PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04161
Zitting 10 maart 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 20 oktober 2023 (parketnr. 23-004177-18) het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2018 (parketnr. 13-665128-17) waarbij de verdachte veroordeeld is wegens “Poging tot diefstal voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren” bevestigd, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen voor een bedrag van € 2.500,- met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel voor dit bedrag, waarbij de duur van de gijzeling is bepaald op 35 dagen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P.M. Rombouts, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
Deze strafzaak heeft betrekking op een poging om een 87-jarige man in zijn woning te overvallen waarbij geweld tegen de man is gebruikt. De verdachte is daarvoor veroordeeld. Het eerste middel komt op tegen de afwijzing door het hof van het voorwaardelijke verzoek om een deskundige te benoemen die de camerabeelden kan beoordelen. Het tweede middel houdt in dat het bewezenverklaarde daderschap van de verdachte onvoldoende en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd nu door het hof geheel niet is gereageerd op de door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over het kentekenonderzoek, de overeenkomsten in kleding en de betrouwbaarheid van de gedane herkenningen.
Gelet op de inhoud van de middelen zullen zij om doelmatigheidsredenen in omgekeerde volgorde worden besproken.
Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen.
3. Bewezenverklaring en bewijsvoering
Ten laste van de verdachte is in het door het hof bevestigde vonnis bewezenverklaard dat hij:
“op 18 maart 2017 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading toebehorende aan [slachtoffer] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen en te doen volgen van geweld tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren, naar de woning van die [slachtoffer] is gegaan en heeft aangebeld en vervolgens de deur van die woning heeft opengeduwd en vervolgens die [slachtoffer] in het gezicht heeft gestompt en geslagen en die [slachtoffer] tegen zijn zij heeft getrapt en tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: “Ik moet geld hebben.” en “Ik moet 60.000 gulden hebben.” en “Jullie hebben me opgelicht. Jullie zijn oplichters, ik moet geld hebben.”.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2017057362-1 van 20 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pag. 1032-1036.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:
Op 18 maart 2017 zat ik in mijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Plotseling ging mijn hond blaffen. Ik ben doof en hoor de bel niet maar als mijn hond gaat blaffen dan weet ik dat er iemand aan de deur is. Waarschijnlijk heb ik het slot te ver opengedraaid want plotseling kreeg de deur een opsodemieter en ik een stomp in mijn gezicht. Toen dook hij naar binnen. Hij had tape in zijn handen. Ik pakte gelijk zijn klauwen beet met dat tape. Hij sloeg maar wat met die ene klauw en hij heeft het tape niet kunnen gebruiken. Hij sloeg nog steeds op mijn gezicht. Het werd een worsteling. Hij gooide mij op de grond en ik kreeg een trap in mijn zij. Ik deed het raam open om te schreeuwen en toen vluchtte hij. Ik zag hem langs de pui lopen naar de [b-straat] . Hij was donker gekleed. Hij droeg een donker windjack, een donkere broek, ik denk een spijkerbroek en hij had een zwart petje met een klep. Hij was tussen de 180 en 187 cm, een beetje stevig van postuur en een jaar of 35 tot 40 en hij was getint. Tijdens de overval riep hij “Ik moet geld hebben”, “Ik moet 60.000 gulden hebben”, “Jullie zijn oplichters” en “Jullie hebben mij opgelicht”.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2017057362-13 van 20 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pag. 1041-1042.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 1] , zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 18 maart 2017 stond ik voor het raam van mijn woning. Ik keek in de richting van de woning van [slachtoffer] . Ik opende mijn raam en ik hoorde dat [slachtoffer] riep: “Help, ik ben net overvallen”. Ik zag dat er op dat moment een man de trap af liep. Dit betreft de trap die toegang geeft tot de woning van [slachtoffer] . Ik zag dat de man rechtsaf liep over de [a-straat] en vervolgens rechtsaf de [b-straat] in liep richting de [c-straat] . Voor mij was het duidelijk dat dit de overvaller was. Ik zag namelijk dat hij met versnelde pas liep. Toen ik bij de kruising aankwam, stond er een vrouw. Zij zei: “Hij is net in een auto gestapt en met piepende banden weggereden.” Ik ben toen teruggegaan naar [slachtoffer] . Hij zat helemaal onder het bloed. Ik kan de man als volgt omschrijven: Licht getinte huidskleur, donkere kleding, donkere pet met klep.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2017057362-18 van 28 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pag. 1043-1044.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 2] , zakelijk weergegeven:
Ik zag de man rennen over straat. Ik zag dat hij de [b-straat] in rende en aldaar in een geparkeerde auto stapte en heel hard wegreed. Ik vermoed dat het een zwarte of in ieder geval donkerkleurige Volkswagen Golf is. Het kenteken is volgens mij [kenteken 1] . De man was groot en stevig van postuur. Hij had zwart haar en was licht getint. Hij had een zwartkleurig jasje of vest aan met lange mouwen. Hij droeg een spijkerbroek.
4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2017057362 van 4 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pag. 1047-1051.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
In zowel de [a-straat] als de [b-straat] bevinden zich een aantal beveiligingscamera’s. Ik heb de beelden van zaterdag 18 maart 2017 bekeken tussen de tijdstippen 08:45 uur en 09:44 uur. Omstreeks 09:10:40 uur komt er een zwarte Golf rijden vanaf de [a-straat] de [b-straat] inrijden in de richting van de [c-straat] . Vermoedelijk wordt de Golf geparkeerd in de [c-straat] . Na meer dan 3 minuten, rond 09:14:07 uur, komt een man gekleed in een donkerkleurig jack, spijkerbroek, en donkerkleurige pet de [b-straat] inlopen komende vanuit de richting van de [c-straat] , gaande in de richting van de [a-straat] . Deze man voldoet aan het signalement van de overvaller. De man loopt vanuit de [b-straat] links de [a-straat] in, in de richting van perceel [a-straat 1] . Na ongeveer 7 minuten komt dezelfde man vanuit de richting van de [a-straat 1] en loopt in de richting van de [b-straat] . Hij slaat linksaf de [b-straat] in. Vervolgens rent de man vanuit de [b-straat] , rechts de
[c-straat] in. Ongeveer een halve minuut later rijdt een zwarte Golf door de [c-straat] , de kruising met de [b-straat] over richting de [d-straat] .
5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017057362-23 van 10 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pag. 1052-1053.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Door [getuige 2] is gezien dat een persoon die voldoet aan het signalement van de dader in de [c-straat] is een zwarte Volkswagen Golf stapt aan de bestuurderszijde. Door [getuige 2] is vervolgens het kenteken genoteerd: [kenteken 1] . Uit onderzoek in de politiesystemen blijkt dat [kenteken 1] een Opel Astra-G-Caravan, kleur rood betreft. Waarschijnlijk heeft [getuige 2] het verkeerde kenteken genoteerd. Ten einde het daadwerkelijke kenteken van de betreffende Volkswagen te achterhalen heb ik bij het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit een lijst opgevraagd met daarin alle Nederlandse kentekens voor Volkswagens model Golf type vier en vijf. In deze lijst heb ik gezocht op kentekens die een cijfer of letter afwijken van het door [getuige 2] opgegeven kenteken. Het [kenteken 2] staat op naam van [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1988, wonende te [plaats] . Gezien het bovenstaande is het zeer waarschijnlijk dat het voertuig van [verdachte] betrokken is geweest bij de woningoverval.
6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2017057362 van 27 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , [verbalisant 1] en [verbalisant 5] , doorgenummerde pag. 1056-1060.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] , zijn op 22 mei 2017 naar het adres van de ter naam gestelde van het voertuig [kenteken 2] gereden, namelijk: [verdachte] , geboren [geboortedatum] -1988, [e-straat 1] te [plaats] .
Wij zagen een voertuig voor de deur van de woning staan met [kenteken 2] , een Volkswagen Golf, zwart van kleur. Wij zagen dat het een driedeurs Volkswagen Golf betrof met schade aan de passagierszijde achter de deur en een trekhaak. Wij zagen dat het voertuig opvallende velgen had, zogenoemde 6-spaaks velgen en een korte spoiler aan de achterzijde boven het achterraam.
Hierop heb ik, [verbalisant 5] , de camerabeelden van de [A] bekeken. Op deze camerabeelden is de zwarte Volkswagen Golf te zien die is genoemd door de getuige. Ik zag op de camerabeelden op 18 maart 2017 te 09:10:38 AM de Volkswagen Golf aan komen rijden. Op de beelden is te zien dat het voertuig de volgende kenmerken heeft:
- 6-spaaks velgen gelijk aan het voertuig [kenteken 2]
- Schade aan de passagierszijde achter de deur
- Korte spoiler boven het achterraam
- Trekhaak
- 3-deurs
7. Een proces-verbaal met nummer 2017057362 van 28 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde pag. 1136-1137.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Ik heb [verdachte] op 17 en 18 juli 2017 in persoon gezien omdat ik hem wilde horen als verdachte. Ik had daarvoor de interne aandachtsvestiging gezien. Ik zag op de bewegende beelden van de aandachtsvestiging een voor mij onbekende man. Ik zag dat de voor mij onbekende man overeenkwam met [verdachte] die ik in persoon tegenover mij had zitten in de verhoorkamer. Ik zag dat de voor mij onbekende persoon op de aandachtsvestiging een neus had die qua vorm hetzelfde is als de neus van [verdachte] . Ik zag dat de voor mij onbekende persoon hetzelfde postuur had als [verdachte] . Ik zag dat deze onbekende man op dezelfde plekken op het gezicht, bij de kaaklijn, baardgroei had en ik zag dat deze baardgroei dezelfde was qua kleur zoals [verdachte] zijn baard heeft.
8. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2017057362-34 van 15 september 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] , doorgenummerde pag. 1139.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 8 september 2017 ontving ik van collega [verbalisant 4] een e-mail met daarin het verzoek of ik de in de mail meegestuurde videobeelden wilde bekijken. Mij werd gevraagd of ik mogelijk de verdachte op de beelden herkende. Ik bekeek de beelden en mij viel onmiddellijk het postuur van de verdachte op. Nadat ik de beelden meerdere keren goed bekeken had, herkende ik de verdachte op de beelden als zijnde: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [plaats] . Ik ken [verdachte] van een staandehouding. Ik heb [verdachte] op 29 augustus staande gehouden. Ik had een langdurig gesprek met [verdachte] en ik heb hem al die tijd goed kunnen aankijken. Ik herkende [verdachte] onder andere aan zijn postuur. Ik zag dat de verdachte op de beelden een gezet tot fors postuur had. Dit is hetzelfde postuur als het postuur van [verdachte] . Ik herkende de gelaatsvorm van verdachte op de beelden als dezelfde gelaatsvorm die [verdachte] heeft. Ik zag dat de verdachte op de beelden gezichtsbeharing had in de vorm van een baardje en lange donkere bakkenbaard die overging in zijn baardje. Ik herkende dit als dezelfde gezichtsbeharing die [verdachte] heeft. Hij heeft namelijk ook een kort baardje met dezelfde lange bakkenbaarden als die de verdachte op de beelden ook heeft. Verder zag ik op de getoonde beelden dat de verdachte van de camera wegloopt. Ik zag dat het een opvallend loopje was. Ik herkende de manier van lopen als dezelfde manier waarop ik na een staandehouding [verdachte] had zien weglopen.
9. Een proces-verbaal met nummer 2017057362 van 18 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , doorgenummerde pag. 1114-1117.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
De inbeslaggenomen kleding uit de woning van [verdachte] komt overeen met de kleding die de verdachte draagt op de camerabeelden. Ik heb zeer specifieke kenmerken omcirkeld.”
Het bevestigde vonnis houdt onder het kopje “3. Waardering van het bewijs” verder nog de volgende in:
“3.1 Inleiding
Op 18 maart 2017 is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) in zijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Doordat zijn hond begint te blaffen, denkt [slachtoffer] dat iemand voor de deur staat. Op het moment dat [slachtoffer] de deur van het nachtslot haalt, wordt de deur opengeduwd door een onbekende man. [slachtoffer] krijgt daarbij een stomp in zijn gezicht en vervolgens ontstaat een worsteling. [slachtoffer] krijgt daarbij meerdere klappen in het gezicht en een trap in zijn zij. De man roept dat hij geld moet hebben. Het lukt [slachtoffer] om zijn raam open te doen en om hulp te schreeuwen. Op dat moment vlucht de man naar buiten.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd.
De man op de camerabeelden is de dader. Hij voldoet aan het signalement dat door [slachtoffer] is gegeven. De man op de camerabeelden is door twee verbalisanten herkend als verdachte. Deze verbalisanten kennen verdachte, omdat zij verdachte eerder in persoon hebben gezien. De camerabeelden zijn verder duidelijk. Aldus is sprake van een betrouwbare herkenning.
Daarnaast bestaat er een duidelijk verband tussen verdachte en de Volkswagen Golf die eveneens op de camerabeelden is gezien. Tot slot is bij verdachte kleding aangetroffen die op specifieke punten overeen komt met de kleding die de man op de camerabeelden draagt. Het voorgaande maakt dat voldoende bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft onder verwijzing naar zijn pleitaantekeningen aangevoerd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken en heeft daartoe – samengevat – het volgende gesteld.
De herkenningen door de verbalisanten voldoen niet aan de eisen die daaraan in de jurisprudentie worden gesteld. Op de camerabeelden zijn namelijk onvoldoende specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar.
Daar komt bij dat deze herkenningen onbetrouwbaar zijn. De gang van zaken rondom de door de verbalisanten afgelegde verklaringen roept namelijk de nodige vraagtekens op. Zo heeft ten aanzien van een van de verbalisanten te gelden dat drie maanden zijn verstreken tussen het bekijken van de camerabeelden en het opstellen van het proces-verbaal van herkenning. Het voorgaande leidt ertoe dat deze herkenningen moeten worden uitgesloten van het bewijs.
Wat overblijft is onvoldoende om de betrokkenheid van verdachte vast te stellen. De signalementen die door getuigen zijn opgegeven, bevatten geen specifieke persoonskenmerken. Het door een getuige opgegeven kenteken van de vluchtauto komt niet overeen met het kenteken van de auto van verdachte. Tot slot is de bij verdachte aangetroffen kleding onvoldoende redengevend. Nu zich verder ook geen technische bevindingen in het dossier bevinden die verdachte in verband kunnen brengen met de diefstal, dient hij te worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen, blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Zij overweegt daartoe het volgende.
Is de man op de camerabeelden de dader?
In de aangifte heeft [slachtoffer] een signalement gegeven. Hieruit blijkt dat de dader een groot postuur heeft en donker gekleed was. Ook droeg de dader volgens [slachtoffer] een zwarte pet. Rond 09:30 uur ziet [getuige 1] een man met hetzelfde signalement – met versnelde pas – uit de richting van de woning van [slachtoffer] lopen en de [b-straat] inlopen. Op de camerabeelden ziet [verbalisant 1] dat om 09:21 uur een man die voldoet aan genoemd signalement uit de richting van de woning van [slachtoffer] komt en de [b-straat] in rent. Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat de man op de camerabeelden de dader is.
Is verdachte de man op de camerabeelden?
De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met de beoordeling van herkenningen. Getoetst dient te worden of de aan de hand van foto’s of beelden gedane herkenningen voldoende betrouwbaar zijn om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
De rechtbank heeft de volgende elementen in haar beoordeling betrokken. In de eerste plaats heeft zij beoordeeld aan de hand van het bekijken van de bewegende beelden en de stills daarvan in het dossier, of de beelden voldoende duidelijk en helder zijn om een gezichtsherkenning op te kunnen baseren, of er met andere woorden voldoende gezichtskenmerken te zien zijn om een herkenning mogelijk te maken. Daarmee nauw in verband staat een tweede beoordelingselement, namelijk hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter men de verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. Hoe meer dat er zijn, hoe hoger de bewijskracht. Ten slotte heeft de rechtbank nog gekeken of er feiten en omstandigheden zijn die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden (kunnen) maken. In het geval dat er andere bewijsmiddelen dan herkenningen in het dossier aanwezig zijn die de betrokkenheid van verdachte, bij het ten last gelegde kunnen ondersteunen, zijn deze – uiteraard – in de beoordeling betrokken.
De rechtbank heeft de camerabeelden ter zitting bekeken en acht de camerabeelden van voldoende kwaliteit voor een betrouwbare herkenning. Dat op de camerabeelden onvoldoende specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn, zoals aangevoerd door de raadsman, wordt niet gevolgd. De dader komt met zijn hele gelaat duidelijk en scherp in beeld.
De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de afzonderlijke herkenning van verdachte op de betreffende beelden door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] . Beiden hebben verdachte in persoon gezien en hebben verklaard dat zij de man op de camerabeelden herkennen als verdachte Zij geven daarbij nauwkeurig aan op grond van welke uiterlijke kenmerken zij verdachte herkennen, evenals houding en manier van lopen. [verbalisant 4] heeft de beelden op 24 april 2017 bekeken en heeft verdachte op 17 juli en op 18 juli 2017 in persoon gezien, omdat hij hem wilde gaan horen als verdachte. [verbalisant 4] zag dat de onbekende man van de beelden overeenkwam met de persoon die hij voor zich had zitten in de verhoorkamer. Van deze herkenning heeft hij op 28 juli 2017 een proces-verbaal opgemaakt. [verbalisant 6] kent verdachte van een staandehouding op 29 augustus 2017. Hij heeft daarbij een langdurig gesprek gehad met verdachte en heeft verdachte tijdens dat gesprek goed kunnen aankijken. Verbalisanten hebben bij die herkenningen ook te kennen gegeven op grond waarvan zij de man op de camerabeelden herkennen als verdachte.
Het standpunt van de raadsman dat de herkenningen op onbetrouwbare wijze tot stand zijn gekomen, wordt eveneens niet gevolgd. Het enkele feit dat drie maanden zijn verstreken tussen het zien van de camerabeelden en het opstellen van het proces-verbaal van herkenning, maakt de herkenning niet onbetrouwbaar, nu de betreffende verbalisant verdachte pas drie maanden na het bekijken van de camerabeelden heeft gezien.
Op grond van het voorgaande, zal de rechtbank deze herkenningen voor het bewijs gebruiken.
Volkswagen Golf en kleding
In de woning van verdachte is een spijkerbroek aangetroffen die qua uiterlijk overeenkomt met de spijkerbroek die wordt gedragen door de man op de camerabeelden. Zo hebben beide spijkerbroeken dezelfde kleur en bevatten zij beide dezelfde specifieke kenmerkende scheuren.
Daar komt bij dat het kenteken van de (voormalige) auto van verdachte slechts één letter verschilt van het kenteken van de zwarte Volkswagen Golf – de auto op de camerabeelden – zoals door een getuige is doorgegeven. Bovendien zijn een aantal specifieke kenmerken van de Volkswagen Golf op de beelden te zien, zoals 6-spaaks velgen, schade aan de passagierszijde achter op de deur en een korte spoiler boven het achterraam, die ook aanwezig waren op de Volkswagen Golf in eigendom van verdachte ten tijde van de overval.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de man op de camerabeelden verdachte is en dat hij aldus op 18 maart 2017 heeft geprobeerd om – met geweld – een overval te plegen in de woning van [slachtoffer] .
Voorwaardelijke verzoeken van de verdediging
De raadsman heeft, in het geval de rechtbank niet zal komen tot vrijspraak, het verzoek gedaan om [verbalisant 4] , […], [verbalisant 6] te horen als getuigen. […]
De rechtbank overweegt dat deze verzoeken moeten worden getoetst aan het noodzaakcriterium nu de raadsman op 12 oktober 2018 al beschikking had over het complete dossier en hij zijn verzoeken pas op de zitting kenbaar heeft gemaakt.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft de raadsman onvoldoende onderbouwd dat en waarom de herkenningen door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] niet deugdelijk tot stand zouden zijn gekomen, zodat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de betrouwbaarheid daarvan. […] De voorwaardelijke verzoeken van de raadsman zullen worden afgewezen.”
4. Het tweede middel
Het middel houdt in dat het bewezenverklaarde daderschap van de verdachte onvoldoende en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd, omdat in het geheel niet is gereageerd op door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof in het geheel niet is ingegaan op de door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over het kentekenonderzoek, de overeenkomsten in kleding en de betrouwbaarheid van de gedane herkenningen, terwijl deze standpunten geen weerlegging vinden in de door het hof in het bevestigde vonnis overgenomen bewijsoverweging (weergegeven onder 3.3).
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2020 heeft het hof, voor zover van belang, de verzoeken van de verdediging tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] – waarvan de herkenningen van de verdachte door de rechtbank voor het bewijs zijn gebezigd (bewijsmiddel 7 en 8) – toegewezen en is ook het verzoek tot het verstrekking van een DVD met camerabeelden toegewezen. [verbalisant 6] is op 27 januari 2021 door de raadsheer-commissaris gehoord en [verbalisant 4] op 10 januari 2023.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2023 houdt voor zover van belang het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat zich in het dossier beelden bevinden. Gehoord de raadsman, de verdachte en de advocaat-generaal deelt de voorzitter mede dat de beelden van de [A] en de beelden van de [B] op de zitting zullen worden afgespeeld en dat het hof daartoe achtereenvolgens overgaat.
De verdachte antwoordt op vragen van het hof na het tonen van de beelden van de [A] :
Ik ben niet de persoon die op die beelden is te zien.
De raadsman acht van belang te benoemen dat op deze beelden niet kan worden waargenomen dat de auto die voorbij rijdt schade heeft. De schade waarover de verbalisanten hebben geverbaliseerd, is op deze beelden niet te zien. De raadsman merkt over de scheur in de broek van de persoon op de beelden op dat deze niet overeenkomt met de broek die bij de verdachte thuis is aangetroffen. De raadsman verwijst naar pagina’s 1115 en 1117 van het procesdossier waarop te zien is dat de oneffenheden op de broek op een andere hoogte zitten en dat de kleur van de broek afwijkt van de broek die de persoon aan heeft op de beelden.
De advocaat-generaal merkt op dat op de beelden zichtbaar is dat de auto een trekhaak en een spoiler heeft.
De verdachte antwoordt op vragen van het hof na het tonen van de beelden van de [B] :
Ik ben niet de persoon op deze beelden. Dat de verbalisant mij heeft herkend aan het postuur en het loopje kan niet kloppen. Dan heeft hij geen goede herkenning gedaan.
De raadsman merkt op dat de manier van lopen door de persoon op de beelden kan komen doordat de beelden af en toe haperen en het daardoor lijkt dat de persoon op een waggelende manier loopt. De beelden vanaf 09:21:23 zijn het meest cruciaal omdat de verbalisant hierop zijn herkenning heeft gebaseerd. De raadsman zegt dat een gelijkenis is te zien, maar dat niet kan worden gezegd dat de verdachte de persoon is die op de beelden te zien is.
De advocaat-generaal voert aan over het loopje van de persoon op de beelden dat opvalt dat de persoon met zijn bovenlichaam lijkt te schommelen tijdens het lopen.
De advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte delen mede geen behoefte te hebben aan het nader voorhouden van stukken.
[…]
De advocaat-generaal voert het woord en leest de vordering voor. Deze wordt aan het gerechtshof overgelegd en in het dossier gevoegd. De advocaat-generaal:
Ik vraag om bevestiging van het vonnis van de rechtbank met een aanvullende bewijsoverweging. In hoger beroep zijn getuigen gehoord bij de raadsheer-commissaris. De herkenningen van de verbalisanten blijven overeind. Er is sprake geweest van een neutrale aandacht vestiging. Ik heb geen bias gezien in de herkenningen. Eén verbalisant kent de verdachte van een eerdere situatie. De andere herkenning is niet gedaan aan de hand van een eerdere situatie. De beelden zijn duidelijk genoeg om daarop een herkenning te baseren. Op de beelden hebben we een auto gezien, daarop is op zichzelf niet een beschadiging zichtbaar, maar er is wel te zien dat de auto een spoiler en trekhaak heeft. De overige bewijsmiddelen laat ik buiten bespreking omdat ik bevestiging van het vonnis in eerste aanleg vraag. […]
[….]
De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld het woord in repliek te voeren. Deze maakt
daarvan gebruik en zegt:
Ik zie geen aanknopingspunten, dat er sprake zou zijn van bias of van een tunnelvisie. Ik vraag
het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om een deskundige te benoemen af te wijzen. Op basis van het dossier kan inhoudelijk tot een oordeel worden gekomen over het tenlastegelegde.
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld het woord in dupliek te voeren. De raadsman zegt:
Om die reden is het verzoek voorwaardelijk gedaan.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte zegt:
Ik ben 100 procent niet de persoon op de beelden.”
De door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2023 overgelegde pleitnotities houden voorafgaand aan de onder 4.2 genoemde onderdelen en als slotopmerkingen het volgende in (inclusief de bijgeschreven nummering, die hierna tussen vierkante haken is opgenomen):
“[…]
Gelet op de zorgelijke medische situatie heb ik wat directer geïnformeerd naar de bewijspositie in de zaak. Dat deed ik ook omdat cliënt totaal niet leek te begrijpen waarom hij daar zat. Van deze gang van zaken is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt (p. 1106 e.v.) waarin ook staat gerelateerd dat ik heb geïnformeerd naar de bewijspositie. Mij werd toen medegedeeld dat er beeldmateriaal en getuigenverklaringen waren, waarin cliënt als dader was herkend. We kunnen achteraf vaststellen dat die mededeling feitelijk onjuist was. Ik kom daar straks nog op terug als ik de betrouwbaarheid van de in deze zaak figurerende herkenningen zal bespreken.
Dat de bewijspositie niet al te sterk was, moge wel blijken uit het feit dat de rechter-commissaris de vordering tot in bewaring stelling heeft afgewezen bij gebrek aan ernstige bezwaren. Ook het daartegen ingestelde hoger beroep is door de raadkamer van de rechtbank afgewezen.
De enige relevante informatie die er sindsdien is bijgekomen betreffen de processen-verbaal van herkenning door 2 verbalisanten. Vanzelfsprekend zal ik iets gaan zeggen over de betrouwbaarheid van die herkenningen. Maar dat kan niet los worden gezien van de overige omstandigheden die in het dossier worden beschreven. Zoals de beweerdelijke connectie tussen de door de dader gebruikte vluchtauto en de auto van cliënt. En de overeenkomsten tussen de kleding die de dader droeg en de in het huis van cliënt in beslag genomen kleding.
Want dat is in het kort toch hoe de bewijsconstructie is opgebouwd in deze zaak. Er is een connectie gesuggereerd tussen de auto van cliënt en de auto van de dader. Daarop is de aanvankelijke verdenking gebaseerd. Vervolgens zijn er bij de huiszoeking kledingstukken aangetroffen die overeenkomsten lijken te hebben met de door de dader gedragen kleding. En tenslotte zijn er dus 2 herkenningen door verbalisanten die stellen dat ze cliënt op de beelden hebben herkend. Zou je het dossier oppervlakkig bestuderen en niet kritisch bekijken, dan zou je snel geneigd kunnen zijn om te denken dat er wel voldoende bewijs in zit.
En als de genoemde omstandigheden allemaal los van elkaar zouden staan, dan zouden ze elkaar misschien wel kunnen versterken. Maar ze staan niet los van elkaar. [-1] Bijvoorbeeld de herkenning door [verbalisant 4] . Die kan niet los worden gezien van zijn wetenschap over de beweerde connectie tussen de vermoedelijke vluchtauto van de dader en de auto van cliënt. Anders gezegd: [verbalisant 4] heeft iemand als de dader herkend van wie hij al wist dat hij verdachte was. Het behoeft haast geen betoog dat een bias dan al snel op de loer ligt.
Als gezegd is de initiële verdenking gebaseerd op een link naar cliënt en die link is gelegd door het kentekenonderzoek. Daarom zal ik beginnen met het bespreken daarvan. Vervolgens zal ik een aantal kanttekeningen plaatsen bij de beweerde overeenkomsten tussen de in beslag genomen kleding en de kleding die persoon op de camerabeelden droeg.
En tenslotte zal ik bespreken waarom ik van mening ben dat de herkenningen die zijn gedaan onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijsmiddel te kunnen worden gebruikt. Ik zal uw hof verzoeken deze herkenningen niet voor het bewijs te gebruiken en de beelden te beoordelen op uw eigen waarneming.
Een logisch gevolg van de opmerkingen die ik over het bewijs in het dossier zal maken, is dat ik uw hof zal verzoeken om cliënt vrij te spreken.
En hoewel ik graag zou zien dat de zaak afgedaan kan worden, ontkom ik er niet aan om een voorwaardelijk verzoek te doen, voor het geval uw hof het verzoek tot vrijspraak zal passeren.
[…][]
SLOTOPMERKINGEN
Ik maak nog een aantal slotopmerkingen. De bewijsconstructie bestaat in een notendop uit beweerde overeenkomsten in auto’s, in kleding en uit een tweetal herkenningen. Op al deze potentiële bewijsmiddelen valt iets af te dingen.
De rechtbank betrok bij haar oordeel nog de vraag of er contra-indicaties waren die de herkenningen zouden kunnen falsifiëren. En die zijn er in deze zaak weldegelijk. Niet in de zin van een sluitend alibi. Maar wel anderszins.
Ik heb het nog niet eerder vermeld, maar er zijn geen technische bevindingen die cliënt aan dit delict koppelen. Geen telecombewijs, geen DNA, geen vingerafdrukken en geen sporen van aangever op de kleding van cliënt. Dat zegt toch wel iets.
Iets anders is, dat het mij wel heeft verbaasd dat bijvoorbeeld niet is doorgerechercheerd op de door een getuige genoemde [betrokkene 1] . Alleen het feit dat 2 verbalisanten hem niet op de beelden hebben herkend, betekent nog niet dat hij het ook niet is geweest. Hij is immers wel herkend door een getuige. Overigens is mijn grootste verbazing dat er geen printlijsten zijn opgevraagd. Dat had toch behoorlijk voor de hand gelegen zou ik menen.”
Omdat het hof het vonnis in de onderhavige zaak wat betreft de bewijsvoering heeft bevestigd, is het voor de vraag of het hof met die bevestiging van het vonnis toereikend heeft gerespondeerd op de in hoger beroep door de verdediging ingenomen standpunten nuttig om hetgeen is aangevoerd in eerste aanleg en in hoger beroep met elkaar te vergelijken. Daarbij zal ik de door de steller van het middel in de schriftuur gehanteerde volgorde aanhouden: het kentekenonderzoek, de overeenkomsten in kleding en de betrouwbaarheid van de gedane herkenningen.
Het kentekenonderzoek
In eerste aanleg heeft de raadsman van de verdachte blijkens zijn op de terechtzitting van 26 oktober 2018 overgelegde pleitnota onder het kopje “2. Tactische onderzoeksbevindingen onvoldoende redengevend” voor zover van belang het volgende aangevoerd:
“Auto
De politie is er stellig van overtuigd dat het de auto van cliënt is die op camerabeelden is vastgelegd in de buurt van de PD, ten tijde van het incident.
Maar:
1. Onvoldoende is aangetoond dat het daadwerkelijk om de auto van cliënt gaat:
- Het kenteken ( [kenteken 2]) komt niet overeen met het door de [getuige 2] waargenomen kenteken m( [kenteken 1] , pagina 1043).
Terwijl [getuige 2] heeft verklaard het ‘redelijk zeker’ te weten (pagina 1043) en alleen twijfelde over het eerste teken. Bovendien heeft zij het kenteken in het notitieblok van haar telefoon gezet (pagina 1045).
- Dat [getuige 2] het ‘waarschijnlijk verkeerd heeft genoteerd’ (1052), is een niet onderbouwde aanname.
- Zo het kenteken al zou kloppen, is op de mogelijkheid dat er gestolen of valse kentekenplaten op het betreffende voertuig zaten niet door gerechercheerd.
- De zogenaamd onderscheidende kenmerken die zouden maken dat het om de auto van cliënt moet gaan, zijn niet zichtbaar op de stills. De stills zijn te onduidelijk voor de herkenning van persoonskenmerken, maar ook voor autokenmerken.
- Eén en ander nog naast het onzorgvuldige en onbegripelijke proces-verbaal van bevindingen op pagina 1052 en 1053 waarin op volstrekt oninzichtelijke wijze van 60.000 (!!) kentekens naar 2 (!!) wordt gegaan... één op naam van een [betrokkene 2] en één op naam van cliënt.
2. Onvoldoende is aangetoond dat het voertuig daadwerkelijk gebruikt door de dader:
- Het signalement dat [getuige 2] geeft van de bestuurder komt bijvoorbeeld niet overeen met de persoon op de stills (pagina 1043).”
De door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2023 overgelegde pleitnotities houden over het kentekenonderzoek het volgende in (inclusief de bijgeschreven nummering, die hierna tussen vierkante haken is opgenomen):
“DE ONTSTANE VERDENKING TEGEN CLIËNT: HET KENTEKENONDERZOEK
Zoals we hebben kunnen lezen is de verdenking jegens cliënt ontstaan door kentekenonderzoek dat is verricht door [verbalisant 2] . Na dit onderzoek lijkt er een overtuiging te zijn ontstaan dat men met cliënt de juiste persoon als verdachte had aangemerkt. Je zou zelfs van een soort tunnelvisie kunnen spreken, waarbij heel voor de hand liggend onderzoek is achterwege gelaten. En waarbij aannames zijn gedaan, in plaats van dat er feiten werden vastgesteld. En waarbij kritische controlevragen achterwege lijken te zijn gebleken.
Het begint met de aanname dat de dader in een VW Golf is komen aanrijden en ook weer is vertrokken. Die aanname lijkt te zijn gebaseerd op wat de [getuige 2] heeft verklaard. Haar verklaring is overgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] (p. 1052 e.v.). Maar die verklaring is niet helemaal juist overgenomen. [verbalisant 2] relateert in zijn proces-verbaal:
“Door [getuige 2] is gezien dat een persoon die voldoet aan het signalement van de dader in de [c-straat] in een zwarte Volkswagen model Golf stapt aan de bestuurderszijde.... [getuige 2] ziet vervolgens dat deze Volkswagen model Golf over de [c-straat] richting de [f-straat] rijdt”
Maar zo heeft [getuige 2] het helemaal niet geformuleerd. In het proces verbaal van haar (telefonisch afgenomen) verhoor staat gerelateerd:
“Ik vermoed dat het een zwarte of in ieder geval donkerkleurige Volkswagen Golf is, of een model dat hier veel op lijkt.”
Vermoedelijk een VW Golf dus en vermoedelijk zwart. Maar mogelijk ook een ander model auto en mogelijk ook niet zwart, maar donkerkleurig. Toch is [verbalisant 2] uitgegaan van een zwarte VW Golf, mogelijk omdat er een VW Golf op camerabeelden zichtbaar was enige tijd voor en ook enige tijd na de overval.
Maar er zijn nogal wat kanttekeningen te plaatsen bij de conclusies die door de politie zijn getrokken. Want hoe weten we nu zeker dat het wegrijdende voertuig wel is gebruikt door de dader? En minstens zo belangrijk: is het wegrijdende voertuig om 09.21u wel hetzelfde voertuig als het voertuig dat komt aanrijden vanuit de [a-straat] ? Hoe kunnen wij nu weten dat het om 09.21u wegrijdende voertuig niet via een andere route, op een ander tijdstip is komen aanrijden?
En hoe zit het nu met het kentekenonderzoek dat heeft geleid naar de identificatie van cliënt. Dat onderzoek is toch wel met de nodige vraagtekens omgeven. Dat begint met de niet onderbouwde aanname van [verbalisant 2] dat de [getuige 2] waarschijnlijk een verkeerd kenteken heeft genoteerd. Want waar is die aanname op gebaseerd? De getuige verklaart immers zelf vrij stellig te weten dat het door haar genoteerde kenteken klopt: ze heeft het direct in haar telefoon opgeslagen.
Ik vermoed dat ik de gedachtegang van [verbalisant 2] wel kan reconstrueren. Hij heeft gezocht op het opgegeven kenteken en kwam erachter dat dit is afgegeven voor een rode Opel Astra. Dat past niet in het plaatje, en dus zal de getuige zich wel vergist hebben, zo lijkt hij te hebben geredeneerd.
Maar het zou natuurlijk heel goed hebben gekund dat die kentekenplaten als gestolen of vermist waren opgegeven. Het had zeer voor de hand gelegen om dat in elk geval uit te sluiten, maar dat is niet gebeurd.
Wat er wel is gebeurd, is dat er opnieuw een niet onderbouwde aanname wordt gedaan. Er worden namelijk kentekenlijsten opgevraagd van alle kentekens die aan VW Golf model 4 of 5 zijn afgegeven. Daarmee lijkt te zijn aangenomen dat de auto één van die modellen zou moeten zijn. Maar hoe weten we dat? Waarom kon het niet een model 6 geweest zijn bijvoorbeeld?
En dan volgt er nog een aanname, namelijk dat de getuige één teken verkeerd zou hebben genoteerd. En op dat criterium wordt gezocht en op die manier komt [verbalisant 2] uit op het kenteken van cliënt. Maar ook deze aanname is totaal niet onderbouwd. En past ook niet bij de verklaring van [getuige 2] dat ze het vrij zeker weet. En als ze dan al iets verkeerd zou hebben genoteerd, waarom zouden dat dan niet twee tekens geweest kunnen zijn? Bijvoorbeeld door twee tekens te
verwisselen? De getuige heeft het [kenteken 1] genoemd. Maar als ze zich al heeft vergist, zou het dan niet [kenteken 3] of bijvoorbeeld [kenteken 4] kunnen zijn geweest?
Het lijkt aardig bedacht door [verbalisant 2] , maar het onderzoek naar de auto heeft eigenlijk vrij weinig opgeleverd. En toch is er door hem, in het op 10 mei 2017 opgemaakte proces-verbaal een conclusie getrokken waar hij en zijn collega’s niet meer van af te brengen waren:
“Gezien het bovenstaande is het zeer waarschijnlijk dat het voertuig van [verdachte] betrokken is geweest bij voornoemde woningoverval.”
Kort na het opmaken van dit proces-verbaal gaan verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] naar de woning van cliënt. (p. 1056) Zij zien bij de woning een Volkswagen Golf staan, waarvan zij enige kenmerken noteren. Dat wordt als volgt gerelateerd:
“Wij zagen dat het een driedeurs Volkswagen Golf betrof met schade aan de passagierszijde achter de deur en een trekhaak. Wij zagen dat het voertuig opvallende velgen had, zogenoemde 6-spaaks velgen en een korte spoiler aan de achterzijde boven het achterraam....”
Later spelen deze kenmerken een rol, omdat ze ook worden waargenomen bij de auto op de beelden waarvan wordt gedacht dat de dader daarin is komen aanrijden. Ik zeg bewust aanrijden, want van de wegrijdende auto is geen scherp beeld zichtbaar. En zoals ik hiervoor al heb opgemerkt staat wat mij betreft allerminst vast dat de auto die op de beelden om 09.10.38 zichtbaar is, ook de auto is waarmee de overvaller is komen aanrijden.
[verbalisant 5] meent op de beelden te kunnen waarnemen dat de auto die daar komt aanrijden schade achter de bijrijdersdeur heeft. Maar in zijn hoofd heeft de gedachte dan al postgevat dat de auto van cliënt zichtbaar moet zijn op beelden die hij bekijkt. Ook hier ligt een bias op de loer. Ik heb de beelden vele malen teruggekeken en wat mij betreft is dat echt niet zichtbaar. Gelukkig kan uw hof het ook zelf toetsen en ik wil u ook uitdrukkelijk verzoeken om dat ook te doen. [-2]
Het verband dat wordt gelegd tussen de beweerdelijke auto van de dader en de auto van cliënt heeft wat mij betreft onvoldoende diagnostische waarde om als zelfstandig bewijsmiddel te kunnen
fungeren. Daarvoor is een en ander eenvoudigweg met teveel twijfel omgeven. Ik wil uw hof dan ook vragen om deze beweerde connectie niet voor het bewijs te bezigen.
Overigens merk ik nog op dat de raadkamer van de rechtbank die moest oordelen over de voorlopige hechtenis al oordeelde dat niet met voldoende zekerheid was vast te stellen dat de dader is weggevlucht in de auto van cliënt. Er is aan het dossier op dat punt sindsdien niets veranderd.”
Volgens de steller van het middel heeft het hof geen woord gewijd aan de in hoger beroep over het kentekenonderzoek aangevoerde punten dat:
- het niet vast staat dat de dader in een VW Golf is komen aanrijden en ook weer is vertrokken;
- de kentekens van de wegrijdende auto en die van de auto van de verdachte niet overeenkomen, terwijl de getuige die het kenteken heeft genoteerd ( [getuige 2] ) heeft verklaard zeker te weten het juiste kenteken te hebben genoteerd;
- in de door de politie gemaakte zoekslag ten onrechte (alleen) is gezocht naar zwarte VW’s Golf van het middel 4 of 5, terwijl helemaal niet vast stond dat de dader in een dergelijke auto heeft gereden;
- in de door de politie gemaakte zoekslag ten onrechte (alleen) is gezocht naar kentekens die op één positie afwijken van het doorgegeven kenteken;
- er ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid dat gestolen kentekenplaten zijn gebruikt;
- de waarneming van [verbalisant 5] dat op de beelden kenmerken en schade waarneembaar zouden zijn die overeen lijken te komen met de auto van de verdachte is betwist, in die zin dat dit absoluut niet waarneembaar is en is gevraagd of het hof zich daarover uitspreekt.
Door het hof is voor zover van belang door bevestiging van het vonnis vastgesteld dat:
- aangever op 18 maart 2017 in zijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] zat toen er werd aangebeld en dat er toen hij de deur opendeed een worsteling ontstond met een getinte man, met een beetje een stevig postuur, 35-40 jaar oud, tussen de 1.80-1.87 cm lang en gekleed in een donker windjack, een donkere (spijker)broek en een zwart petje met een klep en dat deze man naar de [b-straat] vluchtte (bewijsmiddel 1);
- [getuige 1] op het moment dat de aangever riep dat hij was overvallen zag dat er een man met licht getinte huidskleur, donkere kleding en een donkere pet met klep de trap die toegang geeft tot de woning van de aangever af liep en dat deze man met versnelde pas rechtsaf over de [a-straat] liep en vervolgens rechtsaf de [b-straat] in liep richting de [c-straat] en dat de [getuige 2] toen hij bij de kruising aankwam van [getuige 1] hoorde dat de man net in een auto was gestapt die met piepende banden was weggereden (bewijsmiddel 2);
- [getuige 2] zag dat de man – groot en stevig qua postuur, licht getint, zwart harig en een spijkerbroek en een zwartkleurig jasje/vest met lange mouwen dragend – de [b-straat] in rende en aldaar in een geparkeerde auto – vermoedelijk een zwarte of donkerkleurige Volkswagen Golf met [kenteken 1] – stapte en heel hard wegreed (bewijsmiddel 3);
- op de beelden van de beveiligingscamera’s in de [a-straat] en [b-straat] van 18 maart 2017 te zien is dat omstreeks 09:10:40 uur een zwarte Golf rijdend vanaf de [a-straat] de [b-straat] inrijdt in de richting van de [c-straat] en vermoedelijk in de [c-straat] parkeert (bewijsmiddel 4);
- op de beelden van de beveiligingscamera’s in de [a-straat] en [b-straat] van 18 maart 2017 te zien is dat meer dan 3 minuten later, rond 09:14:07 uur, een man gekleed in een donkerkleurige jack, spijkerbroek en donkerkleurige pet de [b-straat] inloopt komende vanuit de richting van de [c-straat] gaande in de richting van de [a-straat] . Deze man loopt vanuit de [b-straat] links de [a-straat] in, in de richting van perceel [a-straat 1] (de woning van de aangever). Na ongeveer 7 minuten komt dezelfde man vanuit de richting van de [a-straat 1] en loopt in de richting van de [b-straat] waar hij linksaf de [b-straat] in slaat, waarna hij vervolgens vanuit de [b-straat] rechts de [c-straat] in rent (bewijsmiddel 4).
- op de beelden van de beveiligingscamera’s in de [a-straat] en [b-straat] van 18 maart 2017 te zien is dat ongeveer een halve minuut later een zwarte Golf door de [c-straat] rijdt en vervolgens de kruising met de [b-straat] over rijdt richting de [d-straat] (bewijsmiddel 4);
- door [verbalisant 2] op grond van een lijst met daarin alle kentekens voor Volkswagens model Golf type vier en vijf onderzoek is gedaan naar het door [getuige 2] genoteerde [kenteken 1] , waarbij na een zoekslag op kentekens die een cijfer of letter afwijken van het door de getuige opgegeven kenteken, het op naam van de verdachte staande [kenteken 2] als resultaat naar voren kwam (bewijsmiddel 5);
- door verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 1] en [verbalisant 5] is gezien dat er op 22 mei 2017 voor de deur van het huis van de verdachte een zwarte driedeurs Volkswagen Golf stond met [kenteken 2] , 6-spaaks velgen, een korte spoiler aan de achterzijde boven het achterraam en schade aan de passagierszijde achter de deur en de trekhaak (bewijsmiddel 6);
- op de camerabeelden van de [A] door [verbalisant 5] is gezien dat op 18 maart 2017 om 09:10:38 AM de door [getuige 2] genoemde Volkswagen Golf komt aanrijden en dat de 3-deurs auto zich kenmerkt door 6-spaaks velgen (gelijk aan het voertuig [kenteken 2] ), schade aan de passagierszijde achter de deur, een kort spoiler boven het achterraam en een trekhaak (bewijsmiddel 6).
Het in hoger beroep door de verdediging ten aanzien van het kentekenonderzoek gevoerde verweer is naar de kern genomen gelijk aan het in eerste aanleg gevoerde verweer. Immers, in beide instanties komt het verweer erop neer dat onvoldoende vaststaat dat de auto die op de camerabeelden is te zien de auto van de verdachte betreft en dat deze auto daadwerkelijk is gebruikt door de dader van de overval. Ook is in beide instanties aangevoerd dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid van gestolen kentekenplaten.
In het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank is voor het bewijs redengevend geacht dat het kenteken van de toenmalige auto van de verdachte slechts één letter verschilt van het kenteken van de zwarte Volkswagen Golf – de auto op de camerabeelden – zoals door de [getuige 2] over de wegrijdende auto is doorgegeven. Ook is voor het bewijs van belang geacht dat op de beelden een specifiek aantal kenmerken van de Volkswagen Golf die komt aanrijden is te zien (6-spaaks velgen, schade aan de passagierszijde achter op de deur en een korte spoiler boven het achterraam) die ook aanwezig waren op de Volkswagen Golf in eigendom van de verdachte ten tijde van de overval.
Mijns inziens ligt in de gebezigde bewijsvoering in voldoende mate besloten dat de op de camerabeelden zichtbare zwarte VW Golf die komt aanrijden en de zwarte VW Golf die wegrijdt de zwarte VW Golf met [kenteken 2] van de verdachte is en dat deze auto door de dader van de overval is gebruikt. Blijkens bewijsmiddel 6 stemt de op de camerabeelden aankomende auto op diverse details (merk, model, kleur, driedeurs, spaken, spoiler, trekhaak) overeen met de auto van de verdachte, terwijl verschillen daartussen niet zijn aangevoerd of anderszins zijn gebleken. Ook de op de camerabeelden wegrijdende auto vertoont overeenkomsten (merk, model, kleur) met de auto van de verdachte, terwijl ook tussen die auto’s geen verschillen naar voren zijn gekomen. Het in bewijsmiddel 4 genoemde tijdsverloop en de in bewijsmiddel 6 beschreven rijrichting van de auto in samenhang bezien met de in bewijsmiddelen 1, 2 en 4 beschreven looprichtingen van de dader, passen in het scenario dat de dader van de overval met de auto naar de [c-straat] is gereden, daar de auto heeft geparkeerd, vervolgens naar het huis van de aangever is gelopen en nadien is terug gerend naar de auto en (zelf) is weggereden. Daarbij merk ik op dat ter terechtzitting in hoger beroep de camerabeelden van de [A] zijn getoond en het hof – evenals de rechtbank – de door de verbalisant ten aanzien van die beelden gedane bevindingen (bewijsmiddel 6) tot de zijne heeft gemaakt, en in zoverre indirect sprake is van een eigen waarneming van het hof. Verder merk ik nog op dat in cassatie niet wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van de vaststelling van het hof over de zichtbaarheid van de schade aan de auto. Op de door de verdediging geopperde mogelijkheid van gestolen kentekenplaten behoefde het hof niet nader in te gaan, aangezien de bewijsvoering reeds in voldoende mate de weerlegging van die mogelijkheid impliceert. Daarbij is van belang dat de verdediging niet nader – laat staan op aannemelijke wijze – heeft onderbouwd hoe het scenario van gestolen nummerplaten (waarop het kentekennummer dan kennelijk identiek of in hoge mate gelijk zou zijn aan het kenteken van de auto van de verdachte) de vastgestelde feiten en de bewezenverklaring voldoende wezenlijk zou ondermijnen.
De klacht dat het hof in het geheel niet heeft gerespondeerd op het ingenomen standpunt over het kentekenonderzoek faalt, omdat het standpunt voldoende weerlegging vindt in de gebezigde bewijsvoering.
Overeenkomsten in de kleding
In eerste aanleg heeft de raadsman van de verdachte blijkens zijn op de terechtzitting van 26 oktober 2018 overgelegde pleitnota onder het kopje “2. Tactische onderzoeksbevindingen onvoldoende redengevend” voor zover van belang het volgende aangevoerd:
“Kleding aangetroffen bij de doorzoeking van de woning van cliënt
Ook de bevindingen m.b.t. de kleding vind ik onvoldoende redengevend:
[…]
3. Broek
- Op pagina 1116 en 1117 heeft [verbalisant 7] enkele naar zijn mening “zeer specifieke overeenkomsten” omcirkeld.
Min conclusie: een merklabel op de kontzak en twee ‘hippe’ beschadigingen aan de voorkant. Onderscheidendheid en redengevendheid? Dertien in een dozijn.
Geen maat, geen stof, geen kleur, geen sporen... geen verband tussen cliënt en het incident.
- Op pagina 1118 en 1119 wordt nog een vergelijking gemaakt met een foto van cliënt.
Maar de details op de broek zijn overduidelijk anders.
Er zijn drie plekken omcirkeld.
De bovenste en onderste zijn te vaag om echt iets op te zien.
De middelste plekken zijn duidelijk anders.
Op de linker foto zijn links van de beschadiging witte strepen te zien naar links en naar beneden
Op de rechter foto alleen een witte streep naar links – die ook nog qua vorm heel anders is dan de witte streep op de linker foto.”
De door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2023 overgelegde pleitnotities houden voor zover van belang het volgende in (inclusief de bijgeschreven nummering, die hierna tussen vierkante haken is opgenomen):
“OVEREENKOMSTEN IN KLEDING
Een volgend punt dat ik dien te bespreken betreft de gerelateerde overeenkomst tussen de bij cliënt in beslag genomen kleding en de kleding die de persoon op de camerabeelden draagt. De rechtbank heeft daar kennelijk bewijswaarde aan toegekend, nu zij in een bewijsoverweging heeft gewezen op de overeenkomst tussen de bij cliënt aangetroffen spijkerbroek en de broek die wordt gedragen door de man op de camerabeelden.
De processen-verbaal van bevindingen die naar aanleiding van het kledingonderzoek zijn opgemaakt heeft de rechtbank overigens niet als bewijsmiddel opgenomen. Ook lijkt de rechtbank geen waarde te hebben toegekend aan de gerelateerde overeenkomsten in jas en schoenen. Ik verzoek uw hof dat te volgen, temeer daar de gerelateerde overeenkomsten totaal niet specifiek zijn. Er zijn cirkeltjes gezet bij een ritsje, een capuchon en bij zwarte schoenen, maar op de foto's is totaal niet waar te nemen dat het om dezelfde kleding zou gaan.
Voor wat betreft de broek zijn de pagina's 1115 t/m 1117 van belang. Ik heb gelezen dat in eerste aanleg nog wel wat opmerkingen zijn gemaakt over de verschillen tussen de foto's op pagina 1119, maar dat lijkt mij minder relevant. Daar wordt immers een broek van de waslijn vergeleken met een broek die cliënt op een foto draagt. Als dat al een en dezelfde broek zou zijn, dan zegt dat natuurlijk niet iets over de vraag of dat ook de broek is die de persoon op de camerabeelden draagt.
[-3]
In het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 7] (p. 1114 e.v.) worden foto’s vergeleken van de in beslag genomen kleding met de stills van de camerabeelden. Op p. 1116 relateert de verbalisant:
“Ik, verbalisant, heb de inbeslaggenomen kleding vergeleken met de kleding die de verdachte draagt op de camerabeelden. De inbeslaggenomen kleding komt overeen met de kleding die de verdachte draagt op de camerabeelden. Ik heb de zeer specifieke overeenkomsten omcirkeld.”
In dat proces-verbaal zijn vervolgens cirkeltjes gezet bij een capuchon, een ritsje en bij zwarte schoenen. Daarvan kan toch onmogelijk worden volgehouden dat dit zeer specifieke kenmerken zijn.
Maar ook de scheuren die in de broek zichtbaar zijn, lijken weinig specifiek. Bovendien lijken de scheuren op verschillende plaatsen te zitten en hebben ze een andere vorm. En tenslotte zie ik niet de door de rechtbank genoemde overeenkomst in kleur van de broek. Integendeel. De kleur van de broek op de camerabeelden is veel donkerder dan de kleur van de bij cliënt in beslag genomen broek.
Wat mij betreft is de diagnostische waarde van dit proces-verbaal van bevindingen daarom nihil. En ik wil uw hof daarom verzoeken ook dit aspect niet in de bewijsvoering te betrekken.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof ook hetgeen door de raadsman is opgemerkt over de overeenkomsten in kleding volstrekt onbesproken heeft gelaten.
Door de raadsman is in hoger beroep naar de kern genomen aangevoerd dat de in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 7] weergegeven cirkels geen zeer specifieke kenmerken betreffen, dat de scheuren op de broek weinig specifiek lijken (op verschillende plaatsen zittend en een andere vorm) en dat de kleur van de broek afwijkt van de broek die de persoon op de beelden draagt. De diagnostische waarde van dit proces-verbaal zou daarom nihil zijn.
In het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank is voor het bewijs redengevend geacht dat in de woning van de verdachte een spijkerbroek is aangetroffen die wat betreft uiterlijk – kleur en specifieke kenmerkende scheuren – overeenkomt met de spijkerbroek die wordt gedragen door de man op de camerabeelden. Onder de bewijsmiddelen is als bewijsmiddel 9 een proces-verbaal met nummer 2017057362 van 18 juli 2017, opgemaakt door opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (p. 1114-1117), opgenomen dat inhoudt: “De inbeslaggenomen kleding uit de woning van [verdachte] komt overeen met de kleding die de verdachte draagt op de camerabeelden. Ik heb zeer specifieke kenmerken omcirkeld.”.
Een blik achter de papieren muur leert dat het voor het bewijs gebezigde citaat uit dat proces-verbaal op p. 1116 is opgenomen. Op p. 1114 van dat proces-verbaal zijn voor- en zijaanzichten van de uit de woning van de verdachte in beslag genomen kleding te zien en op p. 1115 een vooraanzicht vanuit een andere hoek en een tweetal (zij)aanzichten van de achterkant. Ook is op p. 1115 een drietal screenshots van de beveiligingscamera’s te zien waarop de verdachte van de overval rennend is te zien, waarbij zowel het linker als rechterbeen zichtbaar zijn. Op p. 1116 is onder meer een still te zien van de achterkant van de verdachte van de overval, waarbij de capuchon (van de donkere jas) en de rechterkontzak van de spijkerbroek die deze persoon draagt zijn omcirkeld. Daarnaast is de op p. 1115 weergegeven foto van het achteraanzicht van de uit de woning van de verdachte in beslag genomen kleding zichtbaar, waarbij op dezelfde plekken een omcirkeling is geplaatst. Op p. 1117 zijn een still te zien waarop de verdachte van de overval rent en waarbij de rits van de jas, de scheuren op de spijkerbroek en één van de schoenen zijn omcirkeld en een foto van het vooraanzicht van de bij de verdachte in beslag genomen kleding, waarbij op dezelfde plekken cirkels zijn gezet.
De vaststelling door het hof dat de spijkerbroek die in de woning van de verdachte is aangetroffen qua uiterlijk – kleur en specifieke scheuren – overeenkomt met de spijkerbroek die wordt gedragen door de man op de camerabeelden is een feitelijke vaststelling die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank dat het uiterlijk – kleur en specifieke scheuren – van de in de woning van de verdachte aangetroffen spijkerbroek overeenkomt met de spijkerbroek die wordt gedragen door de man op de camerabeelden is niet onbegrijpelijk in het licht van het totaal van de in genoemd proces-verbaal van bevindingen opgenomen foto’s. Tot een nadere motivering was het hof mijns inziens niet gehouden, gelet op de selectie- en waarderingsvrijheid die de feitenrechter toekomt bij het bewijs. Daarbij wijs ik er nogmaals op dat de camerabeelden op de terechtzitting in hoger beroep door het hof zijn bekeken en het hof de camerabeelden van voldoende kwaliteit heeft geacht voor een betrouwbare herkenning.
Ook deze deelklacht faalt.
De betrouwbaarheid van de gedane herkenningen
Dan resteren de klachten over de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] . Voor de overzichtelijkheid zal ik eerst ingaan op hetgeen in eerste aanleg en in hoger beroep is aangevoerd over de herkenning door [verbalisant 4] en vervolgens zal ik hetgeen over de herkenning door [verbalisant 6] is aangevoerd vermelden.
Over het proces-verbaal van herkenning door [verbalisant 4] is blijkens de in eerste aanleg overgelegde pleitnota door de raadsman van de verdachte aangevoerd dat er teveel onduidelijkheden zijn die de betrouwbaarheid raken, zodat dit proces-verbaal van het bewijs moet worden uitgesloten. Ten eerste is gewezen op het moment waarop dit proces-verbaal aan het dossier is toegevoegd en ten tweede op de redengevendheid van de inhoud van het proces-verbaal.
Samengevat is over het eerste punt aangevoerd dat:
- het proces-verbaal dateert van 28 juli 2017, terwijl blijkens het proces-verbaal de herkenning “onmiddellijk” zou hebben plaatsgevonden toen [verbalisant 4] de verdachte voor het eerst in persoon heeft gezien, hetgeen blijkens het proces-verbaal op 17 juli 2017 en 18 juli 2017 was;
- door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 8] op 17 juli 2017 wel een uitgebreid proces-verbaal van verhoor van de verdachte is opgemaakt en toen – in het bijzijn van [verbalisant 4] – ook expliciet zou zijn gesproken over de vraag of de verdachte door politiemensen is herkend;
- het proces-verbaal niet ter beschikking van de zaaksofficier stond bij het schrijven van haar appelschriftuur d.d. 4 augustus 2017, terwijl er blijkens het proces-verbaal wel een korte lijn tussen [verbalisant 4] en de zaaksofficier zou hebben bestaan.
In verband met de redengevendheid van de inhoud van het proces-verbaal is ten eerste stilgestaan bij het moment waarop [verbalisant 4] de bewegende beelden heeft gezien en ten tweede bij de kwaliteit van de beelden en de vraag op basis van welke specifieke persoonsgebonden kenmerken de herkenning heeft plaatsgevonden.
Over het eerste punt is samengevat aangevoerd dat:
- er bijna drie maanden hebben gezeten tussen het zien van de beelden (24 april 2017) en het in persoon zien en onmiddellijk “herkennen” van de verdachte door [verbalisant 4] (17 en 18 juli 2017), hetgeen veel te lang geleden is om een herkenning op te baseren.
Over de kwaliteit van de beelden is samengevat aangevoerd dat:
- de kwaliteit van de stills ronduit slecht is, in die zin dat het (in het dossier van de raadsman) gaat om een zwart-wit afdruk, een in beweging zijnde persoon (waardoor details verloren gaan én de onderscheidende kenmerken van het uiterlijk van de persoon), de linkerkant en het bovenste deel van het gezicht van de persoon op de beelden door de camerapositie in het geheel niet zijn te zien en het onderste deel van de rechter zijkant van het gezicht wegvalt in een schaduw;
- de door [verbalisant 4] aan de herkenning ten grondslag gelegde punten niet voldoen aan de (in de jurisprudentie gestelde) eis van voldoende onderscheidenheid.
De door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2023 overgelegde pleitnotities houden over de herkenning door [verbalisant 4] – naast hetgeen onder 4.5 over die herkenning is vermeld – het volgende in (inclusief de bijgeschreven nummering, die hierna tussen vierkante haken is opgenomen):
“DE HERKENNINGEN
Ik kom daarmee op de bespreking van de bewijsmiddelen waarvan ik denk dat ze dragend voor de beslissing van de rechtbank zijn geweest. Het gaat om een tweetal herkenningen, gedaan door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] . In eerste aanleg is daar ook al het een en ander over opgemerkt, en inmiddels zijn beide verbalisanten door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord. Die verhoren hebben niet iets wezenlijks opgeleverd, maar er is op zich een aardig beeld bij hoe een en ander is gelopen.
Ik beging met het bespreken van de herkenning die is gedaan door [verbalisant 4] . En ik leg daarbij het accent iets anders dan in eerste aanleg is gedaan. Want natuurlijk zijn er vraagtekens te plaatsen bij het moment van opmaken van het proces-verbaal en ook het moment van toevoegen aan het dossier. [-4] Maar het gaat uiteindelijk natuurlijk om de vraag of die herkenning als voldoende betrouwbaar kan worden beoordeeld. Bij het beantwoorden van die vraag zijn wat mij betreft de volgende elementen van belang.
De belangrijkste reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning door [verbalisant 4] is de (onbewuste) bias die hij heeft ten aanzien van cliënt. Hij heeft iemand herkend van wie hij al denkt te weten dat het de dader is, gelet op de andere onderzoeksbevindingen. [verbalisant 4] heeft voor de deur van de woning van cliënt gestaan en heeft waarnemingen gedaan ten aanzien van de auto. Hij is daarom, bewust of onbewust, niet onbevangen ten aanzien van cliënt.
Iets anders is dat [verbalisant 4] beelden op een aandachtsvestiging heeft gezien in april 2017. Er blijkt niet dat hij die beelden daarna nog vaker heeft bekeken. Uit zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris bleek dat hij cliënt pas voor het eerst zag in de verhoorkamer. [-5] Dat was bijna 3 maanden later. Ik heb al eerder omschreven hoe de toestand van cliënt op dat moment was. Gehuld in een drenkelingenpak en totaal niet aanspreekbaar. Als onder deze omstandigheden een herkenning wordt gedaan, dan vind ik dat een dergelijke herkenning uiterste behoedzaamheid moet worden betracht.
Daarbij speelt dan ook nog eens een rol dat de kwaliteit van de beelden te wensen overlaat en dat er door [verbalisant 4] weinig persoonsspecifieke kenmerken zijn beschreven. Hij benoemt bijvoorbeeld de plaats van de baardgroei en de kleur van de baard. Ik zou menen dat iedere man met een Marokkaans uiterlijk en een baard, die baard op dezelfde plek heeft zitten en dat die baard ook donker van kleur is.
Mijn standpunt is dat de herkenning door [verbalisant 4] onvoldoende betrouwbaar is om tot het bewijs te worden gebezigd.”
Over het proces-verbaal van herkenning door [verbalisant 6] is blijkens de in eerste aanleg overgelegde pleitnota door de raadsman van de verdachte – kort samengevat – aangevoerd dat:
- [verbalisant 6] niet bij het onderzoek in deze zaak betrokken was, maar wel door [verbalisant 4] is gevraagd om de videobeelden te bekijken;
- [verbalisant 6] de verdachte op 29 augustus 2017 heeft staande gehouden en een gesprek met hem heeft gehad en daarna op 8 september 2017 door [verbalisant 4] is verzocht om de beelden te bekijken;
- de kwaliteit van de stills van de beelden niet goed genoeg is om tot een herkenning te komen;
- de door [verbalisant 6] aan zijn herkenning ten grondslag gelegde factoren bij lange na niet genoeg zijn.
De door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2023 overgelegde pleitnotities houden voor zover van belang het volgende in (inclusief de bijgeschreven nummering, die hierna tussen vierkante haken is opgenomen):
“In het dossier komt nog een tweede herkenning naar voren, namelijk die door [verbalisant 6] . Ook deze herkenning kan niet helemaal los worden gezien van de andere onderzoeksresultaten in het dossier. [verbalisant 6] wordt namelijk (tezamen met zijn collega [verbalisant 9] ) uitgerekend door [verbalisant 4] gevraagd of hij iemand op de beelden kent. Het is niet toevallig dat hij dat aan [verbalisant 6] en [verbalisant 9] vraagt, want [verbalisant 4] weet dat deze verbalisanten [verdachte] een week eerder hebben staandegehouden. De mail waarover tijdens de verhoren is gesproken is pas vandaag beschikbaar gekomen.
[-6]
Ik kan niet uitsluiten dat er in de informatieoverdracht bewust of onbewust sprake is geweest van beïnvloeding. Als gezegd is het niet toevallig dat uitgerekend aan deze verbalisanten het verzoek is gedaan. Bovendien blijkt uit de mail dat er nog contact zou zijn nadat de beelden waren bekeken. De herkenning door [verbalisant 6] is mogelijk wat minder autonoom dan op het eerste gezicht kan worden gedacht. Bovendien speelt ook bij deze herkenning een aantal andere factoren een rol. Zoals eerder opgemerkt zijn de beelden niet van een uitstekende kwaliteit. Verder is het zo dat [verbalisant 6] cliënt helemaal niet goed kent: hij heeft hem een keer eerder gezien. En als ik dan kijk
naar waaraan hij hem herkent, dan zijn er ook in dit geval weinig persoonsspecifieke kenmerken genoemd.
Ook deze herkenning is daardoor wat mij betreft onvoldoende betrouwbaar om als doorslaggevend bewijs te kunnen worden gebruikt.”
Over de herkenningen is door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep blijkens de overgelegde pleitnotities verder nog het volgende aangevoerd:
“En dat is wat het zou zijn. Zonder de herkenningen door [verbalisant 4] en [verbalisant 6] zou deze zaak vermoedelijk niet eens op zitting zijn aangebracht. Maar ze bevinden zich nu eenmaal in het dossier en uw hof zal zich er een oordeel over moeten vormen. Mijn standpunt is dat deze herkenningen niet voor het bewijs gebruikt zouden moeten worden en dat cliënt daarom moet worden vrijgesproken.
Ik wil daar nog het volgende over opmerken. Wat mij betreft zou het eigenlijk niet alleen moeten gaan om de juistheid of betrouwbaarheid van de door de verbalisanten gemaakte herkenningen. Uw hof kan immers ook varen op de eigen waarneming. Want waarom zouden de genoemde verbalisanten beter in staat moeten worden geacht om herkenningen te doen dan dat u dat kunt? Zij hebben toch geen specifieke kennis op het gebied van herkenningen? Zij hebben daarvoor geen speciale opleiding genoten. U en ik zouden dat net zo goed moeten kunnen en misschien zelfs nog beter. Wij hebben de te vergelijken persoon hier immers voor ons zitten en kunnen hem zo goed, zo lang en zo vaak mogelijk bekijken als we willen.
Ik heb de beelden zelf vaak gezien en ik heb cliënt inmiddels ook vaak gezien. Ik zou een herkenning niet aandurven. Ik wil uw hof uitdrukkelijk vragen om zelf de verdachte met de beelden te vergelijken en uw uiteindelijke oordeel te baseren op eigen waarneming.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof niet heeft gereageerd op het verweer dat [verbalisant 4] al wist dat de verdachte op basis van het kentekenonderzoek als verdachte was aangemerkt waardoor [verbalisant 4] bewust of onbewust niet onbevangen is c.q. een (onbewuste) bias heeft ten aanzien van de verdachte. Ook zou het hof niet zijn ingegaan op de aangevoerde punten over de kwaliteit van de beelden, de weinig persoonsspecifieke kenmerken van de persoon op de beelden en de mogelijke beïnvloeding (ik begrijp: van [verbalisant 6] ), terwijl evenmin is voldaan aan het verzoek van de verdediging om door middel van een eigen waarneming tot een herkenning van de verdachte te komen.
In het door het hof bevestigde vonnis is aandacht besteed aan de vraag of de verdachte de man op de camerabeelden is. Daarbij is vooropgesteld dat behoedzaam met de beoordeling van herkenningen moet worden omgegaan. In verband met de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenningen is stilgestaan bij:
I. de vraag of de bewegende beelden c.q. de stills daarvan voldoende duidelijk en helder zijn om een gezichtsherkenning op te kunnen baseren, in die zin dat er voldoende gezichtskenmerken te zien zijn om een herkenning mogelijk te maken;
II. hoe goed de herkenner de verdachte kent – hoe beter men de verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning, waarbij een visuele herkenning ontstaan uit ontmoetingen in levende lijve het meest waardevol is – en de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en);
III. het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan (hoe meer, hoe hoger de bewijskracht);
IV. de aanwezigheid van feiten en omstandigheden die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden (kunnen) maken;
Daarnaast zijn andere bewijsmiddelen die de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde kunnen ondersteunen in de beoordeling betrokken.
In het door het hof bevestigde vonnis zijn vervolgens de volgende conclusies opgenomen:
- de (door de rechtbank ter zitting bekeken) camerabeelden zijn van voldoende kwaliteit voor een betrouwbare herkenning omdat de dader met zijn hele gelaat duidelijk en scherp in beeld komt, zodat het door de raadsman ingenomen standpunt dat op de camerabeelden onvoldoende specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn, niet wordt gevolgd;
- er daarom geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de afzonderlijke herkenning van de verdachte op de betreffende beelden door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] ;
- [verbalisant 4] en [verbalisant 6] de verdachte beiden in persoon hebben gezien en de man op de camerabeelden hebben herkend als zijnde de verdachte, waarbij zij nauwkeurig aangeven op grond van welke uiterlijke kenmerken zij de verdachte herkennen, wijzen op zijn houding en op zijn manier van lopen ( [verbalisant 6] );
- het standpunt dat de herkenningen op onbetrouwbare wijze tot stand zijn gekomen eveneens niet wordt gevolgd, omdat het enkele feit dat drie maanden zijn verstreken tussen het zien van de camerabeelden en het opstellen van het proces-verbaal van herkenning de herkenning niet onbetrouwbaar maakt, nu de betreffende verbalisant (ik begrijp: [verbalisant 4] , PHvK) de verdachte pas drie maanden na het bekijken van de camerabeelden heeft gezien.
Gelet op deze omstandigheden zouden de herkenningen bruikbaar zijn voor het bewijs.
De in eerste aanleg en in hoger beroep ingenomen standpunten over de herkenningen door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] verschillen – zoals de raadsman bij de herkenning door [verbalisant 4] ook expliciet heeft benoemd (“En ik leg daarbij het accent iets anders dan in eerste aanleg is gedaan”) – van elkaar voor zover een beroep is gedaan op het (mogelijk) bestaan bij de verbalisanten van (onbewuste) bias ten aanzien van de verdachte. Dit standpunt is voor [verbalisant 4] met (vaststaande) feiten en omstandigheden onderbouwd, in die zin dat uit het op 10 mei 2017 verrichte kentekenonderzoek een op naam van de verdachte staand kenteken naar voren is gekomen (bewijsmiddel 5), dat verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] op 22 mei 2017 naar het adres van degene op wiens naam het voertuig was gesteld (de verdachte) zijn gereden en dit voertuig voor het huis van de verdachte aantroffen (bewijsmiddel 6) en dat [verbalisant 4] de verdachte op 17 en 18 juli 2017 in persoon heeft gezien omdat hij hem wilde horen als verdachte na het voorafgaand zien van de interne aandachtsvestiging (bewijsmiddel 7). Kortom: [verbalisant 4] heeft iemand als dader herkend van wie hij al wist dat hij verdachte was. Betreffende [verbalisant 6] is door de verdediging gewezen op een mogelijke beïnvloeding van deze verbalisant door de informatieoverdracht door [verbalisant 4] , waarbij gesproken wordt in termen van “niet uit te sluiten”, “Naar die e-mail kun je verschillend kijken”, “toeval”, “mogelijk wat minder autonoom” en “dat er nog contact zou zijn” (en dus niet: dat er nog contact is geweest). Een beroep op vaststaande feiten en omstandigheden – buiten de omstandigheid dat [verbalisant 6] de verdachte een week eerder had staande gehouden – is daarbij niet gedaan.
In het licht van stap IV van het in het bevestigde vonnis onder 4.30 genoemde beoordelingskader is het niet zonder meer begrijpelijk dat het hof niet heeft gereageerd op het standpunt van de verdediging dat bij de herkenning door [verbalisant 4] mogelijk sprake is geweest van een (onbewuste) bias ten aanzien van de verdachte. Gezien de onderbouwing door de verdediging waarom [verbalisant 4] mogelijk niet onbevangen was ten aanzien van de verdachte en erop gelet dat contextuele bias – want daarop doelt de verdediging als ik het goed zie – wezenlijke invloed op onderzoeksuitkomsten kan hebben, kon het hof daartoe mijns inziens niet volstaan met de in het bevestigde vonnis opgenomen overweging dat het standpunt dat de herkenningen op onbetrouwbare wijze tot stand zijn gekomen niet wordt gevolgd. Anders ligt het wat betreft het over de herkenning door [verbalisant 6] aangevoerde. Dat het hof zich niet zag genoodzaakt om daarop nader te responderen, is niet onbegrijpelijk, gelet op het speculatieve karakter van hetgeen is aangevoerd. De overige over de herkenningen aangevoerde punten – waaronder het punt over de staat van de verdachte ten tijde van de herkenning door [verbalisant 4] – vinden voldoende weerlegging in de onder 4.31 genoemde conclusies.
Het geconstateerde verzuim behoeft mijns inziens niet tot cassatie te leiden, omdat het daderschap van de verdachte ook zonder de gewraakte herkenning door [verbalisant 4] in voldoende mate uit de overige bewijsmiddelen – waaronder de herkenning door [verbalisant 6] – in onderling verband en samenhang bezien kan worden afgeleid. Daarbij wijs ik nogmaals op de omstandigheid dat het hof de camerabeelden ook zelf ter zitting heeft bekeken en door het bezigen van de herkenning door [verbalisant 6] voor het bewijs indirect sprake is van een eigen waarneming door het hof, terwijl niet vaststaat dat de mogelijke bij [verbalisant 4] bestaande bias ten aanzien van de verdachte is doorgewerkt naar de herkenning van de verdachte door [verbalisant 6] op grond van de door [verbalisant 4] verstrekte videobeelden.
Slotsom
Het middel is in al zijn onderdelen tevergeefs voorgesteld.
5. Het eerste middel
Het middel komt op tegen de afwijzing door het hof van het voorwaardelijke verzoek om een deskundige te benoemen die de camerabeelden kan beoordelen.
De door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2023 overgelegde pleitnotities houden het volgende in:
“VOORWAARDELIJKE VERZOEK
Zoals ik in het begin al aankondigde zal ik in dit kader nog wel een voorwaardelijk verzoek doen. Dat verzoek is niet helemaal nieuw, want het is bij appelschriftuur al gedaan en het is herhaald op de regiezitting van uw hof.
Mocht uw hof het bewijsverweer passeren en overwegen om het feit toch bewezen te verklaren, dan doe ik hierbij het hernieuwde verzoek om een deskundige te benoemen die de beelden kan beoordelen. Ik weet uit een andere zaak dat er een deskundige is verbonden aan de rijksuniversiteit Groningen, die is gespecialiseerd in bewegingsleer en biometrie. Ik zou menen dat een dergelijk onderzoek in dat geval als noodzakelijkmoet worden beschouwd.”
Het bestreden arrest houdt in:
“Bespreking voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn overgelegde pleitnotitie vrijspraak bepleit en voorts – indien het hof het verweer strekkende tot vrijspraak verwerpt – het verzoek gedaan om een deskundige te benoemen die de camerabeelden kan beoordelen.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting het hof verzocht het voorwaardelijk verzoek van de raadsman af te wijzen bij gebrek aan noodzaak daartoe.
Het hof overweegt als volgt.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2023 heeft het hof de camerabeelden afgespeeld op basis waarvan de verbalisanten de verdachte hebben herkend. Nu deze herkenningen worden ondersteund door de inhoud van de overige bewijsmiddelen in het dossier, zoals deze door de rechtbank voor het bewijs zijn gebezigd, is het hof de noodzaak niet gebleken voor het laten beoordelen van de camerabeelden door een deskundige. Het voorwaardelijk verzoek van de raadsman wordt om die reden afgewezen.”
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de afwijzende beslissing op het verzoek onbegrijpelijk is tegen de achtergrond van de gevoerde verweren zoals onder 4.2 weergegeven.
Over dit middel kan ik kort zijn, gelet op hetgeen in het tweede middel over de herkenningen is opgemerkt. ’s Hofs oordeel dat de herkenningen – in dit geval de herkenning door [verbalisant 6] – worden ondersteund door de overige door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zodat niet is gebleken van de noodzaak voor het laten beoordelen van de camerabeelden door een deskundige en het verzoek om die reden wordt afgewezen, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij merk ik overigens nog op dat de verdediging niet nader heeft toegelicht waarom de beelden juist door een deskundige in bewegingsleer en biometrie zouden moeten worden beoordeeld.
Het middel faalt.
6. Afronding
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 26 oktober 2023 uitspraak doet, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot vermindering van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG