ECLI:NL:PHR:2026:691

ECLI:NL:PHR:2026:691

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 07-07-2026
Datum publicatie 03-07-2026
Zaaknummer 24/02165
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2026:1406

Samenvatting

Conclusie AG. Witwassen (art. 420bis Sr). M1: falend middel over oordeel hof dat verklaring verdachte op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Hof mocht daarbij acht slaan op omstandigheid dat ter staving van eerdere verklaring overgelegde stukken vals zijn gebleken. Opvatting dat aan verklaring gestelde eisen (concreet, verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk) als communicerende vaten fungeren, vindt geen steun in het recht. M2: slagende klacht over schending inzendtermijn. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot verwerping.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02165

Zitting 7 juli 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is – nadat hij in eerste aanleg door de rechtbank integraal was vrijgesproken van het hem tenlastegelegde – bij arrest van 16 mei 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-001705-22) wegens "witwassen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft het hof een deel van de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaard en ten aanzien van het overige deel de teruggave gelast.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M. Berndsen, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat het daarin vermelde geldbedrag ‘afkomstig was uit enig misdrijf’. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat het de verklaring van de verdachte over de herkomst van dit geldbedrag op voorhand hoogst onwaarschijnlijk acht.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 2 februari 2022, te Amsterdam, een geldbedrag van in totaal € 12.950,00 voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”

Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:

“Aan de verdachte wordt primair verweten dat hij een geldbedrag van in totaal € 12.950,00 heeft witgewassen. Naar bestendige jurisprudentie kan in een geval als het onderhavige, waarin geen direct bewijs aanwezig is voor inkomsten uit brondelicten, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de rechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien dit zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zodra het door de verdachte aldus geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve legale herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige verklaring overblijft. Tegen deze achtergrond, komt het hof tot de volgende overwegingen en conclusie.

Het hof is van oordeel dat uit het dossier voldoende feiten en omstandigheden naar voren komen om een vermoeden van witwassen van het tenlastegelegde bedrag van in totaal € 12.950,00 te rechtvaardigen. Bij een controle op 2 februari 2022 is dit geldbedrag contant bij de verdachte aangetroffen. Van dit bedrag is € 6.250,00 in zijn broekzak aangetroffen en € 6.700,00 in een verborgen ruimte in zijn auto. Het is hoogst ongebruikelijk om bedragen zoals de verdachte bij zich had fysiek te vervoeren, ook gelet op het risico waarmee dit gepaard gaat. Daar komt nog bij dat het bedrag van € 6.700,00 in een onder de middenconsole aangebrachte verborgen ruimte werd vervoerd. De wijze waarop de verdachte het geld heeft vervoerd en de hoogte van het bedrag zijn feiten en omstandigheden die zonder meer een vermoeden van witwassen rechtvaardigen.

Gelet daarop mag van de verdachte worden verwacht dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 maart 2022 verklaard dat hij het geld heeft geleend van [betrokkene 1] , een oude vriend van zijn vader. De verdachte heeft verklaard dat [betrokkene 1] hem € 16.000,00 heeft geleend en dat dit via zijn broer [betrokkene 2] (het hof begrijpt: de neef van de verdachte, [betrokkene 2] ) is gegaan. Deze verklaring is in eerste aanleg gestaafd met een Engelstalige schriftelijke verklaring op naam van [betrokkene 1] - ondertekend door [betrokkene 1] , de verdachte en [betrokkene 2] -, een aantal loonstroken op naam van [betrokkene 1] , een leningsovereenkomst tussen de verdachte en [betrokkene 1] en een kopie van de identiteitskaart en het rijbewijs van [betrokkene 1] . De politierechter heeft de verdachte vervolgens vrijgesproken.

Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep door middel van een rechtshulpverzoek aan Denemarken onderzoek gedaan naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve legale herkomst van het geld. Uit het in Denemarken verrichte onderzoek is gebleken dat de advocaat betrokken bij het opstellen van de leningsovereenkomst nooit getuige is geweest van geldoverdracht of contact tussen de partijen, zodat hij de inhoud van de geldleningsovereenkomst niet kan bevestigen. [betrokkene 1] is telefonisch als getuige gehoord en hij heeft verklaard dat hij [verdachte] noch [betrokkene 2] kent, dat hij nog nooit zoveel geld heeft uitgeleend en dat hij ook nooit heeft gehoord van de desbetreffende leningsovereenkomst. Hij denkt dat iemand misbruik heeft gemaakt van zijn identiteit. Voorts zijn de overgelegde salarisstroken op naam van [betrokkene 1] vals gebleken.

In hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het geld afkomstig is van [betrokkene 3] , iemand die hij zijn hele leven kent en van wie hij nooit geld zou hebben aangenomen. [betrokkene 2] (het hof begrijpt telkens: [betrokkene 2] ) had haar verteld over de financiële problemen van de verdachte en zij was bereid hem geld te lenen, maar alleen onder de voorwaarde dat [betrokkene 2] dat nooit aan de verdachte zou vertellen. [betrokkene 2] heeft daarom een verhaal verzonnen en dat aan de verdachte verteld inhoudende dat een vriend van zijn vader, genaamd [betrokkene 1] hem geld wilde lenen. Alle stukken die zien op die lening - die achteraf verzonnen bleek te zijn - heeft de verdachte van [betrokkene 2] gekregen, ook de kopie van het identiteitsbewijs en de salarisstroken op naam van [betrokkene 1] . De verdachte wist dan eerder ook niet dat het geld van [betrokkene 3] afkomstig was. Hij dacht de waarheid te vertellen en tot een paar maanden geleden wist hij niet wat de waarheid was. Alles wat de verdachte over [betrokkene 1] heeft verklaard, heeft hij van [betrokkene 2] gehoord, aldus de verdachte. De verdachte heeft in hoger beroep een schriftelijke verklaring, ondertekend door [betrokkene 3] , met de strekking als door de verdachte verklaard, in het geding gebracht en hij heeft [betrokkene 2] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep doen horen.

Het hof acht deze door de verdachte in hoger beroep afgelegde verklaring over de herkomst van het geld - mede in aanmerking genomen het tijdstip waarop deze is afgelegd en de eerder andersluidende verklaring die met valse stukken werd onderbouwd - op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Het hof hecht evenmin, gelet op de voorgeschiedenis, geloof aan de verklaring van de getuige [betrokkene 2] of aan de echtheid van de overgelegde schriftelijke verklaring. Dat betekent dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd en dat het openbaar ministerie niet - nogmaals - gehouden is tot het doen van nader onderzoek. Het hof komt tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat het totaalbedrag van € 12.950,00 van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist en acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.”

Het hof heeft – na daartoe het juiste juridische kader voorop te hebben gesteld – geoordeeld dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat om een vermoeden van witwassen te rechtvaardigen zodat van de verdachte mag worden verwacht dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Het hof heeft vervolgens overwogen dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij het tenlastegelegde geldbedrag van een oude vriend van zijn vader, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), heeft geleend en dat dit via zijn neef [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] )) is gegaan. Ter staving van die verklaring heeft de verdachte verschillende stukken overgelegd, waaronder i) een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] , ondertekend door [betrokkene 1] , de verdachte en [betrokkene 2] , ii) loonstroken op naam van [betrokkene 1] en iii) een leningsovereenkomst tussen de verdachte en [betrokkene 1] . Het hof heeft verder overwogen dat nader onderzoek in hoger beroep heeft uitgewezen dat i) [betrokkene 1] als getuige heeft verklaard dat hij de verdachte noch [betrokkene 2] kent, dat hij nog nooit zo veel geld heeft uitgeleend en dat hij nog nooit van de leningsovereenkomst tussen hem en de verdachte heeft gehoord, dat ii) de loonstroken vals zijn en dat iii) de advocaat die bij het opstellen van de leningsovereenkomst betrokken was nooit getuige is geweest van geldoverdracht of contact tussen de partijen, zodat hij de inhoud van die overeenkomst niet kan bevestigen.

Het mede daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de door de verdachte in hoger beroep afgelegde verklaring – die erop neerkomt dat de in eerste aanleg afgelegde verklaring een weergave was van hetgeen [betrokkene 2] hem had verteld en dat hij dacht dat dit de waarheid was, maar dat hem inmiddels is gebleken dat het geld in werkelijkheid afkomstig is van [betrokkene 3] , iemand die hij al zijn hele leven kent, en dat [betrokkene 2] daarover had gelogen omdat de verdachte nooit geld van haar zou hebben aangenomen – hoogst onwaarschijnlijk is, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte deze verklaring net als in eerste aanleg heeft onderbouwd met een schriftelijke en ondertekende verklaring (in dit geval van [betrokkene 3] ) en dat hij [betrokkene 2] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft meegebracht, waar laatstgenoemde een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd, maakt dat niet anders. De opvatting dat de door de Hoge Raad aan de verklaring van de verdachte gestelde eisen als communicerende vaten fungeren – in die zin dat hoe concreter en verifieerbaarder die verklaring is, hoe minder snel deze als ‘op voorhand hoogst onwaarschijnlijk’ kan worden aangemerkt – vindt (immers) geen steun in het recht. Bovendien heeft het hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het geen geloof hecht aan deze verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , eveneens gelet op de onder 2.5 weergegeven gang van zaken, die mede inhoudt dat de door [betrokkene 2] afgelegde verklaring over de rol van [betrokkene 1] niet in overeenstemming is met de uitkomsten van het rechtshulpverzoek.

Het middel faalt.

3. Het tweede middel

Het middel klaagt dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.

Blijkens de akte cassatie is op 29 mei 2024 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 8 april 2025 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. Dit brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening.

4. Afronding

Het eerste middel faalt en het tweede middel slaagt.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat ook in zoverre sprake zal zijn van een overschrijding van de redelijke termijn. Zowel wat deze als wat de onder 3.2 genoemde overschrijding van de redelijke termijn betreft, kan worden volstaan met de constatering van deze overschrijding, gelet op de omvang van de opgelegde gevangenisstraf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand