ECLI:NL:PHR:2026:745

ECLI:NL:PHR:2026:745

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 22-07-2026
Zaaknummer 25/00414
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Voorhanden hebben en ter beschikking stellen professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik. Overtreding art. 9.2.2.1. Wet milieubeheer. Falend middel inhoudende dat bewezenverklaarde niet kan volgen uit bewijsvoering althans hof niet gerespondeerd heeft op uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Tevens falend middel over strafoplegging. Slagend middel over onttrekking aan het verkeer van (stroomstoot)wapen, nu oordeel hof dat genoemd wapen 'kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten' niet zonder meer begrijpelijk is. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof maar uitsluitend t.a.v. beslissing tot o.a.h.v. van wapen en verwerping voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/00414 E

Zitting 25 augustus 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 24 januari 2025 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van 210 uren, subsidiair 105 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarnaast de onttrekking aan het verkeer bevolen van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven vuurwerk en een wapen.

Namens de verdachte heeft J. Sietsma, advocaat in Koog aan de Zaan, drie middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde niet kan volgen uit de bewijsvoering, althans dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op een namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed is.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 17 november 2020 te [plaats] opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten: 210 bangers, type Cobra 6 voorhanden heeft gehad en aan een ander ter beschikking heeft gesteld.”

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van inzet pseudoverkoop d.d. 18 november 2020, p. 21-27, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten L1035 en L1036:

Uit onderzoek van de politie Limburg-Zuid, district Maastricht, districtsrecherche Maastricht, blijkt dat op het open internet forum Telegram illegaal vuurwerk wordt aangeboden onder andere in de groep genaamd [naam 1]. Wij zagen dat een persoon genaamd ‘[naam 2]; op de site van Telegram vuurwerk aanbood. [naam 2] bood onder ander Cobra 6, 20 pakjes voor € 200,-.

Naar aanleiding hiervan werd door de officier van justitie [naam 3] van het Functioneel Parket ‘s-Hertogenbosch onder parketnummer 82.291956.20 een bevel tot pseudokoop afgegeven voor de periode 17 november 2020 tot en met 20 november 2020. Wij hebben op 17 november 2020 om 12.12 uur via het chatprogramma Telegram contact gezocht met de aanbieder, [naam 2].

Wij stopten op 17 november 2020 omstreeks 18.01 uur op de [a-straat] te [plaats] ter hoogte van perceel nummer [...]. Ik, L1035, belde aan bij huisnummer [...], zijnde het adres welk door [naam 2] was doorgegeven. Kennelijk werd dit door [naam 2] gezien daar hij hierop reageerde middels de chat/Telegram met het bericht “Maat, wat doe je man, dat je daar aanbelt”. Omstreeks 18.10 uur ontvingen wij een bericht van [naam 2] dat de nieuwe ontmoetingsplaats de [b-straat] te [plaats] zou zijn.

Wij, L1035 en L1036, reden over de [c-straat] te [plaats]. Vlak voor de kruising met de [b-straat] zagen wij een jonge man op het trottoir staan die in onze richting een handgebaar maakte om te stoppen. Wij, L1035 en L1036, stopten ons voertuig en vroegen of deze man [naam 2] was, hetgeen hij bevestigde. Omstreeks 18.12 uur stapten wij, L1035 en L 1036, uit ons voertuig en liepen zoals afgesproken met [naam 2] naar de achterzijde van ons voertuig. Wij, L1035 en L1036, zagen dat [naam 2] van achter een boom een grote zwarte gevulde vuilniszak oppakte en ook naar de achterzijde van ons voertuig kwam. Wij, L1035 en L1036, openden deze vuilniszak. Wij zagen dat hier 20 losse pakjes Cobra’s 6 (elk pakje inhoudende 3 cobra’s) en een grote kartonnen doos inhoudende 50 pakjes Cobra's 6.

Nadat wij de pakjes gesteld hadden overhandigde ik, L1035, [naam 2] 14 bankbiljetten van € 50,00 (totaal € 700,00). Omstreeks 18.14 uur werd de verdachte [naam 2] door het tactisch team ter plaatse aangehouden De vuilniszak inhoudende de 70 pakjes Cobra 6 werd door het tactisch team in beslaggenomen.

2. Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 17 november 2020, p. 35-36, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten LBZ03675, LBZ00501 en LBZ02785:

Op 17 november 2020 om 18.15 uur, hielden wij op de openbare weg, [c-straat] ter hoogte van perceel [...] te [plaats] als verdachte aan: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats].

Grond aanhouding:

Op heterdaad als verdachte van overtreding van artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer vanwege, artikel 1.2.2 vuurwerkbesluit strafbaar gesteld in de wet economische delicten art. 1a onder 1 juncto artikel 2, lid 1 juncto artikel 6 lid 1 onder 1 als misdrijf.

3. De kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL2300-2020185729-6 d.d. 17 november 2020, p. 68, voor zover inhoudende:

Plaats: [b-straat], [plaats], binnen de gemeente [...]

Datum en tijd: 17 november 2020 te 18.30 uur

Volgnummer 1:

Object: Vuurwerk

Totale hoeveelheid: 15 kg

4. Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk d.d. 15 januari 2021, p. 96-100 (met bijlagen p. 101-114) voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:

(pagina 98)

Op 12 januari 2021 is door mij, hoofdagent van politie, behorende tot het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk (COV), te Ulicoten, het inbeslaggenomen vuurwerk als materiedeskundige op uiterlijke kenmerken onderzocht. Ik zag dat de door mij onderzochte partij was voorzien van de PL-code en BVH-nummer PL2300 2020185729-6. Het onderzochte vuurwerk is door mij ingedeeld in de Lijsten I t/m IV conform de Richtlijn Voor Strafvordering Vuurwerkdelicten. De resultaten daarvan vermeldde ik in onderstaande tabel.

Lijst III: Bangers (zwaar knalvuurwerk: categorie

Aantal/gewicht: 210st

Bijlage 2: knalvuurwerk - lijst III

(pagina 103-107)

Ik zag dat dit vuurwerk was van het soort knalvuurwerk (banger/flashbanger). Ik zag op het vuurwerk opschriften met betrekking tot het merk, type en/of netto explosieve massa (NEM). Ik heb het aantal stuks geteld. Mijn bevindingen heb ik weergegeven in onderstaande tabel.

Naam:

Cobra 6

Aantal stuks:

210

(pagina 106)

Ik heb dit vuurwerk ingedeeld in lijst III van de Richtlijn voor Strafvordering Vuurwerkdelicten. Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk was voorzien van de categorie- indeling F4. Knalvuurwerk van hetzelfde merk, naam, type en/of artikelnummer, met gelijke uiterlijke kenmerken als door mij onderzocht, is onderzocht door het NFI. Uit dit onderzoek is gebleken dat dit knalvuurwerk niet voldeed aan de gestelde eisen van het Vuurwerkbesluit en/of de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 en/of Regeling Aanwijzing Consumenten- en Theatervuurwerk.

(pagina 107)

Op basis van mijn bevindingen stel ik vast dat dit vuurwerk is aan te merken als professioneel vuurwerk.”

Het hof heeft het verweer van de verdediging als volgt samengevat en verworpen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe heeft de raadsman van de verdachte - op gronden zoals verwoord in de pleitnota, kort weergegeven - naar voren gebracht dat op grond van het dossier niet is uit te sluiten dat de verdachte geen wetenschap had van hetgeen zich in de vuilniszak bevond en hij er enkel bij heeft gestaan en naar voren is geduwd om het geld aan te nemen. De verdachte had het vuurwerk dan ook niet voorhanden en kan dit dan ook niet ter beschikking hebben gesteld, aldus de verdediging. De verdachte heeft aanvullend verklaard dat de vuilniszak al achter de boom lag, hij niet wist wat hierin zat en dat een derde persoon op een afstand toe stond te kijken,

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Met betrekking tot het hiervoor weergegeven door de verdediging geschetste alternatieve geschetste scenario overweegt het hof dat ieder begin van aannemelijkheid hiertoe ontbreekt, nu hiervoor in het politiedossier geen enkele aanwijzing te vinden is. Bovendien is van de zijde van de verdachte geen enkele onderbouwing gegeven aan dit alternatieve scenario. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario als ongeloofwaardig terzijde kan worden geschoven.

Gelet op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat hetgeen overig door de verdediging naar voren is gebracht zijn weerlegging vindt in deze bewijsmiddelen en derhalve behoeft het verweer geen bespreking.”

Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat een persoon genaamd ‘[naam 2]’ op Telegram vuurwerk aanbood, waaronder vuurwerk van het type Cobra 6. Naar aanleiding van een opgezette actie tot pseudokoop van dat vuurwerk heeft de politie op 17 november 2020 in [plaats] afgesproken met ‘[naam 2]’. Uit de bewijsvoering volgt dat die persoon van achter een boom een grote zwarte vuilniszak oppakte en overdroeg aan de verbalisanten, die waarnamen dat daarin vuurwerk zat. De persoon (‘[naam 2]’) die de tas met vuurwerk heeft overgedragen is aangehouden en bleek de verdachte te zijn. Uit onderzoek is gebleken dat het inbeslaggenomen vuurwerk 210 stuks Cobra 6 betreft en is aan te merken als professioneel vuurwerk.

Op basis van die vaststellingen heeft het hof zonder meer tot het oordeel kunnen komen dat de verdachte opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en aan een ander ter beschikking heeft gesteld. Daarbij heeft het hof gemotiveerd waarom het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario ongeloofwaardig acht en terzijde schuift, waarmee het – anders dan de steller van het middel kennelijk meent – weldegelijk heeft gerespondeerd op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

Het middel faalt.

3. Het tweede middel

Het middel richt zich tegen de onttrekking aan het verkeer van het stroomstootwapen en klaagt dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat genoemd wapen kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten als waarvoor de verdachte is veroordeeld en om die reden vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij (kortgezegd) opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, (Cobra 6) voorhanden heeft gehad en aan een ander ter beschikking heeft gesteld.

Het hof heeft met betrekking tot de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het stroomstootwapen het volgende overwogen:

“Het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggeven wapen, een flashlight die ook gebruikt kan worden als stroomstootwapen, aan de verdachte toebehorend, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Het wapen is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit aangetroffen en het betreft een voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Het hof is van oordeel dat het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, nu de handel in illegale goederen met regelmaat gepaard gaat met het voorhanden hebben van wapens.”

Het hof heeft zijn beslissing kennelijk gegrond op het bepaalde in art. 36d Sr, dat luidt:

“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”

Onder soortgelijke feiten in de zin van art. 36d Sr dienen te worden verstaan feiten die tot dezelfde categorie behoren als de door de verdachte begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht. Alvorens de rechter tot onttrekking aan het verkeer kan beslissen moet hij (onder meer) vaststellingen doen over de relatie tussen het ‘te onttrekken’ voorwerp en hetgeen de verdachte verweten wordt. Hoewel onttrekking aan het verkeer een reparatoire maatregel is, verzet het wettelijke systeem zich ertegen dat een voorwerp – waarvan het bezit op zich in strijd is met de wet of met het algemeen belang – in de strafzaak tegen de verdachte wordt onttrokken aan het verkeer, indien dat voorwerp geen directe relatie heeft met het bewezenverklaarde feit of met (de belemmering van de opsporing van) soortgelijke feiten.

Ik acht het oordeel van het hof dat het inbeslaggenomen stroomstootwapen kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, te weten de handel in illegale goederen, niet zonder meer begrijpelijk. Overtredingen van de Wet wapens en munitie behoren immers niet tot dezelfde categorie als overtredingen van de Wet milieubeheer. Verder maakt de door het hof aangevoerde omstandigheid dat de handel in illegale goederen met regelmaat gepaard gaat met het voorhanden hebben van wapens, nog niet dat deze wapens strekken tot het ‘begaan’ of ‘voorbereiden’ van een dergelijk delict. Zij strekken hoogstens tot bescherming van de ‘handelaar’ in voormelde goederen.

Het middel is daarmee terecht voorgesteld. Om redenen van doelmatigheid, meen ik dat volstaan kan worden met het vernietigen van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van een wapen. Ik merk daarbij op dat die beslissing weliswaar meebrengt dat het belang van de strafvordering dat met het gelegde beslag is gemoeid, zich niet langer tegen een bevel tot teruggave verzet, maar dat dit in dit geval – nu het voorhanden hebben van een stroomstootwapen een strafbaar feit oplevert – niet in de weg staat aan een voortzetting van het gelegde beslag op een andere grond. Onttrekking van het wapen aan het verkeer bij afzonderlijke beschikking op de voet van art. 36b lid 1 onder 4 jo. art. 36c onder 2 Sr lijkt in dit geval immers mogelijk. Voor het overige geldt dat de verdachte zich over het uitblijven van een last tot teruggave op grond van art. 552a Sv kan beklagen.

4. Het derde middel

Het middel richt zich tegen de strafoplegging en klaagt dat de door het hof opgelegde straf zonder nadere motivering afwijkt van de vordering van de advocaat-generaal en van het voorstel van de raadsman, zodat deze niet voldoende met redenen is omkleed. De opgelegde straf wekt in de ogen van de steller van het middel daarnaast ‘verbazing’, omdat de opgelegde straf volgens hem in geen verhouding staat tot de bewezenverklaarde feiten.

Het hof heeft met betrekking tot de strafoplegging – voor zover hier van belang – het volgende overwogen (met weglating van een voetnoot):

“Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid professioneel vuurwerk. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk vuurwerk vanwege de bijzondere aard en eigenschappen - zoals een zwaardere of explosievere lading - ernstig gevaar voor zowel goederen als personen kan opleveren en - in verkeerde handen - gebruikt kan worden voor verdergaande criminele doelen. Voor het aanwezig hebben van dergelijk vuurwerk gelden strenge regels en is specialistische kennis vereist. De verdachte beschikte niet over deze kennis en lijkt niet over deze risico’s te hebben nagedacht.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 23 oktober 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie. Tevens heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, welke tijdens het verhandelde ter terechtzitting zijn gebleken. De verdachte heeft onder andere naar voren gebracht dat hij bij zijn moeder woonachtig is, zelfstandig ondernemer is en meerdere webshops runt.

In het kader van de strafmaat heeft de verdediging naar voren gebracht dat er sprake is van een vormverzuim, nu het bevel tot pseudokoop door de officier van justitie op 17 november 2020 mondeling is afgegeven en er geen sprake was van een dringende noodzaak. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat er wel een dringende noodzaak bestond om een mondeling bevel tot pseudokoop af te geven, nu er sprake was van de vermoedelijke aanwezigheid van een aanzienlijke hoeveelheid zwaar vuurwerk in particuliere handen, hetgeen gepaard gaat met een aanzienlijke gevaarzetting, dat online werd aangeboden en dat elk moment verkocht en overgedragen zou kunnen worden. Derhalve is het hof van oordeel dat alleszins kon worden besloten om, vanwege de dringende noodzaak om zo spoedig mogelijk een mogelijk aanzienlijke gevaarzetting te beëindigen en te voorkomen dat het aangeboden vuurwerk illegaal zou worden verspreid, vooralsnog te volstaan met het afgeven van een mondeling bevel tot pseudokoop, dat op een later tijdstip schriftelijk zou worden bevestigd, zodat er geen sprake is van een vormverzuim. Ten overvloede overweegt het hof dat één dag later, te weten op 18 november 2020, het bevel alsnog op schrift is gesteld.

Alles afwegende is het hof in beginsel van oordeel, dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

[…] Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf voor de duur van 210 uren, subsidiair 105 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.”

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in het Nederlandse strafrecht geldt dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Die vrijheid houdt in dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.

Gelet op de ruime straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter kan in cassatie niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren.Indien de strafoplegging op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en als gevolg daarvan onbegrijpelijk is, kan in cassatie evenwel worden ingegrepen. Daarvan kan sprake zijn als de straf tegen de achtergrond van het bewezen verklaarde feit en de ter terechtzitting naar voren gekomen feiten en omstandigheden, verbazing oproept. In een dergelijk geval is extra motivering vereist. Van verbazing kan ook sprake zijn als in hoger beroep veel zwaarder wordt gestraft dan in eerste aanleg, zonder dat die verhoging wordt gemotiveerd. Een ander geval dat verbazing kan oproepen is het geval dat de bewezenverklaring in appel minder (ernstige) feiten omvat dan in eerste aanleg, terwijl de opgelegde straf (vrijwel) hetzelfde blijft.

Indien de rechter afwijkt van de vordering van het openbaar ministerie – dat als onderdeel van het requisitoir heeft te gelden – dient de rechter op dat ‘uitdrukkelijke onderbouwde standpunt’ te reageren. De rechter zal dan moeten motiveren waarom hij afwijkt van de vordering van het openbaar ministerie. Daarbij gaat het in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de betreffende procespartij voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.

In de onderhavige zaak blijkt uit het bestreden arrest dat het hof er acht op heeft geslagen dat de advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren zal worden opgelegd. Het hof is hiervan afgeweken en heeft de verdachte vanwege het bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van 210 uren, subsidiair 105 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Door de steller van het middel wordt geklaagd dat de strafoplegging van het hof verbazing wekt, aangezien – naar ik begrijp – de opgelegde straf in geen verhouding staat tot de bewezenverklaarde feiten en de motivering, gelet op de door de advocaat-generaal gevorderde straf en het gevoerde verweer, als onvoldoende moet worden beschouwd.

Ik meen evenwel dat de strafoplegging – in het licht van de motivering van het hof – geen verbazing wekt. Dat het hof een hogere straf heeft opgelegd dan door de advocaat-generaal is gevorderd en door de verdediging is bepleit, maakt dat – gelet op die motivering – niet anders.

De klacht dat het hof niet heeft gereageerd op het strafmaatverweer steunt op de veronderstelling dat door en namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van de strafoplegging, waarop het hof gehouden was te responderen. Noch door noch namens de verdachte is naar mijn oordeel evenwel een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen, zodat de klacht feitelijke grondslag mist. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, valt hoogstens aan te merken als een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte dan wel een opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, op welk verzoek c.q. opsomming de rechter niet behoeft te responderen.

Verder heeft het hof het verweer strekkende tot strafvermindering vanwege een vormverzuim, verworpen op de grond dat er geen sprake is van een vormverzuim. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk noch onvoldoende met redenen omkleed. Het hof heeft daartoe immers niet onbegrijpelijk geoordeeld dat er sprake was van een dringende noodzaak om een mondeling bevel tot pseudokoop af te geven, waarbij het hof er vervolgens op heeft gewezen dat het bevel een dag later alsnog op schrift is gesteld.

Het middel faalt.

5. Slotsom

Het eerste en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het wapen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand