 januari 2026

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte

1. Het cassatieberoep

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 29 augustus 2024 (23-002758-23) wegens “1. belaging” en “2. poging tot afdreiging” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, waarvan 27 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof een inbeslaggenomen telefoon verbeurdverklaard.

Volgens de vaststellingen van het hof gaat het in de onderhavige zaak om het volgende. De verdachte heeft de aangever in de bewezenverklaarde periode frequent telefonisch en via berichten benaderd, naar eigen zeggen omdat de aangever hem nog € 50,00 verschuldigd was. Ook heeft de verdachte zich op een homodatingsite voorgedaan als aangever en daar een advertentie met seksuele inhoud geplaatst. Het hof heeft de verdachte wegens belaging en poging tot afdreiging veroordeeld en hem van het op smaadschrift toegesneden feit vrijgesproken.

Het cassatieberoep is ingesteld door M.C.A. Bakker, advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam. Namens het Openbaar Ministerie heeft W.J.V. Spek, advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt op de vrijspraak van het feit dat als smaadschrift is tenlastegelegd.

2. Het middel

Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat geen sprake is van de ‘telastlegging van een bepaald feit’ in de zin van art. 261 Sr (smaad).

Aan de verdachte is als feit 3 tenlastegelegd dat:

“3.

hij op of één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 oktober 2020 tot met 28 februari 2021 te Amsterdam en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [aangever] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door een account aan te maken op de gaydatingsite [website] met de naam en/of een telefoonnummer en/of een foto van voornoemde [aangever] met daarbij de woorden “Top [naam 1] ” en/of “Telex nu wie laat mij spuiten”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking.”

Het hof heeft de verdachte van feit 3 vrijgesproken. Het bestreden arrest houdt hieromtrent het volgende in:

“Vrijspraak feit 3

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, acht het hof, zoals hiervoor reeds overwogen, bewezen dat het de verdachte is geweest die het account “Top [naam 1] ” op [website] heeft aangemaakt. Het hof komt echter tot vrijspraak van het onder feit 3 ten laste gelegde. Voor tenlastelegging van een “bepaald feit” in de zin van artikel 261 Wetboek van Strafrecht (Sr) is vereist dat het feit zodanig door de verdachte wordt tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst. Bovendien wordt met feit gedoeld op een feit dat geschikt is om iemands integriteit aan te tasten, waarbij gedacht kan worden aan ernstige feiten zoals misdrijven of feiten die strijden met de positieve moraal.

De tenlastelegging van een bepaald feit in de onderhavige zaak bestaat eruit dat de verdachte de aangever heeft gepresenteerd als degene die op een homo-datingsite een advertentie heeft geplaatst met seksuele inhoud, te weten “Telsex nu wie laat mij spuiten”. Naar het oordeel van het hof betreft dit weliswaar een opmerking die als smakeloos kan worden gekwalificeerd, maar geen feit waarmee iemands integriteit aangetast wordt. Homoseksualiteit is al geruime tijd niet meer een verschijnsel dat op morele afkeuring kan rekenen. Ook een enkele seksueel getinte opmerking op een datingsite is op zichzelf niet strijdig met de positieve moraal. De door de verdachte gedane uitlating betreft daarom geen ernstig feit, zoals bedoeld in artikel 261 Sr.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.”

Artikel 261 Sr luidt als volgt:

“1. Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

2. Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen, of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore wordt gebracht, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

3. Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zover de dader heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste.”

In het arrest van 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1035, overwoog de Hoge Raad omtrent het bestanddeel ‘de telastlegging van een bepaald feit’ uit art. 261 lid 1 Sr onder meer het volgende:

“3.4 Vooropgesteld moet worden dat sprake is van telastlegging van een ‘bepaald feit’ als bedoeld in artikel 261 Sr, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het ‘feit’ niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om diens gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging van een bepaalde persoon. Opmerking verdient nog dat dit vereiste niet geldt bij de - van een lichter strafmaximum voorziene - strafbaarstelling van belediging in artikel 266 lid 1 Sr. (…)Daarnaast dient het tenlastegelegde ‘feit’ de eer of goede naam van de betrokkene aan te randen doordat het tenlasteleggen van de concrete gedraging ertoe strekt de betrokkene naar maatschappelijke opvattingen bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen.”

Het middel bevat drie deelklachten die ik hierna zal bespreken.

De eerste deelklacht

Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het hof de verkeerde maatstaf heeft gehanteerd door in zijn beoordeling te betrekken dat het feit niet op morele afkeuring kan rekenen en niet strijdig is met de positieve moraal.

De klacht betreft de uitleg van het in de tenlastelegging opgenomen en aan art. 261 lid 1 Sr ontleende bestanddeel ‘telastlegging van een bepaald feit’. Het gaat hier blijkens de wettekst om de beschuldiging van een ‘feit’ dat iemands eer of goede naam aanrandt.

Al bij de totstandkoming van art. 261 Sr bleek dat niet ieder ‘feit’ onder het bereik van de bepaling valt. Toenmalig Minister van Justitie Modderman formuleerde het zo dat “alleen die feiten in aanmerking komen, door wier imputatie aanranding van eer of goeden naam mogelijk is”. In de literatuur is betoogd dat hiermee wordt geduid op feiten die geschikt zijn om iemands integriteit aan te tasten. Het zou daarbij doorgaans moeten gaan om ernstige feiten, zoals misdrijven en feiten die met de positieve moraal strijden.

Duidelijk is dat hetgeen onder een ‘feit’ als bedoeld in art. 261 Sr moet worden verstaan afhankelijk is van tijd en context. Wat als een moreel verwerpelijke gedraging wordt aangemerkt is immers bepaald niet onveranderlijk. Reijntjes merkte in dit verband al eens op dat het feit iets dient “te betreffen waarover de aangesprokene zich behoort te schamen. Maatschappelijke opvattingen zijn doorslaggevend; wat beledigend is wordt door tijd, plaats en slachtoffer bepaald!”.

Verder geldt dat het moet gaan om de beschuldiging van een duidelijk te onderkennen, concrete gedraging. Daaraan is niet voldaan als de gedraging slechts in algemene termen wordt geduid of als iemand een bepaalde eigenschap wordt toegedicht.

Het voorgaande kan worden geïllustreerd aan de hand van HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1035. Het op Snapchat plaatsen van een foto van tekst uit het strafdossier van de verdachte in die zaak, inhoudend de naam van aangeefster en informatie die zij aan de politie had doorgegeven, met daarbij de tekst “snitch van [wijk]”, leverde niet zonder meer de ‘telastlegging van een bepaald feit’ als bedoeld in art. 261 Sr op. Het moet daarbij gaan om een concrete gedraging die ertoe strekt de betrokkene naar maatschappelijke opvattingen bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen, zo expliciteerde de Hoge Raad.

In de onderhavige zaak heeft het hof overwogen dat met een feit in de zin van art. 261 Sr wordt gedoeld op een feit dat geschikt is om iemands integriteit aan te tasten, waarbij gedacht kan worden aan ernstige feiten zoals misdrijven of feiten die strijden met de positieve moraal. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een account met de naam “Top [naam 1] ” op de homodatingsite [website] heeft aangemaakt en dat hij de aangever heeft gepresenteerd als degene die op deze website een advertentie heeft geplaatst met de inhoud “Telsex nu wie laat mij spuiten”. Naar het oordeel van het hof betreft dit een opmerking die als smakeloos kan worden gekwalificeerd, maar betreft dit geen feit waarmee iemands integriteit wordt aangetast. Daarbij heeft het hof overwogen dat homoseksualiteit al geruime niet meer een verschijnsel is dat op morele afkeuring kan rekenen en dat een enkele seksueel getinte opmerking op een datingsite op zichzelf niet strijdig is met de positieve moraal. De uitlating betreft naar het oordeel van het hof daarom geen ernstig feit als bedoeld in art. 261 Sr.

Het bovengenoemde oordeel, waarmee het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat geen sprake is van een telastlegging (beschuldiging) van een concrete gedraging die ertoe strekt de betrokkene naar maatschappelijke opvattingen bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat geldt evengoed voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat het bij de ‘telastlegging van een bepaald feit’ in de zin van art. 261 Sr moet gaan om een ernstig feit.

De eerste deelklacht faalt.

De tweede deelklacht

Het middel bevat in de tweede plaats de klacht dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van de ‘telastlegging van een bepaald feit’ onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof ten onrechte de nadruk heeft gelegd op de omstandigheid dat de advertentie is geplaats op een homodatingwebsite en heeft nagelaten de context van het feit bij zijn oordeel te betrekken.

Hiervoor heb ik al opgemerkt dat aan een ‘feit’ in de zin van art. 261 Sr eisen moeten worden gesteld. Niet iedere beschuldiging levert een feit op in de zin van die bepaling. Het moet gaan om ernstige feiten, zoals misdrijven en feiten die met de positieve moraal strijden. In dit geval heeft de verdachte aangever gepresenteerd als degene die op een homodatingsite een advertentie heeft geplaatst met de tekst “Telsex nu wie laat mij spuiten”. Het hof is, zo bleek, van oordeel dat dit geen beschuldiging van een concrete gedraging betreft die ertoe strekt de betrokkene naar maatschappelijke opvattingen bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen.

Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een feit waarmee iemands integriteit wordt aangetast. Het hof betrekt daarbij dat homoseksualiteit tegenwoordig niet meer op morele afkeuring kan rekenen en dat het plaatsen van een enkele seksueel getinte opmerking op een datingsite niet in strijd is met de positieve moraal.

Met de steller van het middel meen ik dat de nadruk die het hof heeft gelegd op de omstandigheid dat de advertentie is geplaatst op een homodatingsite ongelukkig is. Het gaat er mijns inziens niet zozeer om dat homoseksualiteit niet meer op morele afkeuring kan rekenen; het gaat erom of het plaatsen van een online advertentie met de tekst “Telsex nu wie laat mij spuiten” naar maatschappelijke opvattingen als moreel verwerpelijk of in strijd met de positieve moraal moet worden geacht.

Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. Het hof heeft immers tevens aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat het plaatsen van een enkele seksueel getinte opmerking op een datingsite niet in strijd is met de positieve moraal. Die overweging, die ik niet onbegrijpelijk acht, kan het oordeel zelfstandig dragen. Anders dan de steller van het middel betoogt doet de context waarin de uitlating is gedaan (een datingsite) daar niet aan af. Bovendien, zo voeg ik daaraan toe, betreft de beschuldiging geen misdrijf.

De tweede deelklacht faalt.

De derde deelklacht

Het middel bevat in de derde plaats de klacht dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van de ‘telastlegging van een bepaald feit’ onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het onder 3 tenlastegelegde feit niet los kan worden gezien van de bewezenverklaarde belagingshandelingen en de bedreiging met smaad.

In dit betoog kan ik de steller van het middel niet volgen. Het hof heeft onder 1 als één van de belagingshandelingen bewezenverklaard dat de verdachte een account op naam van aangever heeft aangemaakt op de gaydatingwebsite [website] , kennelijk met het oogmerk hem te dwingen tot betaling van een geldbedrag. De vaststelling dat verdachte degene is geweest die dit account heeft aangemaakt staat niet ter discussie. Dat dit als belagingshandeling kan worden aangemerkt, maakt echter nog niet dit ook als ‘telastlegging van een bepaald feit’ als bedoeld in art. 261 Sr kan worden aangemerkt.

Hetzelfde geldt voor de poging tot afdreiging (feit 2). Het hof heeft onder 2 kort gezegd bewezenverklaard dat de verdachte heeft gepoogd zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad de aangever te dwingen tot betaling van een geldbedrag. De bedreiging met smaad bestaat er blijkens de bewezenverklaring uit dat de verdachte telefonisch tegen aangever heeft gezegd: “vuile viezerik… jij gaat mij betalen hoe dan ook. Ik maak jou kapot… Jij moet mij betalen. Ik weet wie jij bent en ik zal zeggen dat jij een pedo bent, jij laat kinderen naar je hotelkamer komen”. Het gaat hier dus om een andere uitlating dan de advertentie met seksuele inhoud die de verdachte op naam van aangever op een datingwebsite heeft geplaatst. Of die advertentie ‘een bepaald feit’ als bedoeld in art. 261 Sr betreft, is een vraag die het hof terecht zelfstandig heeft beoordeeld.

De derde deelklacht faalt.

Daarmee faalt het middel in al zijn onderdelen.

3. Slotsom

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?