PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00529
Zitting 25 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 30 januari 2025 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 augustus 2024 onder aanvulling van gronden bevestigd. Bij dat vonnis is de verdachte wegens onder 2 primair “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest. Verder is bij dat vonnis de gedeeltelijke tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
Namens de verdachte heeft S.W. Kuijpers, advocaat in Hoofddorp, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2025 vermeldt met betrekking tot het aanhoudingsverzoek het volgende:
“De voorzitter doet de zaak tegen de hierna te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, opgeroepen als
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
adres: [a-straat 1] , [plaats] ,
is niet verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. S.W. Knijpers, advocaat te Hoofddorp, die mededeelt dat de verdachte op de hoogte is van de zitting en dat zij uitdrukkelijk is gemachtigd als raadsvrouw de verdachte te verdedigen.
De raadsvrouw doet een verzoek tot aanhouding van de behandeling nu zij haar cliënt ter terechtzitting had verwacht en hij heeft gezegd heel graag bij de behandeling aanwezig te willen zijn en een verklaring te willen afleggen. Zij deelt mee te hebben geprobeerd haar cliënt telefonisch te bereiken, maar dat zij hem niet te pakken kan krijgen. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte dient te prevaleren boven het strafvorderlijk belang van een tijdige voortgang van de behandeling van de strafzaak.
De advocaat-generaal zegt zich niet te verzetten tegen aanhouding van de behandeling.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
Er is geen concrete omstandigheid aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Het belang om de zaak vandaag af te doen prevaleert bij die stand van zaken boven het aanwezigheidsrecht. Het hof geeft u wel de mogelijkheid uw cliënt te bellen om te vragen of hij later vandaag aanwezig kan zijn.
Nadat de raadsvrouw de zaal heeft verlaten, en weer is binnengekomen, deelt de raadsvrouw mede:
Ik heb mijn cliënt gebeld maar ik krijg geen gehoor.
De voorzitter zegt dat bij die stand van zaken verder wordt gegaan met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Het onderzoek ter terechtzitting wordt opnieuw aangevangen wegens de gewijzigde samenstelling van het hof.”
Het door de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting van 16 januari 2025 gedane verzoek tot aanhouding van de zaak is een verzoek aan de rechter als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 lid 1 Sv en art. 415 lid 1 Sv om toepassing te geven aan art. 281 lid 1 Sv. Het betreft een aanhoudingsverzoek met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 december 2025 het te hanteren beoordelingskader voor aanhoudingsverzoeken als volgt geformuleerd:
“2.3 Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.
Wanneer zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing.”
Uit dit beoordelingskader volgt dat de rechter een verzoek tot aanhouding op drie gronden kan afwijzen. Allereerst kan een aanhoudingsverzoek worden afgewezen wanneer niet concreet een omstandigheid is aangevoerd die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Dit is immers vereist om de rechter in staat te stellen te beoordelen of grond bestaat voor aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Van het ontbreken van zo’n concrete omstandigheid kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte wel op de hoogte is van de zitting, maar zonder bericht niet verschijnt en diens (al dan niet gemachtigd) raadsman ter terechtzitting uitsluitend stelt dat de verdachte eerder heeft aangegeven wel aanwezig te willen zijn. In de tweede plaats is afwijzing van het aanhoudingsverzoek mogelijk wanneer de rechter de omstandigheid die concreet aan het verzoek ten grondslag is gelegd niet aannemelijk acht, bijvoorbeeld omdat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd met bewijsstukken. In voorkomende gevallen moet, voordat het verzoek wordt afgewezen, eerst gelegenheid worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment bewijsstukken te overleggen. Komt de rechter tot het oordeel dat de aangevoerde omstandigheid wel aannemelijk is geworden, dan moet de rechter een belangafweging maken tussen enerzijds het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang van een doeltreffende en spoedige berechting anderzijds. Deze belangenafweging kan – tot slot – tot afwijzing van het aanhoudingsverzoek leiden.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat “het hof heeft overwogen dat (kennelijk) geen concrete omstandigheid naar voren is gebracht”, maar dat het “de vraag is of het hof van de raadsvrouw wat dat aangaat meer kon verwachten, aangezien het kennelijk ook voor haar een verrassing was dat [de verdachte] niet aanwezig was”. Volgens de steller van het middel heeft het hof de juistheid van de mededeling van de raadsvrouw dat de verdachte aanwezig wilde zijn en een verklaring wilde afleggen “in het midden gelaten en niet onaannemelijk geoordeeld.” Vervolgens heeft het hof een belangenafweging gemaakt. De steller van het middel voert aan dat het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat uit een en ander niet zonder meer volgt dat de verdachte niet bij de terechtzitting aanwezig wilde zijn of dat zijn belang daartoe ontbreekt. Daarnaast heeft het hof in onvoldoende mate blijk gegeven van een afweging tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Dit geldt volgens de steller van het middel te meer nu door de verdachte in eerste aanleg een alternatief scenario naar voren is gebracht en het hof het belang van de verdachte bij het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in hoger beroep had moeten onderkennen en meewegen in diens belangenafweging. Ter ondersteuning wordt voorts gewezen op een arrest van de Hoge Raad.
Het hof heeft overwogen dat “er geen concrete omstandigheid aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag [is] gelegd” en “het verzoek […] daarom [wordt] afgewezen.” Vervolgens overweegt het hof dat het belang om de zaak vandaag af te doen bij die stand van zaken prevaleert boven het aanwezigheidsrecht. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting volgt verder dat de raadsvrouw heeft medegedeeld “dat de verdachte op de hoogte is van de zitting” en dat nadat de raadsvrouw in de gelegenheid is gesteld om de verdachte te bellen en te vragen of hij later vandaag aanwezig kan zijn en zij geen gehoor kreeg, verder wordt gegaan met de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uit het voorgaande maak ik op dat het hof als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat niet concreet een omstandigheid is aangevoerd die ten grondslag ligt aan het verzoek dat namens de verdachte is gedaan tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting, zodat dit verzoek moet worden afgewezen. In aanmerking genomen dat de raadsvrouw ter terechtzitting van 16 januari 2025 heeft medegedeeld dat de verdachte op de hoogte is van de zitting en verder uitsluitend dat zij niet weet waarom de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen, maar dat de verdachte heeft aangegeven heel graag bij de behandeling aanwezig te willen zijn en een verklaring te willen afleggen, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij merk ik nog op dat de raadsvrouw door het hof in de gelegenheid is gesteld om contact op te nemen met de verdachte en dat zij gemachtigd was tot het voeren van de verdediging namens de verdachte. In zoverre vertoont voorliggende zaak grote gelijkenissen met de zaak die leidde tot een arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2020. Dat het hof voorts heeft overwogen dat het belang om de zaak vandaag af te doen bij die stand van zaken prevaleert boven het aanwezigheidsrecht, doet mijns inziens aan het voorgaande niet af. Gelet op het hiervoor geschetste beoordelingskader was het hof tot een belangenafweging niet gehouden. Daar komt bij dat uit ’s hofs overwegingen niet volgt dat een en ander heeft geleid tot afwijzing van het aanhoudingsverzoek. Het hof overweegt immers eerst expliciet dat niet concreet een omstandigheid is aangevoerd en dat “het verzoek […] daarom [wordt] afgewezen.”
Voor zover de steller van het middel nog verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2024, merk ik op dat in die zaak – anders dan in het onderhavige geval – door de raadsvrouw meer is medegedeeld dan dat zij de verdachte op de terechtzitting had verwacht. Zo was in die zaak door de raadsvrouw aangevoerd dat in eerste aanleg een gevangenisstraf van twee weken aan de verdachte is opgelegd, en dat het – gelet op, kort gezegd, de actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte – van belang is dat het hof zelf een indruk krijgt van de verdachte. Het hof had in zijn oordeel niet tot uitdrukking gebracht dat de raadsvrouw geen omstandigheid aan het verzoek ten grondslag had gelegd of geoordeeld dat die omstandigheid niet aannemelijk was. Evenmin had het hof blijk gegeven een belangenafweging te hebben gemaakt. In de onderhavige zaak is – zoals opgemerkt – door de raadsvrouw niet meer aangevoerd dan dat zij de verdachte ter terechtzitting had verwacht, dat hij heeft gezegd heel graag bij de behandeling aanwezig te willen zijn en een verklaring te willen afleggen. Waarom dit van belang is, zoals het in de schriftuur aangehaalde argument dat sprake is van een alternatief scenario, is door de raadsvrouw niet naar voren gebracht. Het hof heeft het aanhoudingsverzoek daarom bij gebrek aan een concrete omstandigheid die ten grondslag ligt aan het verzoek, kunnen afwijzen.
Het eerste middel faalt.
3. Het tweede middel
Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring van de diefstal door middel van een valse sleutel. Meer in het bijzonder wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat sprake is van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening niet begrijpelijk is en ontoereikend gemotiveerd.
Ten laste van de verdachte is door de politierechter onder 2 primair bewezenverklaard dat:
“hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te [plaats]
een personenauto (merk: BMW, kenteken: [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een autosleutel voor welk gebruik hij, verdachte, niet gerechtigd was”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende – in de aanvulling op het arrest opgemaakte – bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte van 18 augustus 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , proces-verbaal nummer PL1100-2024182145-9.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [aangever] :
“Ik wens aangifte te doen van diefstal van mijn personenauto een zwarte BMW 1ER reihe, voorzien van Nederlands kenteken: [kenteken 1] . Ik heb niemand het recht gegeven tot het plegen van het feit.
Op zaterdag 17 augustus 2024 omstreeks 15.30 uur stond mijn personenauto, een zwarte BMW voorzien van het kenteken [kenteken 1] , geparkeerd aan de [b-straat] te [plaats] ter hoogte van perceelnummer [...] . Dit betreft een hotel waar ik samen met mijn vriendin verblijf. Omstreeks 16.05 uur was de auto weg. Op vrijdag 16 augustus 2024 heeft er een inbraak plaatsgevonden in onze woning (het hof begrijpt: het hotel waar de aangever werkte en verbleef) waarbij de autosleutels van eerdergenoemde personenauto zijn weggenomen. De witte iPhone vermoedelijk type 12 is op 16 augustus 2024 uit de woning weggenomen.”
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 augustus 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , proces-verbaal nummer PL1100-2024183046-2.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
Op zondag 18 augustus 2024 omstreeks 20.00 uur bevond ik mij in [plaats]. Daar kreeg ik van de centralist de opdracht om uit te kijken naar een personenauto welke van diefstal afkomstig was. Ik vernam dat het kenteken van deze personenauto [kenteken 1] betrof en dat dit zou gaan om een BMW. Bij het oprijden van de kruising van de [c-straat] met de [d-straat] zag ik een zwartkleurige BMW voorzien van het kenteken [kenteken 1] stilstaan. Ik zag dat er 1 bestuurder in de BMW zat. Ik zag dat de bestuurder op mijn aanwijzing de BMW de [e-straat] in reed en tot stilstand kwam. Om 20.05 uur werd de bestuurder [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] , als verdachte aangehouden. Ik nam de personenauto in beslag. Ik zag op de bestuurdersstoel een iPhone wit van kleur liggen.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , proces-verbaal nummer 1100-2024183046-26.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
In de zwarte BMW personenauto met kenteken [kenteken 1] werd een telefoon aangetroffen type iPhone 12. Deze telefoon is teruggegeven aan de aangever [aangever]. De autosleutel behorend bij de personenauto werd aangetroffen ten tijde van het aantreffen van het voertuig dat werd bestuurd door de verdachte [verdachte].
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 augustus 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina’s 68 t/m 72, met bijlage.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant [verbalisant 4]:
Camerabeelden
De camerabeelden die ik ga beschrijven betreffen de camerabeelden op de [f-straat] te [plaats] ter hoogte van perceel [...], dit camerabestand heeft de naam '[bestand 1]'. En de camerabeelden op de [b-straat] te [plaats] ter hoogte van de perceel [...], dit bestand heeft de naam: '[bestand 2]'.
NAAM BEELDEN: [bestand 2]
Om 15:50:16(gecorrigeerd) zag ik dat er een man en een vrouw kwamen aanlopen vanaf de overkant van de straat. Ik zag dat zij op de [b-straat] te [plaats] liepen komende uit de richting van de [g-straat] te [plaats] . Ik kan de man als volgt omschrijven:
- man;
- getint;
- donkere haren;
- donkere gezichtsbeharing;
- donker shirt/trui van het merk Under Armour;
- donkere lange sportbroek van merk Under Armour;
- zwarte sneakers met witte zool van het merk Nike.
- (zonnen)bril op hoofd
Deze man herkende ik als [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte)..
Ik zag dat hij om 15:51:38 (gecorrigeerd) stil stond bij het zebrapad ter hoogte van de [b-straat] perceel [...]. Ik zag dat hij overstak en aan de voor hem linkerzijde van de weg, de zijde met oneven huisnummers, in de richting van de [f-straat] liep. Vanaf het moment dat [verdachte] overstak op het zebrapad was hij niet meer herkenbaar voor mij. Ik kon nog wel zijn silhouette zien. Omdat ik [verdachte] vanaf het moment dat hij in beeld kwam, waar hij nog goed herkenbaar was, volgde, kon het niemand anders zijn. Om 15:51:51(gecorrigeerd) kon ik het silhouette van [verdachte] niet meer zien. In de minuut voordat [verdachte] uit beeld verdween liep er alleen een licht getinte vrouw met donkere schoenen met donkere zolen over de [b-straat] in de richting van de [f-straat]. Ik zag dat er verder geen voetgangers waren die dezelfde route als [verdachte] liepen of hadden gelopen rond de tijd dat hij uit beeld verdween.
NAAM BEELDEN: [bestand 1]
Om 15:51:58 zag ik dat de licht getinte vrouw met de donkere schoenen met zwarte zolen over de [f-straat] in de richting van de [h-straat] liep. Ik zag dat er een getinte man, volledig in het zwart gekleed in de richting van een zwarte auto liep. Deze zwarte auto betrof de BMW met kenteken [kenteken 1] .
Om 15:52:00 zag ik dat de schoenen van de getinte man een opvallend witte zool hadden. Ik zag vervolgens dat deze man in de zwarte BMW stapte en weg reed.
Omdat ik de tijden van de camera's aan elkaar gelijk kon stellen, door wat ik op de beelden had gezien, en omdat ik had gezien dat er geen andere personen op de camerabeelden te zien waren, op de route die [verdachte] had gelopen, kan ik concluderen dat de getinte persoon, in zwarte kleding met opvallend witte zolen, die in de BMW stapt, dezelfde persoon was als degene die ik eerder op de beelden van een andere camera had gezien en kon herkennen als [verdachte].
5. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 augustus 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina’s 44 t/m 51.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant [verbalisant 4]:
Op dinsdag 20 augustus 2024, maakte ik foto's van het voor-, zij- en achteraanzicht van [verdachte], in de kleding die hij droeg ten tijde van de aanhouding. Ik kan [verdachte] als volgt omschrijven:
- man;
- tussen de 25 a 30 jaar oud;
- licht getint;
- zwart haar;
- zwarte baard;
- een donker sportshirt van het merk Underarmour;
- een donkere joggingsbroek van het merk Underarmour;
- zwarte Nike schoenen met opvallend witte zool.
Enkele minuten later zag ik camerabeelden rondom het incident. Ik zag dat er een man richting de camera liep. Ik zag dat dit [verdachte] was. Ik herkende [verdachte], aan de vorm van zijn gezicht, haar, baard en ik zag dat hij hetzelfde Underarmour sportshirt droeg met daaronder dezelfde Nike schoenen.
6. De verklaring van de verdachte , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 29 augustus 2024.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik kon op 18 augustus 2024 met de auto die ik op 17 augustus 2024 had opgehaald (het hof begrijpt: in [plaats] ) naar Amsterdam.”
De raadsvrouw heeft tijdens de terechtzitting van het hof van 16 januari 2025, overeenkomstig de overgelegde pleitnota, onder meer het volgende aangevoerd:
“II. Feit 2, primair - Diefstal personenauto d.d. 17 augustus 2024
2. In eerste aanleg is reeds door de verdediging betoogt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat cliënt de auto heeft gestolen op 17 augustus 2024, aangezien nergens uit blijkt dat hij het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening heeft gehad. Uit het dossier blijkt enkel dat de auto geparkeerd stond aan de [b-straat] en dat cliënt deze op 17 augustus 2024, op klaar lichte dag, heeft opgehaald. Bovendien blijkt dat de autosleutels aanwezig waren en dat geen sprake was braakschade aan de auto.
3. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan op geen enkele manier worden vastgesteld dat cliënt, op het moment dat hij de auto instapte en meenam, had kunnen en moeten weten dat de auto niet van zijn vriendin was, zoals hij heeft verklaard.
4. Bovendien kan het oogmerk op de wederrechtelijke toe-eigening niet worden bewezen op grond van de uiterlijke verschijningsvormen. De handelingen die cliënt heeft verricht – het op klaar lichte dag, volledig herkenbaar, instappen in een auto met (zeer vermoedelijk) een sleutel en wegrijden – zijn geen handelingen die naar uiterlijke verschijningsvormen duiden op het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening of op wetenschap van diefstal van de sleutels en/of de auto. Naar het oordeel van de verdediging is de overweging van de politierechter dat wel sprake zou zijn van uiterlijke verschijningsvormen die duiden op diefstal dan ook geenszins volgen. Cliënt dient derhalve vrijgesproken te worden van het primair aan hem ten laste gelegde, in verband met het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
5. Dat cliënt moet worden vrijgesproken geldt voorts nu het door geschetste alternatieve scenario – namelijk dat hij de auto niet heeft gestolen, maar dat hij door [betrokkene 1] was gevraagd om de auto van een vriend op te halen – niet zonder meer als ongeloofwaardig ter zijde kan worden geschoven. Hierbij merkt de verdediging op dat het gaat om een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijke verklaring gaat. Een auto ophalen met/voor een kennis gebeurt immers vaker en cliënt heeft omschreven hoe dit is gegaan en met wie hij was. Gelet op deze omstandigheden kan de verklaring van cliënt niet als zondermeer ongeloofwaardig ter zijnde worden geschoven en geldt aldus als uitgangspunt dat de alternatieve gang van zaken zal moeten worden weerlegd, hetgeen geenszins kan. Het door cliënt geschetste scenario pas immers exact bij de bevindingen uit het dossier en kan hierdoor niet worden weerlegd.
6. Concluderend dient cliënt te worden vrijgesproken van het primair aan hem ten laste gelegde in verband met het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.”
Het hof heeft de volgende overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring bevestigd:
“3.3 Bewijsoverweging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft de raadsvrouw – kort gezegd – aangevoerd dat de er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om verdachte aan feit 1 te koppelen, en dat er voor feit 2 niet vaststaat dat verdachte het oogmerk had om de auto wederrechtelijk toe te eigenen.
Ten aanzien van het bewijs overweegt de politierechter het volgende.
Op 16 augustus 2024 is uit een woning in [plaats] een autosleutel en witte Iphone 12 gestolen. Op basis van het dossier en de deels bekennende verklaring van de verdachte staat vast dat de verdachte op 17 augustus 2024 de auto van aangever heeft meegenomen, die geparkeerd stond voor het huis van de aangever waaruit een dag eerder de sleutel gestolen was. Op 18 augustus 2024 is de verdachte aangehouden in de auto van aangever. In de auto werd de autosleutel en een witte Iphone 12 aangetroffen. Naar uiterlijke verschijningsvorm betreft dit diefstal, nu aangever de persoon was die de auto heeft weggenomen vanaf het huis van aangever.
Het alternatieve scenario, namelijk dat de verdachte op 17 augustus werd gevraagd door zijn kennis [betrokkene 1] om de auto op te halen, waarna hij op 18 augustus de auto weer van haar had geleend, acht de politierechter niet aannemelijk. Hierbij acht de politierechter relevant dat de verdachte pas voor het eerst ter terechtzitting met dit alternatieve scenario is gekomen. en hij op geen enkel eerder moment heeft laten weten dat hij de sleutel op 17 en 18 augustus van een kennis had gekregen. De verdachte heeft verder ook geen volledige naam, adres of andere aanknopingspunten gegeven op basis waarvan dit alternatieve scenario (tijdig) onderzocht had kunnen worden. De politierechter acht het alternatieve scenario hierom ongeloofwaardig en schuift dit terzijde.”
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Als de tenlastelegging wordt bestreden met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, moet de rechter als hij het feit bewezen verklaart die lezing in zijn uitspraak weerleggen. Dat kan de rechter doen door opneming van wettige bewijsmiddelen die de lezing van de verdachte weerleggen, maar in voorkomende gevallen kan ook worden volstaan met het oordeel dat hetgeen is aangevoerd niet aannemelijk is geworden, dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Daarbij merk ik op dat de selectie en waardering van het bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter. In cassatie kan dit slechts beperkt worden getoetst.
In de kern klaagt de steller van het middel dat de motivering van de bewezenverklaring en/of de verwerping van het alternatieve scenario tekortschiet. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof geen vaststellingen heeft gedaan omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal van de sleutel of andere vaststellingen die erop zouden kunnen duiden dat de verdachte bekend was met deze diefstal en daarmee het bewezenverklaarde voertuig heeft weggenomen. Voor zover de politierechter – en in navolging daarop het hof – het door de verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario als ongeloofwaardig terzijde heeft geschoven en daarbij het moment waarop met dit alternatieve scenario is gekomen heeft betrokken, wijst de steller van het middel erop dat de verdachte iets meer dan een week na zijn aanhouding terechtstond, zodat van een aanzienlijk tijdsverloop geen sprake is. Ook het door het hof overgenomen oordeel van de politierechter dat de verdachte “onvoldoende aanknopingspunten heeft gegeven op basis waarvan dit alternatieve scenario (tijdig) onderzocht had kunnen worden” is volgens de steller van het middel “in het licht van het beperkte tijdsverloop onbegrijpelijk”. Daarnaast waren er camerabeelden beschikbaar in combinatie met een voornaam en had de verdachte niet meer aanknopingspunten kunnen geven.
In het door het hof bevestigde vonnis heeft de politierechter allereerst vastgesteld dat op 16 augustus 2024 uit een woning een autosleutel en een witte iPhone 12 is weggenomen. Verder overweegt de politierechter dat op basis van de verklaring van de verdachte vaststaat dat de verdachte op 17 augustus 2024 de auto van aangever, die geparkeerd stond voor het huis van aangever waaruit een dag eerder de sleutel was gestolen, heeft meegenomen. Op 18 augustus 2024 is de verdachte aangehouden in de auto van aangever. In deze auto werd zowel de autosleutel als een witte iPhone 12 aangetroffen. De politierechter komt vervolgens tot het oordeel dat dit naar uiterlijke verschijningsvorm diefstal betreft, nu de verdachte de persoon was die de auto heeft weggenomen vanaf het huis van aangever. Met betrekking tot het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, namelijk dat hij op 17 augustus 2024 door zijn kennis [betrokkene 1] was gevraagd om de auto op te halen en hij de auto op 18 augustus 2024 weer van haar had geleend, heeft de politierechter geoordeeld dat dit niet aannemelijk is geworden. De politierechter acht in dit kader relevant dat de verdachte eerst ter terechtzitting met dit alternatieve scenario is gekomen, hij op geen enkel eerder moment heeft laten weten dat hij de sleutel op 17 en 18 augustus 2024 van een kennis had gekregen en de verdachte verder ook geen volledige naam, adres of ander aanknopingspunt heeft gegeven op basis waarvan dit alternatieve scenario (tijdig) onderzocht had kunnen worden. De politierechter komt vervolgens tot het oordeel dat het hierom het alternatieve scenario ongeloofwaardig acht en terzijde schuift.
Het door het hof bevestigde oordeel dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden, acht ik niet onbegrijpelijk, temeer wanneer dit oordeel wordt beschouwd in de context van de rest van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Uit een en ander volgt immers dat op 16 augustus 2024 uit het hotel waar aangever verbleef een autosleutel en een witte iPhone 12 zijn weggenomen (bewijsmiddel 1). De verdachte is twee dagen later in deze auto aangetroffen (bewijsmiddel 2) met de autosleutel en de desbetreffende witte iPhone 12 (bewijsmiddelen 2 en 3). Ik merk daarbij overigens op dat niet is gebleken dat de verdachte voor het aantreffen van deze witte iPhone 12 een verklaring heeft afgegeven. Ook de dag na de diefstal van onder meer de autosleutel heeft de verdachte naar eigen zeggen van de auto gebruik gemaakt (bewijsmiddel 6). Dit betreft de dag waarop de auto blijkens de aangifte is weggenomen (bewijsmiddel 1), hetgeen door camerabeelden wordt bevestigd en waarop de verdachte wordt herkend (bewijsmiddelen 4 en 5). Bij deze stand van zaken heeft de politierechter – en daarmee ook het hof – kunnen oordelen dat dit naar uiterlijke verschijningsvorm diefstal betreft.
Anders dan de steller van het middel, meen ik dat bij het als ongeloofwaardig terzijde stellen van het alternatieve scenario de politierechter heeft kunnen betrekken dat de verdachte eerst ter terechtzitting met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen is gekomen, dat de verdachte op geen enkel eerder moment heeft laten weten dat hij de sleutel op 17 en 18 augustus 2024 van een kennis had gekregen en dat de verdachte verder ook geen volledige naam, adres of ander aanknopingspunt heeft gegeven op basis waarvan dit alternatieve scenario (tijdig) onderzocht had kunnen worden. Mijns inziens is het tijdsverloop (van 11 dagen) niet dermate kort dat een en ander daaraan in de weg staat. Dit is ook niet door de verdediging bepleit. Verder heeft de verdachte in het kader van zijn alternatieve scenario slechts de voornaam van zijn kennis van wie hij de auto zou hebben mogen lenen, genoemd. Het oordeel van de politierechter (en van het hof) ten aanzien van het door de verdachte gepresenteerde alternatieve scenario acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In het verlengde daarvan behoefde het hof voor het aannemen van het bewezenverklaarde ‘oogmerk van wederechtelijke toe-eigening’ geen vaststellingen te doen over de eventuele betrokkenheid of bekendheid van de verdachte met betrekking tot de diefstal van de autosleutel.
Het tweede middel faalt.
4. Slotsom
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG