PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02409
Zitting 25 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 19 juni 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Verder heeft het hof de teruggave van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedrag gelast.
Namens de verdachte heeft G.J.P.M. Mooren, advocaat in Tilburg, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste, tweede en vierde middel
Het eerste, tweede en vierde middel bevatten klachten over de bewijsvoering.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 19 oktober 2022 te [plaats] een kassalade met een geldbedrag (ongeveer 30-40 euro), die aan [A] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.”
De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 19 oktober 2022 (p. 56-57 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Ik ben eigenaar van de kledingwinkel genaamd " [A] " gelegen op winkelcentrum [a-straat 1] te [plaats] . Op 18 oktober 2022 omstreeks 17.45 uur ben ik weggegaan uit de winkel. Ik heb toen alles geheel afgesloten en alles was nog intact. Op 19 oktober 2022 06.45 uur werd ik gebeld door de huismeester. Hij vertelde mij dat er ingebroken was in mijn winkel. Toen ik daar aan kwam zag ik dat de ruit van mijn voordeur vernield was. In de winkel zag ik dat er een steen binnen lag. Ik zag dat de kassalade weggenomen was. De kassalade zit in een lade van mijn toonbank. De kassalade is in zijn geheel meegenomen. Er zat ongeveer 30 à 40 euro in. Dit waren een paar briefjes van 5 euro een briefje van 10 euro en veel kleingeld, vooral veel muntjes van 5 cent.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 oktober 2022 (p. 10-11 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
In de nacht van 18 oktober 2022 op 19 oktober 2022 was ik, verbalisant [verbalisant 1] , belast met een (post)actie gericht op inbrekers. Ik deed dienst in [plaats] .
Omstreeks 03:25 uur hoorde ik via de portofoon dat politieambtenaar [verbalisant 3] een man met een fiets een trap op zag lopen in het winkelcentrum [...] , gelegen aan [b-straat] . Vanuit westelijke richting reed ik naar de [a-straat] toe. Ik hoorde iemand "kut" roepen en keek naar waar het geluid vandaan kwam. Ik zag dat op de balustrade (dakterras) van winkelcentrum [...] aan de kant van [b-straat] een man in donkere kleding liep. Ik zag dat de man naar ons keek en vervolgens verder de balustrade op liep. Daar zag ik hem achter een muurtje verdwijnen.
Vervolgens hoorde ik dat het Operationeel Centrum een melding van glasgerinkel op de [a-straat] uit gaf. Hierop ben ik terug gereden naar de [a-straat] . Er zit vaker een vertraging op het politiesysteem. Ik vermoedde dat de man die wij hadden gecontroleerd mogelijk betrokken was bij deze melding. Ter plaatse bij de [a-straat] heb ik de omgeving goed bekeken en bedacht ik me dat ik boven een man ''kut" had horen roepen.
Politieambtenaar [verbalisant 4] en ik zijn vervolgens naar de trap gelopen. Onder aan de trap lag een fiets, alsof de fiets van de trap naar beneden was gevallen. Via de trap liepen we naar boven de
balustrade op. Daar was het erg donker. Ter hoogte van het muurtje waar ik eerder een persoon had zien verdwijnen zag ik een man op de grond liggen. Ik zag dat hij plat op zijn buik lag met zijn gezicht plat op de grond. Hij had zijn capuchon over zijn hoofd getrokken. Ik omschrijf de houding als in elkaar gedoken om zich te verstoppen. Ik zag dat hij in het donker gekleed was. We spraken hem aan en ik zag dat de man heel erg bezweet was. De man kon zich niet legitimeren, hierop heeft politieambtenaar [verbalisant 4] een identiteitsfouillering bij hem uitgevoerd. Ondertussen troffen collega's beneden bij [a-straat 2] een verdachte situatie aan. Ik hoorde dat er inbraakschade aan het pand zat. Wij hebben de verdachte daarop aangehouden.
3. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 19 oktober 2022 (p. 122-123 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op 19 oktober 2022 omstreeks 04:03 uur, hielden wij op de locatie [a-straat 2] , [plaats] , als verdachte aan:
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [...]
Geboren: [geboortedatum] 1979
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Geslacht: Man
Nationaliteit: Marokkaanse
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 oktober 2022 (p. 92-93 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , met als bijlage de printscreen van Google Maps zoals weergegeven op pagina 94 van het dossier.
Op 19 oktober 2022 omstreeks 11.00 uur waren wij doende met onderzoek bij winkelcentrum ' [...] ' te [plaats] . Dit naar aanleiding van de inbraak bij kledingwinkel ' [A] '.
Wij zijn richting de plaats gelopen alwaar de verdachte [verdachte] aan was gehouden. Wij zijn met de trap naar boven gelopen, waar de fiets van verdachte [verdachte] onder aan de trap aan was getroffen. Boven aan de trap kon je rechts de hoek om waar appartementen waren gevestigd, aan de rechterzijde van de galerij. Halverwege deze galerij was verdachte [verdachte] liggend aangetroffen en aangehouden. Aan het einde van deze galerij was aan een muur een soort elektriciteitskastje bevestigd, rechts naast een toegangsdeur. Op dit elektriciteitskastje troffen wij een kassalade aan, die na onderzoek uit de kledingwinkel ontvreemd was.
Ter verduidelijking hebben wij een printscreen van Google Maps toegevoegd aan dit proces-verbaal van bevindingen. Hierop zijn een aantal punten aangegeven waar bijzonderheden waren ter plaatse. Deze zijn aangeduid met de nummers 1 tot en met 3 (het hof begrijpt: 1 tot en met 4).
1. Vanuit hier vluchtte de dader op een damesfiets, met een kassalade bij zich, richting de rotonde [...] / [...] .
2. Dit betrof de plaats waar een damesfiets aan was getroffen onder aan de trap. Naar eigen zeggen was deze damesfiets van verdachte [verdachte] .
3. Dit betrof de plaats waar verdachte [verdachte] aan was gehouden.
4. Dit betrof de plaats waar de kassalade aan was getroffen.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 oktober 2022 (p. 64-65 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] :
Tijdens dit onderzoek werden de ring-deurbelbeelden van de woning [a-straat 3] veilig gesteld: [bestand 1] .
- Alle tijden genoemd in dit proces-verbaal van bevindingen, waren op woensdag 19 oktober 2022.
- Kleuren genoemd in dit proces-verbaal kunnen door lichtinval op beeld anders overkomen dan de werkelijke kleuren.
De deurbelcamera heeft zicht voor het huis, de galerij en de weg die een stuk lager lag.
Bevindingen
Video: [bestand 1] . Ik zag dat linksboven in beeld de datum en tijd stond. Ik zag dat het 19 oktober 2022, 03:10:13 uur was. Om 03:36:32 uur, zag ik dat er een persoon vanuit linksonder in beeld over de galerij voor het appartement aan kwam lopen.
Persoon 1: waarschijnlijk man, jas, lichte kleur capuchon over zijn hoofd en donkere kleur pet eronder.
Om 03:36:33 uur, zag ik dat deze persoon voor de deurbel camera langs liep naar rechts in beeld. Ik zag dat deze persoon voorovergebogen liep en een indruk maakte dat hij niet gezien wilde worden.
Om 03:38 uur vertrokken de politieambtenaren die met de zaklampen aan het schijnen waren.
Om 03:41:15 uur, zag ik dat vanuit rechts in beeld de eerder genoemde persoon over de galerij aankwam sluipen. Ik zag dat deze persoon voorzichtig voorovergebogen naar links in beeld liep.
Om 03:41:25 uur liep deze persoon voor de deurbel camera langs.
Ik zag dat hij over de galerij liep en zich achter een muurtje verschool. Het leek of deze persoon een zwart object in zijn rechterhand had. Deze persoon liep vervolgens links het beeld uit.
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 oktober 2022 (p. 107 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 9] :
Op 20 oktober 2022 bekeek ik de beelden van een bedrijfsinbraak aan de [a-straat 1] te [plaats] . Deze bedrijfsinbraak was gepleegd op 19 oktober 2022 omstreeks 03.25 uur.
Toen ik de beelden van de bedrijfsinbraak bekeek, zag ik dat er persoon volledig in het donker gekleed met een petje op zijn hoofd en daarover een capuchon het beeld in komen gelopen. Ik zag, dat deze persoon wijdarms loopt en ook een soort O-benen heeft. De combinatie van het wijdarms lopen, de O-benen, de donkere kleding, petje en capuchon komen nagenoeg 100% overeen met de verdachte [verdachte] die ik overbracht naar het cellencomplex in [plaats] .
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [...]
Geboren: [geboortedatum] 1979
Geboorteplaats: [plaats] in Nederland
7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 oktober 2022 (p. 13 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 9] :
Op 19 oktober 2022 omstreeks 04.25 uur brachten wij verdachte [verdachte] over naar het cellencomplex [...] te [plaats] . Bij dit transport namen wij ook een grijze damesfiets mee van het merk Locomotief. Deze fiets lag bij trapopgang alwaar verdachte [verdachte] aangehouden is.
Op 19 oktober 2022 omstreeks 04.30 uur kwamen wij aan bij het cellencomplex aan de [...] te [plaats] . Ik deelde [verdachte] mede: Je kunt je fiets ophalen bij het bureau [...] in [plaats] . Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Waar ligt dat bureau." Ik zei [verdachte] dat bureau [...] bij de [...] ligt. Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Moet ik mijn fiets helemaal ophalen in de [...] . Kun je hem niet gewoon hier laten staan."
8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 oktober 2022 (p. 68-70 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] :
Op 19 oktober 2022 zijn wij in contact gekomen met de huismeester van het winkelcentrum [...] . Bij de huismeester hebben wij de camerabeelden bekeken van de nacht van woensdag 19 oktober 2022.
zomertijd, het hof begrijpt dat de werkelijke tijd 1 uur later was) Printscreen A
Wij zagen een man aan komen fietsen vanuit de parkeerplaats bij de [a-straat] . Wij zagen dat hij een aantal rondjes rondom een plantenbak reed en daarna zijn fiets tegen een plantenbak zette.
Printscreen F
Wij zagen dat er een man uit de deur in het winkelcentrum kwam gelopen. Wij zagen dat de man een voorwerp droeg in zijn rechter hand. De man liep rechtstreeks naar de kledingwinkel nummer 14. Wij zagen dat de man in een slaande beweging het glas kapot maakt en direct naar binnen stapt.
Printscreen G
Wij zagen dat de man die zojuist naar binnen was gestapt weer de kledingwinkel uit kwam. Hij had daarbij een donker voorwerp vast met zijn rechter hand.
Printscreen H
Wij zagen dat de man terug naar de deur liep waar hij ook uit was gekomen en verdween weer uit beeld.
zomertijd, het hof begrijpt dat de werkelijke tijd 1 uur later was) Printscreen I
Wij zagen dat er een man uit de deur kwam ter hoogte van de van grillwinkel Kippie (Plattegrond nummer 3). Wij zagen dat de man naar een fiets rende die bij de plantenbak stond (Plattegrond nummer 1). Wij zagen dat hij op de fiets sprong en wegfietste richting Boots apotheek [...] fietste (Plattegrond nummer 4). Wij zagen dat de man verdween uit beeld van de camera.
9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 oktober 2022 (p. 89 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 12] :
Ik, verbalisant [verbalisant 12] , zag dat er camerabeelden ter beschikking waren gesteld door de huismeester van de [a-straat] . Door politieambtenaren werd eerder omschreven dat er een man aan kwam fietsen ter hoogte van de [a-straat] . De fiets betrof een damesfiets met een dubbele voorstang.
10. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 oktober 2022 (p. 130-133):
V: Wat voor fiets heb je?
A: Een damesfiets, grijs.
11. De eigen waarneming van dit hof, gedaan ter terechtzitting van 5 juni 2024, voor zover inhoudende:
Ten aanzien van de camerabeelden op de galerij die door de Ring deurbel op het adres [a-straat 3] in [plaats] zijn gemaakt van 19 oktober 2022 (bestandsnaam: [bestand 1] ):
De verdachte draagt op deze beelden een capuchon met daaronder een petje en een spijkerbroek met wijdere pijpen.
Ten aanzien van de camerabeelden die in het winkelcentrum [...] in [plaats] zijn gemaakt van 19 oktober 2022 (bestandsnaam: [bestand 2] ):
De man die een zwaaiende beweging tegen de ruit van het pand van, naar het hof begrijpt: [A] , maakt, droeg eveneens een pet onder een capuchon en had een spijkerbroek aan met wijdere pijpen.”
Daarnaast heeft het hof de volgende bewijsoverwegingen in het arrest opgenomen:
“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die de kassalade van [A] heeft weggenomen. De camerabeelden in het winkelcentrum laten zien dat de dader zwarte schoenen droeg, terwijl de verdachte bij zijn aanhouding op de galerij lichte schoenen aan had. Als de kleuren op de camerabeelden zouden zijn omgedraaid waardoor de lichte schoenen op camerabeelden donker lijken, zou de kleur van de overige kleding ook moeten zijn omgedraaid. Dat is niet het geval. De verdachte heeft het feit niet gepleegd, aldus de raadsman. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat het niet vaststaat dat de fiets die is aangetroffen in de buurt van de verdachte ook daadwerkelijk van de verdachte is. Ten slotte heeft de raadsman bepleit dat de omstandigheden in dit geval niet zodanig zijn dat zij schreeuwen om een verklaring van de verdachte.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op 19 oktober 2022 bevond verbalisant [verbalisant 1] zich in de omgeving [a-straat] en [b-straat] in [plaats] toen hij iemand ‘kut’ hoorde roepen, waarna hij zag dat een man achter een muurtje op de galerij verdween. Het staat niet ter discussie dat de man die vervolgens achter het muurtje op de galerij is aangetroffen en aangehouden, de verdachte is. De gestolen kassalade van [A] is door de politie op dezelfde galerij op een elektriciteitskastje verderop aangetroffen.
Op de galerij zijn door de Ring deurbel op het adres [a-straat 3] te [plaats] camerabeelden gemaakt van de betreffende nacht. Hierop is een man te zien en de verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat deze man de verdachte is. Het hof heeft waargenomen dat de verdachte op deze beelden een capuchon op had met daaronder een petje en dat hij een spijkerbroek droeg met wijdere pijpen.
[A] bevindt zich in het winkelcentrum [...] in [plaats] . Ook in het winkelcentrum zijn camerabeelden vastgelegd van 19 oktober 2022. Hierop is te zien dat een man naar het winkelpand loopt, een slaande beweging maakt tegen het pand, naar binnen loopt en later weer naar buiten komt. Het hof heeft op de beelden waargenomen dat deze man eveneens een pet onder een capuchon droeg en een spijkerbroek aan had met wijdere pijpen. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte de dader niet kan zijn omdat de verdachte lichte schoenen aan had terwijl de dader op de camerabeelden zwarte schoenen leek te dragen. Het hof hecht echter geen doorslaggevende waarde aan de kleuren op de camerabeelden, omdat camerabeelden, zeker als ze in het donker zijn gemaakt, kleuren kunnen omdraaien. Verder spelen de kwaliteit van de camera’s, de lichtinval en het soort stof waar de kleding van is gemaakt een rol in hoe kleuren op camerabeelden zichtbaar zijn. Het hof ziet genoeg overeenkomsten tussen de verdachte en de dader die op de beelden te zien is. Daar komt bij dat verbalisant [verbalisant 9] de verdachte op de camerabeelden van het winkelcentrum heeft herkend aan onder andere zijn loopje en zijn O-benen. [verbalisant 9] heeft de verdachte overgebracht naar het cellencomplex in [plaats] en dus recentelijk, voor het opmaken van het proces-verbaal, contact met hem gehad, waardoor het hof mede uitgaat van deze herkenning. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte de persoon betreft die op de camerabeelden is te zien die in het winkelcentrum zijn gemaakt.
Daar komt bij dat in het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , is opgenomen dat de dader op een damesfiets met dubbele voorstang met de kassalade is gevlucht. Ook is een grijze damesfiets met dubbele voorstang van het merk Locomotief aangetroffen, onder aan de trap van de galerij waar de verdachte werd aangetroffen. In het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 9] , vraagt de verdachte of hij zijn fiets helemaal in de [...] op moet halen. Hij refereert naar de fiets als zijn fiets (“Moet ik mijn fiets helemaal ophalen in de [...] . Kun je hem niet gewoon hier laten staan.”), waardoor het hof aanneemt dat de ter plaatse aangetroffen grijze damesfiets met dubbele voorstang van de verdachte is. De fiets van de verdachte die onderaan de trap van de galerij is aangetroffen, betreft een damesfiets met dubbele voorstang.
De verdachte heeft zich tijdens zijn verhoor bij de politie en tijdens de terechtzitting bij het hof op zijn zwijgrecht beroepen omtrent de feiten en omstandigheden zoals hiervoor geschetst. De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken, (vgl. o.a. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323 en HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022).
De verdachte is midden in de nacht aangetroffen op een galerij, achter een muurtje, vlakbij de gestolen kassalade, in de buurt van zijn fiets die qua signalement voldoet aan de fiets waarop de dader met de kassalade is gevlucht en het uiterlijke signalement van de verdachte komt overeen met dat van de dader zoals te zien op de camerabeelden. De hiervoor genoemde belastende feiten en omstandigheden kunnen, in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend worden geacht voor het bewijs van het plegen van een diefstal met braak. De verdachte heeft voor die feiten en omstandigheden geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven, waar dat naar het oordeel van het hof wel van hem mocht worden verwacht. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte door middel van braak bij [A] binnen is getreden en daar de kassalade met een geldbedrag van ongeveer 30-40 euro heeft gestolen.
Het hof verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.”
Het eerste middel
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen, omdat de bewezenverklaring niet steunt op de bewijsmiddelen, zodat deze onvoldoende is gemotiveerd.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de tot het bewijs gebezigde camerabeelden een persoon tonen die kleding draagt waarvan de kleur overeenkomt met de schoenen die hij aanheeft, terwijl vaststaat dat de verdachte donkere kleding en witte schoenen droeg. Gezien het voorgaande had het hof zijn oordeel nader dienen te motiveren, aldus de steller van het middel.
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal een grote mate van vrijheid geniet. In beginsel hoeft hij de selectie en waardering daarvan niet te motiveren. Enkel als door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt ingenomen omtrent de betrouwbaarheid van een bepaald bewijsstuk, zal de rechter, indien hij van dit standpunt afwijkt, daarop moeten responderen.
In de onderhavige zaak heeft het hof zijn oordeel dat het de verdachte was die de inbraak heeft gepleegd, gestoeld op onder meer een vergelijking van de camerabeelden van het winkelcentrum waar is ingebroken en de camerabeelden van de Ring-deurbel op het adres [a-straat 3] te [plaats] , in welke omgeving de verdachte is aangetroffen. Van deze laatste camerabeelden heeft ook de verdediging erkend dat de verdachte daarop te zien is. Het hof heeft geconstateerd dat de man op de camerabeelden van de Ring-deurbel een pet onder een capuchon draagt en een spijkerbroek aanhad met wijde pijpen, net als de persoon die op de camerabeelden van het winkelcentrum is te zien en heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte de persoon betreft die op de camerabeelden die in het winkelcentrum zijn gemaakt, is te zien.
Het hof heeft hierbij acht geslagen op het verweer van de verdediging dat de verdachte lichte schoenen aanhad, terwijl op de camerabeelden uit het winkelcentrum een persoon te zien is met zwarte schoenen. Het hof heeft dit verweer terzijde geschoven, omdat kleuren kunnen verspringen op nachtbeelden. Dit feitelijke oordeel, dat tevens steun vindt in het tot het bewijs gebezigde relaas van verbalisant [verbalisant 8] omtrent de beelden afkomstig van de Ring-deurbelcamera (bewijsmiddel 5), is wat mij betreft niet onbegrijpelijk. Ik begrijp de overwegingen van het hof zo dat het mogelijk is dat bepaalde kleuren, bijvoorbeeld van de schoenen, verspringen en andere, bijvoorbeeld van de kleding, niet, zodat aan het voorgaande niet afdoet dat de steller van het middel aanvoert dat “op de camerabeelden, zowel in het winkelcentrum, als op de overloop, een persoon is te zien, waarbij de kleur van de kleding en de schoenen hetzelfde is en vaststaat dat [verdachte] donkere kleding droeg en witte/lichte schoenen” (wat er verder ook zij van de juistheid van deze stelling).
Ten overvloede wijs ik erop dat er veel bewijs voorhanden is dat de conclusie van het hof dat de op de beelden van het winkelcentrum waargenomen persoon die de inbraak heeft gepleegd de verdachte is, ondersteunt. Zo heeft de verbalisant die de verdachte naar het cellencomplex heeft gebracht grote gelijkenissen geconstateerd tussen, enerzijds, verdachtes loopje, zijn O-benen en kleding en, anderzijds, het loopje, de O-benen en de kleding van de persoon die te zien is op de camerabeelden uit het winkelcentrum (bewijsmiddel 6). Daarnaast is de buit van de inbraak aangetroffen zeer dicht bij de plaats waar de verdachte zich verschool en is verder ook een damesfiets aangetroffen bij de trapgang alwaar de verdachte is aangehouden, die overeenkomsten vertoont met de fiets waarop de persoon die op de beelden van het winkelcentrum is te zien, wegfietst na de inbraak (bewijsmiddelen 7, 8 en 9).
Het middel faalt.
Het tweede middel
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof voor het bewijs heeft meegewogen dat de verdachte geen redelijke, de redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven voor feiten en omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit.
Het weigeren een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan zijn voor het bewijs van het aan de verdachte tenlastegelegde feit kan op zichzelf niet tot het bewijs bijdragen (vgl. art. 29 lid 1 Sv), maar de rechter kan in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal wel betrekken dat de verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven voor een dergelijke omstandigheid.
Het hof heeft mijns inziens niet onbegrijpelijk bij de bewijsvoering betrokken dat de verdachte geen voor de redengevende feiten en omstandigheden aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven, terwijl dit wel van hem mocht worden verwacht. Ik wijs erop dat de verdachte, zoals het hof ook overweegt, midden in de nacht kort na een inbraak is aangetroffen op een galerij, achter een muurtje, in de buurt van een gestolen kassalade en een fiets, die qua signalement overeenkomt met de fiets waarop de dader met de kassalade is gevlucht, terwijl ook het uiterlijke signalement van de verdachte overeenkomt met de op de camerabeelden van het winkelcentrum waargenomen dader van de inbraak.
Voor zover de steller van het middel betoogt dat enkel als sprake is van technisch bewijs tegen de verdachte, zoals DNA en/of dactyloscopische sporen, het uitblijven van een verklaring voor het aantreffen daarvan mag meewegen bij het bewijsoordeel van de rechter, stelt hij een eis die het recht niet kent.
Het middel faalt.
Het vierde middel
Het vierde middel bevat – naar ik begrijp – de klacht dat het hof ten onrechte bij de bewijsvoering heeft betrokken dat de door de politie onder aan de trap aangetroffen fiets van de verdachte was dan wel dat de verdachte heeft bekend dat de genoemde fiets van hem was. Dit oordeel zou onvoldoende zijn gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk zijn. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte is geconfronteerd met de betreffende fiets die op de galerij is aangetroffen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat op de camerabeelden uit het winkelcentrum van de dader van de inbraak een persoon is te zien die wegfietst (bewijsmiddel 8), terwijl er eerder een man was komen aanfietsen op een damesfiets (bewijsmiddel 9). Over de fiets die onder aan de trap in de nabijheid van de verdachte is aangetroffen, kan op basis van de bewijsmiddelen worden gezegd dat dit een grijze damesfiets betrof (bewijsmiddel 7), terwijl uit bewijsmiddel 10 blijkt dat de verdachte een grijze damesfiets heeft. Verder heeft het hof uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 9] (bewijsmiddel 7) afgeleid dat de onder aan de trap aangetroffen fiets van de verdachte is, omdat hij naar die fiets heeft gerefereerd als zijnde zijn fiets.
Dat het hof op basis van het voorgaande heeft geconcludeerd dat de fiets die in de buurt van de verdachte is aangetroffen van de verdachte is, acht ik niet onbegrijpelijk. Hierbij is voor mij doorslaggevend de locatie waarop de fiets is aangetroffen (dicht bij de verdachte), het gesprek dat hij met [verbalisant 9] heeft gevoerd over de plek waarop hij zijn fiets kon ophalen en zijn verklaring dat hij een (grijze) damesfiets bezit. Ik merk in dit verband op dat het argument van de steller van het middel dat de verdachte niet is geconfronteerd met zijn fiets feitelijke grondslag mist, nu uit bewijsmiddel 7 blijkt dat de fiets waarover de verbalisant met de verdachte heeft gesproken, is meegenomen bij het transport van de verdachte naar het cellencomplex.
Het middel faalt.
3. Het derde middel
Het derde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de in raadkamer door het hof bekeken camerabeelden en daaraan bewijsconclusies heeft verbonden, zonder dat deze ter terechtzitting verder zijn besproken. Daarmee heeft het hof volgens de steller van het middel verzuimd de verdediging in de gelegenheid te stellen daarop verder te reageren. Daarnaast heeft het hof ten onrechte aangegeven dat de beelden ter terechtzitting van 5 juni 2024 zouden zijn bekeken.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 juni 2024 houdt, voor zover hier relevant, het volgende in:
“De voorzitter vraagt de verdachte:
Heeft u de foto’s in het dossier gezien?
De verdachte antwoordt:
Niet allemaal.
De voorzitter deelt mede:
Er is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door een verbalisant, waarbij een beschrijving is gegeven van een aantal printscreens van de camerabeelden. Sommige printscreens van de camerabeelden zijn gemaakt in het winkelcentrum. Daarop zie je iemand lopen. Er is te zien dat er iemand een soort zwaai tegen een van de panden in het winkelcentrum maakt en dat er iemand het winkelcentrum uit lijkt te lopen. Heeft u die foto’s gezien?
[…]
De voorzitter deelt mede:
In het dossier zit een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 9] . Hij zegt dat hij de camerabeelden heeft bekeken en dat de persoon die hij ziet, donker gekleed is, een capuchon op heeft en wijdbeens loopt met O-benen. Hij zegt dat de combinatie van dit alles tezamen, nagenoeg 100% overeenkomt met de verdachte [verdachte] die hij heeft overgebracht naar het cellencomplex. Het hof heeft gezien dat er een kassalade is gevonden in de buurt van de plek waar u bent aangehouden, op dezelfde galerij. Ook is er een fiets gevonden, waarvan u tegen de politie zou hebben gezegd dat het uw fiets was.
[…]
De voorzitter deelt mede:
De fiets is een damesfiets. Dit zou zomaar dezelfde fiets kunnen zijn als te zien op de beelden.
De raadsman vraagt:
Beschikt uw hof over de bewegende camerabeelden? Heeft uw hof daar kennis van genomen?
De voorzitter antwoordt dat de DVD van het hof kapot is en het hof de beelden daarom niet heeft kunnen bekijken.
De raadsman antwoordt:
U heeft gewezen op de printscreen F op pagina 76 van het politiedossier. Op de bewegende beelden kunt u zien dat die persoon naar binnen stapt en weer naar buiten komt. Op de bewegende beelden is beter te zien dat die persoon zwarte schoenen draagt. Dat is essentieel. In dat verband wijs ik op de foto’s van de andere verdachte, genaamd [medeverdachte] op pagina 47 in het politiedossier. Daar is duidelijk te zien dat [medeverdachte] zwarte schoenen droeg die nacht.
De voorzitter vraagt de raadsman en de advocaat-generaal:
Mag het hof uw DVD hebben om deze in raadkamer te bekijken?
De raadsman en de advocaat-generaal geven toestemming voor het bekijken van de camerabeelden in raadkamer.
De raadsman verklaart:
Dan doel ik voornamelijk op het tweede mapje, het tweede beeld eindigend op “ [bestand 2] ”. Het derde mapje bevat de camerabeelden van de Ring deurbel op de galerij, dat filmpje is 01:17:14 uur lang, en daarbij is het beeld op 31:23 van belang. Er bestaat geen discussie over de vraag of cliënt daar te zien is. Op dat moment zie je duidelijk dat hij lichte schoenen draagt.”
Art. 339 lid 1 Sv noemt als wettig bewijsmiddel onder meer de eigen waarneming van de rechter. Uit art. 340 Sv volgt dat hieronder wordt verstaan de door de rechter bij het onderzoek ter terechtzitting persoonlijk gedane waarnemingen. Dit betekent dat de waarneming in beginsel ter terechtzitting moet worden gedaan. In beginsel, want de Hoge Raad heeft deze regel ten aanzien van beeld- en geluidsmateriaal gerelativeerd. In zijn arrest van 24 september 2019 heeft de Hoge Raad hieromtrent overwogen:
“2.5.3
Opnamen van beeld en/of geluid die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn dienen op de voet van art. 149a, tweede lid, Sv bij de processtukken te worden gevoegd, behoudens het bepaalde in art. 149b Sv. Van deze processtukken kan door de verdachte en zijn raadsman reeds voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting worden kennisgenomen (vgl. art. 33 Sv). Dat geldt ook indien het beeld- of geluidsmateriaal is opgenomen en vastgelegd op een gegevensdrager (art. 137 Sv). Voor zover beeld- of geluidsmateriaal dat voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang is, (nog) geen onderdeel uitmaakt van de processtukken, kan — al dan niet op verzoek van de verdachte (art. 34 Sv) of op bevel van de zittingsrechter (art. 315, eerste lid, Sv) — voeging daarvan door de officier van justitie plaatsvinden.
2.5.4
Mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen over de voeging bij de processtukken en de daarmee verband houdende mogelijkheid van kennisneming van beeld- of geluidmateriaal voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, staat de ratio van art. 340 Sv, zoals omschreven onder 2.5.2, er niet zonder meer aan in de weg dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van een buiten het verband van de terechtzitting gedane eigen waarneming van een opname van beeld en/of geluid.
2.5.5
In dit laatste geval mag echter de desbetreffende eigen waarneming door de rechter alleen bij de beraadslaging als bedoeld in art. 350 Sv worden betrokken en voor het bewijs worden gebruikt als (i) die opname tijdens het onderzoek op de terechtzitting aan de orde is gesteld, (ii) de verdediging en het openbaar ministerie van die opname kennis hebben kunnen nemen en (iii) ter terechtzitting door de aldaar aanwezige verdachte, raadsman of vertegenwoordiger van het openbaar ministerie geen bezwaar is gemaakt tegen het niet vertonen of ten gehore brengen van die opname ter terechtzitting.”
In de onderhavige zaak is aan de in rechtsoverweging 2.5.5 van het hiervoor geciteerde arrest voldaan. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de camerabeelden aldaar aan de orde zijn gesteld. Verder blijkt daaruit dat de raadsman en het openbaar ministerie voorafgaand aan de terechtzitting van de beelden kennis hebben kunnen nemen, maar alleen het hof niet, omdat de DVD van het hof defect was. Tot slot hebben zowel de verdediging als het openbaar ministerie blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting ingestemd met het door het hof in raadkamer bekijken van de beelden.
Hieraan doet niet af dat in de bewijsmiddelenbijlage is vermeld dat de waarnemingen zijn gedaan op de terechtzitting van 5 juni 2024. Op basis van het proces-verbaal van de zitting kan er geen twijfel over bestaan dat de beelden door het hof pas na de terechtzitting in raadkamer zijn bekeken, hetgeen het hof, zoals hiervoor betoogd, vrijstond.
Het middel faalt.
4. Het vijfde middel
Het vijfde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden.
Deze klacht is terecht voorgesteld. Namens de verdachte is op 25 juni 2024 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 4 juli 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, hetgeen betekent dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden met ruim vier maanden. Gezien het feit dat de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden geheel voorwaardelijk van aard is en de taakstraf slechts zestig dagen bedraagt, kan worden volstaan met de constatering hiervan.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Ook hier kan, om voornoemde redenen, worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
5. Slotsom
De eerste vier middelen falen. Het vijfde middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie. Voor het eerste, tweede en vierde middel ligt een afdoening met de aan art. 81 lid 1 RO niet in de rede nu de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en in cassatie wordt geklaagd over de bewijsvoering van het feit. Het derde middel kan naar mijn mening wel met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot constatering dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG