PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03554
Zitting 7 juli 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] in 1973,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 12 september 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-000558-22) wegens "poging tot doodslag", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 25.273,80 en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ook heeft het hof een inbeslaggenomen hockeystick verbeurdverklaard en ten aanzien van andere inbeslaggenomen voorwerpen de teruggave gelast.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.S. Nan, advocaat in 's‑Gravenhage, en S.A.H. Vromen, advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Namens de benadeelde partij heeft P. Scholtes, advocaat in Delft , een schriftuur van cassatie ingediend.
2. Het eerste door de verdachte voorgestelde middel
Het middel klaagt over de verwerping van het door de verdediging gedane beroep op noodweer(exces).
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij, op 20 augustus 2021 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, met kracht met een hockeystick, op het hoofd, van die [benadeelde] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
De bewezenverklaring berust onder meer op de volgende bewijsmiddelen:
“1.Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2.1 augustus 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021242936-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk - weergegeven - (blz. 41-42):
als de op 20 augustus 2021 afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Op 20 augustus 2021 heb ik ruzie gekregen met mijn boven buurman van nummer [...] . Deze bovenbuurman heeft mij met een hockeystick op het hoofd geslagen. Hierbij heeft hij op mijn slaap geslagen. Ik heb letsel aan mijn hoofd en moet naar het ziekenhuis.
2.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 augustus 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021247592-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 115 e.v.):
als de op 27 augustus 2021 afgelegde verklaring van [aangever]
V: Wat is er op 20 augustus 2021 precies gebeurd?
A: [benadeelde] ziet op de beveiligingscamera’s dat de bovenbuurman met een hockeystick bij de voordeur staat, zegt dat tegen mij en belt 112. Ik doe de voordeur open met alleen de bedoeling om de bovenbuurman weer naar boven te jagen. Ik zie dat [benadeelde] langs mij heen schiet en ik ga naar binnen. Daarna komt [benadeelde] naar binnen met een bloedend hoofd
3
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 augustus 2021 van de politie Eenheid Den Haag met proces-verbaalnummer 9, BVH nummer 2021242936. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 82 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik heb camerabeelden afkomstig van een camera uit de woning gelegen aan de [a-straat 2] te [plaats] uitgekeken.
20 augustus 2021 tussen 22:48:15 en 22:48:19 uur
Verdachte [verdachte] loopt ter hoogte van de woning [a-straat 1] achterwaarts via het trottoir de straat op. Verdachte [verdachte] heeft een langwerpig voorwerp in zijn rechterhand. Er verschijnt een man in beeld. Deze man loopt in de richting van verdachte [verdachte] . De man maakt met zijn rechterhand een op- en neergaande beweging terwijl hij naar verdachte [verdachte] loopt. Verdachte [verdachte] lijkt hem te ontwijken door naar de zijkant te stappen. Beide mannen verdwijnen uit het zicht van de camera.”
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting op 29 augustus 2024 heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in:
“Noodweer(exces)?23. Indien u tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging u cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging nu hem een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Zoals uiteengezet en door de beelden wordt ondersteund is cliënt uiteindelijk aangevallen door [benadeelde] . Nogmaals: cliënt heeft zich zeker niet onbetuigd gelaten. Het voert echter te ver om te stellen dat er sprake is geweest van culpa in causa en dat cliënt reeds daarom geen beroep op noodweer(exces) toekomt. Zoals cliënt ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard was hij er niet op uit om het tot een fysieke aanvaring te laten komen. Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat ook [benadeelde] , en zijn partner, hebben bijgedragen aan het escaleren van de situatie. Immers, ook [aangever] heeft met een uitschuifstuk van een visnet voor de deur van (de partner van) client gestaan en zelfs de voorruit van de deur kapot geslagen.
24. Cliënt werd vervolgens geconfronteerd met een naar buiten stierende [benadeelde] , die fysiek veel groter en zwaarder was dan cliënt. Dat [benadeelde] niet naar buiten kwam voor een constructief gesprek blijkt afdoende uit de beelden, waarop te zien is dat hij met geheven vuist op cliënt af loopt (zie foto). Het verhoor van [benadeelde] bij de raadsheer-commissaris heeft de verdediging gesterkt in de aanvallende intenties van [benadeelde] . [benadeelde] is bevraagd over hetgeen hij zich nog kon herinneren. [benadeelde] kon zich enkele zaken herinneren, maar aan hetgeen er buiten het zicht van de camerabeelden heeft afgespeeld heeft [benadeelde] ‘geen actieve herinnering’. Anders dan ‘dat weet ik niet’ of ‘dat kan ik mij niet herinneren’ is dit een afgewogen en berekenend antwoord. Dat [benadeelde] slechts zijn vrouw heeft willen verdedigen, die bovendien al binnen was en daarmee niet in direct gevaar, gelooft de verdediging dan ook absoluut niet.
25. Geconfronteerd met een tegen hem gerichte wederrechtelijke aanranding heeft cliënt zich verweerd door te slaan met de hockeystick van zijn zoon. Gelet op de snelheid waarmee [benadeelde] op cliënt afschoot was wegrennen niet langer een optie. Voor zover dit theoretisch gezien mogelijk was, want dat wordt niet ontkend, kon dit wegrennen, gelet op die omstandigheid, onmogelijk van cliënt worden gevergd. Daarbij is het van belang om op te merken dat cliënt, zoals blijkt uit de beelden, allereerst probeert achteruit te lopen. Nu [benadeelde] hem bleef achtervolgen, was ontkomen geen optie. Bezwaarlijk kan worden gevergd dat client zijn aanvaller de rug toekeerde, met alle gevolgen van dien. Aan het subsidiariteitsvereiste is wat de verdediging betreft dan ook voldaan.
26. Ook aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan. Cliënt was fysiek gezien absoluut de onderliggende partij. Hij werd fysiek, met vuisten, aangevallen door [benadeelde] . Uit de camerabeelden is te zien dat cliënt om 22:48:15/22:48:16 met zijn handen een wegwuivend/afwerend gebaar maakt, maar alsnog wordt achtervolgd. Vervolgens lijkt cliënt om 22:48:17/22:48:16 de hockeystick met twee handen vast te pakken en [benadeelde] op zijn benen te slaan met die hockeystick. De stills ter ondersteuning van deze stelling heb ik als bijlage bijgevoegd (bijlage 1). De knik die [benadeelde] met zijn knieën maakt, wijst er mijns inziens duidelijk op dat hij op dat moment zijn benen wordt geraakt. Ook dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid, omdat [benadeelde] hem blijft achtervolgen. Door vervolgens nogmaals afwerend met de (kleinere) hockeystick van zijn zoon te slaan heeft cliënt volgens de verdediging binnen de grenzend van proportionaliteit gehandeld.
27. Indien u meent dat die grenzen door cliënt zijn overschreden, dan komt hem een beroep op noodweerexces toe. Cliënt was bang. Angstig omdat hij werd achtervolgd en bedreigd door de briesende [benadeelde] . Het is die angst die ertoe heeft geleid dat Client zich heeft verdedigd en daarin mogelijk te ver is gegaan. Reden waarom de verdediging u verzoekt cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging.”
Voornoemd proces-verbaal houdt verder in:
“De verdachte legt op vragen van de oudste raadsheer een verklaring af, inhoudende:
Ik ging met mijn moeder bellen. De baby sliep en die wordt snel wakker. Dat ik buiten was, had niet met de ruzie met de buren te maken. Ik gooide bloemetjes in de put. Dat was gewoon compost. U houdt mij voor dat ik op een gegeven moment wel opgewonden raak en vraagt mij waarom ik toen niet naar binnen ben gegaan. Dat was toen het raam eruit werd gegooid. Ik had niet naar beneden moeten gaan. Ik had de politie moeten bellen.
U vraagt mij waarom ik, toen ik naar binnen ging om de hockeystick te pakken, niet ben weggelopen en de deur dicht heb gedaan. Achteraf had ik dat zeker moeten doen. Het was een momentopname. U houdt mij voor dat op de beelden te zien is dat de buurman achter mij aan komt. U vraagt mij of ik niet weg kon rennen. Ja, ik had weg moeten lopen, maar mijn voordeur stond open en dan had ik mijn kinderen achter moeten laten, niet wetende of hij mijn kinderen iets aan had gedaan.
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
U vraagt mij hoe ik de hockeystick kon pakken, aangezien ik veel kleiner ben dan de buurman en hij in een paar stappen weer bij mij kon zijn. Dat klopt, maar hij was dronken. Hij had veel eenheden op. Dat was de reden dat ik wel wat speling had.
De verdachte legt op vragen van de jongste raadsheer een verklaring af, inhoudende:
U vraagt mij of het klopt dat ik eerst geslagen ben door [betrokkene 1] met de aluminium stok, toen ben weggelopen richting de wijnhandel en dat [benadeelde] op enig moment naar buiten is gekomen. Ja, zoiets ja. U vraagt mij of [benadeelde] toen een stok in zijn handen had. Ja. U vraagt mij of het klopt dat ik toen ik bij de wijnhandel stond en [benadeelde] met een stok naar buiten kwam, naar huis ben gegaan om de hockeystick te pakken. Ja, mijn voordeur is ongeveer 2 meter daarvandaan. Ik woon boven, maar de voordeur is beneden en die stond nog open. Het raam lag er ook uit.
U houdt mij voor dat het meldkamergesprek niet lijkt te kloppen met mijn verhaal. U houdt mij voor dat [benadeelde] belt met de meldkamer en zegt: "Hij loopt met een hockeystick te slaan hierzo. Dit loopt uit de hand.". U houdt mij voor dat [benadeelde] op dat moment nog binnen aan de telefoon is met de meldkamer. Die hockeystick is hen bekend, want ik heb eerder een keer ruzie gehad met [betrokkene 1] en toen had ik die hockeystick ook. Op dat moment had ik geen hockeystick in mijn handen, dat kan je op de camerabeelden zien. [benadeelde] ging er denk ik vanuit dat ik die hockeystick zou pakken, omdat dat eerder ook was voorgevallen. Toen hadden zij ook stokken en heb ik ook die hockeystick gepakt. Op de beelden is duidelijk te zien dat ik niets in mijn handen heb.
De voorzitter deelt mede dat het hof de beelden heeft bekeken. De voorzitter deelt mede dat de verdachte heeft verklaard dat hij geen hockeystick vast had, maar een pasjeshouder.
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Dat ik de pasjeshouder nog in mijn handen had, was automatisme. Het raam werd eruit geslagen en toen liep ik meteen naar beneden. U vraagt mij waar die pasjeshouder dan is gebleven. Ik heb die denk ik in mijn zak gedaan. De voordeuren van mij en [benadeelde] en [aangever] zijn naast elkaar.”
Het hof heeft het beroep op noodweer als volgt verworpen:
“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman - overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, dan wel noodweerexces, en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Toedracht van het incident
De verdachte heeft verklaard dat hij de hockeystick pas heeft gepakt nadat hij klappen had gekregen met een ijzeren stok van de vriendin van de aangever, [aangever] , en daarna met een houten stok van de aangever zelf. De verdachte heeft verklaard dat hij, toen aangever naar buiten kwam stormen, om hem heen kon lopen en uit zijn eigen woning de hockeystick heeft kunnen pakken.
De door de verdachte gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt naar het oordeel van het hof haar weerlegging in het meldkamergesprek, waaruit volgt dat aangever tegen de meldkamer zegt: "hij loopt met een hockeystick te slaan hierzo". Uit het meldkamergesprek volgt dat de verdachte op het moment dat aangever 112 belde met een hockeystick voor de deur stond en niet dat de verdachte - zoals hij zelf heeft verklaard - deze hockeystick op een later moment heeft gepakt nadat hij door (de vriendin van) aangever werd aangevallen. Uit de camerabeelden blijkt bovendien niet dat de aangever een houten stok in zijn handen had op het moment dat hij naar buiten liep. De alternatieve lezing van de verdachte is daarom niet aannemelijk geworden.
Noodweer
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij de verdediging noodzakelijk en proportioneel moet zijn.
Gelet op het hiervoor overwogene stelt het hof vast dat de verdachte met de hockeystick voor de woning van aangever is gaan staan, waarna [aangever] de deur open heeft gedaan en naar buiten is gekomen met een aluminium stok, een uitschuifstuk van een visnet. De verdachte is volgens zijn verklaring van die confrontatie weggelopen. Vervolgens is aangever naar buiten gerend richting de verdachte. Op de camerabeelden is te zien dat aangever zijn vuist omhoog doet en een vechthouding aanmeet. Gelet op het lange en grote postuur van aangever (in vergelijking tot het kleine postuur van verdachte) en op de door aangever aangenomen houding was er naar het oordeel van het hof op dat moment sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte.
Het hof moet de vraag beantwoorden of de tenlastegelegde gedraging geboden is geweest door de noodzakelijke verdediging tegen de dreigende, ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte. Er is geen noodweer-situatie als de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Hiervan is sprake als hij zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Daarvan is geen sprake wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.
Naar het oordeel van het hof had de verdachte zich in het onderhavige geval kunnen en moeten onttrekken aan de dreigende aanranding, door weg te lopen. Daartoe bestond voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid en dit kon ook van hem worden gevergd. Dat het onttrekken aan de dreigende aanranding een reële en redelijke mogelijkheid was, heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep met zoveel woorden bevestigd. Hij heeft verklaard dat hij tijdens de confrontatie met aangever twee meter van zijn voordeur vandaan was, dat zijn voordeur open stond en dat hij inderdaad weg had moeten lopen en daartoe ook wel de mogelijkheid had. In zo’n situatie geldt dat de verdediging tegen de dreigende aanranding - door aangever met de hockeystick te slaan - niet noodzakelijk was. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.”
Het middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de verdachte zich had kunnen en moeten onttrekken aan de dreigende aanranding. Dat oordeel zou niet begrijpelijk zijn (i) in het licht van de verklaring van de verdachte dat hij weliswaar weg had moeten lopen, maar dat zijn voordeur openstond en dat hij dan zijn kinderen had moeten achterlaten, niet wetende of aangever zijn kinderen iets aan zou doen. Het hof had die omstandigheid volgens de stellers van het middel niet in het midden mogen laten.
Het bestreden oordeel zou verder niet begrijpelijk zijn (ii) in het licht van de overweging ban het hof dat de verdachte volgens zijn verklaring van de confrontatie is weggelopen. Het hof heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de(ze) door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat de verdachte eerder had getracht achteruit/weg te lopen, aldus de stellers van het middel. Daarbij wordt gewezen op HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:496 en HR 22 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:934, waaruit zou volgen dat onttrekking niet kan worden gevergd als men zich al eerder zonder succes heeft geprobeerd te onttrekken aan de aanranding.
Vooropgesteld dient te worden hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn overzichtsarrest van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456 over de invulling van de subsidiariteitseis bij noodweer (met weglating van voetnoten):
“Noodzaak van verdediging en onttrekkingsvereiste
Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.
Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.
Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding. Bovendien kan iemands hoedanigheid – bijvoorbeeld die van politieambtenaar of van een op basis van art. 53 Sv optredend persoon - hier van belang zijn.”
Het oordeel of is voldaan aan de subsidiariteitseis kent dus een feitelijk aspect (kunnen onttrekken) en een normatief aspect (moeten onttrekken). Feitelijk dient er een reële en redelijke mogelijkheid zijn om zich aan de aanval te onttrekken. Dit betekent onder andere dat de mogelijke alternatieve handelswijze van de verdachte daadwerkelijk voldoende veiligheid kan bieden tegen de aanranding door het slachtoffer. Het normatieve aspect houdt in dat onttrekking van de verdachte kan worden gevergd. Immers, niet steeds kan van de verdachte worden verlangd dat hij wijkt voor het onrechtmatige gedrag van de ander die hem aanvalt. Beide aspecten zijn niet altijd scherp te onderscheiden.
De stellers van het middel menen dat beide door hen genoemde omstandigheden meebrengen dat van de verdachte niet kon worden ‘gevergd’ dat hij zich zou onttrekken aan de aanval van het slachtoffer. Bij de eerste omstandigheid, het niet kunnen achterlaten van de kinderen, lijkt mij inderdaad het accent te liggen op het normatieve aspect, maar bij de tweede omstandigheid, de eerdere mislukte poging zich te onttrekken, op het feitelijke aspect.
Het hof heeft overwogen dat de verdachte heeft verklaard dat hij tijdens de confrontatie met de aangever twee meter van zijn voordeur vandaan was, dat zijn voordeur openstond en dat hij inderdaad weg had moeten lopen en daartoe ook wel de mogelijkheid had. Met deze overweging heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het voor de verdachte een reëel alternatief was om zich aan de dreigende aanval te onttrekken door via zijn voordeur (terug) zijn woning in te gaan. De juistheid van dit oordeel, mede inhoudende dat daarmee de dreiging voor de verdachte zou zijn afgewend, wordt op zichzelf niet bestreden.
Wat de onder (i) genoemde omstandigheid betreft, hebben de verdachte en diens raadsman op de zitting van het hof geen precieze uitspraken gedaan over de plaats waar de kinderen zich bevonden en hoe zij in gevaar zouden kunnen zijn. Naar eigen zeggen van de verdachte zouden zij echter gevaar lopen als de voordeur openstond. Gelet op de vaststelling van het hof dat de verdachte zich in veiligheid kon brengen door via zijn voordeur de woning in te gaan, komt daarom aan diens verklaring dat hij niet kon weglopen vanwege de veiligheid voor zijn kinderen geen zelfstandige betekenis toe. Het oordeel van het hof acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing van dat oordeel is in cassatie geen plaats.
Voor wat betreft de onder (ii) genoemde omstandigheid, geldt dat het hof heeft overwogen dat [aangever] met een aluminiumstok naar buiten is gekomen toen de verdachte met een hockeystick voor hun woning stond en dat de verdachte volgens zijn verklaring van die confrontatie is weggelopen. Dat is echter niet de confrontatie ten aanzien waarvan het hof vervolgens heeft beoordeeld of de verdachte zich daartegen had mogen verdedigen op de wijze zoals die ten laste is gelegd. Dat betreft immers de confrontatie door de aangever (en dus niet de eerdere confrontatie door [aangever] ), toen hij vanuit zijn woning richting de verdachte naar buiten rende.
In de toelichting op het middel wordt verder nog gewezen op bewijsmiddel 3. Daarin is opgenomen dat op de camerabeelden van de confrontatie is te zien dat de aangever “met zijn rechterhand een op- en neergaande beweging [maakt] terwijl hij naar verdachte [verdachte] loopt. Verdachte [verdachte] lijkt hem te ontwijken door naar de zijkant te stappen. Beide mannen verdwijnen uit het zicht van de camera.” Het kennelijk oordeel van het hof dat daarmee geen sprake is van een zodanige achtervolging van de verdachte, dat voor hem geen redelijke en reële mogelijkheid bestond om zich aan de (dreigende) aanval van de aangever te onttrekken, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij betrek ik dat deze beschrijving van de beelden niet inhoudt dat de aangever de verdachte (op een dergelijke wijze) achtervolgt en dat de verklaring van de verdachte ter zitting, voor zover die niet door het hof als onaannemelijk terzijde is geschoven, dit evenmin inhoudt.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
3. Het tweede door de verdachte voorgestelde middel
Het middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het door de verdachte met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij gedane beroep op ‘eigen schuld’ van het slachtoffer [benadeelde] . Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de schade niet mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn:
(i) in het licht van de overweging van het hof dat op het moment dat de aangever zijn vuist omhoog deed en een vechthouding aannam, sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte en
(ii) in het licht van ’s hofs overweging dat aangever zich ook niet onbetuigd heeft gelaten.
De raadsman heeft blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota onder meer het volgende aangevoerd met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij:
“Subsidiair verzoek ik u de vordering voor wat betreft de immateriële schade substantieel te matigen. Allereerst gelet op de eigen schuld van [benadeelde] door zijn aanvallende houding. Ten tweede (…)”
Het hof heeft dit beroep op eigen schuld als volgt verworpen:
“Anders dan de verdediging heeft gesteld is het hof van oordeel dat geen sprake is van eigen schuld. Onder verwerping van het noodweerverweer is het hof van oordeel dat de schade niet mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend.
De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.”
Het bestreden arrest houdt verder nog het volgende in:
“ Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte:
(…)
Noodweer
(…)
Gelet op het hiervoor overwogene stelt het hof vast dat de verdachte met de hockeystick voor de woning van aangever is gaan staan, waarna [aangever] de deur open heeft gedaan en naar buiten is gekomen met een aluminium stok, een uitschuifstuk van een visnet. De verdachte is volgens zijn verklaring van die confrontatie weggelopen. Vervolgens is aangever naar buiten gerend richting de verdachte. Op de camerabeelden is te zien dat aangever zijn vuist omhoog doet en een vechthouding aanmeet. Gelet op het lange en grote postuur van aangever (in vergelijking tot het kleine postuur van verdachte) en op de door aangever aangenomen houding was er naar het oordeel van het hof op dat moment sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte.
(…)
Strafmotivering
(…)
Ernst van het feit
(…)
In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat aangever zich ook niet onbetuigd heeft gelaten. Er was al langer sprake van een burenconflict, waarbij zich over en weer ongeregeldheden hebben voorgedaan.”
Het juridisch kader
Het door de verdachte gedane beroep op eigen schuld van het slachtoffer berust op art. 6:101 lid 1 BW. Deze bepaling luidt als volgt:
“Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.”
In zijn arrest van 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9492 heeft de Hoge Raad over deze bepaling het volgende overwogen:
“6.3.3. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre eigen schuld van het slachtoffer in de zin van art. 6:101, eerste lid, BW leidt tot vermindering van een schadevergoedingsplicht als bedoeld in dat artikel, moet het volgende worden vooropgesteld.
Van de twee door de woorden "met dien verstande" gescheiden gedeelten van art. 6:101, eerste lid, BW, behelst het eerste gedeelte de zogeheten primaire maatstaf en het tweede gedeelte de zogeheten billijkheidscorrectie. (vgl. HR 2 juli 1995, NJ 1997, 702).
Toepassing van de primaire maatstaf houdt een causaliteitsafweging in die in dit geval daarop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van [slachtoffer 1] en anderzijds het gedrag van de verdachte aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen.
Bij deze beoordeling komt het derhalve niet aan op de mate van verwijtbaarheid van een en ander. Beoordeling van de mate van verwijtbaarheid komt eerst aan de orde bij toepassing van de billijkheidscorrectie.”
Bij de hier door de Hoge Raad aangehaalde causaliteitsafweging geldt dat minimaal een condicio sine qua non-verband tussen de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden en de schade moet bestaan; het dient op zijn minst zo te zijn dat zonder de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden de schade niet zou zijn ingetreden, althans dat er minder schade zou zijn. Bij ontbreken van een dergelijk verband kan een beroep op art. 6:101 lid 1 BW niet slagen.
Met enkel het bestaan van een condicio sine qua non-verband is de eigen schuld van de benadeelde echter niet gegeven. In de literatuur wordt wel aangenomen dat de vraag of tussen de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden en de schade voldoende causaal verband bestaat, beantwoord dient te worden met toepassing van de in art. 6:89 BW neergelegde toerekeningsleer. Die – mijns inziens navolgbare – benadering komt erop neer dat aan het causaliteitsvereiste slechts is voldaan als de schade in zodanig verband staat met de aan de benadeelde toe te rekenen gebeurtenis dat (een deel van) die schade hem als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. In de woorden van AG Machielse: de schade moet gedragen worden door degenen aan wie de veroorzaking redelijkerwijs kan worden toegerekend.
Dit is dus een andere vraag dan die naar de strafbaarheid of de strafwaardigheid van handelen, zoals die onder andere aan de orde komt in het geval van de beoordeling van een beroep op noodweer of bij de strafbepaling. Bij het antwoord op die vragen kunnen weliswaar dezelfde omstandigheden een rol spelen als bij de bedoelde toerekening, maar de criteria zijn anders. Hetzelfde geldt voor de vraag of sprake is van een wederrechtelijke aanranding die in beginsel een noodweersituatie in het leven roept.
Wat de motivering van de beslissing over een vordering benadeelde partij betreft, schrijft art. 361 lid 4 Sv voor dat deze beslissing met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van deze beslissing is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.
De bespreking van het middel
Het hof heeft (in zijn strafmotivering) tot uitdrukking gebracht dat er langer sprake was van een burenconflict en dat de benadeelde partij zich in dat kader ook niet onbetuigd heeft gelaten, in die zin dat zich ook aan zijn zijde onregelmatigheden hebben voorgedaan. Het hof heeft ook (in zijn overwegingen betreffende de strafbaarheid van de verdachte) tot uitdrukking gebracht dat op het moment dat de benadeelde zijn vuist omhoog deed en een vechthouding aannam, sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Het hof heeft verder geoordeeld dat geen sprake is van eigen schuld. Het daarin besloten liggende oordeel van het hof dat de schade niet in zodanig verband staat met de in het vorige randnummer weergegeven gebeurtenissen dat (een deel van) de schade als gevolg van die gedragingen aan de benadeelde kan worden toegerekend, acht ik niet onbegrijpelijk. Zoals uiteengezet, brengt de omstandigheid dat de aangever zich naar het oordeel van het hof zodanig heeft gedragen dat daardoor een noodweersituatie in strafrechtelijke zin is ontstaan, nog niet met zich dat aan het in art. 6:101 lid 1 BW neergelegde civielrechtelijke causaliteitsvereiste is voldaan. Het oordeel van het hof dat de benadeelde partij handelde nadat de verdachte die met een hockeystick bij hem voor de deur stond en dat verdachte zich van de dreigende aanranding had kunnen en moeten onttrekken door weg te lopen (in plaats van over te gaan tot de tenlastegelegde gedragingen die rechtstreeks tot de schade hebben geleid) wijst bovendien eerder op het tegendeel.
Voor zover de stellers van het middel nog aanvoeren dat “de eigen schuld van het slachtoffer aanwezig [is] wanneer hij zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan” en dat in de onder 3.1 onder (i) weergegeven overweging van het hof “duidelijk het oordeel besloten [ligt] dat het slachtoffer zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan”, merk ik op dat dit door de raadsman in hoger beroep op generlei wijze aan de orde is gesteld. Dat het hof zich hierin kennelijk niet kan vinden, had het dan ook niet nader hoeven motiveren.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. De schriftuur van de benadeelde partij
De benadeelde partij kan op grond van art. 437 lid 3 Sv door een advocaat een schriftuur doen indienen met middelen van cassatie over een rechtspunt dat betrekking heeft op haar vordering.
De schriftuur bevat een betoog waarin wordt beargumenteerd dat het arrest van het hof – zowel voor wat betreft de verwerping van het door de verdachte gedane beroep op noodweer(exces) (middel 1) als de verwerping van het door de verdachte gedane beroep op eigen schuld (middel 2) – in stand kan blijven. Het bevat geen stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering, zodat hetgeen is aangevoerd niet kan worden opgevat als cassatiemiddel in de zin van de wet. De schriftuur moet daarom onbesproken blijven.
5. Afronding
Beide door de verdachte voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG