PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04741
Zitting 7 juli 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 10 december 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001721-24) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de voet van het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat A. Stronkhorst heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Procedure in feitelijke aanleg
In eerste aanleg is de verdachte door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, bij vonnis van 19 juni 2024 (parketnummer 02-088625-24) veroordeeld wegens overtreding van art. 231 lid 2 Sr (feit 1), art. 8 lid 4 jo. 8 lid 3 sub a WVW (feit 2) en art. 107 lid 1 WVW (feit 3).
Tegen deze uitspraak is op 27 juni 2024 namens de verdachte hoger beroep ingesteld. De zaak is behandeld ter terechtzitting van het hof 's-Hertogenbosch van 10 december 2024. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting zijn de verdachte en diens raadsman ter zitting niet verschenen. Het hof 's-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van diezelfde datum – bij verstek – niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:
“Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte geen grieven tegen het vonnis heeft ingediend. De verdachte is voorts in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen en heeft derhalve ook niet mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven.
Ambtshalve vindt het hof in het vonnis waarvan beroep geen gronden om de zaak in hoger beroep in behandeling te nemen. Gezien het vorenstaande zal het door verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”
3. Het middel
Het middel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep.
In de toelichting op het middel wordt verwezen naar een e-mail van de raadsman van de verdachte van 6 oktober 2024, waarin hij reageert op een e-mail van “de afdeling intake van het hof ’s-Hertogenbosch” van 1 oktober 204. Het bericht houdt in dat de raadsman zich stelt, dat hij verzoekt om de stukken van het dossier, dat er geen onderzoekswensen zijn en dat “het appel zich richt tegen de opgelegde straf”. Deze laatste frase moet volgens de steller van het middel als “grief” in de zin van art. 410 lid 1 en 416 lid 2 Sv worden aangemerkt, zodat het oordeel van het hof dat geen grieven zijn ingediend niet zonder meer begrijpelijk is. Dat de grief buiten de in art. 410 lid 1 Sv gestelde termijn en niet op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen is ingediend, doet daar volgens de steller aan het middel niet aan af, omdat de grief wel voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep en kennelijk met het oog op de naderende terechtzitting is ingediend.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een e-mail d.d. 6 oktober 2024 van [advocaat] aan “Hof intake afdeling strafrecht (’s-Hertogenbosch)” met als onderwerp “RE: Verzoek stelbrief en kenbaar maken grieven/onderzoekswensen inzake 20-001721-24 + [verdachte] ”. De e-mail houdt onder meer het volgende in:
“Edelachtbare heer / vrouwe,
Tot mij heeft zich gewend [verdachte] , die mij verzocht hem als raadsman bij te staan in de zaak met bovenvermeld parketnummer.
Bij deze stel ik mij als raadsman van [verdachte] en verzoek ik u om mij via mijn strafdossier de op deze zaak van [verdachte] betrekking hebbende stukken toe te sturen.
Er zijn zijdens de verdediging geen onderzoekswensen en het appel richt zich tegen de opgelegde straf.
Ik vertrouw u hiermee naar behoren te hebben geïnformeerd en ik dank u bij voorbaat voor uw medewerking.
Inmiddels verblijf ik,
hoogachtend,
mr [advocaat] , advocaat”
In het arrest van 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1415, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“2.3 Het in artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bedoelde geval dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend doet zich niet voor indien de schriftuur buiten de in artikel 410 lid 1 Sv genoemde termijn van veertien dagen na de instelling van het hoger beroep, maar wel voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep is ingediend (vgl. HR 3 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:585). Hetzelfde geldt indien een dergelijke schriftuur kennelijk met het oog op de naderende terechtzitting in hoger beroep niet op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, maar op de griffie van het gerechtshof waar de zaak in hoger beroep dient, is ingediend.”
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat onder ‘grieven’ in de zin van art. 410 lid 1 Sv zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg als andersoortige gronden voor het instellen van hoger beroep kunnen vallen. Aan de formulering van grieven worden geen hoge eisen gesteld.
In de onderhavige zaak is blijkens de akte hoger beroep op 27 juni 2024 namens de verdachte hoger beroep ingesteld. De onder 3.3 weergegeven e-mail is op 6 oktober 2024 aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gezonden en houdt onder meer in dat “het appel zich richt tegen de opgelegde straf”. Nu deze e-mail voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2024 is gestuurd naar het gerechtshof waar de zaak in hoger beroep diende, doet het in art. 416 lid 2 Sv bedoelde geval dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend zich niet voor. Om die reden is het oordeel van het hof dat de verdachte geen grieven tegen het vonnis heeft ingediend niet begrijpelijk.
Het middel slaagt.
4. Slotsom
Het middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG