PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03756
Zitting 7 juli 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 9 oktober 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001580-23) wegens “witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen. Daarnaast heeft het hof een geldbedrag van € 40.185,65 en een geldbedrag van 10 Britse pond verbeurd verklaard en de teruggave aan de verdachte gelast van een geldbedrag van 14.160.000,00 Iraanse rial.
Er bestaat samenhang met de zaak 24/03857. In die zaak is het cassatieberoep reeds niet-ontvankelijk verklaard omdat geen schriftuur is ingediend.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. Berndsen, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. Met het tweede middel wordt opgekomen tegen de bewezenverklaring van het opzet. In het derde middel wordt geklaagd dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de kwalificatie-uitsluitingsgrond geen toepassing vindt.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 22 maart 2020 te ‘s-Hertogenbosch een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld bestaande uit een geldbedrag van € 131.055,00 of daaromtrent en een geldbedrag van 13.105,00 Britse en/of Schotse ponden (omgerekend € 14.212,39 of daaromtrent) voorhanden heeft gehad terwijl zij, verdachte, wist dat voormeld voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf”.
Het hof heeft de bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen doen steunen:
“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2020, gevoegd als bijlage 2 in het algemeen dossier, pagina 24, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
Op 22 maart 2020, omstreeks 02.20 uur, kregen ik en mijn collega de opdracht te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . Daar zou een woning van een flat in brand staan, er zou veel briefgeld op de grond liggen en er zou iemand van het balkon, aan de achterzijde van de flat gesprongen zijn. Omstreeks 02.25 uur waren ik en mijn collega ter plaatse aan de [a-straat] te [plaats] . Ik zag dat de grond, voor de flat, bezaaid lag met bankbiljetten. Ik zag dat de bankbiljetten verschillende valuta hadden.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2020, gevoegd als bijlage 3 in het algemeen dossier, pagina 27, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:
Zondag 22 maart 2020, omstreeks 01.45 uur, kregen wij de opdracht om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . Toen wij op de genoemde locatie aankwamen, zagen wij een man, de verder te noemen verdachte [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]), op de galerij van de tweede etage van een appartementencomplex staan. Wij zagen dat hij voor de woning [a-straat 1] stond. Wij zagen dat hij bankbiljetten naar beneden gooide. Wij zagen dat zowel de grond als het appartementencomplex bezaaid lagen met bankbiljetten.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2020, gevoegd als bijlage 4 in het algemeen dossier, pagina 29, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :
Op 22 maart 2020 omstreeks 02.27 uur kregen wij de melding te rijden naar de [a-straat] te [plaats] . Aldaar waren diverse eenheden bezig met een melding waarbij een persoon een groot geldbedrag op straat had gegooid. Wij kregen het verzoek om mee te helpen het geld te verzamelen. Dit zou namelijk verspreid liggen op straat. Ter plaatse zagen wij dat er een enorm groot aantal biljetten verspreid op straat lagen. Wij zagen dat er zowel eurobiljetten als Engelse pond biljetten op straat lagen. Wij hebben met diverse eenheden het geld geraapt en in zakken gestopt en het geld in beslag genomen. Op het politiebureau hebben wij vervolgens een deel van het geld afgestort in de aldaar geplaatste geldautomaat. Wij zagen dat de geldautomaat bij een gestort bedrag van € 50.790,00 vol zat en geen geld meer accepteerde. Wij hebben de overgebleven, deels natte, bankbiljetten gesorteerd in biljetten van 10, 20 en 50 euro alsmede Engelse ponden.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart 2020, gevoegd als bijlage 5 in het algemeen dossier, pagina's 30-31, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 7] , [verbalisant 8] en [verbalisant 9] :
Op 23 maart 2020 kregen wij de opdracht het inbeslaggenomen geld zorgvuldig te tellen. Het geld was door politieagenten van straat geraapt in de directe omgeving van de [a-straat 1] te [plaats] op 22 maart 2020. Een ander deel van dit geld was al afgestort. Dit geld betrof het restant.
Het geld werd handmatig geteld. Wij zagen dat in de eerste zak zich eurobiljetten bevonden in coupures van 10, 20 en 50 euro. In de tweede zak troffen wij Britse ponden in coupures van 5, 10, 20 en 50 aan.
Wij zagen dat er 6 stapeltjes waren van 100 biljetten van 10 euro en 8 losse biljetten.
Wij zagen dat er 13 stapeltjes waren van 100 biljetten van 20 euro en 30 losse biljetten.
Wij zagen dat er 1 stapeltje was van 100 biljetten van 50 euro en 48 losse biljetten.
In het totaal gaat het dus om:
608 biljetten van 10 euro = € 6.080,00 (zesduizendentachtig euro).
1330 biljetten van 20 euro = € 26.600,00 (zesentwintigduizendzeshonderd euro).
148 biljetten van 50 euro = € 7.400,00 (zevenduizendvierhonderd euro).
Totaal = € 40.080,00 (veertigduizendentachtig euro).
Daarna werden de Britse ponden door elk van ons afzonderlijk geteld en steeds in stapeltjes van 100 gerangschikt indien mogelijk.
Wij zagen dat er 1 stapeltje was van 73 biljetten van 5 pond.
Wij zagen dat er 6 stapeltjes waren van 100 biljetten van 10 pond en 49 losse biljetten.
Wij zagen dat er 1 stapeltje was van 100 biljetten van 20 pond euro en 72 losse biljetten.
Wij zagen dat er 1 stapeltje was van 56 losse biljetten van 50 pond.
In het totaal gaat het dus om:
73 biljetten van 5 pond = £ 365,00 (driehonderdvijfenzestig pond).
649 biljetten van 10 pond = £ 6.490,00 (zesduizendvierhonderdnegentig pond).
172 biljetten van 20 pond = £ 3.440,00 (zevenduizendvierhonderdveertig pond).
56 biljetten van 50 pond = £ 2.800,- (tweeduizendachthonderd pond).
Totaal = £ 13.095,00 (dertienduizendvijfennegentig pond).
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 maart 2020, gevoegd als bijlage 6 in het algemeen dossier, pagina’s 33-36, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 10] :
Op 24 maart 2020 kregen wij inbeslaggenomen goederen met de opdracht deze te beschrijven en het hierin aanwezig geld te verpakken in de daarvoor bestemde gripzakken ten behoeve van het afstorten van dit geld.
Gripzak R3531739 (Goednummer geld PL2100-2020062373-1641448)
In deze gripzak zagen wij 26.100 euro in coupures van 50 euro biljetten. Tevens zagen wij dat in deze zak drie enveloppen aanwezig waren die wij als volgt beschrijven:
- envelop met hierop 10.000 euro geschreven en welke is getekend door [medeverdachte 2] ;
- envelop met hierop 10.000 euro geschreven en welke niet is getekend door [medeverdachte 2] ;
- envelop met hierop 6100 euro geschreven en welke niet is getekend door [medeverdachte 2] .
Gripzak Summ-IT goednummer 592430
Wij zagen dat op de gripzak een sticker zat met hierop de volgende data: Summ-IT goednummer 592430. Wij zagen dat in de gripzak een roze gekleurd wollen portemonnee/etui zat, welke was voorzien van een witte ritssluiting. Wij zagen dat in deze portemonnee/etui een geldhoeveelheid zat voorzien van de volgende coupures:
1 x 10 euro (KL282.01.06.001.001, 592439)
9 x 20 euro (KL282.01.06.001.002, 592440)
8 x 50 euro (KL282.01.06.001.003, 592441)
Totaal 590,00 euro.
Het geldbedrag is in een nieuwe gripzak gedaan, welke was voorzien van nummer: A3910986.
Gripzak Summ-IT voorwerpnummer: 592435
Wij zagen dat op de gripzak een sticker zat met hierop de volgende data: Summ-IT voorwerpnummer: 592435. Wij zagen dat in de gripzak een bruin gekleurde tas met een grijze ritssluiting zat. Wij zagen dat in deze bruin gekleurde tas, een bordeaux rode/bruin kleurige portemonnee met ritssluiting zat. Wij zagen dat in deze portemonnee 1 biljet van 50 euro (goednummer KL282.04.01.001.001, 592442) zat en een papiertje met hierop een handgeschreven buitenlandse tekst. In deze portemonnee zagen wij ook een kleinere bruine portemonnee/etui met ritssluiting waarin 0,65 euro (KL282.04.01.001.002, 592443). Het genoemde biljet van 50 euro is door mij, [verbalisant 10] , in bijzijn van mij, [verbalisant 8] , in de gripzak gedaan voorzien van nummer A3910986.
In de eerder genoemde bruine tas zagen wij ook een oranje portemonnee/etui met rits, met hierop een bloem afgebeeld. Wij zagen dat in deze portemonnee 1 biljet van 50 euro (goednummer KL282.04.01.001.001, 592442) zat en een papiertje met hierop een handgeschreven buitenlandse tekst. Het genoemde biljet van 50 euro is door mij; [verbalisant 10] , in bijzijn van mij, [verbalisant 8] , in de gripzak gedaan voorzien van nummer A3910986.
Gripzak Summ-IT voorwerpnummer 592437
Wij zagen dat op de gripzak een sticker zat met hierop de volgende data: Summ-IT voorwerpnummer: 592437. Wij zagen in de gripzak een zwarte etui voorzien van ritssluiting. In de etui zagen wij drie stapels bankbiljetten welke elk bij elkaar gehouden werden door verschillende gekleurde haarelastiekjes.
Wij zagen dat de eerste stapel bankbiljetten bestond uit vier kleinere stapeltjes biljetten. Wij zagen dat deze kleinere stapeltjes bankbiljetten elk met een apart elastiek bij elkaar werden gehouden en tezamen tot één stapel waren gebundeld met een wit haarelastiek. Wij zagen dat onder dit elastiek tevens een papiertje was geklemd met hierop buitenlandse tekens en de datum "14-2-2020". Wij zagen dat de stapel bankbiljetten bestond uit 3 stapeltjes van 50 eurobiljetten en 1 stapeltje van 20 en 50 eurobiljetten. Wij zagen dat van de drie stapeltjes van 50 eurobiljetten, er twee stapeltjes bij elkaar werden gehouden met “normale” kantoorelastiekjes en één stapeltje met een blauw haarelastiek.
Wij zagen dat deze stapeltjes als volgt waren samengesteld:
Het stapeltje met “normaal elastiek” was voorzien van 20 briefjes van 50 euro
(KL282.0S.01.001.002, 592445).
Het stapeltje met “normaal elastiek” was ook voorzien van 20 briefjes van 50 euro. (KL282.0S.01.001.003, 592446).
Het stapeltje met “blauw elastiek” was voorzien van 14 briefjes van 50 euro
(KL282.05.01.001.001, 592444).
Het stapeltje van 20 euro en 50 eurobiljetten werd bij elkaar gehouden met een paars gekleurd “kantoorelastiek” en bestond uit 16 biljetten van 50 euro (KL282.05.01.001.004, 592447) en 10 biljetten van 20 euro (KL282.05.01.001.005, 592448).
Door mij [verbalisant 10] , werd in bijzijn van mij, [verbalisant 8] , het genoemde geld in de gripzak gedaan voorzien van nummer A3910986.
Wij zagen dat de tweede stapel bankbiljetten betrof uit 3 biljetten van 5 euro (KL282.05.01.001.008,592451), 41 biljetten van 10 euro (KL282.05.01.001.006, 592449) en 3 biljetten van 20 euro (KL282.0S.0I.00L007, 592450). Wij zagen dat deze biljetten bij elkaar werden gehouden met een geel haarelastiek. Door mij [verbalisant 10] , werd in bijzijn van mij, [verbalisant 8] , het genoemde geld in de gripzak gedaan voorzien van nummer A3910986.
Wij zagen dat de derde geldstapel was samengesteld uit 72 biljetten van 10 euro (KL282.05.01.001.011 , 592454), 14 biljetten van 20 euro (KL282.05.01.001.010, 592453) en 100 biljetten van 10 euro (KL282.05.01.001.009, 592452). Wij zagen dat deze geldstapel bij elkaar werd gehouden met een blauw haarelastiek. Wij zagen dat onder dit haarelastiek ook een handgeschreven papiertje was geklemd met hierop buitenlandse tekens en “3-11-”. Door mij [verbalisant 10] , werd in bijzijn van mij, [verbalisant 8] , het genoemde geld in de gripzak gedaan voorzien van nummer A3910986.
Gripzak Summ-IT voorwerpnummer 592436
Wij zagen dat op de gripzak een sticker zat met hierop de volgende data: Summ-IT voorwerpnummer: 592436. Wij zagen dat in deze gripzak een groene schoudertas zat. Wij zagen dat deze schoudertas was voorzien van een rond wit logo. Wij zagen dat de schoudertas was voorzien van één groot en één kleiner vak met beide een grijze ritssluiting. Wij zagen dat in het grote vak van deze schoudertas een bruine portemonnee zat met in de rechter onder hoek de letters “ [...] ”. Bij openklappen van de portemonnee zagen wij dat hier een stapeltje van 24 biljetten van 50 euro in zat (KL282.04.02.001.008, 592462).
Wij zagen in het grote vak ook een groen mapje voorzien van een logo van een kasteeltoren met drie bomen. Bij openklappen van dit mapje zagen wij een stapeltje bankbiljetten van verschillende nationaliteiten en coupures. Wij zagen dat dit stapeltje bestond uit 12 biljetten van 500 euro (KL282.04.02.001,592455). In verband met de hoogte van deze biljetten zijn door ons de serienummers van de bankbiljetten genoteerd. Wij zagen dat de serienummers betroffen:
- X00209663966
- X02863083161
- Z91103442759
- X06473883701
- X07650827957
- X07053583403
- X07831920548
- N41015756433
- X02887782176
- X07022022644
-X01655788295
- X09772754258
Deze bankbiljetten werden gevolgd door een papiertje, welke in uiterlijk leek op een bonnetje en welke was voorzien van buitenlandse tekst en een stempel. Dit bonnetje werd gevolgd door 28 biljetten van 500.000 Iraanse rial (KL282.04.02.001.003,592458). Deze stapel werd gevolgd door 1 biljet van 10 euro (KL282.04.02.001.002, 592456). Door mij [verbalisant 10] , werd in bijzijn van mij, [verbalisant 8] , het genoemde geld in de gripzak gedaan voorzien van nummer A3910986.
Dit biljet werd gevolgd door 2 biljetten van 5 Engelse ponden
(KL282.04.02.001.007,592461). De Engelse ponden werden gevolgd door 1 biljet van 50.000 rial (KL282.04.02.001.006, 592460), 100.000 rial (KL282.04.02.001.005, 592459) en vervolgens 10.000 rial (KL282.04.02.001.004,592458). De genoemde Iraanse rials werden vervolgens in een nieuwe gripzak gedaan voorzien van nummer A3445827. De genoemde Engelse ponden werden vervolgens in een nieuwe gripzak gedaan voorzien van nummer A2464225. De eerder genoemde gripzak voorzien van nummer A3910986 is vervolgens bijgevoegd in de G4S gripzak voorzien van nummer 9319057993 53.
6. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 maart 2020, gevoegd als bijlage 8 in het algemeen dossier, pagina’s 41-42, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte 2]:
A: In het ziekenhuis heb ik nadat ik mijn moeder gesproken heb mijn vader gebeld. Dat is haar ex. Hij is mij komen ophalen in het ziekenhuis. Ik wilde eerst naar het huis van mijn moeder om te kijken hoe het er bij stond. Ik en mijn vader zijn samen naar de woning van mijn moeder gereden. Ik heb bij de centrale toegangsdeur aangebeld bij de buurman, die heeft voor mij open gedaan. Op de galerij zag ik het geld al liggen. Het lag bij haar voordeur op de galerij, in het zicht. Daar lag een koffer die open was en dat geld zag je liggen. Er zaten wel elastiekjes om het geld heen.
V: Had je al het geld meegenomen?
A: Ja, wat daar lag wel. Ik kan niet wachten tot de buurjongens het meenemen, Het is van mijn moeder. (...) Ongeveer 26 duizend euro. Dat is samen met de agenten geteld.
7. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 maart 2020, gevoegd als bijlage 10 in het algemeen dossier, pagina 52, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte 3] ( opmerking hof: de ex-echtgenoot van verdachte [verdachte] ):
V: Wat wist u van het geldbedrag van uw ex-vrouw?
A: Ik hoorde vanochtend van mijn ex-vrouw dat het bijna 2 ton was.
8. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 maart 2020, pagina 67, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [verdachte] :
V: En wat was er met dat geld?
A: Dat geld is van mij. Gespaard. Mijn bedoeling was een klein huisje kopen. De rest is van een erfenis.
V: Weet u hoe dat geld op straat is gekomen?
A: Ik denk dat mijn zoon dat op straat heeft gegooid.
V: Van wie is die woning?
A: Van [A], de woningstichting van [plaats]. Het is mijn woning.
9. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 12 juni 2020, pagina’s 70-71, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] :
V: Waar wonen uw kinderen?
A: Mijn dochter woont in Utrecht en mijn zoon heeft geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Als hij in Nederland is dan verblijft hij bij mij in [plaats].
V: Hoe vaak is uw zoon dan bij u?
A: Dat weet ik niet, als hij er is dan blijft hij een paar maanden bij mij.
V: Er is een groot contant geldbedrag aangetroffen, zowel in uw woning als daar buiten.
Waar komt dit geld vandaan?
A: Jaren geleden, in 2002 of 2003, heb ik van mijn moeder een contant geldbedrag van ongeveer 10 á 15 duizend euro ontvangen. Ik heb dat toen in Iraanse valuta ontvangen. Ik heb dit bedrag toen meteen aan mijn zoon gegeven, zodat hij iets voor zichzelf kon opbouwen in Iran. Dit geld is nooit in Nederland geweest en ik heb daar ook nooit zelf de beschikking over gehad, omdat ik het meteen heb weggegeven aan mijn zoon. Het was ook de bedoeling dat hij mij zou kunnen helpen als dat nodig was.
10. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 maart 2020, gevoegd als bijlage 32 in het algemeen dossier, pagina 401, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte 1]:
A: Mag ik nog iets zeggen over het geld. Het geld is wat zij de afgelopen jaren heeft gespaard en de manier waarop zij leeft. Drugs verkopen, in meisjes handelen. Ik was een koerier die geld van haar naar Iran moest brengen en soms naar Nederland.
V: Wie bedoel je met haar?
A: De voormalige moeder van mij.
11. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 7 mei 2020, gevoegd als bijlage 33 in het algemeen dossier, pagina’s 404-416, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte 1] :
V: Jij hebt op zondag 22 maart een gesprek gehad met onze collega’s.
A: Ik zat toen in een psychose.
V: Dus voordat je 8 maart naar Nederland bent gekomen, toen ben je in Iran geweest?
A: ik ben een paar maanden in Iran geweest. Ik denk 3 of 4 maanden.
V: Wat was dan de redenen voor uw bezoek aan Iran?
A: Om dingen te regelen. Ik wilde de erfenis van mijn moeder regelen, ik zou die erfenis krijgen. Ik zou dat geld naar Nederland meenemen om hier in Nederland iets mee te doen.
A: Ik wilde iets doen met de erfenis van mijn familie. Dus dat geld dat van mij is eigenlijk, heb ik van daar met veel moeilijkheden naar hier gebracht.
V: Hoelang bent u in Iran gebleven?
A: Drie of vier maanden. De financiële kant van het verhaal moest geregeld worden. Maar verder niets.
A: In de chaos die ik zelf gecreëerd had. Toen ben ik naar buiten gekomen, toen heb ik met geld gestrooid.
12. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 4 augustus 2020, gevoegd als bijlage 34 in het algemeen dossier, pagina’s 435-439, voor zóver inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte 1] :
V: Tijdens het onderzoek is er door de politie rondom de woning op de [a-straat] een aanzienlijk geldbedrag in beslag genomen. Dit lag op en in en rond de flat verspreid. Wat weet jij over de herkomst van dat geld?
A: Het is mijn geld. Het is mijn geld.
V: Waar komt dat geld vandaan?
A: Zo’n vijftien jaar geleden kreeg ik een erfenis in Iran en met die erfenis heb ik in Iran gewerkt. Ik heb gerentenierd en dat geld heb ik steeds naar Nederland meegenomen omdat ik hier een winkel wil openen. Dat geld lag altijd bij mijn moeder.
V: En hoeveel geld was dat ongeveer?
A: Ik denk iets meer dan een ton.
V: Van wie was die erfenis afkomstig?
A: Van mijn oma.
V: En staan daar stukken van op papier?
A: In Iran hoe de economie en de hele samenleving werkt, het is allemaal informeel. Dus dat geld kreeg ik gewoon. Ik heb daar geen bewijzen van. Ik heb daar geen stukken van. Ik heb met dat geld in Iran gewerkt. Ik heb steeds tienduizend euro iedere keer dat ik naar Nederland kwam bracht ik gewoon geld naar Nederland.
V: Hoe vaak ging je dan naar Iran?
A: Ik denk tientallen keren.
V: Hoe groot was het geldbedrag van de erfenis?
A: Dat geld van de erfenis was Iraanse geld natuurlijk. Het was iets minder dan twintigduizend euro.
V: En wat heb je daar dan mee gedaan in Iran?
A: Ik heb daar in de Iraanse bazaar mee gewerkt, bij de bazaar moet je een grote markt voorstellen, een enorme markt waar alles verhandeld werd en met dat geld rentenierde ik. Dus ik gaf dat geld aan mensen die ik vertrouwde, aan kennissen, familie of wat dan ook en zij werkten, kochten dingen in, verkochten en dan ik kreeg 40 procent rente. Soms handelde ik ook zelf, bijvoorbeeld in auto’s. Ik kocht auto’s, ik verkocht auto’s. Als ik hier was, was mijn beginkapitaal altijd daar, dus dat werk dat geld ging gewoon door. Dus dat geld dat ik over de galerij heb gegooid, dat is een soort spaargeld van mij van de afgelopen vijftien jaar. Ik nam elke keer dat geld een klein beetje mee naar Nederland. Ik wisselde geld gewoon in Iran. Ik nam tienduizend per keer mee. Omdat ik tienduizend mag meenemen naar Nederland.”
Het hof heeft over het bewijs voorts overwogen:
“Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 22 maart 2020 te ’s- Hertogenbosch tezamen met een ander of anderen een geldbedrag van € 131.055,00 en een geldbedrag van 13.105,00 Britse en/of Schotse ponden (omgerekend € 14.212,39) uit enig misdrijf heeft witgewassen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat het aangetroffen geldbedrag van de zoon van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] , is. De verdachte heeft geen wetenschap gehad van de aanwezigheid van het tenlastegelegde geld in haar woning en heeft daarover ook geen beschikkingsmacht gehad. Voorts kan niet worden bewezen dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. De verdachte en haar zoon hebben een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de herkomst van het geld: het geld zou voor een deel spaargeld betreffen en afkomstig zijn uit een erfenis uit Iran. Die verklaring van de verdachte wordt ondersteund door de verklaring van haar dochter [medeverdachte 2] , de verklaring van getuige [medeverdachte 3] en de overige in het dossier aanwezige stukken. Het Openbaar Ministerie heeft onvoldoende onderzoek verricht naar de door de verdachte gegeven alternatieve herkomst van het geld.
Voorts heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte ten minste voor een bedrag van € 28.784,21 een concrete en min of meer verifieerbare verklaring heeft gegeven. Het Openbaar Ministerie heeft in een berekening geconcludeerd dat de verdachte dit bedrag aan spaargeld tot haar beschikking zou kunnen hebben gehad. Het tenlastegelegde bedrag dient dan ook te worden gematigd tot een bedrag van € 116.483,18, aldus de raadsvrouw.
Feiten en omstandigheden
Het hof leidt uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 22 maart 2020 in de vroege nachtelijke uren werd naar aanleiding van diverse meldingen een groot contant geldbedrag aangetroffen rondom de woning van de verdachte. De politie zag dat de zoon van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] , veel contant geld vanaf de galerij bij die woning naar beneden strooide. Verspreid rond de woning van de verdachte is een bedrag van in totaal € 90.870,00 en een bedrag van 13.095,00 aan Britse en/of Schotse ponden aangetroffen. In de woning van de verdachte werd daarnaast € 14.085,65 en 10 Britse ponden aangetroffen. De dochter van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] , blijkt in de ochtend daarop, na een bezoek aan de woning van de verdachte een bedrag van € 26.100,00 onder zich te hebben. Zij verklaarde dat zij dit bedrag bij de woning van de verdachte in een koffer heeft aangetroffen en heeft meegenomen. Het geldbedrag was van haar moeder, [betrokkene 1] .
Het geld dat in en om de woning van de verdachte en bij haar dochter is aangetroffen, is afkomstig uit de woning van de verdachte, waar toen tevens haar zoon verbleef. Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen verder vast dat de verdachte wist van de aanwezigheid van het geld en dat zij daarover de beschikkingsmacht had. De verdachte en haar zoon hebben het geld voorhanden gehad.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van deze wetsartikelen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
In deze zaak kan geen direct verband worden gelegd tussen enerzijds een bepaald misdrijf en anderzijds de contante geldbedragen die in en om de woning van de moeder en bij de zus van de verdachte zijn aangetroffen. Dat betekent dat er geen gronddelict bekend is.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Beoordeling
Het hof overweegt dat er sprake is van een vermoeden van witwassen, nu er grote bedragen aan contant geld van verschillende coupures (waaronder coupures van € 500,00) en verschillende valuta’s zijn aangetroffen in en om de woning van de verdachte, waar tevens haar zoon verbleef. Het betreft een sociale huurwoning en de verdachte had in de jaren 2015 tot 2020 uitsluitend een bijstandsuitkering, in de loop van die jaren variërend van € 912,00 tot net geen € 1000,00 en daarnaast huur- en zorgtoeslag. Van haar zoon zijn geen legale inkomsten en bezittingen bekend. Van de verdachte mag dan ook worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de bedragen waarvoor het witwasvermoeden bestaat.
De verdachte heeft in haar eerste verklaring op 22 maart 2020 als getuige verklaard dat het geld van haar was, dat ze € 20.000,00 had gespaard en dat het overige geld van een erfenis afkomstig was. Toen de verdachte op 12 juni 2020 als verdachte werd gehoord, heeft zij verklaard dat al het geld van haar zoon is. Zij verklaarde dat zij in 2002 of 2003 in Iran van haar moeder een contant geldbedrag van ongeveer € 10.000,00 tot € 15.000,00 in Iraanse valuta heeft ontvangen. Dit geld heeft zij direct aan haar zoon gegeven en dat geld is nooit in Nederland geweest.
Het hof stelt vast dat de verdachte op essentiële onderdelen wisselend heeft verklaard over de herkomst van het geld, namelijk over van wie het geld was en wat de herkomst daarvan is. Daarnaast heeft de verdachte geen voldoende concrete informatie over de door haar aangevoerde erfenis gegeven, zoals het exacte bedrag daarvan, eventuele mede-erfgenamen, de datum van ontvangst en de namen van de overledene(n).
Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand ongeloofwaardige verklaring heeft gegeven over de herkomst van de gelden, die voldoende tegenwicht biedt aan het vermoeden van witwassen. Dat betekent dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft. Derhalve acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Het hof overweegt voorts dat, gelet op de wijze waarop de geldbedragen in de woning van de verdachte binnen zijn gekomen – door de zoon van de verdachte in delen op verschillende tijdstippen vanuit Iran naar Nederland gebracht – het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat het geld in haar woning uit enig misdrijf afkomstig was.
Het verweer van de verdediging dat de verdachte niet heeft geweten dat er een aanzienlijk geldbedrag in haar woning aanwezig was, passeert het hof gelet op de verklaring van de verdachte die zij als getuige heeft afgelegd, inhoudende dat het geld in haar woning spaargeld (€ 20.000,00) betrof om een huis te kopen en de rest afkomstig was van een erfenis. Voor wat betreft de € 20.000,00 is het voor het hof evident dat met een geldbedrag van slechts € 20.000,00 aan spaargeld geen woning gekocht kan worden. Inzake de eventuele erfenis is verder geen concrete en min of meer verifieerbare informatie door verdachte verstrekt. Tevens komt naar het oordeel van het hof in dit kader betekenis toe aan de omstandigheid dat haar dochter na een bezoek die dag in de vroege ochtend aan haar moeder, kennelijk direct naar de woning van haar moeder is gegaan en in korte tijd nog een bedrag van € 26.100,00 heeft gevonden en heeft meegenomen uit die woning, en dat die dochter heeft verklaard dat dat geld van haar moeder, de verdachte, is.
Het hof volgt de raadsvrouw voorts niet in haar verzoek om het bedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad te matigen. Anders dan de raadsvrouw meent, is ook voor het bedrag van € 28.784,21 – dat kennelijk is afgeleid uit een proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 289-291) met betrekking tot verrichte betalingen en opnames van contanten vanaf verdachtes bankrekening – door de verdachte geen concrete en min of meer verifieerbare verklaring gegeven. In de verklaring die de verdachte als getuige heeft afgelegd, verklaarde zij dat het aangetroffen geld (tot een gedeelte van € 20.000,00) haar spaargeld betrof, maar die verklaring weerspreekt zij in haar als verdachte afgelegde verklaring, waarin zij aangeeft dat al het aangetroffen geld van haar zoon is. De verdachte heeft aldus ook inconsistent verklaard over dit geldbedrag.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
3. Het eerste middel
Het eerste middel is gericht tegen het in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel van het hof dat het inbeslaggenomen geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. Tegen dit oordeel wordt met drie deelklachten opgekomen, die inhouden dat: (i) de bewezenverklaring in strijd is met de bewijsmiddelen 9, 11 en 12, waaruit volgt dat het geld (geheel of ten dele) afkomstig is uit een erfenis, terwijl de bewezenverklaring ook overigens niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid; (ii) de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is, omdat de bewijsmiddelen 9, 11 en 12 inhouden dat het geld (geheel of ten dele) afkomstig is uit een erfenis, terwijl in bewijsmiddel 10 redengevend is geacht dat het gaat om geld dat de verdachte de afgelopen jaren heeft gespaard; (iii) aan de bewezenverklaring een verklaring van [medeverdachte 1] van 22 maart 2020 ten grondslag is gelegd (bewijsmiddel 10), terwijl het hof tevens redengevend heeft geacht dat [medeverdachte 1] later heeft verklaard dat hij op die dag in een psychose zat.
De deelklachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 september 2024 gehechte pleitnota, heeft de raadsvrouw van de verdachte onder meer het volgende naar voren gebracht:
“Cliënte heeft op 12 juni 2020 verklaard dat zij niet wist dat het om een groot geldbedrag gaat, dat zij niet wist dat er zo veel geld in haar woning lag en dat zij hier niet met haar zoon over heeft gesproken. Cliënte stelt dat zij in 2002 of 2003 van haar moeder een contant geldbedrag zou hebben gehad van ongeveer 10 a 15 duizend euro. Dit bedrag zou zij aan haar zoon hebben gegeven. Ook verklaart zij dat het geld wat is aangetroffen niet van haar, maar van haar zoon is en zij niet weet hoe hij eraan is gekomen. Zij geeft aan dat alles in Iran contant gaat, loon in cash wordt betaald en er geen belasting over hoeft te worden betaald.
Deze verklaring staat wat mij betreft niet haaks op de eerdere verklaring van cliënte. De verdediging is het dan ook niet eens met de vaststelling van de rechtbank dat cliënt wisselend heeft verklaard op essentiële onderdelen. Tijdens het eerste verhoor wordt haar enkel de vraag gesteld "wat was er met dat geld?" waarna zij vertelt dat het haar spaargeld betrof en dat een deel van de erfenis afkomstig was. Dat maakt nog niet dat zij verklaart over het gehele bedrag (immers is haar dat nooit concreet voorgehouden) en lijkt dit in lijn te zijn met haar latere verklaring dat zij van haar moeder een contant geldbedrag heeft gehad (als in “een erfenis”).
Kort en goed: cliënte verklaart over wat spaargeld en een deel dat afkomstig is van een erfenis. Maar zij is stellig in haar verklaring dat zij niet wist dat er zo veel geld in haar woning lag en dat dat geld van haar zoon is.
(…)
Wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geld uit enig misdrijf afkomstig was
Ook is de verdediging van mening dat - in tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank - niet kan worden bewezen dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf.
Wat de verdediging betreft heeft cliënte (en zoon) een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke, verklaring gegeven over de herkomst van het geld; het geld zou voor een deel spaargeld betreffen en afkomstig zijn uit een erfenis uit Iran. Een verklaring die wordt ondersteund door de verklaringen van zoon (meegenomen uit Iran), dochter en getuige [medeverdachte 3] . En hetgeen volgens cliënte voldoende steun vindt uit de in het dossier aanwezige stukken (aantekeningen v.w.b. het over en weer reizen van zoon, de aangetroffen ticket van Iran Air en de 3 matches van Easy Jet op naam van zoon t.a.v. eventuele reisbewegingen) en de aanwijzingen dat cliënte handelde op Markplaats. Cliënte en naasten hebben nog getracht dit concreter te maken met aanvullende informatie uit Iran, zijn hiervoor zelfs afgereisd naar Iran, echter krijgen zij daar geen aanvullende informatie.
Nu de verklaring van cliënte voldoende tegenwicht biedt, was het aan het Openbaar Ministerie geweest om nader onderzoek te doen naar de door cliënte gestelde alternatieve herkomst van het geld. Dat heeft echter onvoldoende plaatsgevonden.
Al met al kan dan ook volgens de verdediging nu niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft en is het niet zo dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.
De verdediging is ook van mening dat niet kan worden bewezen dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf en verzoekt u cliënte ook om die reden vrij te spreken.”
Door de steller van het middel wordt niet betwist dat de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een witwasvermoeden rechtvaardigen. Het vermoeden van witwassen leidt het hof af uit het aantreffen van grote contante geldbedragen in en rondom de woning van de verdachte, bestaande uit verschillende coupures (waaronder biljetten van € 500) en verschillende valuta, terwijl de verdachte enkel een bijstandsuitkering genoot en huur- en zorgtoeslag ontving. Daarbij betrekt het hof dat van de zoon van de verdachte, die soms in haar woning verbleef, geen legale inkomsten en bezittingen bekend waren.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad over het bewijs van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” in de zin van de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. Sr) vloeit voort dat indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een witwasvermoeden rechtvaardigen, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.
Het hof heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte niet kan worden beschouwd als een verklaring in voornoemde zin, die voldoende tegenwicht biedt aan het vermoeden van witwassen. Daartoe heeft het hof overwogen dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de herkomst van de geldbedragen (van wie was het geld en op welke wijze is het verkregen?) en dat de verdachte over (de door haar aangevoerde) erfenis geen voldoende concrete informatie heeft gegeven (zoals het exacte bedrag, eventuele mede-erfgenamen, de datum van ontvangst en de namen van de overledene(n)). Dat oordeel kan ik goed volgen. Immers stelt de verdachte in haar verklaring als getuige op 22 maart 2020 dat het geld van haar was, dat ze € 20.000,00 had gespaard en dat het overige geld van een erfenis afkomstig was, en verklaart zij later (op 12 juni 2020) als verdachte dat al het geld van haar zoon is, dat zij in 2002 of 2003 in Iran van haar moeder een contant geldbedrag van ongeveer € 10.000,00 tot € 15.000,00 in Iraanse valuta heeft ontvangen, dat zij dit geld direct aan haar zoon heeft gegeven en dat het geld nooit in Nederland is geweest. Deze verklaringen staan niet alleen haaks op elkaar, maar ook haaks op de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] , die op 7 mei 2020 en 4 augustus 2020 verklaart dat het geld (in ieder geval gedeeltelijk) van hem is, dat het zijn erfenis is, dat hij heeft gerentenierd en het geld steeds in delen heeft meegenomen naar Nederland.
Op grond van het voorgaande heeft het hof wettig en overtuigend bewezen geacht dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf. Dit oordeel acht ik in het licht van de vaststellingen van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Aan de begrijpelijkheid van dat oordeel doet niet af dat het hof de verklaring van de verdachte van 12 juni 2020 en de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] (de zoon van de verdachte) van 7 mei 2020 en van 4 augustus 2020 als bewijsmiddel heeft opgenomen, ook niet voor zover daarin is verklaard (kort gezegd) dat het geld (geheel of gedeeltelijk) afkomstig is uit een erfenis. Uit de bewijsoverwegingen van het hof volgt ondubbelzinnig dat het hof meent dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geldbedrag, ook voor zover dat de verklaring over de erfenis betreft. Het hof heeft de verklaringen in de bewijsmiddelen 8, 9, 11 en 12 kennelijk (mede) als bewijsmiddel opgenomen om te illustreren dat steeds wisselend is verklaard over de herkomst en de eigenaar van het geld.
Met betrekking tot de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] van 22 maart 2020 (bewijsmiddel 10) merk ik op dat uit het arrest kan worden afgeleid dat het hof niet is uitgegaan van de verklaring die [medeverdachte 1] destijds heeft afgelegd, inhoudende (kort gezegd) dat hij werkte als geldkoerier van zijn moeder, die handelde in drugs en meisjes. Het bezigen van die verklaring voor het bewijs is in zoverre onbegrijpelijk, en is ook vanwege [medeverdachte 1] ’s latere verklaring dat hij op 22 maart 2020 in een psychose verkeerde, opvallend. Tot cassatie hoeft dit evenwel niet te leiden, omdat de bewezenverklaring kennelijk niet steunt op deze verklaring, en deze dus uit de bewijsvoering kan worden weggestreept.
Het eerste middel faalt.
4. Het tweede middel
Het tweede middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf ontoereikend is gemotiveerd.
Voor de in het kader van de bespreking van dit middel relevante overwegingen uit de pleitnota verwijs ik naar randnummer 3.2.
Voorop stel ik dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte wist dat het bewezenverklaarde geldbedrag in haar woning aanwezig was, welk oordeel in cassatie niet wordt bestreden. Dat geldt ook voor het (impliciete) oordeel van het hof dat de verdachte bekend was met de wijze waarop de geldbedragen haar woning binnenkwamen.
Het hof heeft met betrekking tot de wetenschap van de verdachte over de criminele herkomst van het geld overwogen (reeds weergegeven in randnummer 2.3):
“Het hof overweegt voorts dat, gelet op de wijze waarop de geldbedragen in de woning van de verdachte binnen zijn gekomen – door de zoon van de verdachte in delen op verschillende tijdstippen vanuit Iran naar Nederland gebracht – het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat het geld in haar woning uit enig misdrijf afkomstig was.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het enkele feit dat het geld in delen op verschillende tijdstippen vanuit Iran naar Nederland is gebracht niet met zich hoeft te brengen dat de verdachte daardoor wist dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was. Daarbij wijst de steller van het middel op de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 1] hierover heeft afgelegd, inhoudende dat hij in Iran heeft geïnvesteerd en gerentenierd en dat geld steeds naar Nederland bracht (het dus zou gaan om spaargeld van de afgelopen vijftien jaar). Dat het hof deze verklaring redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring (als onderdeel van bewijsmiddel 12), verhoudt zich niet tot het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was, aldus de steller van het middel.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in de periode van 2015 tot 2020 enkel een bijstandsuitkering genoot en huur- en zorgtoeslag ontving. Over de verklaringen van de verdachte ten aanzien van de herkomst van het geld heeft het hof geoordeeld dat deze niet kunnen worden beschouwd als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de legale herkomst van het geld, zodat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. De verklaringen van de verdachte dragen in zoverre bij aan het bewijs, in die zin dat zij illustreren dat de verdachte tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd (zie randnummers 3.5 en 3.6). Ten aanzien van de zoon van de verdachte ( [medeverdachte 1] ), die soms in de woning van de verdachte verbleef, heeft het hof vastgesteld dat geen legale inkomsten en bezittingen bekend zijn. Uit die overweging leid ik af dat het hof kennelijk geen geloof heeft gehecht aan de verklaring van [medeverdachte 1] dat het geldbedrag dat is aangetroffen zijn oorsprong vindt in een erfenis waarmee hij in Iran investeringen heeft gedaan, en waarover hij grote bedragen aan rente heeft ontvangen. Dat (kennelijke) oordeel van het hof vind ik niet onbegrijpelijk, gelet op de grote omvang van het aangetroffen geld (overwegend in Europese valuta) en de weinig gedetailleerde verklaring van [medeverdachte 1] (die ook verklaart geen stukken te kunnen overleggen over de erfenis). In zoverre is dit gedeelte van de verklaring van [medeverdachte 1] van 4 augustus 2020 ook niet redengevend voor het bewijs, anders dan om te illustreren dat over de herkomst van het geld tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd (zie randnummers 3.5 en 3.6).
Nu in cassatie vaststaat (en ook niet wordt betwist) dat de verdachte wist dat door haar zoon grote geldbedragen vanuit Iran contant werden ingevoerd en werden opgeslagen in het huis, terwijl de verdachte over een legale herkomst van dat geld geen eenduidige (en concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke) verklaring heeft kunnen afleggen, is het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat het geld van enig misdrijf afkomstig was, niet onbegrijpelijk. Onder voornoemde omstandigheden – betreffende de grootschalige invoer van contant geld vanuit het buitenland door de zoon van de verdachte, terwijl uit de verklaringen van de verdachte niet blijkt dat zij kennis droeg van enige legale inkomstenbron van haar zoon, of hem daarover heeft bevraagd – kan minst genomen worden aangenomen dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf welbewust heeft aanvaard.
Het tweede middel faalt.
5. Het derde middel
In het derde middel wordt geklaagd dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de kwalificatie-uitsluitingsgrond geen toepassing vindt. Daartoe wijst de steller van het middel erop dat het hof de volgende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] voor het bewijs heeft gebezigd:
“10. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 maart 2020, gevoegd als bijlage 32 in het algemeen dossier, pagina 401, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte 1] :
A: Mag ik nog iets zeggen over het geld. Het geld is wat zij de afgelopen jaren heeft gespaard en de manier waarop zij leeft. Drugs verkopen, in meisjes handelen. Ik was een koerier die geld van haar naar Iran moest brengen en soms naar Nederland.
V: Wie bedoel je met haar?
A: De voormalige moeder van mij.”
Uit het opnemen van deze verklaring in de bewijsmiddelen leidt de steller van het middel af dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat het aangetroffen geld afkomstig is uit door de verdachte zelf gepleegde misdrijven, zodat het hof toepassing had moeten geven aan de kwalificatie-uitsluitingsgrond.
Het middel hoeft gelet op het in randnummer 3.7 overwogene geen (verdere) bespreking. Daarbij merk ik op dat met betrekking tot de eventuele toepasselijkheid van de kwalificatie-uitsluitingsgrond in hoger beroep geen verweer is gevoerd.
Het derde middel faalt.
6. Slotsom
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G