PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03850
Zitting 20 januari 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 11 oktober 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens "aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Het hof heeft tevens de onttrekking aan het verkeer van twee inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven honden bevolen. Tot slot heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte heeft M. van Viegen, advocaat in Utrecht, vier middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het middel keert zich tegen de verwerping door het hof van het door de verdediging gevoerde rechtmatigheidsverweer.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“primair
hij op of omstreeks 22 mei 2022 te [plaats] grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig de onder zijn gezag staande honden [naam hond 1] en [naam hond 2] , onvoldoende onder controle heeft gehad/gehouden, waardoor de honden [slachtoffer] - meermaals in zijn lichaam en/of gezicht hebben kunnen bijten en/of hebben gebeten en/of - meermaals ten val hebben kunnen brengen en/of hebben gebracht en/of - meermaals achterna hebben kunnen rennen en/of zijn gerend, immers heeft hij de honden niet aangelijnd en/of niet gemuilkorfd en/of niet onder strikte begeleiding op een openbare plaats laten lopen en/of de honden onvoldoende aangeroepen en weggetrokken, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de honden zonder strikte begeleiding en/of controle een gevaar voor de omgeving vormen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een grote hoeveelheid bijtwonden en/of blijvende ontsierende littekens op zijn lichaam en/of in zijn gezicht, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.
subsidiair
hij op of omstreeks 22 mei 2022 te [plaats] geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van (een) onder zijn hoede staande gevaarlijk(e) dier(en), te weten twee honden ( [naam hond 1] en [naam hond 2] ), immers hebben die honden [slachtoffer] aangevallen en veelvuldig gebeten, terwijl verdachte de honden niet aangelijnd en/of niet gemuilkorfd op een openbare plaats heeft laten lopen en/of de honden onvoldoende heeft aangeroepen en weggetrokken waardoor onvoldoende controle over die honden mogelijk was.”
Het hof heeft het verweer van de verdediging als volgt samengevat en verworpen (met weglating van voetnoten):
“Namens verdachte is in een overgelegd schriftelijk pleidooi -kort samengevat- aangevoerd dat de honden onrechtmatig in beslag zijn genomen. Het door dit onrechtmatige beslag verkregen bewijs moet worden uitgesloten.
[…]
Ten aanzien van de inbeslagname van de honden
In het dossier bevindt zich een kennisgeving inbeslagname van de honden op 5 juni 2022. Daaruit blijkt dat de inbeslagname is gegrond op artikel 94 wetboek van strafvordering (hierna: Sv). Op grond van artikel 96 Sv waren de opsporingsambtenaren slechts bevoegd tot inbeslagname in het geval van ontdekking op heterdaad of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.
Het hof stelt vast dat de verdenking niet valt onder de omschrijving van laatstgenoemd artikel en dat op het moment van de inbeslagname geen sprake was van een heterdaad situatie. Genoemde artikelen boden de opsporingsambtenaren geen bevoegdheid tot inbeslagname. Er is dan ook sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of aan het vormverzuim een rechtsgevolg verbonden dient te worden en, zo ja, welk. Daarbij dient rekening gehouden te worden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, met de ernst van het verzuim en met het nadeel dat daarmee voor verdachte wordt veroorzaakt. Het hof overweegt dat op grond van de bovengenoemde incidenten de burgemeester, met toepassing van artikel 172 Gemeentewet, bevoegd was tot inbeslagname van de honden. Daarbij heeft het hof gelet op de vermelding in het proces-verbaal van binnentreden dat ten tijde van de inbeslagname de honden betrokken waren geweest bij een bijtincident met ernstig letsel (het hof verstaat: de onderhavige zaak) en dat er een melding was dat de honden eerder al eens uitgebroken waren uit de tuin en dat men een nieuw bijtincident wilde voorkomen. Het hof stelt vast dat er sprake is van een situatie waarin de overheid haar handelen op een onjuiste grondslag heeft verricht, maar waarin hetzelfde overheidsoptreden onder vermelding en aanwending van de juiste wetsartikelen en bevoegdheden rechtmatig zou zijn geweest. Daarmee is geen sprake van een situatie waarin een voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, zodat geen grond bestaat voor bewijsuitsluiting.
Het hof ziet ook geen aanleiding om tot strafvermindering over te gaan. Daarbij betrekt het hof dat verdachte voor inbeslagname van de honden was gewaarschuwd bij een eerder (bijt)incident.
Het hof volstaat dan ook met de enkele constatering van het verzuim.”
Mede gelet op de toelichting klaagt het middel dat het hof de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting ontoereikend heeft gemotiveerd, zodat het oordeel van het hof (dat weliswaar sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, maar dat kan worden volstaan met de enkele constatering daarvan) onbegrijpelijk is, althans dat het hof geen passend rechtsgevolg aan het begane vormverzuim heeft verbonden.
Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Van een ‘vormverzuim’ als bedoeld in art. 359a Sv is sprake indien strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften niet zijn nageleefd. In zijn overzichtsarrest van 1 december 2020 overwoog de Hoge Raad:
“2.1.3
[…]
Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg.
[…]
Strafvermindering
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.3 met betrekking tot strafvermindering als aan een vormverzuim te verbinden rechtsgevolg onder meer het volgende overwogen:
“Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt (...) slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.”
Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Dat volgt ook uit de onder 2.1.3 weergegeven uitgangspunten dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken en dat hij de bevoegdheid, maar niet de plicht heeft om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek.
Door het verbinden van strafvermindering als rechtsgevolg aan een vormverzuim, brengt de rechter tot uitdrukking dat het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. In de toepassing van strafvermindering ligt dan ook een krachtiger, in de mate van strafvermindering tot uitdrukking te brengen afkeuring van het vormverzuim besloten dan in die enkele constatering.
Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als door de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen bewijs is vergaard. Verder is toepassing van strafvermindering niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.
Gelet op het onder 2.1.3 genoemde uitgangspunt van subsidiariteit is het aangewezen dat indien grond bestaat voor het verbinden van een rechtsgevolg aan het vormverzuim en het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel zich laat compenseren door strafvermindering, daarmee wordt volstaan. De toepassing van strafvermindering heeft immers in het licht van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen aanmerkelijk minder verstrekkende of willekeurige consequenties dan niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging of – onder omstandigheden, afhankelijk van het resterende bewijsmateriaal en de redengevendheid daarvan voor een eventuele bewezenverklaring – de toepassing van bewijsuitsluiting.
Bewijsuitsluiting
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 drie categorieën van gevallen onderscheiden waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Allereerst gaat het om gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs, noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen. Deze categorie blijft onverkort bestaan.
De Hoge Raad komt wel tot een wijziging met betrekking tot de twee andere categorieën van gevallen die zijn benoemd in het arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321. Daarin gaat het om de volgende gevallen waarin bewijsuitsluiting aan de orde kan zijn:
- “gevallen waarin het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar sprake is van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden” en “toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk (kan) worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm”, alsmede
- “de – zeer uitzonderlijke – situatie (waarin het verzekeren van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM de rechter niet noopt tot toepassing van bewijsuitsluiting en evenmin sprake is van een op zichzelf reeds zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte, maar) waarin het desbetreffende vormverzuim naar uit objectieve gegevens blijkt zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen”.
In het arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 kent elk van die twee categorieën een afzonderlijk beoordelingskader, met ook specifiek daaraan verbonden eisen met betrekking tot het stellen en onderbouwen van de voor de beoordeling relevante omstandigheden. De Hoge Raad is nu van oordeel dat kan worden volstaan met het navolgende gemeenschappelijke, meer globale beoordelingskader, omdat deze twee categorieën in de praktijk niet steeds goed te scheiden zijn en toepassing daarvan als te complex wordt ervaren.
Dit gemeenschappelijke beoordelingskader ziet op gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In die gevallen geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren en met inachtneming van het onder 2.1.3 genoemde uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan.”
In verband met de klacht over de motivering van de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting voert de steller van het middel aan dat het hof ‘heeft nagelaten wettelijke voorschriften die betrekking hebben op overtreding van, dan wel bevoegdheden inzake de openbare orde te benoemen’ en dat het hof ‘niet de juiste wetsartikelen en bevoegdheden heeft aangewend’, zodat om die reden niet kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van een aanzienlijke schending van een rechtsbeginsel en dat het onvoldoende is om slechts art. 172 Gemeentewet te noemen.
Het hof heeft bij de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan het geconstateerde vormverzuim moet worden verbonden en zo ja, welk, vooropgesteld dat rekening gehouden moet worden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daarmee voor de verdachte heeft veroorzaakt. Het hof heeft overwogen dat de burgemeester in dit geval met toepassing van art. 172 Gemeentewet bevoegd was tot inbeslagname van de honden, nu deze honden volgens het proces-verbaal van binnentreden betrokken waren geweest bij een bijtincident met ernstig letsel en er een melding was dat de honden eerder al eens uitgebroken waren uit de tuin en dat men een nieuw bijtincident wilde voorkomen. Op basis daarvan heeft het hof geoordeeld dat sprake is geweest van een situatie waarin de overheid haar handelen op een onjuiste grondslag heeft verricht, maar waarin hetzelfde overheidsoptreden onder vermelding en aanwending van de juiste wetsartikelen en bevoegdheden rechtmatig zou zijn geweest, zodat geen sprake is van een situatie waarin een voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en er geen grond bestaat voor bewijsuitsluiting.
Het hof heeft met zijn overwegingen beoogd tot uitdrukking te brengen dat het geen reden ziet om tot bewijsuitsluiting over te gaan, nu geen sprake is van een geval als bedoeld in het door mij weergegeven arrest van de Hoge Raad waarin het gaat om een ‘ernstige’ schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. Dat oordeel acht ik mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd – namelijk dat het recht van verdachte op privéleven is geschonden en zijn eigendommen ‘teniet’ zijn gedaan – niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende met redenen omkleed. Daarbij wijs ik op de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit volgt dat een schending van art. 8 EVRM niet automatisch ook een schending van art. 6 EVRM met zich brengt.
Voor zover de steller van het middel klaagt dat uit de uitspraak van de Raad van State van 2 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3698) zou blijken dat in de onderhavige zaak tevens APV-bepalingen zijn overtreden die een inbeslagname rechtvaardigden, zodat de burgemeester niet op grond van art. 172 Gemeentewet tot inbeslagname bevoegd was, wordt miskend dat de genoemde uitspraak van de Raad van State geen betrekking heeft op de APV van de gemeente [plaats] . Nu de steller van het middel ook niet aangeeft om welke APV-bepalingen van de gemeente [plaats] het zou gaan, kan de klacht niet slagen.
De steller van het middel voert tot slot aan dat het onbegrijpelijk is dat het hof vanwege het vormverzuim geen strafvermindering heeft toegepast, nu het hof slechts heeft overwogen dat de verdachte voor inbeslagname van de honden was gewaarschuwd bij een eerder (bijt)incident. Daarnaast voert hij aan dat de verdachte betwist dat de honden eerder zijn uitgebroken of ontsnapt of dat een bijtincident heeft plaatsgevonden, terwijl de eerdere mutaties uit het strafdossier zien op meldingen uit [plaats] en [plaats] en niet aan de verdachte kunnen worden gelinkt, omdat de pleegplaats van het tenlastegelegde [plaats] is.
Bij de beoordeling van de klacht roep ik in herinnering dat uit het door mij in randnummer 2.5 weergegeven overzichtsarrest van de Hoge Raad (met name rechtsoverwegingen 2.3.1 tot en met 2.3.4) onder meer volgt dat voor toepassing van strafvermindering is vereist dat het gaat om een ‘voldoende ernstig’ vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast en de rechter met het verbinden van strafvermindering als rechtsgevolg aan een vormverzuim tot uitdrukking brengt dat het vormverzuim ‘zodanig ernstig’ is dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim.
Het hof heeft naar aanleiding van het verweer van de verdediging, dat strekte tot bewijsuitsluiting, geoordeeld dat sprake is geweest van een situatie waarin de overheid haar handelen op een onjuiste grondslag heeft verricht, maar waarin hetzelfde overheidsoptreden onder vermelding en aanwending van de juiste wetsartikelen en bevoegdheden rechtmatig zou zijn geweest, zodat geen sprake is van een situatie waarin een voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en er geen grond bestaat voor bewijsuitsluiting. Vervolgens is door het hof overwogen dat het ‘ook’ geen aanleiding ziet om tot strafvermindering over te gaan. Het hof heeft verder overwogen dat het ‘daarbij’ betrekt dat de verdachte voor inbeslagname van de honden was gewaarschuwd bij een eerder (bijt)incident. Het hof heeft dan ook volstaan met de enkele constatering van het verzuim.
Het oordeel van het hof dat het ‘ook’ geen aanleiding ziet om tot strafvermindering over te gaan en de beslissing om te volstaan met de constatering van het verzuim, borduurt voort op het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een situatie waarin de overheid haar handelen op een onjuiste grondslag heeft verricht, maar waarin hetzelfde overheidsoptreden onder vermelding en aanwending van de juiste wetsartikelen en bevoegdheden rechtmatig zou zijn geweest, zodat geen sprake is van een situatie waarin een voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. In het oordeel van het hof dat het ‘ook’ geen aanleiding ziet om tot strafvermindering over te gaan, ligt naar ik meen besloten dat het vormverzuim door het hof niet ‘zodanig ernstig is’ geacht dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. Dat oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en draagt de beslissing van het hof om te volstaan met de constatering van het vormverzuim zelfstandig. De overweging van het hof dat het daarbij betrekt dat de verdachte voor inbeslagname van de honden was gewaarschuwd bij een eerder (bijt)incident, vormt daarmee een overweging ten overvloede. Daarbij betrek ik dat door de verdediging enkel een bewijsuitsluitingsverweer is gevoerd en niet ook is aangevoerd dat het vormverzuim tot strafvermindering moet leiden.
Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof doet niet af dat de verdachte betwist dat de honden eerder zijn uitgebroken, ontsnapt of dat een bijtincident heeft plaatsgevonden, hetgeen steun zou vinden in de omstandigheid dat de eerdere mutaties uit het procesdossier zien op meldingen uit [plaats] en [plaats] . Uit het arrest volgt immers dat het hof op basis van een tot het bewijs gebezigd proces-verbaal van bevindingen heeft vastgesteld dat de verdachte bij drie dierenmeldingen betrokken is geweest, waarvan er twee gaan over bijtincidenten. Bovendien blijkt uit het BRP-overzicht betreffende de verdachte dat hij eerder in [plaats] en [plaats] woonachtig is geweest.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
3. Het tweede middel
Het middel klaagt, mede gelet op de toelichting, dat het hof niet heeft gereageerd op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaring van de [getuige] niet bruikbaar is voor het bewijs.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gelet op zijn overgelegde pleitnota aangevoerd:
“Bewezenverklaring
- Signalement aangifte d.d. 25 mei 2022, p. 4 procesdossier, dader en honden.
- Omschreven herkenningen zijn zo algemeen dat onvoldoende specifiek is, geen sprake van onderscheidende kenmerken aan gezicht en postuur en specifieke omschrijving van haardracht, kleding of wijze van voortbewegen.
- Cliënt ontkend en signalement voldoet niet.
- Bewijsminimum, slechts het slachtoffer beschrijft dit signalement.
- Nader PV d.d. 11 december 2023 is onbetrouwbaar, in de eerste aangifte nimmer over " [naam hond 2] rustig, [naam hond 2] rustig” gesproken.
- Dit is afkomstig uit verhoor getuige d.d. 4 juni 2022 van de [getuige] . Aangever heeft dit niet uit eigen waarneming verklaard. Voorts, wordt gesproken over een, alcoholgeur bij cliënt ineens, terwijl dit bij de aangifte niet is vermeld. Overigens was aangever zelf onder invloed van alcohol de onderhavige nacht.
- Daarnaast betwist de verdediging de herkenning, nu deze 72 weken na de pleegdatum, het was nacht en er is bij aangifte een zeer algemeen en onvoldoende specifiek signalement opgegeven.
- Opvallend: uit meldingen […] (p. 25-28) blijkt juist dat cliënt zijn honden niet of nauwelijks zou uitlaten, nu sprake zou zijn geweest van geluidsoverlast, vervuiling en stankoverlast. Dit wordt bevestigd in de getuigenverklaring van [getuige] , voorts blijkt uit deze verklaring dat cliënt en zijn honden gewoon thuis waren hij was immers ‘in de weer’ en de honden waren aan het blaffen.
- De getuigenverklaring van [getuige] kan derhalve niet bruikbaar voor het bewijs.
- Er is geen sprake van rechercheonderzoek, slechts van een buurman die achteraf bevindingen deelt naar aanleiding van berichten op internet van ene.”
Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 22 mei 2022 te [plaats] aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig de onder zijn gezag staande honden [naam hond 1] en [naam hond 2] , onvoldoende onder controle heeft gehad, waardoor de honden [slachtoffer]
- meermaals in zijn lichaam en gezicht hebben gebeten en
- meermaals ten val hebben gebracht en
- meermaals achterna hebben gerend,
immers heeft hij de honden niet aangelijnd en niet gemuilkorfd en niet onder strikte begeleiding op een openbare plaats laten lopen en/of de honden onvoldoende aangeroepen en weggetrokken, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de honden zonder strikte begeleiding en controle een gevaar voor de omgeving vormen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een grote hoeveelheid bijtwonden en blijvende ontsierende littekens op zijn lichaam en in zijn gezicht, heeft bekomen.”
Het hof heeft het proces-verbaal verhoor [getuige] voor het bewijs gebruikt en naar aanleiding daarvan overwogen:
“De [getuige] heeft verklaard dat hij via Facebook een oproep zag waarin werd gezocht naar getuigen van een bijtincident. De getuige had eerder op Instagram en RTV Utrecht gelezen over een bijtincident met twee honden en een kale getinte man als eigenaar. De getuige geeft aan dat het gaat om zijn buurman van [a-straat 1] . De buurman voldoet aan het signalement en hij heeft twee honden, een bruin/grijze en een zwarte. Een van de honden heet [naam hond 2] . Op zijn beveiligingscamera had de getuige gezien dat de buurman in de weer was tussen zondag 22 mei om 03:58 uur en zondag 22 mei om 04:31 uur en 04:51 uur. Hij liep naar buiten en even later weer naar binnen. Ook was hondengeblaf te horen.”
Een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv laat zich kenmerken als een duidelijk en door argumenten geschraagd standpunt dat is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie en ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht.
Het hof heeft hetgeen door de verdediging over de bruikbaarheid van het bewijs van de getuigenverklaring van de [getuige] is aangevoerd kennelijk niet opgevat als een responsieplichtig (bewijs)verweer als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Dat kennelijke oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Het is gelet op de pleitnota in ieder geval niet duidelijk waarom de getuigenverklaring van [getuige] niet bruikbaar voor het bewijs zou zijn. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is derhalve geen sprake.
Het middel faalt.
4. Het derde middel
Het derde middel klaagt dat de bewijsmiddelen in het arrest van het hof ontbreken.
Het arrest van het hof is volgens de zogenaamde ‘Promis’-werkwijze opgebouwd, wat inhoudt dat er in de voetnoten naar de bewijsmiddelen wordt verwezen. Het middel lijkt deze bestendige praktijk te miskennen en mist daarmee feitelijke grondslag.
Het middel faalt.
5. Het vierde middel
Het vierde middel beoogt er – naar ik begrijp – over te klagen dat niet aan het bewijsminimum is voldaan.
Het hof heeft in zijn arrest – voor zover hier van belang – als volgt overwogen (met weglating van voetnoten):
“Op 25 mei 2022 heeft [slachtoffer] , hierna te noemen aangever, aangifte gedaan bij de politie. Hij heeft verklaard dat hij op 22 mei 2022 rond 03:00 uur bij de skatebaan liep, toen hij uit het niets werd aangevallen door twee honden. Het ging om een bruine hond met een witte bef, mogelijk een teefje, en een zwarte hond met een witte bef, mogelijk een reu. Het ging om pitbullachtige honden. De honden waren niet aangelijnd. Bij de eerste aanval heeft aangever een man gezien, die de honden van hem beeft afgehaald. De man had moeite de honden onder controle te houden. De man wordt omschreven als donker getint, ongeveer 1.70m a 1.75m lang, ongeveer 30 jaar, stevig postuur, gespierd en van Surinaamse/Antilliaanse afkomst. Aangever is daarna nog driemaal aangevallen door de honden. Hij is gebeten over zijn gehele lichaam. Hij heeft bijtwonden in zijn benen, armen, gezicht, neus en de littekens die hij daarvan heeft opgelopen zullen voor altijd zichtbaar blijven. Na de eerste aanval heeft aangever de man niet meer gezien of horen roepen.
Uit de medische verklaring blijkt dat aangever een diepe verwonding heeft opgelopen aan zijn rechterwang. De wond is gehecht. De wang is gezwollen en er is een bloeduitstorting. In zijn rechterneusvleugel zit een bijtwond die gehecht is. De linker onderarm heeft een grote wond die gehecht is en twee kleinere. De linker bovenarm heeft een forse wond en drie kleinere bijtopeningen. De rechterarm heeft wondjes. Het linkerbeen heeft vier bijtwonden, het rechter been twee. Links van de anus zitten twee verwondingen. Verder zijn over het hele lichaam krabwonden, bijtwonden en beschadigde huid te zien.
Op 22 mei 2022 omstreeks 04:35 uur trof de politie een bebloede man bovenop het dak van een auto. De man had zichtbaar letsel aan zijn gezicht en benen. De man vertelde te zijn aangevallen door pitbulls.
De [getuige] heeft verklaard dat hij via Facebook een oproep zag waarin werd gezocht naar getuigen van een bijtincident. De getuige had eerder op Instagram en RTV Utrecht gelezen over een bijtincident met twee honden en een kale getinte man als eigenaar. De getuige geeft aan dat het gaat om zijn buurman van [a-straat 1] . De buurman voldoet aan het signalement en hij heeft twee honden, een bruin/grijze en een zwarte. Een van de honden heet [naam hond 2] . Op zijn beveiligingscamera had de getuige gezien dat de buurman in de weer was tussen zondag 22 mei om 03:58 uur en zondag 22 mei om 04:31 uur en 04:51 uur. Hij liep naar buiten en even later weer naar binnen. Ook was hondengeblaf te horen.
Na het plaatsen van een media-bericht heeft de politie een melder gehoord. Deze melder verklaarde over een bijna bijtincident op 21 april [het hof begrijpt: 2022] waarbij een donkere man van tussen de 20 en 35 jaar met kort zwart haar met een stevige zwart/witte hond, vermoedelijk een pitbull of stafford, betrokken waren. De man had de aangelijnde hond niet onder controle. De melder moest uitwijken omdat de hond naar de melder toe trok en wilde bijten. De melder verklaarde dat hij van [b-straat] naar [c-straat] in [plaats] fietste. Het hof heeft in een open bron, te weten google maps, geconstateerd dat deze straten zijn gelegen in dezelfde [stadswijk] als waar verdachte woont. De melding van het bijna bijtincident en de getuigenverklaring hebben ertoe geleid dat de politie verdachte als eigenaar van de honden aanmerkt. Verdachte blijkt bij drie dierenmeldingen betrokken, twee gaan over bijtincidenten en een over een pup. De beide honden zijn na toestemming van de officier van justitie door de politie in beslag genomen in de woning van verdachte. Het gaat om een zwart/bruine stafford/bull red en een rood/bruine stafford/bull teef.
De honden zijn na inbeslagname onderzocht door een dierenarts. De zwarte hond is een pitbull reu met de naam [naam hond 1] . De bruine hond is een pitbull rednose teef met de naam [naam hond 2] .
De Universiteit Utrecht heeft een risicoanalyse afgenomen van beide honden. Reu [naam hond 1] is een zwart met witte aftekeningen Staffordshireterriër/Pitbullachtige. [naam hond 2] is een teef bruin met wit, rednose, type Amerikaanse Staffordshireterriër/Pitbullachtige. Het risico op bijtincidenten naar mensen of dieren door beide honden wordt ingeschat als zeer hoog en de invloed van de huidige eigenaar is zeer risicoverhogend.
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte eigenaar was van de honden die aangever meermaals aangevallen en verwond hebben.
Aangever en de getuige spreken allebei over een bruine en een zwarte pitbullachtige hond met een witte bef. De getuige geeft aan dat een van de honden [naam hond 2] heet. Dat komt overeen met andere gegevens. Ook komt het signalement van verdachte overeen.
Verder komt het tijdstip waarop aangever is aangevallen en door de politie is aangetroffen overeen met hetgeen de getuige heeft waargenomen op zijn beveiligingscamera. Daaruit blijktook dat verdachte die nacht op verschillende momenten “in de weer” was, zijn huis in een uit liep en dat een hond blaft.
Van de woning van verdachte naar de [d-straat] en de [c-straat] waar het slachtoffer voor het eerst door de honden was aangevallen respectievelijk op een auto is aangetroffen, is het 9 a 10 minuten lopen. Het hof leidt hieruit af dat de bijtincidenten zich in de buurt van de woning van verdachte hebben afgespeeld.”
Het hof heeft in de voetnoten 2 tot en met 11 verwezen naar de volgende bewijsmiddelen:
“2. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 3 en 4;
3. Een medische verklaring, pagina’s 16 en 17;
4. Proces-verbaal van bevindingen, pagina 18;
5. Proces-verbaal verhoor [getuige] , pagina 20 en 21;
6. Proces-verbaal van bevindingen, pagina 29;
7. Proces-verbaal van bevindingen, pagina 29;
8. Dierenartsverklaring gezelschapsdieren, pagina 38;
9 Dierenartsverklaring gezelschapsdieren, pagina 47;
10. Risicoanalyse bijtincident(en) pagina 61 t/m 64 en 101 t/m 104;
11. Pagina 141.”
De steller van het middel meent dat het arrest niet voldoet aan de in art. 359 lid 3 Sv genoemde eisen en er ‘onvoldoende bewijsmiddelen zijn om tot een bewezenverklaring te komen’, zodat ‘het oordeel’ van het hof in strijd is met het recht, althans onbegrijpelijk is. Volgens de steller van het middel had het hof de verdachte moeten vrijspreken.
Het middel bevat in het bijzonder de volgende ‘klachten’:
(i.) de bewijsmiddelen ontbreken, zodat de verdediging niet kan toetsen of wordt voldaan aan het bewijsminimum;
(ii.) de motivering schiet in het licht van ‘de wettelijke criteria’ tekort, nu de verdediging heeft aangevoerd dat niet aan het bewijsminimum wordt voldaan omdat het slachtoffer slechts een signalement heeft gegeven en er geen steunbewijs aanwezig is;
(iii.) door het ontbreken van de bewijsmiddelen kunnen er bij een vermeende herkenning van de verdachte en zijn honden geen onderscheidende kenmerken uiteen worden gezet;
(iv.) de waarneming van het slachtoffer is enkel gebaseerd op de herkenning bij een ontmoeting op de pleegdatum waarbij geen onderscheidende kenmerken zijn genoemd en de herkenning daarom ontoereikend is gemotiveerd;
(v.) het hof verantwoordt niet hoe goed en waar zij de verdachte dan wel de honden nog meer van herkennen;
(vi.) de verdediging twijfelt of de verdachte wel dezelfde man is als omschreven door het slachtoffer, terwijl de verdachte ontkent, zodat de betrokkenheid van de verdachte in de pleegperiode niet kan worden bewezenverklaard;
(vii.) de verdediging meent dat de herkenningen van de verdachte zo algemeen zijn dat deze onvoldoende specifiek zijn;
(viii.) de verklaring van [getuige] dient te worden uitgesloten van het bewijs. Indien deze wel kan worden gebruikt, is geen sprake van onderscheidende kernmerken;
(ix.) de verklaringen van dierenartsen en risicoanalyse moeten van het bewijs worden uitgesloten, aangezien sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Indien deze wel kunnen worden gebruikt, is geen sprake van onderscheidende kernmerken.
Los van de vraag of het middel een cassatiemiddel is in de zin van de wet, merk ik op dat het middel – dat in sterke mate een vorm van ‘napleiten’ aanneemt – feitelijke grondslag mist. Het hof heeft zijn bewezenverklaring immers doen steunen op verschillende bewijsmiddelen, die aan elkaar steun bieden. Daarbij heeft het hof overwogen dat en waarom de verdachte de eigenaar was van de honden die aangever hebben aangevallen, waarin de verwerping van het andersluidende verweer van de verdediging besloten ligt.
Het middel faalt.
6. Slotsom
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG