PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03610
Zitting 7 juli 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
Het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-003249-23) heeft bij arrest van 12 september 2024 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam bevestigd en de verdachte daarmee wegens "diefstal" veroordeeld tot zeven dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 24/03609 en 24/03611. In de zaak 24/03611 zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.I. L'Ghdas, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
Het middel bevat de klacht dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de strafoplegging.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
“De raadsman van de verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt na de voordracht van de advocaat- generaal in de gelegenheid gesteld |mondeling de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis op te geven. Daartoe voert hij het woord als volgt:
Het hoger beroep ziet op de strafmodaliteit. Cliënt zou graag willen dat de gevangenisstraf wordt omgezet naar een taakstraf. Materieel verandert er niets want cliënt heeft de gevangenisstraf al uitgezeten, maar dan staat er ‘taakstraf’ in zijn documentatie in plaats van ‘gevangenisstraf’.
De advocaat-generaal deelt mede dat uit de justitiële documentatie van 28 augustus 2024 blijkt dat de verdachte op 26 augustus 2024 door de politierechter is veroordeeld voor een winkeldiefstal gepleegd op 9 januari 2024. De verdachte heeft een gevangenisstraf van 2 weken, met aftrek van het voorarrest, opgelegd gekregen. Hiertegen is hoger beroep ingesteld en de zaak loopt momenteel bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
(…)
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld de persoonlijke omstandigheden van de verdachte toe te lichten en voert daarbij het woord als volgt: Het gaat niet goed met hem. Ik heb tegen hem gezegd dat hij geen diefstallen meer moet plegen. Hij zegt dat hij sinds dit jaar niet meer in aanraking met justitie is gekomen. Het klopt dat het nog wel één keer is gebeurd, maar als wij dat afzetten tegen vorige jaar dan is het een aanzienlijke vooruitgang in zijn leven.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
Ik verzoek u rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij had relationele problemen waardoor hij aan de alcohol zat en op straat leefde. Het gaat om een gering bedrag en een gering feit. De verdachte is in hoger beroep gekomen uit vrees dat de veroordelingen zijn verblijfsaanvraag zouden kunnen dwarsbomen. Zijn situatie is veranderd. Hij is ondertussen niet meer met justitie in aanraking gekomen en dat is een omstandigheid die in aanmerking moet worden genomen”
Om te beginnen merk ik op dat ik het middel niets anders kan lezen dan als een klacht over het niet responderen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de strafmodaliteit, als bedoeld in art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Een klacht over het ontbreken van een strafmotivering als bedoeld in art. 359 lid 2, eerste volzin, lid 5 en lid 6 Sv mist, terwijl er geen reden is voor ambtshalve vernietiging van de uitspraak.
Het hof heeft het aangevoerde kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht niet is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie en dat een opsomming van factoren waarom in het onderhavige geval een taakstraf en geen gevangenisstraf zou moeten worden opgelegd geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv oplevert.
3. Afronding
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG