PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00022 B
Zitting 7 juli 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de klaagster.
1. Inleiding
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (RK 24/021983), heeft bij beschikking van 11 december 2024 het klaagschrift van klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het klassiek beslag ex art. 94 Sv op twee schilderijen en tot een teruggave aan klaagster, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en J.H. Tonino, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het procesverloop
Op grond van de gedingstukken kan van het volgende worden uitgegaan.
Op 28 juni 2024 zijn op grond van art. 94 Sv twee schilderijen in beslag genomen.
De klaagster heeft op 4 september 2024 een klaagschrift ingediend bij de rechtbank strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave van de in beslag genomen schilderijen aan klaagster. Op 10 oktober 2024 heeft vervolgens ook [betrokkene 1] een klaagschrift ingediend. In dit klaagschrift wordt eveneens verzocht om opheffing van het beslag en tot teruggave van de in beslag genomen schilderijen.
Op de zitting van 11 december 2024 zijn beide klaagschriften gelijktijdig, maar niet gevoegd door de rechtbank in openbare raadkamer behandeld.
Het beklag van klaagster is door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in dat verband het volgende overwogen:
“Overwegingen
In 1998 zijn van [klaagster] meerdere schilderijen gestolen, waaronder beide inbeslaggenomen schilderijen. In 2012 heeft belanghebbende [betrokkene 1] beide schilderijen gekocht op een veiling en van een zekere [betrokkene 2] . [betrokkene 1] wilde de schilderijen dit jaar zelf weer verkopen via [A] waar de schilderijen werden opgemerkt door een kenner. [klaagster] is hiervan in kennis gesteld. Vervolgens heeft [klaagster] een en ander kenbaar gemaakt bij de politie, waarna er strafvorderlijk beslag is gelegd op de schilderijen. Belanghebbende [betrokkene 1] stelt dat hij de schilderijen ooit te goeder trouw heeft gekocht op een veiling, hij derhalve eigenaar is geworden en dat [klaagster] geen revindicatierecht (meer) heeft.
In een geval als het onderhavige stelt artikel 116 Wetboek van Strafvordering dat inbeslaggenomen goederen teruggegeven dienen te worden aan beslagene of aan de redelijkerwijs rechthebbende. Voor beoordeling van de onderhavige zaak is artikel 3:86 BW van belang. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal, als zijn eigendom opeisen, tenzij, de verkrijger als natuurlijke persoon, heeft gekocht van een persoon die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.
Om te kunnen vaststellen wie als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt, is artikel 3:86 eerste lid BW in dit geval van doorslaggevend belang nu het eventuele revindicatierecht van de oorspronkelijke eigenaar, in dit geval [klaagster] , op grond van artikel 3:86 lid 3 BW na het verstrijken van de periode van drie jaar na de diefstal niet meer ingeroepen kan worden, wat er overigens ook zij van de omstandigheden waaronder belanghebbende [betrokkene 1] als de latere verkrijger de litigieuze schilderijen heeft verkregen. Het recht van belanghebbende [betrokkene 1] blijft in deze dus het sterkere recht.
Conclusie
Het voorgaande heeft als gevolg dat klaagster niet als rechthebbende van de inbeslaggenomen schilderijen kan worden beschouwd. Daarom moet het klaagschrift ongegrond worden verklaard.
5. De beslissing
De raadkamer verklaart het klaagschrift ongegrond.”
Uit de door mij bij de rechtbank opgevraagde beschikking van (eveneens) 11 december 2024 blijkt dat de rechtbank het klaagschrift van belanghebbende [betrokkene 1] gegrond heeft verklaard en aan hem de teruggave van de twee schilderijen heeft gelast. Uit namens mij ingewonnen inlichtingen blijkt dat de daadwerkelijke teruggave nog niet heeft plaatsgevonden en de schilderijen bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ) zijn gedeponeerd.
3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank ten aanzien van de schilderijen op 11 december 2024 twee beschikkingen heeft gewezen; één in de zaak van de klaagster en één in de zaak van [betrokkene 1] . Nu ten aanzien van de in beslag genomen schilderijen sprake is van een onherroepelijke beschikking waarin de teruggave daarvan is gelast, kan de klaagster bij gebrek aan belang niet in het cassatieberoep worden ontvangen. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt immers dat een onherroepelijke beschikking waarin de teruggave van een in beslag genomen voorwerp is gelast, ertoe leidt dat het beslag op dat voorwerp is beëindigd. De klaagster heeft dan ook geen belang bij vernietiging van de bestreden beschikking, nu de beklagrechter naar wie de zaak zou worden verwezen of teruggewezen vanwege het eindigen van het beslag enkel tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster kan komen.
Ik wijs er hier op dat de Hoge Raad over situaties als de onderhavige op 27 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BT8757) het volgende heeft opgemerkt:
“2.4. Opmerking verdient nog het volgende. Het gaat in het onderhavige geval om een zaak waarin door verschillende partijen afzonderlijk klaagschriften zijn ingediend die betrekking hebben op hetzelfde inbeslaggenomen voorwerp. Voor een evenwichtige en doelmatige afdoening van zulke zaken verdient het aanbeveling dat de rechter - wanneer dat redelijkerwijs mogelijk is - bevordert dat dergelijke klaagschriften gevoegd worden behandeld en vervolgens in één beschikking worden beoordeeld, zodat een daartegen gericht beroep ook de beslissing kan betreffen ten aanzien van de andere klager.”
Alleen als op deze wijze wordt gehandeld kan door de klagers tegen het oordeel van de rechtbank op beide klaagschriften in cassatie worden opgekomen.
4. Slotsom
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG