ECLI:NL:PHR:2026:71

ECLI:NL:PHR:2026:71, Parket bij de Hoge Raad, 13-01-2026, 24/01563

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 16-01-2026
Zaaknummer 24/01563
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Het middel klaagt dat de uitspraak van het hof i.s.m. art. 359 lid 3 en lid 8 Sv niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat, en dat het hof zijn verkorte arrest evenmin met deze bewijsmiddelen heeft aangevuld. De raadsman van de verdachte heeft overeenkomstig het Procesreglement HR tijdig verzocht om alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van de aanvulling op het verkorte arrest a.b.i. art. 365a lid 2 jo. art. 415 Sv. De griffier van het hof heeft de Hoge Raad bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt. Het middel is terecht voorgesteld. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/01563

Zitting 13 januari 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 1 maart 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle (parketnr. 21-003726-21) wegens 1. “mishandeling, meermalen gepleegd”, 2. “wederspannigheid” en 3. “in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr. Het hof heeft daarnaast de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken bevolen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat in Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

Op het moment van schrijven van deze conclusie is de termijn die aan de benadeelde partij is verleend om een schriftuur in te dienen nog niet verstreken. Indien de benadeelde partij alsnog een schriftuur indient, acht ik het nodig om aanvullend te concluderen.

2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Voordat ik toekom aan de bespreking van het middel stel ik de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in de onderhavige zaak einduitspraak gedaan op 1 maart 2024. Namens de verdachte is op 19 april 2024 – dus meer dan veertien dagen na de einduitspraak – cassatieberoep ingesteld. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep (ex art. 432 Sv) zijn de volgende omstandigheden van belang:(i) De dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2024 is niet in persoon aan de verdachte betekend.(ii) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2024 blijkt dat de verdachte niet is verschenen. Wel aanwezig is de raadsvrouw van de verdachte, die verklaart niet door de verdachte te zijn gemachtigd om de verdediging te voeren. Over haar contact met de verdachte brengt zij naar voren:

“Mijn cliënt heeft een inschrijfadres voor de gemeente. Hij heeft verder geen bekende woon- of verblijfplaats. Ik heb contact met mijn cliënt gehad via zijn vriendin. Ik heb gezegd dat er vandaag een zitting is, dus hij is op die wijze op de hoogte geraakt van de zitting. Ik heb mijn cliënt via zijn vriendin laten weten dat ik vond dat hij in hoger beroep moest verschijnen. Ik heb mijn cliënt niet zelf gesproken, wel zijn vriendin. Het contact tussen hen is goed, zij hebben samen een kind. Mijn cliënt is op de hoogte van de zitting. Ik ben niet uitdrukkelijk gemachtigd door mijn cliënt om namens hem de verdediging te voeren.”

Uit de stukken van het geding blijkt dat de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep niet in persoon aan de verdachte is betekend en dat de verdachte niet aanwezig was op de zitting van 16 februari 2024. Cassatie dient in dergelijke gevallen alsnog binnen veertien dagen na de einduitspraak te worden ingesteld indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat de verdachte tevoren op de hoogte was van de dag van de terechtzitting in hoger beroep (art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv).

Ik meen dat de mededeling van de niet-gemachtigde raadsvrouw van de verdachte (zie randnummer 2.1 onder (ii)) niet kan gelden als een omstandigheid waaruit blijkt dat de verdachte tevoren op de hoogte was van de dag van de terechtzitting. Uit hetgeen zij op de terechtzitting naar voren heeft gebracht, volgt dat zij over de dag van de zitting contact heeft gehad met de vriendin van de verdachte en dat zij ervan uitgaat dat de verdachte op deze wijze van de dag van de zitting op de hoogte is geraakt. Op basis van dit bericht kan echter niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat de verdachte het bericht heeft ontvangen en ook daadwerkelijk op de hoogte was van de dag van de terechtzitting.

Er heeft zich ook geen andere omstandigheid voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte meer dan veertien dagen voor 19 april 2024 (de dag waarop het cassatieberoep is ingesteld) bekend was met de einduitspraak. De verdachte kan daarom in het cassatieberoep worden ontvangen.

3. Het middel

Het middel behelst de klacht dat het arrest niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat die het hof heeft gebruikt, en dat het hof zijn verkorte arrest evenmin met deze bewijsmiddelen heeft aangevuld.

Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, bevindt zich een uitspraak van het hof die niet de bewijsmiddelen bevat. Bij die stukken bevindt zich ook geen aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv, met daarin de bewijsmiddelen die zijn gebruikt.

De raadsman van de verdachte heeft op 9 december 2024 ingevolge art. 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden tijdig verzocht om alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van de aanvulling op het verkorte arrest in de zin van art. 365a lid 2 jo. art. 415 Sv. De griffier van het hof heeft de Hoge Raad al op 5 september 2024 bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt.

Op grond van art. 359 lid 3 en lid 8 Sv moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring. De uitspraak van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Het middel slaagt.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?