PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02243
Zitting 7 juli 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 6 juni 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-003794-23) wegens “poging tot zware mishandeling”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 140 uren, te vervangen door 70 dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade toegewezen, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Beide middelen richten zich tegen de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 23 januari 2021 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, te weten [benadeelde] (hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een kotterpijl heeft afgeschoten/afgevuurd richting die [benadeelde] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] van 24 januari 2021 (ondertekend, los opgenomen in het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde]:
Op zaterdag 23 januari 2021 was ik in dienst van de politie Utrecht Centrum. Ik was belast met de incidentenafhandeling, ik was in uniform gekleed en reed samen met mijn collega in een opvallend dienstvoertuig. Omstreeks 21:35 uur kreeg ik de opdracht om samen met mijn collega met spoed richting de [a-straat] te [plaats] te gaan. Daar zou zich een grote groep mensen ophouden die zich verzette tegen de avondklok. De sfeer zou er erg grimmig zijn. Ik zag dat de brandweer op de [b-straat] druk was met het blussen van de Covid testlocatie. Ons werd gevraagd om een veilig cordon te vormen rondom de haven zodat de brandweer zijn werk veilig kon uitvoeren. Ik liep vanaf de [b-straat] in de richting van de [c-straat] . Op de grens van twee straten hielden wij halt en vormden wij een linie. Er stonden voor mij vier hondengeleiders, er stond één collega links van mij en er stonden ongeveer 8 of 9 collega’s rechts van mij. Voor ons stond op zo’n 60 a 70 meter afstand een groep van ongeveer 100 personen. Ik zag dat steeds meer mensen ons begonnen te bekogelen met bakstenen, glazen flesjes en zwaar vuurwerk. Ik kreeg de opdracht om met mijn collega’s een charge uit te voeren. We moesten de [c-straat] oplopen in de richting van [g-straat] . Op het moment dat ik en mijn collega’s voorwaarts liepen zag ik dat de groep zich terug trok in de richting van [g-straat] . Ik stond met mijn collega’s op een plein ter hoogte van de [A] (het hof begrijpt: onder andere gelegen aan de [c-straat] ) en met de haven in onze rug. De groep had zich teruggetrokken en stonden op de tweesplitsing van de [c-straat] en [g-straat] . Dit was ter hoogte van de [B] (het hof begrijpt: gelegen aan de [g-straat] ) en [C] (het hof begrijpt: gelegen aan [d-straat] ). Ik zag dat vanuit de groep personen nog steeds zwaar vuurwerk, stenen en glazen naar ons gegooid werden. Mijn collega’s en ik moesten hierdoor meerdere keren wegduiken om niet geraakt te worden. Ik stond links in de linie op het genoemde plein ter hoogte van de [e-straat] . Mijn collega en ik hadden de opdracht om deze straat in de gaten te houden. Ik keek deze straat in en zag daar verder geen bijzonderheden. Ik draaide daarna mijn hoofd naar rechts om te zien waar mijn collega’s stonden. Vervolgens draaide ik mijn hoofd vooruit, richting de groep. Op datzelfde moment zag ik dat er vuurwerk recht op mij afkwam. Ik zag dat dit vuurwerk op ooghoogte op mij afgeschoten werd. Het ging ontzettend snel, maar ik herkende dit vuurwerk wel als zijnde een lawinepijl. Mijn collega stond op dat moment zo’n 3 meter links van mij. Ik hoorde mijn collega ook zeggen dat het een lawinepijl betrof. Dit was hoorbaar aan het kenmerkende geluid die deze pijl afgeeft en de snelheid die het had. Dit alles is ook middels de bodycam van mijn collega vastgelegd. Deze lawinepijl mistte mijn gezicht op nog geen 10 centimeter afstand. Ik voelde de warmte en vuurdeeltjes die van de lawinepijl afkwamen op mijn gezicht. Ik dook weg en rende direct 5 meter naar achter en probeerde dekking te zoeken. Hierna hoorde ik dat wij ons moesten terug trekken en een linie moesten vormen op de eerste locatie waar wij stonden namelijk de kruising [c-straat] met de [b-straat] . Hierna had ik met mijn colleges nog zo’n 2 a 3 chargers uitgevoerd, waarbij wij ten alle tijden werden bekogeld met bakstenen en zwaar vuurwerk. Ook werden er nog 2 lawinepijlen afgestoken, die op ons werden afgeschoten. Echter waren ik en mijn collega’s er nu op bedacht en konden wij op tijd wegduiken.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] van 2 februari 2021 (opgenomen op pagina 18 e.v.), voor zover inhoudende als bevindingen van [verbalisant 1]:
[A-G VS: hier is een screenshot van een kaartje met de kijkrichting van de beelden en de hoeveelheid camera’s weergegeven]
Ik heb onderzoek gedaan naar de camerabeelden afkomstig van een bodycam van een politie collega die aanwezig was bij de openlijke geweldpleging en brandstichting op 23 januari 2021 te [plaats] .
Uitwerking beelden
[A-G VS: hier is een still van een bodycam weergegeven met een rode omcirkeling van een groep personen]
De collega’s lopen op linie over de [c-straat] heen. Op de kruising [c-straat] / [d-straat] staat een groep personen (rood omcirkeld). Tijdens het lopen naar de groep zegt de collega: “Let op maat ze gooien dingen. Ze hebben net ook al wat gegooid.” Op de achtergrond is hoorbaar dat personen in de omgeving, waarschijnlijk uit de rood omcirkelde groep roepen “Kom dan!”
[A-G VS: hier is een still van een bodycam weergegeven met een rode omcirkeling van een groep personen]
De rood omcirkelde groep is beter in beeld. De collega’s lopen richting de kruising [c-straat] / [e-straat] . Zij stoppen ondertussen tijdens het lopen om de groep in te schatten. Zij staan op dit moment op een linie. De Officier van Dienst – Politie (OVD-P) geeft de opdracht om niet verder te lopen, omdat hij niet wilt dat er wat gebeurt met de collega’s. De collega’s moeten in de omgeving blijven van de [b-straat] . Zij mogen verder naar voren als de hondengeleiders inschatten dat dit kan.
[A-G VS: hier is een still van een bodycam weergegeven met een rode omcirkeling van een oplichtende streep in de lucht]
Er is een knal geluid te horen. Vervolgens is er een suis geluid hoorbaar, om schrijf baar als het geluid alsof er een raket vliegt. Er is een spoor te zien van een sparkelende lont door de lucht. Het object schiet met een hoge snelheid door het beeld. Er is geen knal hoorbaar als het suis geluid klaar is. Het object vliegt in de richting waar op eerdere camerabeelden collega’s zichtbaar waren.
Zie onderstaande kaart:
[A-G VS: hier is een screenshot van een kaartje met daarop de locatie van de groep personen, de linie politieagenten en de richting waarin het object vloog weergegeven]
De collega’s rennen in paniek weg. De collega zegt: “Zoooo maat!” Je hoort de paniek in zijn stem. De collega naar wie hij kijkt legt zijn hand op zijn buik en buigt naar voren richting de grond. Hij blaast hard uit. Vervolgens zegt de collega: “Holy Fuck zeg” Er wordt vervolgens via de portofoon met een urgente spraakaanvraag door de 00.40 een bericht doorgegeven: “Ja we krijgen een lawinepijl naar ons hoofd geschoten OC.” Je hoort de verbazing / paniek in de stem. De intonatie is kalm, te kalm en je hoort de collega hijgen. Hierop besluit de 20.91 om terug te trekken naar de [b-straat] .
[A-G VS: hier is een still van een bodycam weergegeven waarop een agent in uniform te zien is]
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [verbalisant 2] van 10 juni 2021 (opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier), voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 2]:
Ik ben er getuige van geweest dat [verdachte] met een kotterpijl op de politie heeft geschoten waarbij hij de politie op één haar na miste. Ik stond vlakbij [verdachte] toen hij de pijl afschoot. Ik stond op de [f-straat] , je kijkt vanaf die [f-straat] zo naar de [E] (het hof begrijpt: gelegen aan [g-straat] ) en het haventerrein. Precies tegenover waar [C] heeft gezeten (het hof begrijpt: gelegen aan [d-straat] ). Ik zag dat [verdachte] op een gegeven moment kwam aanlopen. [verdachte] kwam naast mij staan en was wat lacherig. [verdachte] tikte mij aan en zei ‘niks zeggen hoor’. Op dat moment zag ik dat [verdachte] een kotterpijl in zijn handen had. Ik zag vervolgens dat [verdachte] de pijl met opzet en gericht richtte naar de politiemensen die in linie stonden tussen viszaak [F] en [A] aan de overkant (het hof begrijpt: gelegen aan de [c-straat] ). Ik ben er van overtuigd, dat hij de pijl met opzet naar de politie schoot en goed naar de politiemensen richtte. Normaal schiet je een kotterpijl in de lucht uit nood en niet richting mensen of politie. Ik zag dat [verdachte] de pijl in zijn linkerhand had en vervolgens met zijn rechter hand aan het touwtje trok. Ik zag dat de kotterpijl richting politielinie afgevuurd werd. Voor mijn gevoel ging de pijl misschien wel binnen een meter afstand langs de politieman.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige bij de rechter-commissaris van 23 mei 2022 (los opgenomen in het procesdossier), voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 2]:
Ik stond tegenover de kapsalon (het hof begrijpt: [C] , gelegen aan [g-straat] ). [verdachte] stond voor mij en zei tegen mij: ‘niks zeggen’. Hij schoot de kottervuurpijl af. Hij stond voor mij en tikte mij aan, daarna schoot hij hem af richting de politie. Hij stond op een meter van mij af. Het is een alarmpijl. Hij zit in een koker en als je eraan trekt dan schiet hij weg. De pijl kwam uit zijn buitenzak. De pijlen zijn 30 centimeter, je kan ze in je jaszak stoppen. Er zaten nog geen 10 seconden tussen het moment dat hij die pijl aan mij liet zien en het afvuren van de pijl. Hij richtte en hij vuurde. Er werden kotterpijlen en shells en cobra’s afgeschoten.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige bij de rechter-commissaris van 23 mei 2022 (los opgenomen in het procesdossier), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:
[verdachte] vertelde mij dat hij een pijl had geschoten op een agent.
6. De verklaring van verdachte op de zitting van het hof van 26 mei 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik was in het centrum van [plaats] aanwezig tijdens de ongeregeldheden in de avond van 23 januari 2021. Ik heb een kotterpijl afgestoken. We stonden allemaal op dezelfde plek, vanaf die plek zijn meer pijlen afgestoken.”
Het hof heeft over het bewijs voorts overwogen, voor zover voor de bespreking van de middelen van belang:
“Sinds zaterdag 23 januari 2021 21:00 uur geldt er in Nederland vanaf 21:00 uur een avondklok in het kader van maatregelen tegen de verspreiding van het coronavirus. Op die zaterdagavond zijn er op [plaats] rellen uitgebroken tegen de ingevoerde avondklok. Verdachte wordt verweten dat hij tijdens deze ongeregeldheden een kotterpijl/lawinepijl heeft afgeschoten in de richting van verbalisant [benadeelde] die daar op dat moment tegenover een grote groep jongeren stond met zijn collega’s. Dit is ten laste gelegd als primair poging tot zware mishandeling, subsidiair als een bedreiging.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Uit de getuigenverklaringen van [verbalisant 2] en [betrokkene 1] volgt dat het verdachte is geweest die de pijl heeft afgestoken richting [benadeelde] . Verdachte heeft hiermee voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde] .
Standpunt van de verdediging
Verdachte erkent op de zitting van het hof dat hij bij de ongeregeldheden aanwezig was en een kotterpijl heeft afgestoken. Verdachte ontkent dat dit in de richting van de politie is geweest en betwist dat het specifiek zijn pijl is geweest die [benadeelde] bijna heeft geraakt in zijn gezicht. Hij zou buiten het gezichtsveld van de politie hebben gestaan toen hij de pijl afstak.
De raadsman van verdachte bepleit vrijspraak van verdachte van het primaire feit, nu er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde] . Niet kan worden vastgesteld dat het projectiel waarover [benadeelde] verklaart daadwerkelijk een kotterpijl betreft en dat dit ook de pijl is die verdachte heeft afgestoken. Ook al zou dat vastgesteld kunnen worden, dan is nog niet gezegd dat dit projectiel daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel had kunnen veroorzaken en dat verdachte dat risico bewust heeft aanvaard. Ook was geen sprake van de subsidiair ten laste gelegde bedreiging, omdat niet vastgesteld kan worden dat verdachte een pijl in de richting van [benadeelde] heeft afgestoken. Hij moet ook hiervan vrijgesproken te worden.
Oordeel van het hof
Feiten en omstandigheden
Op basis van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 23 januari 2021 zijn ongeregeldheden ontstaan in het centrum van [plaats] . Daarbij is onder andere een corona teststraat van de GGD in brand gestoken. Verbalisant [benadeelde] vormde met zijn collega’s een linie om de brandweer die aan het blussen was te beschermen. [benadeelde] en zijn collega’s werden vanuit een groep van ongeveer 100 jongeren bekogeld met bakstenen, lege bierflesjes en zwaar vuurwerk. Zij moeten daarbij verschillende keren wegduiken om niet geraakt te worden. Op een gegeven moment ziet [benadeelde] vuurwerk recht op hem af komen; dit vuurwerk werd op ooghoogte op hem afgeschoten. [benadeelde] beschrijft dat het ging om een lawinepijl die zijn gezicht op nog geen tien centimeter afstand miste. Hij voelde de warmte en de vuurdeeltjes van deze pijl op zijn gezicht. [verbalisant 2] verklaart als getuige bij de politie en bij de rechter-commissaris dat hij heeft gezien dat verdachte met een kotterpijl op de politie heeft geschoten, waarbij hij de politie op een haar na miste. Verdachte kwam aanlopen, tikte [verbalisant 2] aan en zei: ‘niks zeggen hoor’. [verbalisant 2] zag dat verdachte een kotterpijl in zijn handen had en dat hij deze met opzet richtte op de politiemensen die in de linie stonden tussen de viszaak [F] en [G] aan de overkant (het hof begrijpt: gelegen aan de [c-straat] ). Deze pijl ging volgens [verbalisant 2] binnen één meter afstand langs één van de agenten. [betrokkene 1] verklaart bij de rechter-commissaris dat verdachte hem heeft verteld dat hij een pijl heeft geschoten op een agent. Verdachte erkent voor het eerst in hoger beroep dat hij in het centrum van [plaats] aanwezig was ten tijde van de ongeregeldheden. Hij erkent dan ook dat hij een kotterpijl heeft afgestoken toen hij in de straat [h-straat] stond. Hij stond samen met andere personen bij elkaar op dezelfde plek. Verdachte heeft ook gezien dat anderen vanuit die positie vuurpijlen afstaken.
(…)
Afsteken van een kotterpijl in de richting van de agenten
Het hof stelt vervolgens vast dat verdachte een kotterpijl heeft afgestoken in plaats van een lawinepijl. Verdachte en [verbalisant 2] spreken consequent en desgevraagd over een kotterpijl in plaats van een lawinepijl. Daarbij betrekt het hof dat een lawinepijl een harde knal afgeeft, terwijl een kotterpijl als noodsignaal voor op open zee een vuurbal afsteekt die lang in de lucht te zien is, waardoor de hulpdiensten de locatie van de boot in nood kunnen lokaliseren. In de getuigenverklaringen en beschrijving van de bodycambeelden wordt echter geen melding gemaakt van het horen van een harde knal bij de bewuste pijl die [benadeelde] bijna raakt. Verder komt het hof op grond van de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, tot de conclusie dat het de kotterpijl die verdachte heeft afgestoken is geweest die [benadeelde] rakelings is gepasseerd. [benadeelde] verklaart weliswaar dat meerdere pijlen op hen zijn afgeschoten, maar dat slechts één hem bijna heeft geraakt. Het andere vuurwerk en de andere pijlen zagen [benadeelde] en zijn collega’s aankomen, waardoor ze die konden ontwijken. Er is slechts één pijl geweest die [benadeelde] bijna in het gezicht heeft geraakt. Dat deze pijl afkomstig is van verdachte blijkt met name uit de verklaringen van [verbalisant 2] en [betrokkene 1] . [verbalisant 2] heeft zelf gezien dat de specifieke pijl van verdachte de agenten bijna raakte en [betrokkene 1] heeft verdachte horen zeggen dat hij een pijl heeft afgeschoten op een agent.
Daarnaast komt het hof tot de conclusie dat verdachte deze pijl gericht heeft afgeschoten in de richting van de agenten. Dit baseert het hof op de verklaringen van [verbalisant 2] en [betrokkene 1] .
Voorwaardelijk opzet
Het hof zal vervolgens moeten beoordelen of verdachte bij het gericht afschieten van een kotterpijl op een politielinie opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Een kotterpijl is ontworpen om in korte tijd op een hoogte van zo’n 300 meter te komen en om daarna langere tijd een rood signaal af te geven in de lucht. Om dat te bereiken geeft een dergelijke pijl na het afsteken een warmte af tot 3000 graden Celsius. [benadeelde] beschrijft ook dat hij de warmte en vuurdeeltjes van de pijl op zijn gezicht voelde.
Het is een feit van algemene bekendheid dat met name zwaar vuurwerk – na het ontsteken ervan – bij velen fysiek letsel veroorzaakt. De ziekenhuizen worden ieder jaar tijdens en na de jaarwisseling bezocht door velen die vanwege het gebruik van zowel legaal als illegaal vuurwerk ernstig fysiek letsel aan ogen, handen of andere lichaamsdelen hebben opgelopen, daarvoor behandeld moeten worden en in sommige gevallen blijvend ernstig letsel houden. Daarbij gaat het niet alleen om degenen die het vuurwerk zelf hebben afgestoken, maar ook om anderen die worden geraakt door het vuurwerk.
Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte, door een kotterpijl gericht af te steken richting [benadeelde] en zijn collega’s, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij hen – en in dit geval specifiek [benadeelde] – zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.
Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [benadeelde] door in zijn richting een kotterpijl af te schieten/vuren. Het verweer wordt verworpen.”
3. Het eerste middel
Het eerste middel houdt in dat de bewezenverklaring getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat het hof de bewijsvoering voor een belangrijk deel heeft doen steunen op gegevens die zijn ontleend aan Google of een andere internetbron, en kennelijk heeft geoordeeld dat het een feit van algemene bekendheid is dat “een kotterpijl is ontworpen om in korte tijd op een hoogte van zo’n 300 meter te komen en om daarna langere tijd een rood signaal af te geven in de lucht […] [en] om dat te bereiken […] een dergelijke pijl na het afsteken een warmte af[geeft] tot 3000 graden Celsius.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 mei 2025 houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van de zaak. De voorzitter merkt daarbij op dat hij bij de voorbereiding van de zaak op Google heeft gezocht op ‘Kotterpijl’ en dat in de zoekresultaten stond vermeld dat het gaat om een noodsignaal van schepen op zee, dat dergelijke pijlen wel 3000 graden Celsius kunnen worden en dat deze zijn gemaakt om veel hitte te genereren en lang hitte te blijven uitstralen.”
Deze informatie maakt – in iets andere bewoordingen – onderdeel uit van de bewijsoverwegingen van het hof:
“Een kotterpijl is ontworpen om in korte tijd op een hoogte van zo’n 300 meter te komen en om daarna langere tijd een rood signaal af te geven in de lucht. Om dat te bereiken geeft een dergelijke pijl na het afsteken een warmte af tot 3000 graden Celsius.”
De informatie in voornoemde bewijsoverweging vindt in deze mate van specificiteit geen steun in de bewijsmiddelen. Wanneer de informatie te beschouwen is als een feit of omstandigheid van algemene bekendheid, is dat ook niet noodzakelijk; ex art. 339 lid 2 Sv behoeven dergelijke gegevens geen bewijs. Of het voorgaande een feit van algemene bekendheid betreft, is onderwerp van bespreking in het eerste middel.
In het middel wordt opgekomen tegen het gebruik van de in randnummer 3.3 weergegeven overweging voor het bewijs van de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Het middel houdt in de kern in dat de informatie niet kan worden beschouwd als een feit van algemene bekendheid in de zin van art. 339 lid 2 Sv, nu deze specialistische kennis veronderstelt. Het hof had deze informatie zodoende expliciet(er) moeten voorhouden op de terechtzitting, zodat de verdediging daarover een standpunt had kunnen innemen.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan over het gebruik van feiten of omstandigheden van algemene bekendheid – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – onder meer het volgende worden afgeleid. Zoals gezegd behoeven ingevolge art. 339 lid 2 Sv feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs. Van algemene bekendheid zijn die gegevens die ieder van de rechtstreeks bij de strafzaak betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen. In de regel is een gegeven dat aan een internetbron is ontleend van algemene bekendheid indien dat gegeven geen specialistische kennis veronderstelt en de juistheid daarvan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. Geen rechtsregel dwingt de rechter ertoe een algemeen bekend gegeven bij het onderzoek op de terechtzitting ter sprake te brengen. Indien echter niet zonder meer duidelijk is of het gaat om een algemeen bekend gegeven, behoort de rechter dat gegeven aan de orde te stellen bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting. Op die manier wordt voorkomen dat hij zijn beslissing doet steunen op mededelingen of waarnemingen die hem buiten het geding ter kennis zijn gekomen en waarvan de overige bij het geding betrokkenen onkundig zijn gebleven, zodat zij niet in staat zijn geweest zich daarover uit te laten.
De voorzitter van het hof heeft op de terechtzitting in hoger beroep aan de orde gesteld op Google te hebben gezocht op ‘Kotterpijl’ en opgemerkt dat uit de zoekresultaten volgt dat (i) het gaat om een noodsignaal van schepen op zee, (ii) dergelijke pijlen wel 3000 graden Celsius kunnen worden en (iii) deze gemaakt zijn om veel hitte te genereren en lang hitte te blijven uitstralen. In de bewijsoverwegingen heeft het hof deze gegevens (in iets andere bewoordingen) opgenomen, als ook dat (iv) een kotterpijl is ontworpen om in korte tijd op een hoogte van zo’n 300 meter te komen en daarna langere tijd een rood signaal af te geven in de lucht.
Voor zover het de onder (i) tot en met (iii) genoemde vaststellingen betreft, heeft het hof deze – zoals gezegd in iets andere bewoordingen – ter sprake gebracht op de terechtzitting. Dat geldt niet voor de onder (iv) genoemde omstandigheid, in ieder geval niet voor wat betreft het deel dat een kotterpijl is ontworpen om in korte tijd op zo’n 300 meter hoogte te komen.
Of het hof, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, a. de onder (iv) genoemde omstandigheid op de terechtzitting had moeten voorhouden; b. explicieter had moeten maken aan welke internetbronnen zij de onder (i) tot en met (iii) genoemde vaststellingen heeft ontleend of; c. had moeten toelichten dat zij voornemens was deze vaststellingen als feit van algemene bekendheid te gebruiken voor het bewijs van het opzet van de verdachte, zijn vragen die mijns inziens onbesproken kunnen blijven. Ik zal dat hieronder toelichten.
In de overweging van het hof ligt – met weglating van de exacte cijfers – besloten dat een kotterpijl na ontsteking in korte tijd een hoge snelheid bereikt en zeer heet wordt. Dat het hof deze eigenschappen van een (kotter)pijl als algemeen bekend heeft verondersteld, vind ik niet onbegrijpelijk. Het betreffen eigenschappen die kenmerkend zijn voor vuurpijlen.
De (veralgemeniseerde) vaststellingen over de snelheid en hitte van de kotterpijl vinden bovendien steun in de bewijsmiddelen. Uit de verklaring van [benadeelde] volgt dat de pijl “ontzettend snel” om hem afkwam, en dat hij de warmte en vuurdeeltjes van de pijl op zijn gezicht voelde. In het proces-verbaal van bevindingen beschrijft [verbalisant 1] op basis van de bodycambeelden dat een object met hoge snelheid door het beeld schiet.
Het hof kon de onder 3.3 weergegeven overweging kortom gebruiken voor het bewijs van het (voorwaardelijk) opzet. De kern van die overweging kan worden beschouwd als een feit van algemene bekendheid, die bovendien steunt vindt in de bewijsmiddelen. Daarbij merk ik nog op dat de verdachte zelf heeft verklaard een ‘kotterpijl’ te hebben afgestoken. De verdachte was dus kennelijk bekend met de specifieke benaming van hetgeen hij heeft afgevuurd (hij verklaart: “er zijn namelijk meerdere pijlen afgestoken. Ik heb een kotterpijl afgestoken”). Op grond van de bewijsmiddelen kan tevens worden aangenomen dat de verdachte bekend was met het ontstekingsmechanisme van de pijl. De getuige [verbalisant 2] verklaart immers: “De pijl kwam uit zijn buitenzak. (…) Er zaten nog geen 10 seconden tussen het moment dat hij die pijl aan mij liet zien en het afvuren van de pijl. Hij richtte en hij vuurde”. Het is moeilijk voorstelbaar dat degene die zelf een pijl meebrengt in zijn (jas)zak geheel onbekend is met de werking en de eigenschappen daarvan, maar deze wel in zeer korte tijd gericht kan afvuren.
Het eerste middel faalt.
4. Het tweede middel
Het tweede middel houdt in dat het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
De raadsman van de verdachte heeft blijkens zijn aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 mei 2025 gehechte pleitnotitie onder meer het volgende naar voren gebracht:
“5. Hoewel in algemene zin kan worden aangenomen dat het afschieten van een kotterpijl in de richting van een persoon het risico op zwaar lichamelijk letsel met zich brengt, kan in deze zaak niet worden vastgesteld dat het projectiel waarover agent [benadeelde] heeft verklaard, daadwerkelijk een kotterpijl betrof en evenmin dat dit projectiel afkomstig was van cliënt.
(…)
9. Gelet op het voorgaande kan niet met de vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat het projectiel waarover agent [benadeelde] heeft verklaard daadwerkelijk een kotterpijl betreft, noch dat dit projectiel afkomstig was van cliënt.
10. Mocht uw hof desondanks tot die conclusie komen, dan biedt het dossier geen steun voor de veronderstelling dat dit projectiel daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel had kunnen veroorzaken, laat staan dat cliënt dat risico bewust heeft aanvaard.
11. Cruciale vragen zijn in dit dossier immers onbeantwoord gebleven:
• Vanaf welke afstand is het projectiel op de linie afgeschoten?
• Is er gericht op de politieagenten geschoten?
• Waar is het projectiel uiteindelijk beland of ingeslagen?
• Was er een explosie en zo ja, hoe groot was de impact daarvan?
• Welk potentieel (zwaar) letsel had het projectiel bij aangever kunnen veroorzaken?
12. Het ontbreekt daarmee aan objectieve vaststellingen waaruit kan worden afgeleid dat het afschieten van dit specifieke projectiel een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft opgeleverd. Zonder deze vaststellingen kan evenmin worden geconcludeerd dat cliënt dat risico bewust heeft aanvaard.”
In cassatie wordt niet betwist dat de verdachte een kotterpijl heeft afgeschoten/afgestoken, en dat dit de pijl betrof die rakelings langs het gezicht van agent [benadeelde] is gegaan. Deze omstandigheden staan in cassatie dus vast.
Hoewel de raadsman in hoger beroep zich nog op het standpunt stelde dat in algemene zin kan worden aangenomen dat het afschieten van een kotterpijl in de richting van een persoon het risico op zwaar lichamelijk letsel met zich brengt, wordt in cassatie geklaagd over de wijze waarop het hof aan het opzettelijk afschieten van de kotterpijl de conclusie heeft verbonden dat de verdachte ook opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde] . Over het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte heeft het hof vastgesteld (reeds weergegeven onder 2.3, maar hier voor het lezersgemak herhaald):
“Het hof zal vervolgens moeten beoordelen of verdachte bij het gericht afschieten van een kotterpijl op een politielinie opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Een kotterpijl is ontworpen om in korte tijd op een hoogte van zo’n 300 meter te komen en om daarna langere tijd een rood signaal af te geven in de lucht. Om dat te bereiken geeft een dergelijke pijl na het afsteken een warmte af tot 3000 graden Celsius. [benadeelde] beschrijft ook dat hij de warmte en vuurdeeltjes van de pijl op zijn gezicht voelde.
Het is een feit van algemene bekendheid dat met name zwaar vuurwerk – na het ontsteken ervan – bij velen fysiek letsel veroorzaakt. De ziekenhuizen worden ieder jaar tijdens en na de jaarwisseling bezocht door velen die vanwege het gebruik van zowel legaal als illegaal vuurwerk ernstig fysiek letsel aan ogen, handen of andere lichaamsdelen hebben opgelopen, daarvoor behandeld moeten worden en in sommige gevallen blijvend ernstig letsel houden. Daarbij gaat het niet alleen om degenen die het vuurwerk zelf hebben afgestoken, maar ook om anderen die worden geraakt door het vuurwerk.
Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte, door een kotterpijl gericht af te steken richting [benadeelde] en zijn collega’s, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij hen – en in dit geval specifiek [benadeelde] – zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.
Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [benadeelde] door in zijn richting een kotterpijl af te schieten/vuren. Het verweer wordt verworpen.”
Volgens de steller van het middel blijkt uit de bewijsvoering niet dat het object daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel kon veroorzaken, noch dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat zwaar lichamelijke letsel welbewust heeft aanvaard.
Het hof bewijst het opzet van de verdachte in een aantal – voor het voorwaardelijk opzet kenmerkende – stappen. Allereerst stelt het hof vast dat “een kotterpijl is ontworpen om in korte tijd op een hoogte van zo’n 300 meter te komen en om daarna langere tijd een rood signaal af te geven in de lucht. Om dat te bereiken geeft een dergelijke pijl na het afsteken een warmte af tot 3000 graden Celsius. [benadeelde] beschrijft ook dat hij de warmte en vuurdeeltjes van de pijl op zijn gezicht voelde.” Zoals besproken in middel 1, is de overweging van het hof dat als bekend moet worden verondersteld dat een (kotter)pijl in korte tijd een hoge snelheid bereikt en zeer heet wordt, niet onbegrijpelijk. Deze overweging vindt bovendien steun in de gebezigde bewijsmiddelen (zie randnummer 3.11).
Het hof overweegt vervolgens dat het een feit van algemene bekendheid is dat name zwaar vuurwerk – na het ontsteken ervan – bij velen fysiek letsel veroorzaakt. Tegen deze passage richt de steller van het middel zich met twee klachten. Allereerst wordt door de steller van het middel betoogd dat onvoldoende is gemotiveerd dat het een feit van algemene bekendheid is dat met name zwaar vuurwerk bij velen fysiek letsel veroorzaakt (en het daarbij ook om ernstig fysiek letsel gaat). Op dit punt kan ik de steller van het middel niet volgen. Het hof licht in het vervolg van de alinea immers toe dat zowel door legaal als illegaal vuurwerk ernstig fysiek letsel kan worden veroorzaakt aan ogen, handen en andere lichaamsdelen, zowel bij omstanders als bij degenen die het vuurwerk afsteken, dat voor dat letsel behandeling nodig is en dat in sommige gevallen blijvend ernstig letsel wordt overgehouden. Dat het hof deze omstandigheden als feit van algemene bekendheid heeft opgevoerd, vind ik geenszins onbegrijpelijk: het zijn gegevens die zodanig onderdeel uitmaken van de algemene kennis, dat ieder van de rechtstreeks bij de strafzaak betrokkenen geacht moet worden die ook te kennen. Dat het hof in dit feit van algemene bekendheid refereert aan de jaarwisseling, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel niet af. Evenals bij de jaarwisseling was in de onderhavige situatie sprake van het veelvuldig afsteken van (illegaal) vuurwerk, in een groep mensen die zich dicht op elkaar bevond, hetgeen de kans op letsel vergroot. Daarbij geldt – en dat is van groot belang – dat in de onderhavige zaak is vastgesteld dat het vuurwerk door de verdachte gericht werd afgevuurd op politieagenten. De risico’s die in algemene zin kunnen worden toegeschreven aan vuurwerk, gelden logischerwijs des te meer wanneer dat vuurwerk gericht op anderen wordt afgeschoten/afgestoken.
Over voornoemde passage klaagt de steller van het middel in de tweede plaats dat het hof niet overweegt dat de kotterpijl binnen de categorie vuurwerk valt waarop de algemene ervaringsregel wordt toegepast. Een koppeling tussen de specificaties van een kotterpijl en de aanmerkelijkheid van de kans op zwaar lichamelijk letsel bij ontsteking van ‘met name zwaar vuurwerk’, zou kortom ontbreken.
Ook op dit punt kan ik de steller van het middel niet volgen. Immers heeft het hof vastgesteld dat de kotterpijl in korte tijd een zeer hoge snelheid en temperatuur bereikt, hetgeen kenmerkend is voor vuurpijlen in algemene zin (zie ook randnummer 3.10). Het hof spreekt vervolgens over met name zwaar vuurwerk dat ernstig fysiek letsel kan veroorzaken, en zowel over vuurwerk van legale als illegale aard. Dat het hof de kotterpijl vanwege diens kenmerken – die ook volgen uit de bewijsmiddelen, zie randnummer 3.11 – heeft beschouwd als vuurwerk dat tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden, acht ik niet onbegrijpelijk.
Daarbij benadruk ik nogmaals dat het in dit geval niet ging om het ontsteken van een kotterpijl in de toepassing waarvoor deze ontworpen is, maar om het gericht afschieten van een kotterpijl op de politielinie. Daarover verklaren de getuigen [verbalisant 2] en [betrokkene 1] : “Ik zag vervolgens dat [verdachte] de pijl met opzet en gericht richtte naar de politiemensen die in linie stonden. (…) Ik ben er van overtuigd, dat hij de pijl met opzet naar de politie schoot en goed naar de politiemensen richtte.” en “Hij stond voor mij en tikte mij aan, daarna schoot hij hem af richting de politie. (…). Hij richtte en hij vuurde.” Dat het hof deze gedraging – bezien tegen de achtergrond van de kenmerken van de kotterpijl en de gevaren van vuurwerk zoals omschreven in het arrest – heeft beschouwd als naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Het tweede middel faalt eveneens.
5. Slotsom
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G