PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03604
Zitting 2 juni 2026
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte
‘hij op 15 oktober 2020 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3.260 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II’
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (…) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opgemaakt op 15 oktober 2020:
Op donderdag 15 oktober 2020 werd verbalisant [verbalisant 1] gebeld door een medewerker van woningbouwvereniging [A] , met de melding dat meerdere bewoners in een wooncomplex op de [a-straat] overlast ondervonden van een behoorlijke hennepgeur. Deze bewoners hadden verklaard dat de hennepgeur vermoedelijk uit de woning met huisnummer [1] zou komen. Hierop zag ik dat de volgende persoon op dit adres stond ingeschreven: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] . Wij zijn samen met de Officier van Dienst en een machtiging tot binnentreden ter plaatse gegaan op voornoemde adres. Wij roken uit de openstaande ramen dat er een hennepgeur uit de woning kwam. Hierop hebben wij aangebeld bij de woning en op de deur en ramen geklopt. Er werd niet open gedaan. Hierop heeft de slotenmaker van [A] het cilinderslot open geboord en zodoende konden wij ons de toegang verschaffen tot de woning. Wij zagen in het washok twee grote zilvergrijze sealbags. Wij zagen dat één van de sealbags openstond. Wij roken direct een sterke henneplucht vanuit deze sealbag. Hierop keek ik in de openstaande sealbag en trof daarin een grote plastic zak vol met gedroogde henneptoppen aan. Hierop voelde ik aan de gesloten sealbag. Ik voelde dat er kleine bolletjes organisch materiaal in zat.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen (…) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 4] , opgemaakt op 16 oktober 2020:
Op vrijdag: 16 oktober 2020 werd door mij een onderzoek ingesteld in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Deze partij was inbeslaggenomen tijdens een onderzoek ingevolge de Opiumwet op het adres [a-straat 1] , [plaats] .
Door mij werd het volgende waargenomen en bevonden.
Betreft onderzoek aan SIN: 2714543.
De genoemde plantdelen, waaraan de hars niet was onttrokken, werden door mij herkend als materiaal van het geslacht Cannabis, beter bekend als hennep.
Netto hoeveelheid: 3.19 kg.
De test gaf een reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hashish vermeld op lijst II van de Opiumwet.
Betreft onderzoek aan SIN: 2714549.
De genoemde plantdelen, waaraan de hars niet was onttrokken, werden door mij herkend als materiaal van het geslacht Cannabis, beter bekend als hennep.
Netto hoeveelheid: 0.07 kg.
De test gaf een reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hashish, vermeld op lijst II van de Opiumwet.
3. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4 Sv, te weten een informatiestaat SKDB-persoon van verdachte, met laatst opgegeven woon- of verblijfplaats:
[BFK: afbeelding informatiestaat SKDB-persoon met ‘Gegevens uit SKDB op 15-06-2024 11:09]
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (…) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [verbalisant 1] , opgemaakt op 9 juli 2022:
Op 21 april 2022 werd er door het Openbaar Ministerie het verzoek gedaan om een aanvullend proces-verbaal op te maken (…) aangaande de machtiging tot binnentreden in de zaak van [verdachte] . Verbalisant is toen middels een handgeschreven machtiging de woning binnengetreden. Verbalisant heeft abusievelijk geen machtiging tot binnentreden opgemaakt in het politiesysteem en kan ook niet achterhalen wie de dienstdoende Hulpofficier van Justitie en Officier van Justitie waren.
5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [verbalisant 1] van 1 februari 2024, opgemaakt door de raadsheer-commissaris strafzaken in het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wij hebben contact gelegd met de dienstdoende hulpofficier van justitie. De slotenmaker waar ik het over heb in het proces-verbaal van 15 oktober was nog niet aanwezig toen wij naar de woning gingen. Pas toen wij een machtiging hadden, hebben wij deze erbij geroepen.
6. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [verbalisant 2] van 1 februari 2024, opgemaakt door de raadsheer-commissaris strafzaken in het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U leest in het proces-verbaal van bevindingen op p. 3 dat wij samen met de hulpofficier naar binnen zijn gegaan en vraagt mij of ik mij dit daadwerkelijk kan herinneren. Ik weet wel dat hij ter plaatse was. Dat weet ik 100% zeker.
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (…) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [verbalisant 3] , opgemaakt op 21 mei 2024:
Bij het raadplegen zag ik op de kennisgeving van in beslagname dat ik inderdaad genoemd sta als hulpofficier van justitie. Ik was destijds in dienst als Officier van Dienst en in [plaats] ben je dan ook automatisch gecertificeerd hulpofficier van justitie. Ik ben dan in dienst voor de sturing bij grote incidenten en voor hulpofficier taken. Vanuit die rol ben ik ter plaatse gevraagd. Daar is de zaak met mij besproken en heb ik destijds besloten een machtiging tot binnentreden af te geven.’
6. Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:
‘Bewijsoverweging
Het door verdachte gevoerde: verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Van “aanwezig hebben” als bedoeld in artikel (…) 3, aanhef en onder C, Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken.
Het hof concludeert dat de harddrugs zich feitelijk in de machtssfeer van de verdachte bevonden. Verdachte stond op 15 oktober 2020 namelijk als enige ingeschreven aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Uit de in het dossier aanwezige informatiestaat van 15 augustus 2024 volgt verder dat verdachte, inmiddels bijna vier jaar later, nog steeds ingeschreven staat op dit adres. Hieruit volgt dat verdachte in relatie stond en nog steeds staat tot deze woning. Dat maakt dat hij op de hoogte moet zijn geweest van de aanwezigheid van de drugs in zijn woning. Dat geldt temeer nu de drugs op een zichtbare plaats zijn aangetroffen. Bij gebrek aan enige verklaring van de kant van de verdachte, die zich bij de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen en bij de inhoudelijke behandelingen bij de politierechter en in hoger beroep niet aanwezig was om vragen te beantwoorden, gaat het hof ervan uit dat verdachte (de enige) is geweest die toegang had tot de. woning. Het dossier biedt ook overigens geen enkel aanknopingspunt dat de hennep van een mogelijke derde zou zijn.
Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennep en dat hij hier de beschikkingsmacht over had. Het ten laste gelegde feit is daarmee wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.’
7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 6 september 2024, heeft de raadsman aldaar het woord tot verdediging gevoerd en daarbij onder meer aangevoerd:
‘Daarnaast gaat het volgens de jurisprudentie om feitelijke beschikkingsmacht en niet over de juridische fictie van inschrijving op een adres. Kan ergens uit opgemaakt worden dat cliënt feitelijk, en niet in zijn algemeenheid, de beschikking had over de woning toen de hennep daar werd aangetroffen? Nee. Bovendien is er geen sprake van wetenschap. Het enkele administratieve gegeven dat cliënt ingeschreven stond op dat adres is volstrekt onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.’
8. De stellers van het middel voeren aan dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) blijkt dat de verdachte als enige stond ingeschreven op het adres waar de verdovende middelen zijn aangetroffen. En dat uit de bewijsmiddelen ook niet volgt dat de verdachte eigenaar of huurder is geweest van de woning of dat de verdachte daar is aangetroffen of waargenomen. Daarnaast wijzen zij erop dat kennelijk geen (biologische) sporen van hem zijn aangetroffen en dat niet althans onvoldoende is vastgesteld dat de verdachte als enige het pand heeft gebruikt. In dat licht zouden de verwerping van het verweer en de bewijsmotivering tekort schieten. Het enkele feit dat de verdachte administratief op dat adres is ingeschreven zou ook geen omstandigheid zijn die om een verklaring schreeuwt, zodat het zwijgen niet tegen hem kan worden gebruikt.
9. Voor een bewezenverklaring van ‘aanwezig hebben’ behoeft niet te worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren. Vereist is evenmin dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid bij de verdachte ten aanzien van de verdovende middelen. Waar het om gaat, is de vaststelling van een ‘machtsrelatie’. Uw Raad spreekt van aanwezig hebben als de verdachte ‘feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken’. Voor het vaststellen van een machtsrelatie kan zeggenschap over de plaats waar de verdovende middelen zijn aangetroffen van belang zijn.
10. Seijlhouwer-de Visser besprak eerder de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand. Zij gaf aan dat de eigenaar of huurder van een henneppand ook als er geen direct bewijs is dat hij zelf hennep heeft geteeld toch als pleger kan worden veroordeeld ‘als geconcludeerd kan worden dat het niet anders kan zijn dan dat hij degene is geweest die de kwekerij in zijn pand heeft geëxploiteerd’. En dat uit rechtspraak van Uw Raad voortvloeit ‘dat deze conclusie gerechtvaardigd is als de eigenaar of huurder, ondanks dat de pijlen in zijn richting wijzen, geen (aannemelijke) verklaring aflegt over de hem belastende feiten en omstandigheden’. Zij noemt onder meer een arrest van 15 januari 2019 waarin uit de bewijsmiddelen enkel bleek ‘van het huurderschap van de verdachte en zijn inschrijving op dat adres’. Uw Raad heeft nadien bijvoorbeeld ook een veroordeling in stand gelaten in een zaak waarin uit de bewijsvoering bleek dat de verdachte eigenaar was van het pand en waarin het verweer dat hij het pand had verhuurd werd weerlegd en in een zaak waarin uit de bewijsvoering bleek dat de verdachte huurder was en het hof het verweer dat van onderverhuur sprake was onaannemelijk had geoordeeld.
11. Het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] houdt onder meer in: ‘Hierop zag ik dat de volgende persoon op dit adres stond ingeschreven: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ’ (bewijsmiddel 1). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof uit deze passage afgeleid dat de verdachte als enige op het betreffende adres stond ingeschreven. Ik merk daarbij op dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep niet heeft aangevoerd dat er (mogelijk) ook anderen op het betreffende adres stonden ingeschreven.
12. Uit de bewijsvoering blijkt niet dat de verdachte eigenaar of huurder was van het pand waar de hennep is aangetroffen. Dat de verdachte als enige op het betreffende adres stond ingeschreven is, naar het mij voorkomt, evenwel een sterkere aanwijzing van feitelijke beschikkingsmacht dan het zijn van eigenaar of huurder van het betreffende pand. Inschrijving in de Basisregistratie personen op het betreffende adres is een sterke indicatie dat de betreffende persoon daar daadwerkelijk woont. Het hof heeft daarbij kennelijk geoordeeld en naar het mij voorkomt kunnen oordelen dat de bewijskracht van deze aanwijzing verder wordt versterkt door de omstandigheid dat de verdachte bijna vier jaar na de pleegdatum nog steeds staat ingeschreven op dit adres. Daarbij is niet het verweer gevoerd dat de hennep aan andere personen toebehoorde, en de bewijsvoering bevat ook geen aanwijzingen in die richting. Aan de toereikendheid van de bewijsvoering doet niet af dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat in de woning biologische sporen van de verdachte zijn aangetroffen en dat niet is vastgesteld dat de verdachte als enige het pand heeft gebruikt.
13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden