ECLI:NL:PHR:2026:744

ECLI:NL:PHR:2026:744

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 22-07-2026
Zaaknummer 25/00403
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Zware mishandeling. Eerste middel klaagt dat hof beroep op noodweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Middel faalt, omdat uit vaststellingen hof voldoende blijkt dat verdachte grenzen van proportionele verdediging heeft overschreden. Tweede middel bevat slagende klacht dat hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel duur van de gijzeling ten onrechte heeft bepaald op 365 dagen. Namens BP ingediende middel klaagt tevergeefs over n-o verklaring door hof van vordering tot vergoeding (toekomstige) materiële schade. Conclusie strekt tot vernietiging voor wat betreft de duur van de opgelegde gijzeling die is verbonden aan de SVM en afdoening door de HR op dit punt en tot verwerping voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/00403

Zitting 25 augustus 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 4 februari 2025 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1 primair “zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in dit verband aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, zoals nader in het arrest vermeld.

Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens benadeelde partij is door S. Vermeulen, advocaat in Culemborg, één cassatiemiddel voorgesteld. Ten aanzien van dit middel is namens de verdachte een verweerschrift ingediend.

2. Het eerste middel

Het middel bevat de klacht dat het hof het beroep op noodweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

hij op 24 oktober 2018 te [plaats] aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een bloeding tussen het spinnenwebvlies en het zachte hersenvlies, en

- meerdere kneuzingen van de hersenen, en

- meerdere breuken van het linker wandbeen,

heeft toegebracht door met kracht met een paraplu tegen het hoofd van die [benadeelde] te slaan.”

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 november 2018 van de politie Eenheid Rotterdam, Onderzoek: Klimop / RT2R018102.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 55-57) :

als de op 7 november 2018 afgelegde verklaring van [verdachte] :

Ik reed die dag in de auto over de [a-straat] te [plaats] . Ik zat in de auto met mijn vriendin. Ik zag op de oversteekplaats een man die overstak. Ik ben gestopt met de auto en ben uitgestapt om verhaal te halen. Het werd een duw en trek worsteling. Na de worsteling van duwen en trekken werd het harder vechten.

Met ruimte creëren kreeg ik de kans om uit de achterbak van de auto een tennisracket in een hoes te pakken. Met de tennisracket heb ik nog wel op de handen van de man geslagen. Het werd weer duwen en trekken en mijn achterbak van de auto stond nog open. Ik kon toen een paraplu uit de achterbak pakken. Ik heb met de paraplu steekbewegingen gemaakt.

2. Een proces-verbaal aangifte d.d. 1 november 2018 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2018320459-2.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 7-12) :

als de op 1 november 2018 afgelegde verklaring van [aangeefster] namens [benadeelde] :

Ik wil aangifte doen namens mijn partner [benadeelde] . Op 24 oktober 2018 waren wij ’s avonds in onze woning op de [a-straat 1] in [plaats] . [benadeelde] wilde het vuilnis wegbrengen naar de vuilcontainer buiten. Ongeveer 5 minuten nadat [benadeelde] onze woning had verlaten hoorde ik steeds geschreeuw van buiten. Ik heb uit het raam vanuit mijn woonkamer naar buiten gekeken. Ik zag een man bij [benadeelde] staan. Ik zag dat die man iets in zijn handen hand en daarmee stekende bewegingen maakte naar [benadeelde] . Ik zag dat de man het voorwerp met beide handen boven zijn hoofd hief en stekende beweging maakte richting de linkerzijde van [benadeelde] . Ik zag dat hij het voorwerp met kracht naar voren bewoog. Ik zag dat hij in ieder geval [benadeelde] drie keer raakte met dat voorwerp. Ik zag dat de man steeds weer verder richting [benadeelde] liep en bleef proberen om [benadeelde] te slaan met dat voorwerp. Ik kwam buiten op straat. Ik zag heel veel bloed bij [benadeelde] zijn hoofd. Ik ben naar boven gegaan en wilde gelijk weer uit het raam kijken wat er met [benadeelde] gebeurde. Ik zag [benadeelde] lopen op het trottoir voor onze woning. Ik zag dat hij zwalkte, hij slingerde helemaal. Ik heb een foto gemaakt van de wond op het hoofd van [benadeelde] . Deze voeg ik bij mijn verklaring.

3. Een geschrift, zijnde Medische informatie / Letselbeschrijving bevattende medische informatie betreffende [benadeelde] d.d. 19 december 2018, opgemaakt en ondertekend door [naam 1] , forensisch arts. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

17-12-2018

Informatie ontvangen van de neuroloog uit het Franciscus Gasthuis & Vlietland betreffende opname aldaar van 25-10-2018 tot en met 6-11-2018.

Objectieve bevindingen

1. Een bloeding tussen het spinnenwebvlies en het zachte hersenvlies aan de linkerkant van het hoofd

2. Meerdere kneuzingen van de hersenen (bloedingshaarden) .

3. Meerdere breuken van het linker wandbeen (schedel).

Geschatte genezingsduur

Het letsel dient op basis van de aard en omvang als invaliderend letsel te worden beschouwd.

4. Een deskundigenverslag, zijnde een rapport van forensisch geneeskundig onderzoek, zaaknummer 2022.11.29.065, d.d. 11 mei 2024, opgemaakt en ondertekend door de deskundige [naam 2] , forensisch arts KNMG.

Dit deskundigenverslag houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Slachtoffer: [benadeelde]

Blijkens de beschikbare medische gegevens en het radiologisch beeldmateriaal was er bij de aangever een schedelbreuk met 'indeuking’ ('impressiefractuur') links aan de schedel en tekenen van penetratie tot in het hersenweefsel, ter hoogte van het wandbeen/slaapbeen met naar binnen verplaatste botfragmenten, met bloeduitstorting onder het botvlies van de schedel, bloeduitstorting onder het spinnenwebvlies (‘subarachnoïdaal bloed’) ter plaatse, met bloederige gebieden van hersenkneuzing (’hemorragische contusiehaarden’) en een bloeduitstorting onder het botvlies van de schedel. Daarbij was er bloed in een hersenkamer aan de linkerzijde ('bloed in de achterhoorn van de linkerzijventrikel').

Een impressiefractuur betreft een breuk van de schedel, opgelopen door plaatselijke indeuking van de schedel door een hevige stompe en/of perforerende geweldinwerking op de schedel, bijvoorbeeld door hard slaan of drukken met een hard voorwerp of uitsteeksel. Door deze geweldinwerking, met name als er, zoals in onderhavig geval, naar binnen verplaatste botfragmenten zijn met tekenen van penetratie van het hersenweefsel, kan, zoals geconstateerd bij de aangever, beschadiging optreden van de daaronder gelegen hersenvliezen en het onderliggende hersenweefsel. Ook de beschreven bloeduitstorting onder het botvlies kan hier goed door worden verklaard.

De impressiefractuur had afmetingen van circa 8 bij 13,5 mm, hetgeen goed past bij een smal voorwerp of uitsteeksel, met overeenkomstige vorm en afmetingen, waardoor de beschreven paraplu tot de mogelijke veroorzakende voorwerpen behoort.

Een subarachnoïdale bloeding betreft een bloeding onder het spinnenwebvlies. Een dergelijke bloeding ontstaat in de meeste gevallen nagenoeg spontaan, door een zwakke plek in de bloedvatwand onder het spinnenwebvlies, bijvoorbeeld door een abnormale verwijding van het bloedvat ('aneurysma'), echter zij kunnen ook ontstaan door trauma, zoals door botsend (of penetrerend) geweld op/in het hoofd. 'Spontane' subarachnoïdale bloedingen bevinden doorgaans dieper in het hersenweefsel en kunnen vaak in relatie worden gebracht met specifieke afwijkingen in de bloedvatwanden.

Traumatische subarachnoïdale bloedingen zijn meestal oppervlakkiger gelegen, en bevinden zich in de nabijheid van andere traumatische afwijkingen.

Aangezien er in onderhavig geval geen aanwijzingen waren voor afwijkingen aan de bloedvaten in de hersenen, de bloeding zich ter plaatse van andere traumatische afwijkingen bevond, duidend op een geweldinwerking ter plaatse, en de bloeding oppervlakkiger was gelegen dan bij een niet-traumatische subarachnoïdale bloeding, is het aantreffen van de subarachnoïdale bloeding zoals gediagnosticeerd bij de aangever veel waarschijnlijker onder een hypothese dat deze een traumatische origine heeft, dan onder een hypothese dat deze 'spontaan’ is opgetreden.

Schedelbreuken of letsels aan de hersenen of hersenvliezen door een val vanuit staande positie op een straat (bij een 35-jarige man) zijn doorgaans minder ernstig, hebben niet het aspect van een impressiefractuur met penetratie tot in het hersenweefsel.

Derhalve is het aantreffen van de letsels links aan en in de schedel veel waarschijnlijker onder hypothese van stomp botsend en penetrerend geweld met een min of meer puntig voorwerp dan onder een hypothese van vallen op een (vlakke) straat.

Ook de hypothese dat de aangever gevallen is doordat hij dronken was wordt, gezien het ontbreken van aanwijzingen voor een verhoogd alcoholpromillage bij laboratoriumonderzoek, niet waarschijnlijk geacht. De drie zwellingen op het achterhoofd kunnen verklaard worden door één of meerdere botsende geweldinwerkingen ter plaatse, bijvoorbeeld bij een val op het achterhoofd.

5. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 15 oktober 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met documentcode 1910151320.A. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 58-61):

als de op 15 oktober 2019 afgelegde verklaring van [benadeelde] :

Wat kunt u zich nog herinneren van het incident?

Ik ben naar buiten gelopen om het afval weg te gooien. Ik stak het zebrapad over om naar de afvalbak te lopen. Ik wilde weer naar mijn woning lopen. Er kwam een auto aan op het moment dat ik over het zebrapad liep.

Ik zag dat de auto net na het zebrapad stopte. Ik zag dat er uit de auto een man en een vrouw kwamen. De man stond voor mij terwijl hij mij meerdere malen opzettelijk en met kracht sloeg waardoor ik direct pijn voelde. Ik zag dat de man iets van ijzer in zijn hand vasthield.

Ik heb meerdere klappen op mijn hoofd gehad maar 1 hele harde klap op mijn slaap.

6. De eigen waarneming van het hof, gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2025 voor zover inhoudende:

Op de zich in het dossier bevindende camerabeelden is het volgende te zien. De verdachte houdt aanvankelijk een paraplu langs zijn lichaam. De aangever maakt met zijn linkerhand een slaande beweging in de richting van het gezicht van de verdachte. Het hoofd van de verdachte gaat daarop naar achteren. De verdachte beweegt vervolgens naar voren, terwijl hij snelle stekende bewegingen maakt met de paraplu, waaronder een stekende beweging van boven naar beneden. Daarbij bevindt de punt van de paraplu zich steeds aan de zijde van de aangever. De paraplu valt op enig moment op de grond en heeft dan een gebogen punt. Nadat het handgemeen ten einde is gekomen, raakt de aangever met zijn linkerhand de linkerzijde van zijn hoofd aan.

7. De eigen waarneming van het hof, gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2025, voor zover inhoudende:

Op de kleurenfoto op pagina 12 is een kleine verwonding op de linkerzijkant van het hoofd van de aangever te zien.”

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2025 heeft de raadsman het woord tot verdediging gevoerd en heeft met betrekking tot het beroep op noodweer het volgende naar voren gebracht:

Ik stel mij subsidiair op het standpunt dat cliënt een beroep op noodweer toekomt, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De aangever heeft cliënt aangevallen en hem met zijn vuist tegen het hoofd geslagen. Van cliënt kon niet worden gevergd dat hij zou vluchten, omdat er geen einde was gekomen aan de dreigende situatie. Hij mocht zich verdedigen en heeft dat ook gedaan. Ik ben het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat mijn cliënt de aanval heeft overgenomen: de aangever moest worden vastgehouden door omstanders omdat hij mijn cliënt aanviel.”

Het hof heeft dit standpunt van de raadsman in zijn arrest als volgt samengevat en verworpen:

“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft hiertoe betoogd dat de aangever de verdachte heeft aangevallen en hem met zijn vuist tegen het hoofd heeft geslagen. Van de verdachte kon niet worden gevergd dat hij zou vluchten, omdat er geen einde was gekomen aan de dreigende situatie. Hij mocht zich verdedigen en heeft dat ook gedaan.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft verklaard dat hij door de aangever hard in zijn gezicht geslagen werd. Deze verklaring wordt ondersteund door de beelden waarop, zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen, te zien is dat de aangever met zijn linkerhand een slaande beweging maakt in de richting van het gezicht van de verdachte en dat het hoofd van de verdachte daarop naar achteren beweegt.

Het hof acht aannemelijk dat de aangever de verdachte hard tegen het hoofd heeft geslagen. De verdachte mocht zich op dat moment verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr. Van de verdachte kon niet worden gevergd dat hij zich op dat moment aan de situatie zou onttrekken, alleen al omdat de aangever daarvoor te dicht op hem stond.

De verdachte heeft daarop naar voren bewogen richting de aangever, terwijl hij met de paraplu stekende bewegingen maakte. Daarmee heeft hij de aangever van zich af gedreven. Vervolgens is de verdachte, hoewel de aangever steeds verder achteruit liep, stekende bewegingen blijven maken met de paraplu, waaronder van boven naar beneden, en heeft hij de aangever met de punt van de paraplu tegen het hoofd geslagen.

Door aldus te handelen heeft de verdachte naar het oordeel van het hof de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. In het bijzonder weegt het hof daarbij mee dat de verdachte de paraplu als slag- en steekwapen heeft gebruikt tegen de aangever die ongewapend was. Het handelen van de verdachte is daarmee niet als proportioneel aan te merken.

Het hof verwerpt het beroep op noodweer.”

In de toelichting op het middel merken de stellers van het middel op dat het hof tekortschiet in de verwerping van het noodweerverweer, gelet op het feit dat de verdachte de gedragingen heeft verricht nadat hij door de aangever hard op zijn hoofd is geslagen en dit aangemerkt kan worden als (een poging tot) het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, terwijl de verdachte zich niet aan de aanval kon onttrekken. Dat de verdachte niet de meest optimale wijze van verdediging heeft gekozen en de aangever daardoor letsel heeft bekomen hoeft – volgens de stellers van het middel – niet in de weg te staan aan een beroep op noodweer.

De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest inzake noodweer(exces) van 22 maart 2016 het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

3.1.2. Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan.

[…]

Geboden door de noodzakelijke verdediging

In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.

Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.

[…]

Verdediging moet geboden zijn

De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist.”

Wat betreft de proportionaliteitstoets nog het volgende. De wetgever heeft beoogd om ‘wanverhoudingen’ tussen doel en middel buiten de noodweerbevoegdheid te houden, maar het is niet de bedoeling geweest om het gekozen verdedigingsmiddel – zoals De Hullu het ooit heeft verwoord – ‘op een weegschaal’ te leggen en vervolgens de vraag te stellen of de verdediging optimaal is geweest. De in het verband van de proportionaliteiteis geldende maatstaf luidt dan ook of de gedraging (als verdedigingsmiddel) niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Deze maatstaf brengt tot uitdrukking dat het niet gaat om een pure evenredigheidsbeoordeling, maar om een redelijkheidsoordeel waarbij ook andere factoren kunnen worden betrokken. De proportionaliteitstoets wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, waarbij centraal staan de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt.

In het licht van het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte niet als proportioneel is aan te merken toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Ik begrijp de overwegingen van het hof zo dat het het beroep op noodweer (terecht) niet enkel heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de verdachte zijn paraplu als slag- en steekwapen heeft gebruikt tegen de ongewapende aangever, maar ook op grond van de omstandigheid dat de aangever op het moment dat hij geraakt werd door de punt van de paraplu reeds steeds verder achteruit liep en de verdachte desondanks door is gegaan met steken. Wat mij betreft, kon het hof onder deze omstandigheden oordelen dat de verdachte te ver is doorgeschoten in zijn verdediging en dus niet proportioneel heeft gehandeld. Ik neem hierbij in aanmerking dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het voorwerp (kennelijk de paraplu) met kracht naar voren bewoog en “steeds” weer richting de aangever liep en “bleef” proberen de aangever te slaan (bewijsmiddel 2). Ook neem ik in aanmerking hetgeen uit de letselbeschrijving blijkt, namelijk dat de aangever meerdere breuken in de schedel, meerdere kneuzingen van de hersenen en een bloeding in het hersenvlies heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte toegepaste geweld (bewijsmiddelen 3 en 4), hetgeen op een zeer intensieve gewelduitbarsting van de verdachte jegens de aangever duidt. Hiermee staat mijns inziens voldoende vast dat de verdachte de grenzen van een proportionele verdediging schromelijk heeft overschreden en het hof het beroep op noodweer dus kon verwerpen.

Het eerste middel faalt.

3. Het tweede middel

Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel de duur van de gijzeling ten onrechte heeft bepaald op 365 dagen.

Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor een feit dat is begaan op 24 oktober 2018 en hem ten aanzien daarvan de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, hetgeen inhoudt dat de verdachte verplicht is om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen. Het hof heeft de duur van de gijzeling bepaald op 365 dagen.

Art. 36f lid 5 Sr schrijft ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel voor dat de door de rechter te bepalen duur van de gijzeling “ten hoogste één jaar” beloopt. In de periode tussen het bewezenverklaarde feit en het arrest van het hof is er een tijdsbestek geweest (van 1 januari 2020 tot 25 juli 2020) waarin één jaar op grond van art. 88 (oud) Sr niet 365 maar 360 dagen bedroeg. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 juni 2021 volgt dat de uit art. 88 (oud) Sr voortvloeiende regel dat onder één jaar 360 dagen moeten worden verstaan, moet worden aangemerkt als de voor de verdachte gunstigste bepaling als bedoeld in art. 1 lid 1 Sr. Dat betekent dat de totale duur van de gijzeling ook in de onderhavige zaak slechts 360 dagen mocht bedragen. Dat heeft het hof miskend.

Het middel slaagt.

4. Het namens de benadeelde partij ingediende middel

Het namens de benadeelde partij ingediende middel klaagt dat:

i) het hof de benadeelde partij ten onrechte gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vordering tot vergoeding van de materiële schade wegens verlies van arbeidsvermogen, pensioenschade en zelfwerkzaamheid en ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van diens schattingsbevoegdheid ex art. 6:97 BW;

ii) het hof ten onrechte de kosten van het expertisebureau ex art. 6:96 lid 2 BW niet heeft toegewezen en heeft nagelaten te motiveren waarom deze kosten niet toewijsbaar zouden zijn.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde] heeft het hof in zijn arrest onder meer overwogen:

“Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 primair tenlastegelegde.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 822.293,24.

De vergoeding van materiële schade bestaat uit verlies van arbeidsvermogen, pensioenschade en verlies zelfwerkzaamheid, primair tot een totaal van € 513.578,- en subsidiair tot een totaal van € 185.745,-.

Voorts wordt vergoeding van materiële schade verzocht tot een bedrag van € 17.696,24, bestaande uit:

Kosten eigen risico: € 1.500,-

Kleding en schoenen: € 250,-

Reiskosten (totaal): €1.677,52

Kosten verhuizing (totaal): € 10.644,22

Kosten expertise (totaal): € 2.420,-

Kosten advocaat procedures (totaal): € 1.204,50

De benadeelde partij vordert daarnaast een vergoeding van € 275.000,- aan immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 140.927,52, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Materiële schade waarover het hof reeds heeft beslist

Ter terechtzitting in hoger beroep van 23 augustus 2022 heeft het hof reeds bepaald dat de benadeelde partij met betrekking tot de gevorderde materiële schade wegens verlies van arbeidsvermogen, pensioenschade en zelfwerkzaamheid, op grond van artikel 415 in verbinding met artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering kennelijk niet-ontvankelijk is, nu de behandeling van die onderdelen van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Overige materiële schade

De benadeelde partij heeft gesteld en met stukken onderbouwd dat hij over de jaren 2018 tot en met 2021 een totaalbedrag van € 1.500,- aan eigen risico kwijt is en dat hij (in totaal) € 1.677,52 aan reiskosten heeft gemaakt. Deze bedragen zijn door de verdediging onvoldoende gemotiveerd betwist. De stelling van de raadsman dat het eigen risico over meerdere jaren kan worden 'uitgesmeerd', is niet onderbouwd. Het betreft rechtstreekse schade als gevolg van het bewezenverklaarde .

Het hof acht aannemelijk dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade aan kleding en schoenen is toegebracht. Het hof schat deze schade op een bedrag van € 250,-.

Van de overige materiële schadeposten is onvoldoende onderbouwd dat deze rechtstreekse schade betreffen als gevolg van het bewezenverklaarde. Nader onderzoek op dit punt levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de

benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

[…].

BESLISSING

Het hof:

[…]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 122.742,02 (honderdtweeëntwintigduizend zevenhonderdtweeënveertig euro en twee cent), bestaande uit € 2.742,02 (tweeduizend zevenhonderdtweeënveertig euro en twee cent) materiële schade en € 120.000,00 (honderdtwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

[…]”

Alvorens het middel te bespreken, stel ik het volgende voorop. Art. 333 Sv, welk artikel op de voet van artikel 415 Sv van toepassing is in hoger beroep, biedt de rechter, indien naar zijn oordeel de benadeelde partij kennelijk niet-ontvankelijk is, de mogelijkheid zonder nader onderzoek van de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij uit te spreken. Hiervoor kan bijvoorbeeld aanleiding zijn indien gelet op de aard en/of de omvang van de gevorderde schade op voorhand moet worden geconcludeerd dat de behandeling van de vordering leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding als bedoeld in art. 361 lid 3 Sv. Art. 361 lid 3 Sv, welk artikel op de voet van art. 415 Sv eveneens van toepassing is in hoger beroep, biedt de rechter de mogelijkheid te bepalen dat de vordering van de benadeelde partij geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij (delen van) haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Dat betreft een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten.

In de onderhavige zaak heeft het hof ten aanzien van de schade die is gevorderd wegens verlies van arbeidsvermogen, pensioenschade en zelfwerkzaamheid, geoordeeld dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Het begroten van dergelijke schade is een complex proces waarbij ‘goede’ en ‘kwade’ kansen tegen elkaar moeten worden afgewogen. Hoewel er een gedetailleerd rapport van Laumen Expertise ten grondslag ligt aan de vordering van de benadeelde partij is de hoogte van de schade namens de verdachte ter terechtzitting gemotiveerd betwist. Dat het hof bij het begroten van dergelijke schade gebruik kan maken van de in art. 6:97 BW neergelegde schattingsbevoegdheid doet niet af aan de begrijpelijkheid van zijn oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op de betwisting van de vordering namens de verdachte achtte het hof zich kennelijk – en niet onbegrijpelijk – zonder nader onderzoek niet tot een dergelijke schatting in staat.

Daarmee resteert de klacht over het niet toewijzen door het hof van de gevorderde vergoeding van de kosten die zijn gemaakt voor het opstellen van de schadeberekening door het expertisebureau (het gaat hierbij naar ik begrijp om de kosten voor het opstellen van het eerdergenoemde schaderapport van Laumen Expertise), nu het hof de vordering van de benadeelde partij gelet op art. 6:96 lid 2 BW in zoverre had moeten toewijzen.

Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51a lid 1 Sv komt schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit als bedoeld in art. 361 lid 2 aanhef en sub b Sv en voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Op grond van art. 6:96 lid 2 aanhef en sub b BW komen als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking “redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid". Daarbij kan men denken aan administratiekosten, maar ook aan de kosten die zijn gemoeid met het inschakelen van een juridisch deskundige of een schade- of expertisebureau dat bijvoorbeeld de omvang van de schade in kaart brengt. In dit verband geldt een zogenaamde dubbele redelijkheidstoets: zowel het maken van de kosten (het inschakelen van een deskundige etc.) als de omvang van de kosten moeten redelijk zijn.

Het hof heeft ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de kosten die zijn gemaakt voor het vaststellen van de schade met betrekking tot het verlies van arbeidsvermogen, pensioenschade, en verlies van zelfwerkzaamheid geoordeeld dat onvoldoende is onderbouwd dat deze schadepost rechtstreekse schade betreft als gevolg van het bewezenverklaarde, terwijl nader onderzoek op dit punt een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof heeft bepaald dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering en dat deze vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Het oordeel van het hof geeft gelet op hetgeen onder randnummer 4.6 is vooropgesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de betwisting van de vordering door en namens de verdachte, acht ik dit oordeel ook niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

5. Slotsom

Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. Het namens de benadeelde partij ingediende middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

Deze conclusie strekt:

- tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer,

- tot bepaling dat voor zover het hof ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van dit in het arrest genoemde slachtoffer de gijzeling op 365 dagen heeft bepaald, moet worden uitgegaan van een gijzeling voor de duur van 360 dagen, en

- tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand