PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00643
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 20 februari 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens
- onder 1 primair “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”;
- onder 2 subsidiair “medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict”;
- onder 5 primair “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod”;
- onder 8 “medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken”;
- onder 9 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;
- onder 10 “medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft verder de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven en beslist over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.
Er bestaat samenhang met de zaak 25/00711 ( [medeverdachte 1] ). In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte hebben H. Brentjes en N. van Schaik, beiden advocaat in Utrecht, vier middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het eerste middel bevat de klacht dat het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van opzettelijk binnen Nederlands grondgebied brengen van cocaïne niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 juli 2015 tot en met 14 juli 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 3.150 kilogram en ongeveer 628 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I”.
Het hof heeft met betrekking tot feit 1 de volgende bewijsoverwegingen in zijn arrest opgenomen (met weglating van voetnoten):
“Bewijsoverwegingen per feit
1. Feit 1 (zaaksdossier Bananen)
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal acht, anders dan de officier van justitie in eerste aanleg maar in navolging van de rechtbank, het onder 1 primair tenlastegelegde, kort gezegd het meermalen medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, wettig en overtuigend bewezen.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft op de gronden als verwoord in de pleitnota vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Deze gronden komen – samengevat – op het volgende neer.
Primair stelt de verdediging dat [verdachte] geen feitelijke betrokkenheid heeft gehad bij [A] en slechts bananen heeft overgenomen die door [A] waren geïmporteerd. Van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de invoer van verdovende middelen was geen sprake, noch van het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen daartoe.
Subsidiair kan volgens de verdediging niet worden bewezen dat het opzet van [verdachte] was gericht op de invoer van verdovende middelen of de voorbereiding daarvan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is [betrokkene 1] ook na de bestuurswissel feitelijk blijven optreden voor en namens [A] , al dan niet aangestuurd door [medeverdachte 3] . [verdachte] heeft geen rol gehad in de organisatie van de bananentransporten als deklading voor het transport van cocaïne. [verdachte] had geen wetenschap van het transport en de invoer van cocaïne.
Meer subsidiair dient [verdachte] in elk geval te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde medeplegen van de invoer van cocaïne. Zijn rol was niet groter dan voorbereidend van aard. Zelfs als zou worden aangenomen dat [verdachte] contant geld heeft gestort op de bankrekening van [A] waarmee de geïmporteerde bananen (mogelijk) zijn gefinancierd, valt deze voorbereidende handeling buiten de tenlastegelegde periode. Uit niets blijkt dat [verdachte] een bijdrage heeft geleverd aan de bestelling van de bananen of aan het regelen van het transport van die bananen uit Colombia. Aangezien de cocaïne in [plaats in Belgie] is onderschept, kan een eventuele rol in (de organisatie van) het vrachttransport van [plaats in Belgie] naar Nederland niet bijdragen aan het bewijs van het medeplegen van de invoer van cocaïne.
De verklaring van [betrokkene 1] , dat hij na de bestuurswissel met [betrokkene 2] in [A] geen betrokkenheid meer heeft gehad bij [A] , en de verklaring van [betrokkene 2] , dat [A] van [verdachte] was en dat [verdachte] feitelijk de beschikking had over de bedrijfsvoering van [A] , zijn aantoonbaar onjuist en daarmee onbetrouwbaar, aldus de verdediging.
Oordeel hof
Beoordeling feit 1
Het hof volgt hierna grotendeels de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld.
Feitelijke invoer
Op 7 juli 2015 is door de Belgische douane in de haven van [plaats in Belgie] in een container geladen met bananen een hoeveelheid van 3.597,08 kilo cocaïne aangetroffen. De container was afkomstig van het motorschip [naam 1] , dat vanuit [plaats] (Colombia) via [plaats] (VK) op 6 juli 2015 in [plaats in Belgie] was aangekomen. De container met bananen was bestemd voor [A] B.V., contactpersoon [betrokkene 1] .
Op 14 juli 2015 is door de Belgische douane in de haven van [plaats in Belgie] in een container geladen met bananen een hoeveelheid van 627,65 kilo cocaïne aangetroffen. De container was afkomstig van het motorschip [naam 2] , dat vanuit [plaats] (Colombia) via [plaats] (VK) op 13 juli 2015 in [plaats in Belgie] was aangekomen. De container met bananen was bestemd voor [A] , contactpersoon [betrokkene 1] .
Feit van algemene bekendheid is dat de haven van [plaats in Belgie] voor zeeschepen uitsluitend te bereiken is via het Nederlandse gedeelte van de Westerschelde. Het kan daarom niet anders dan dat de voornoemde twee hoeveelheden cocaïne eerst per schip binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, alvorens het schip met de cocaïne is doorgevaren naar de haven van [plaats in Belgie] . Het hof is daarom met de advocaat-generaal en in navolging van de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde bestanddeel ‘binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht’ bewezen kan worden verklaard. Dat de cocaïne vervolgens Nederland weer heeft verlaten, in [plaats in Belgie] in beslag is genomen en dus daarna niet (opnieuw) binnen het grondgebied van Nederland is gebracht, doet hieraan niet af. Het feit was toen immers al gepleegd.
Betrokkenheid en wetenschap verdachten
Het hof zal schetsen of en op welke wijze de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] en hun medeverdachten betrokken zijn bij de invoer van de hierboven genoemde cocaïne. Daar waar de verdachten betrokken waren bij de invoer van deze ladingen is hun handelen slechts als misdrijf te bewijzen als zij het opzet hadden op het invoeren van de hoeveelheid cocaïne. Daarvoor is onder meer vereist dat zij moeten hebben geweten van de in de containers aanwezige hoeveelheden cocaïne. Het hof zal hieronder dan ook nader ingaan op de vraag of de verdachten die wetenschap hadden. Zowel de verdachte [verdachte] als de verdachte [medeverdachte 1] heeft als verweer gevoerd dat bij hem die wetenschap ontbrak.
Het hof zal in navolging van de rechtbank hieronder benoemen wat het heeft aangetroffen in het dossier en daarbij telkens tussentijds zijn conclusies bespreken.
Begin samenwerking [verdachte] en [medeverdachte 1]
Op 12 november 2014 is [B] B.V. (hierna ook: [B] of [B] B.V.) opgericht, op naam van [betrokkene 3] .
Op 1 november 2014 werd een bankrekening ( [rekeningnummer 1] ) op naam van [B] B.V. geopend bij de ABN AMRO bank.
In de Medion laptop die is aangetroffen bij een zoeking op 7 juni 2016 op de [a-straat 1] te [plaats] (kantoorpand [B] waar [medeverdachte 1] werkte) werden Spaanstalige facturen van een Colombiaans bedrijf aangetroffen die zagen op ‘boxes fresh green cavendish banana’. Deze facturen dateerden van respectievelijk 15 november 2014, 4 en 12 december 2014 en waren gericht aan [verdachte] . De bestemming leek – vrij vertaald – de haven van [plaats in Belgie] te zijn.
Passend bij de aantallen zoals genoemd in de facturen van december 2014 zijn er een tweetal Sea Way Bills aangetroffen van [C] , een bedrijf in [plaats] , Colombia, waarin staat vermeld dat er 960 boxes verzonden worden aan [B] B.V. [b-straat 1] [plaats] , met daarbij als contactgegevens: [telefoonnummer 1] [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] .
Passend bij het aantal boxes vermeld op de factuur van 15 november is een certificaat aangetroffen van [C] waarop eveneens [B] staat vermeld.
In dezelfde periode werden er door het bedrijf [A] (waarvoor in oktober en november 2014 nieuwe bankrekeningen en een nieuwe directeur werden geregistreerd) eveneens bananen ontvangen met als afzender [C] . Uit een aantal Sea Way Bills blijkt dat zeker twee van de bovengenoemde vrachten bananen voor [B] B.V. het schip ( [naam 2] en [naam 3] ) gedeeld hebben met de bananen voor [A] .
In [plaats] zijn op respectievelijk 4 december 2014, 24 december 2014 en 2 januari 2015 contante geldbedragen (€ 3.000,00, € 3.000,00 en € 15.000,00) gestort op de bankrekening van [B] .
Er zijn op 6 januari 2015 bananen aangekomen in [plaats] op het adres van [B] B.V.
Op 12 januari 2015 heeft [medeverdachte 1] een bedrag overgemaakt naar de bankrekening van [B] B.V. inzake vrachtkosten bananen.
Het hof constateert met de rechtbank dat [verdachte] vanaf november 2014 bezig is met de aankoop en import van bananen uit Colombia en dat [medeverdachte 1] hier sinds in elk geval januari 2015 bij betrokken is. Het hof constateert eveneens dat er een verband bestaat tussen de bananen voor [A] en de bananen voor [B] : ze worden op hetzelfde moment door dezelfde afzender met hetzelfde schip verzonden.
Vanaf het moment dat [medeverdachte 1] de betaling heeft verricht is in het dossier zichtbaar dat er naar afnemers van de bananen gezocht wordt. Er lijken zelfs advertenties van bananen op marktplaats gezet te worden. Op 15 januari 2015 stuurt [medeverdachte 1] een mail aan [D] over de vraag wat het kost om de bananen vanuit [plaats] in Colombia naar [plaats] te laten vervoeren. Hij vraagt daarna om input aan [verdachte] : ‘daar jij de verkoper kent.’
Op 10 februari 2015 mailt [medeverdachte 1] naar [verdachte] een interne berekening die ‘niet per ongeluk door gemaild mag worden’. Hierin staan kort gezegd de te verwachten opbrengsten en de afsluiting:
‘Niet slecht voor 2 boerenlullen zonder de ballen verstand van Bananen.. die pas 2 maanden bezig zijn.
En dat is nog maar het begin..!!!!!!!!!!!!!!’
Op 16 februari 2015 stuurt [verdachte] een voorstel naar afnemer [betrokkene 4] waarin hij aankondigt de maanden april, mei en juni drie vrachten bananen per week te kunnen gaan leveren die aankomen in de haven in [plaats in Belgie] . Op diezelfde dag accepteert [betrokkene 5] van [betrokkene 4] het aanbod en worden verdere afspraken gemaakt.
Op 17 februari 2015 wordt door [medeverdachte 1] een berekening aan [verdachte] gestuurd met daarin vermeld de kosten van [betrokkene 2] . Beoogd wordt om hem aan te nemen per 1 mei 2015 met een proefperiode van 6 maanden voor een brutosalaris van 3.500 euro per maand.
Een andere importeur
Het hof constateert dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op dat moment (dus half februari 2015) zeer concrete plannen lijken te hebben voor de invoer van bananen via de haven in [plaats in Belgie] en dat ze daarvoor een werknemer ( [betrokkene 2] ) nodig hebben. Uit de verklaring van [verdachte] blijkt ook dat het qua invoer door [B] daarbij gebleven is. Hij verklaarde dat ze de samenwerking met [betrokkene 6] beëindigden. Dit betekent dat [verdachte] en [medeverdachte 1] in februari 2015 concrete voorstellen deden over bananen die zij niet zelf in Nederland zouden invoeren. Uit niets blijkt dat zij op dat moment bezig waren met contacten in Zuid-Amerika om zelf transporten naar Nederland te organiseren. Desalniettemin achtten zij zichzelf in staat bananen te verkopen en verwachtten zij wel de aankomst van bananen in [plaats in Belgie] in de maanden april, mei en juni 2015.
Met ingang van 23 februari 2015 worden zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als bestuurder met de titel algemeen directeur van [B] B.V.
[betrokkene 2] heeft nog geen rol bij [B] of één van de andere bedrijven als de eerste bananen binnen moeten komen voor [B]
Op 31 maart 2015 en 1 april 2015 zijn [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 7] ( [telefoonnummer 2] ) bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven geweest. Medewerkers van de Kamer van Koophandel hebben hun bevindingen van deze bezoeken op 31 maart 2015 en die van de volgende dag in een document weergegeven. In dit document staat dat [betrokkene 1] op 31 maart 2015 een bestuurswisseling door wilde geven, maar niet goed genoeg wist waar het over ging en dus weggestuurd werd. In de middag kwam hij terug met [betrokkene 2] en [betrokkene 7] . Het ging om een directiewisseling van [E] B.V. (die een onderneming heeft: [F] ). [betrokkene 2] vroeg of hij nou directeur werd van [F] of van [E] B.V. Hij gaf niet blijk van enige kennis op dit punt en ook niet dat hij werkelijk wist waarvoor hij nou tekende, want toen het was uitgelegd moest hij nog een keer naar de hal om met [betrokkene 7] te overleggen. Het is uiteindelijk niet doorgegaan omdat [betrokkene 2] geen adres in Nederland had.
Op 1 april 2015 kwamen ze weer terug voor een bestuurswisseling van [A] B.V. en [G] . Men liep tegen hetzelfde probleem met het adres aan. Inmiddels was [betrokkene 2] wel naar [plaats] geweest om zich in te schrijven, hiervan werd een uittreksel getoond door [betrokkene 7] . Dit was geen uittreksel van een woonadres. Verder speelde met betrekking tot [A] B.V. dat zij bestuurder was van een failliete onderneming en dat daardoor de curator groen licht zou moeten geven voor de wijziging.
Op de middag van 31 maart 2015 zijn zoekslagen gedaan op een computer die is aangetroffen op het woonadres van [medeverdachte 1] . Het Export Summary Rapport bevat de volgende zoektermen:
- dinsdag 31 maart 2015 14:16: 30: [A] bv faillissement;
- dinsdag 31 maart 2015 14:19:46: [betrokkene 1] oplichting;
- Last visit: 2015-03-31 T12:16:30 – [H] bv faillissement.
Op 1 april 2015 om 12.02 uur mailt [betrokkene 5] van [T] aan [verdachte] op [e-mailadres 2] en in cc [medeverdachte 1] de vraag of volgende week inderdaad de eerste bananen binnen komen.
Om 12.03 uur antwoordt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 4] (met in cc [e-mailadres 1] ):
‘Nee, door omstandigheden zouden ze pas volgende week vertrekken. Dit zal dan een miscommunicatie zijn geweest.’
Het bovenstaande betekent dat [medeverdachte 1] en [verdachte] kennelijk een leverancier van bananen hadden waardoor zij op de hoogte gehouden werden, terwijl [betrokkene 2] nog geen rol had bij [B] of enig ander bedrijf.
Ook blijkt uit het bovenstaande dat [medeverdachte 1] op 31 maart 2015 op een nauwe manier betrokken was bij de plannen waarin [betrokkene 2] op de voorgrond werd geplaatst, hij voerde op de middag van de bezoeken van [betrokkene 2] aan de KvK achter de computer onderzoek uit naar de informatie die daaruit naar voren kwam.
[verdachte] heeft verklaard dat [B] in april of mei benaderd is door [A] om bananen af te nemen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij [A] alleen via [betrokkene 2] kende.
Deze verklaringen passen niet bij de handel in bananen in de periode kort na januari 2015. Toen verkocht [B] bananen die zij zelf niet importeerde, en die naar later bleek door [A] werden ingevoerd. Op dat moment speelde [betrokkene 2] nog geen rol en was dus het plan dat [B] zelf de bananen van [A] zou verkopen. Zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] hielden zich hier intensief mee bezig.
Inzet [betrokkene 2]
In februari 2015 kwam [betrokkene 2] als oude bekende weer in contact met [medeverdachte 1] . Meteen werden plannen gemaakt om [betrokkene 2] ook aan het werk te zetten.
Duidelijk is dat [verdachte] en [medeverdachte 1] [betrokkene 2] op het spoor van [A] hebben gezet. [A] was op dat moment al in beeld als leverancier van de bananen die [B] wilde verkopen.
Op 11 mei 2015 wordt [betrokkene 2] algemeen directeur van [A] B.V., [betrokkene 1] is dan al sinds 25 november 2014 enig aandeelhouder en bestuurder.
Op 28 mei 2015 arriveren uiteindelijk de eerste door [B] aan [betrokkene 4] verkochte bananen bij [T] . Er ontstaat op 29 mei 2015 bij [betrokkene 4] verwarring over de afzender die op de vrachtbrief (CMR) staat: [A] uit [plaats] . [medeverdachte 1] reageert diezelfde ochtend geruststellend: ‘Wij hebben met [A] een overeenkomst dat we alle vrachten van hun overnemen. Je zult conform afspraak een factuur ontvangen van [B] . Groeten [medeverdachte 1] .’
In het eerste verhoor van [betrokkene 2] , de dag dat hij door de politie was opgehaald van het vliegveld toen hij terugkwam uit Zuid-Afrika, dus zonder dat hij eerst het dossier had gelezen, verklaarde hij dat [A] BV van [verdachte] was en dat ze ( [verdachte] en [medeverdachte 1] ) hem er director van maakten. Het was een Belg die het verkocht, een klein vies ventje. [verdachte] had toegang tot [A] .
In zijn tweede verhoor een dag later verklaarde hij dat [verdachte] en [medeverdachte 1] samen de partijen in [plaats] afhandelden. Hij is nooit in [plaats] geweest. Hij kent een [betrokkene 8] die alles zou regelen met betrekking tot het overzetten van [A] .
Bovendien zijn in de laptop van [verdachte] de mailgegevens met inlogcodes van [A] en een aantal andere bedrijven aangetroffen. Ook de inloggegevens van beide bankrekeningen van [A] stonden in de laptop van [verdachte] .
[betrokkene 5] , werkzaam bij [T] , heeft verklaard dat zij nooit zaken hebben gedaan met [A] , maar dat hij die naam wel heeft zien staan op CMR-formulieren.
In mei 2015 bood [medeverdachte 1] [het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ] van [B] hem bananen aan. Hij heeft die afgenomen, maar het viel hem op dat op de CMR-formulieren [A] stond. Omdat hij geen problemen wilde, heeft hij [medeverdachte 1] meteen een mail gestuurd. [medeverdachte 1] heeft hem in reactie daarop gemaild dat zij (het hof begrijpt: [B] ) een overeenkomst hadden met [A] om alle vrachten van hen over te nemen en dat de factuur betaald kon worden aan [B] . Dat heeft [betrokkene 4] vervolgens ook gedaan.
[medeverdachte 1] doet het voorkomen of de bananen werden ingevoerd door [A] en vervolgens werden overgenomen door [B] . Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat [medeverdachte 1] en [verdachte] [A] aanstuurden. Daar komt bij dat uit de stukken, de aangetroffen administratie en overige bescheiden niet naar voren komt dat [A] de bananen heeft geïmporteerd en vervolgens heeft verkocht aan [B] . Er zijn geen koopovereenkomsten of betalingen aangetroffen tussen [A] en [B] . Feit is dat [medeverdachte 1] rechtstreeks zaken deed met [T] om de bananen te verkopen nadat ze waren ingevoerd.
De eerste lading bananen die aan [betrokkene 4] was beloofd arriveerde op 28 mei 2015 bij [T] . Deze lading was afkomstig van [A] en kwam vanuit [plaats] .
Uit de historische gegevens van het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer 1] ) blijkt dat het telefoonnummer zich op 28 mei 2015 tussen 10:15 en 10:56 uur in [plaats] bevond, het heeft masten aangestraald binnen het bereik van de [d-straat 1] aldaar.
Op 28 mei 2015 om 10:41 uur mailt [medeverdachte 1] ( [e-mailadres 3] ) aan [betrokkene 5] :
‘Onderwerp: FWD: Foto 1
Beste [betrokkene 5] .
Zoals afgesproken de fotos (4 totaal).
De vrachten, totaal 64 Pallets worden vandaag bij jullie aangeleverd door de firma [I] .
Met vriendelijke groet
[medeverdachte 1] .
Ps factuur zorgt [verdachte] voor namens [B] .’
Het hof constateert dat [medeverdachte 1] een foto doormailt (FWD) aan de klant op het moment dat de telefoon van [verdachte] in [plaats] is. Deze bevindingen onderstrepen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] de beschikking hebben over de bananen van [A] in [plaats] .
De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1] over de rol van [betrokkene 2] bij [A] en hun (gebrek aan) betrokkenheid daarbij acht het hof, evenals de rechtbank, gelet op het bovenstaande ongeloofwaardig. De verklaringen van [betrokkene 2] , die worden ondersteund door die van [betrokkene 5] , passen daarentegen wel bij bovenstaande bevindingen.
Op basis van het bovenstaande concludeert het hof met de rechtbank dat [verdachte] en [medeverdachte 1] [betrokkene 2] [A] doelbewust hebben laten overnemen en hem verder buiten alles hebben gehouden. [betrokkene 2] werd slechts op papier bestuurder van [A] maar had er feitelijk niets mee te maken. [verdachte] daarentegen had toegang tot de mail en bankzaken van [A] .
Tussenconclusie
Het hof stelt vast dat [verdachte] en [medeverdachte 1] in het voorjaar van 2015 samen een constructie met [A] B.V. op hebben gezet. Hiervoor hebben ze [betrokkene 2] gebruikt, die feitelijk als katvanger fungeerde voor [A] .
Eenmanszaak [J]
Hoewel de beide vrachten met bananen waarin de cocaïne werd gevonden volgens de vrachtbrieven bestemd waren voor [A] B.V., is er een rol voor [J] weggelegd bij het transport van deze bananen met cocaïne. Het hof zal daarom hierna [J] bespreken.
Op 1 juni 2015 wordt [J] gevestigd, dit is op 2 juni 2015 geregistreerd.
In zijn eerste verhoor op 8 juni 2016 heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij [J] moest vestigen. Hij moest transacties doen namens [B] en die kocht van [J] . [J] kocht van de leverancier. Volgens [betrokkene 2] ging het om papieren transacties.
In het dossier bevinden zich verschillende versies van een factuur van [J] aan [B] van 8 juni 2015. Deze versies zijn op 7 juni 2016 digitaal aangetroffen op de Medion laptop aan de [a-straat] in [plaats] en op de laptop van [verdachte] . Verder zijn drie versies van die factuur op papier (waarvan één met opvolgend factuurnummer) aangetroffen in het kantoorpand aan [e-straat] in [plaats] . De facturen zaten in een grijze ordner met op de ordner rug: ‘ [B] ( [A] doorgestreept) Betaal Fact 2015’. Deze factuur betreft in alle versies 960 en 2112 ‘boxes [naam 4] (hof: met ‘ […] ’ op het eind) CAT 2’ en heeft telkens als totaalbedrag € 19.880,88.
Per saldo komt het hof in het dossier vier verschillende versies van dezelfde factuur met dezelfde bijzondere schrijfwijze van ‘ [naam 4] ’ tegen in de stukken.
In voornoemde ordner zat ook een factuur van 10 juni 2015 met betrekking tot 2784 ‘boxes [naam 4] CAT 2’. Deze factuur heeft hetzelfde factuurnummer als die met het afwijkende nummer d.d. 8 juni 2015.
Verder zaten er in de ordner twee facturen d.d. 19 juni 2015 en twee d.d. 26 juni 2015 . Alle facturen betreffen [naam 4] / [naam 4] bananen in verschillende hoeveelheden. De factuurnummers lijken niet helemaal te kloppen en op de facturen d.d. 26 juni 2015 is ook handgeschreven dat de factuur niet correct is in verband met de BTW over de commissie.
De facturen van 19 juni 2015 zijn eveneens aangetroffen in de Medion laptop op de [a-straat] . Onder de facturen staat: ‘Met vriendelijke groeten, [betrokkene 9] .’
Uit onderzoek naar de bankrekening van [J] bij de ING
( [rekeningnummer 2] ) blijkt dat deze rekening op 15 april 2015 geopend is door [betrokkene 2] . De betaalpas is aangevraagd op 4 juni 2015.
Op 8 juni 2015 werd door [B] onder vermelding van ‘factuur HMG201501’ een bedrag van € 19.880,88 overgemaakt aan [J] .
Op [geboortedatum] 2015 werd een bedrag van € 1,00 overgeschreven naar de bankrekening van ‘ […] ’ met nummer [rekeningnummer 3] met als omschrijving: ‘test’.
Op [geboortedatum] 2015 werd ook een bedrag van € 19.113,88 (factuur 2015101) en een bedrag van € 17,00 (restant overbetaling) overgeschreven naar de bankrekening van [A] BV, [rekeningnummer 4] .
Uit dit onderzoek blijkt verder dat er ook op 22 juni 2015 en 26 juni 2015 substantiële bedragen zijn ontvangen door [J] van [B] en zijn doorbetaald door [J] aan [A] BV.
Het hof constateert dat de betalingen van [B] aan [J] min of meer overeenkomen met de hierboven vermelde aangetroffen facturen. Er is echter niets aangetroffen dat wijst op de aankoop van de bananen door [J] . [J] komt niet voor als geadresseerde of afzender op transportdocumenten, er zijn geen facturen aan [J] en er zijn geen overeenkomsten gevonden tussen [J] en leverancier(s) van de bananen.
Op 6 juli 2015, wanneer met [K] wordt gemaild over het inklaren van de door [A] BV gekochte vracht met bananen, wordt door een [betrokkene 2] (die daarvoor voor zover bekend niet eerder onder die naam gemaild had vanaf het [e-mailadres 4] ) toestemming gegeven om die vracht te laten inklaren voor de firma [J] uit [plaats] .
Deze mail ziet op de vracht die uiteindelijk op 9 juli 2015 in [plaats] aan moest komen en waarin in de haven van [plaats in Belgie] 3.597,08 kilogram cocaïne is aangetroffen.
De mailsessie vanaf 6 juli 2015 met [K] begint met de volgende tekst:
‘Hierbij geef ik u bij deze formeel toestemming om de door [A] BV aangekochte en aangeleverde vracht, te laten inklaren voor de firma [J] uit [plaats] Nederland, met BTW nr. [nummer] .
Eea als gevolg van het tijdelijk niet actief zijn van ons eigen BTW nr. buiten onze schuld.
Wij verontschuldigen ons bij u voor de overlast, en vertrouwen erop dat eea op deze wijze is verholpen, en streven ernaar om alles voor volgende week opgelost en geheractiveerd te hebben.
Graag ontvang ik van u een bevestiging dat alles zo in orde is.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 2] .
[A] B.V.
(…)’
Dit is een reactie op een e-mail van [K] waarin [K] aangeeft dat ‘dit geen simpel dossier meer is’ vanwege het inklaren op een ander bedrijf. [K] zal de goederen pas vrijgeven wanneer de betalingen effectief op de rekening van [K] staan.
In telefoongesprekken van 12 augustus 2015 tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] wordt gesproken over deze mailsessie. In het antwoord van [K] wordt gevraagd om een factuur waaruit zou kunnen blijken dat [A] de goederen heeft verkocht aan [J] .
Het hof maakt hieruit op dat [verdachte] en [medeverdachte 1] kennis hebben van het feit dat er in juli 2015 gemaild is door [K] aan [A] over een factuur waaruit kan blijken dat de bananen zijn verkocht door [A] aan [J] . De factuur heeft het hof niet aangetroffen.
Op 10 juli 2015 wordt de loods aan de [d-straat] in [plaats] (waar de bananen voor [A] afgeleverd moesten worden) doorzocht. In een ruimte die kennelijk als kantoor was ingericht werden in een kast administratieve bescheiden aangetroffen (transportformulieren) en een visitekaartje van een fruitbedrijf. In een vuilcontainer werden snippers van een verscheurd transportformulier en stickers van vermoedelijk andere zendingen goederen aangetroffen. Dit werd inbeslaggenomen. Er werden 36 vrachtbrieven aangetroffen. Op deze vrachtbrieven staat voor de zendingen die vertrokken vanaf de loods in [plaats] telkens vermeld als afzender [A] B.V., al dan niet met daarbij handgeschreven [B] [plaats] .
Het hof maakt hieruit op dat ook in de loods aan de [d-straat] niets op papier is aangetroffen dat duidt op de betrokkenheid van [J] bij de vracht bananen die op 9 juli 2015 moest aankomen in [plaats] .
Uit het dossier blijkt niet van enige betrokkenheid van [c-straat] bij bananen, anders dan de bovengenoemde mail van 6 juli 2015 en de daarop volgende mails met [K] . Daar waar de namen [betrokkene 2] en [betrokkene 9] worden genoemd als contactpersonen voor transporteurs of derden zoals [betrokkene 10] , is dat steeds namens [A] of [B] .
Met de rechtbank overweegt het hof dat het bovenstaande erop wijst dat [verdachte] en [medeverdachte 1] , die betrokken waren bij [A] , ook betrokken waren bij [J] . Zij beschikten ook over de inloggegevens van de mail van [J] . Dit past bij de verklaringen van [betrokkene 2] . Het hof hecht gelet hierop meer waarde aan de verklaringen van [betrokkene 2] dan aan die van [verdachte] en [medeverdachte 1] . Het hof gaat er dan ook van uit dat [verdachte] en [medeverdachte 1] [betrokkene 2] [J] hebben laten oprichten teneinde zelf uit beeld te blijven. Dit past ook bij de eerdere constatering dat [betrokkene 2] bij [A] naar voren is geschoven door [verdachte] en [medeverdachte 1] . Het feit dat [J] naar voren werd geschoven bij juist de lading die cocaïne bevatte, is voor het hof een redengevende omstandigheid voor de uiteindelijke conclusie dat [verdachte] en [medeverdachte 1] daar wel degelijk wetenschap van hadden.
Stortingen [A]
B.V. had in 2014-2015 twee bankrekeningen:
- ING rekening [rekeningnummer 4] , geopend op 1 oktober 2014, zakelijk vertegenwoordiger [betrokkene 1] , pasnummer-volgnummer: […] ;
- Kreissparkasse [plaats] te [plaats] (Duitsland) [rekeningnummer 5] , geopend op 13 november 2014, gemachtigde [betrokkene 8] .
Op beide bankrekeningen zijn contante geldbedragen gestort en daarvan werd onder meer betaald aan [L] te Colombia (leverancier van de bananen) en aan [K] (inklaarder van de bananen).
Vanaf 3 juni 2015 lijkt er het een en ander veranderd te zijn:
Op 3 juni 2015 worden de laatste stortingen bij de Kreissparkasse in [plaats] gedaan (totaal € 20.000,00), en op 3 juni 2015 wordt datzelfde bedrag overgemaakt naar de ING rekening van [A] .
Op 3, 4 en 5 juni 2015 worden er ook bedragen gestort op de ING rekening van [A] , maar niet meer zoals eerder in het zuiden van het land. [plaats] , [plaats] , [plaats] en [plaats] zijn de locaties van de stortingen die dagen.
Daarna volgen geen stortingen meer op de Kreissparkasse rekening van [A] , maar wel de volgende stortingen op de ING-rekening van [A] :
3 juni 2015: € 10.000,00 om 13.30 uur in [plaats]
4 juni 2015: € 10.000,00 om 10.22 uur in [plaats]
€ 5.000,00 om 13.26 uur in [plaats]
5 juni 2015: € 4.950,00 om 09.06 uur in [plaats]
en dan op 5 juni 2015 een betaling van € 40.265,28 aan [L]
11 juni 2015: € 15.000,00 om 10.49 uur in [plaats]
12 juni 2015: € 15.000,00 om 14.14 uur in [plaats]
15 juni 2015: € 15.000,00 om 11:07 uur in [plaats]
en dan op 15 juni 2015 een betaling van € 33.711,65 aan [L]
26 juni 2015: € 15.000,00 om 19.21 uur in [plaats]
27 juni 2015: € 3.000,00 om 10.14 uur zonder locatie (locatie blijkt [plaats] te zijn)
€ 4.000,00 om 10.09 uur idem
€ 4.000,00 om 10.07 uur idem
€ 4.000,00 om 10.03 uur idem
29 juni 2015: € 15.000,00 om 11:12 uur in [plaats]
en dan op 29 juni 2015 een betaling van € 40.651,47 aan [L]
3 juli 2015: € 15.000,00 om 14.54 uur in [plaats]
en dan op dezelfde dag een bedrag van totaal € 6.167,27 in twee deelbetalingen aan [K] en op 7 juli 2015 een betaling van € 34.364,39 en € 2.379,07 aan [L]
Op 7 juli 2015 werd de eerste lading cocaïne bestemd voor [A] BV inbeslaggenomen in [plaats in Belgie] . Na 7 juli 2015 vinden er alleen nog maar automatische afschrijvingen plaats op de Nederlandse bankrekening en op de Duitse bankrekening vinden alleen nog maar renteafschrijvingen plaats.
Vanaf begin mei 2015 houdt [medeverdachte 1] met [B] kantoor aan de [a-straat 1] te [plaats] . [verdachte] houdt met [B] al langer kantoor aan de [b-straat 1] in [plaats] . [medeverdachte 1] woont in [plaats] en [verdachte] in [plaats] . [plaats] en [plaats] liggen dichtbij [plaats] .
Het hof volgt de rechtbank in haar overweging dat het opvalt dat deze stortingen passen bij een ander ‘stortingspatroon’, te vinden in deeldossier Ananassen in samenhang met Deklading. Kort gezegd komen de bevindingen in die dossiers met betrekking tot deze periode (vanaf mei 2015) op het volgende neer.
Stortingen Duitsland
In mei 2015 heeft [verdachte] met een relatie van hem in Duitsland, [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) via Whatsapp contact over een plan waarvan niet zeker is of het doorgaat. Het heeft iets te maken met fruit kopen en dat ze moeten afwachten. Op 4 juni 2015 meldt [verdachte] aan [medeverdachte 2] dat hij heeft gezegd ‘ieder 30 K moeten die 2000 betalen’ en dat ‘die 60 of 90 per week willen doen’. [verdachte] zegt tegen [medeverdachte 2] : ‘Jij krijgt cash en overmaken naar België’ en ‘Kan over drie dagen kan iedere dag zonder problemen in bank storten 30000’.
[medeverdachte 2] stelt allerlei vragen en ook: ‘Oke wanneer moet dat dan van start gaan. Want ik moet er immers ook zijn dan’.
[verdachte] reageert met: ‘WEET NIET!!! Wachten en maak geen enkele fout met overmaken omdat die mensen zoeken ons op’.
[medeverdachte 2] lijkt niet te kunnen wachten, maar [verdachte] bericht pas op 11 juni 2015 dat die 90 willen doen vandaag. Ze spreken af voor morgen, dus 12 juni 2015, om 10.00 uur net over de grens bij [plaats] .
De Whatsappsessie is integraal opgenomen in het dossier Ananassen. Daaruit volgt dat in de zomer van 2015 [verdachte] regelmatig grote geldbedragen voor een opdrachtgever aan [medeverdachte 2] heeft overhandigd en dat [medeverdachte 2] deze bedragen heeft gestort en overgemaakt naar een Belgisch bedrijf, [M] .
Er ontstond regelmatig stress over het tempo waarmee het geld op de Belgische rekening belandde. Uiteindelijk ging het mis met de stortingen van 19-21 augustus 2015 waarvan € 40.000,00 wel in België terecht kwam, maar € 52.000,00 niet. Dit leidde tot een ontmoeting op 11 september 2015 waarbij [medeverdachte 2] € 30.000,00 terug betaalde aan degene van wie het geld kwam: verdachte [medeverdachte 3] . Deze ontmoeting is geobserveerd. [medeverdachte 1] was van deze situatie op de hoogte.
De resterende € 22.000,00 heeft [verdachte] via [B] (in overleg met [medeverdachte 1] ) aan [medeverdachte 2] geleend en aan [medeverdachte 3] overhandigd op 14 september 2015.
Het hof concludeert dat [verdachte] eind mei 2015 met [medeverdachte 2] al communiceerde over geld dat gestort moest worden in opdracht van [medeverdachte 3] . Verder constateert het hof dat de stortingen die op de ING-rekening van [A] werden gedaan volledig passen in het stortingspatroon van [medeverdachte 2] in Duitsland. De Whatsappberichten sluiten ook aan bij die bevindingen, die geven immers aan wanneer [verdachte] contact heeft gehad met [medeverdachte 3] (berichten dan wel ontmoetingen).
Wanneer de gegevens naast elkaar gelegd worden leidt dit tot de volgende constateringen:
Uit de apps van 4 juni 2015 blijkt dat [verdachte] contact gehad heeft met [medeverdachte 3] . In die periode (3, 4 en 5 juni 2015) is er geld gestort op de ING-rekening van [A] in [plaats] (woonplaats [verdachte] ) en omgeving en in [plaats] (kantoor [medeverdachte 1] ).
Vervolgens heeft [verdachte] op 11 juni 2015 weer contact met [medeverdachte 3] . Op 11, 12 en 15 juni volgens er stortingen van telkens € 15.000,00 in [plaats] op de rekening van [A] (zie boven). Daarnaast brengt [verdachte] op 12 juni 2015 contanten naar [medeverdachte 2] , die die ochtend € 28.400,00 stort. Op diezelfde dag wordt een bedrag van € 27.500 overgeboekt naar [M] met als vermelding CONSULTING INVOICE […] . Het rekeningnummer van [M] is volgens het bankafschrift van [medeverdachte 2] [rekeningnummer 6] .
Een en ander betekent dat er van 11 tot en met 15 juni 2015 herleidbaar € 73.400 is gestort. Op 11 juni appte [verdachte] aan [medeverdachte 2] dat die 90 willen doen en dat [medeverdachte 2] 30 moet storten.
[medeverdachte 2] vraagt [verdachte] om rekeningen. In de laptop van [verdachte] zijn drie facturen aangetroffen van [M] BVBA aan [N] op het adres van [medeverdachte 2] . Deze dateren echter van 25 juni, 26 juni (consulting Invoice) en van 16 juli 2015 en hebben een ander rekening(factuur)nummer dan de hierboven genoemde factuur.
In de laptop van [verdachte] is in de verwijderde items een notitie aangetroffen die volgens de metagegevens opgemaakt is op 20 juni 2015 te 16:08. Bovenaan deze notitie staat:
‘Dingen voor volgende week die geregeld moeten worden.’
Op de tweede helft van het blad staat:
‘ [A]
bij storten nieuwe betaling overkant
Duitsland storting met overboeking
Facturen in orde maken
En eventueel nieuwe boeking organiseren’.
Op 23 juni 2015 laat [verdachte] aan [medeverdachte 2] weten dat hij ‘die’ een bericht gestuurd heeft en dat hij op antwoord wacht.
Op 26 juni 2015 laat [verdachte] weten aan [medeverdachte 2] dat hij vandaag een afspraak heeft en dat hij misschien geld krijgt. Het is dan al te laat om [medeverdachte 2] nog te zien die dag. Op 26 juni 2016 om 19.21 uur wordt er wel weer € 15.000,00 gestort op de ING rekening van [A] in [plaats] . Op 27 juni 2015 laat [verdachte] [medeverdachte 2] weten dat hij nu 50K heeft. In de ochtend van 27 juni 2015 wordt er ook in vier delen € 15.000,00 gestort in [plaats] op de ING-rekening. [verdachte] laat aan [medeverdachte 2] weten dat ze elkaar treffen in [plaats] en dat hij vanuit [plaats in Belgie] komt. Op 28 juni 2015 wordt er op de rekening van [medeverdachte 2] € 22.300,00 en op 29 juni 2015 € 22.725,00 gestort. Op diezelfde dag wordt er € 32.300,00 overgemaakt aan [M] onder vermelding van [rekeningnummer 7] . De factuur in de laptop van [verdachte] komt hiermee overeen qua bedrag en factuurnummer.
Op 29 juni 2015 heeft [verdachte] contact met [medeverdachte 2] en zegt hij dat hij morgen weer bij die mensen is. [medeverdachte 2] vraagt of ze in Holland zijn en [verdachte] bevestigt dit. Op de rekening van [A] wordt die dag € 15.000,00 gestort in [plaats] . Op 3 juli wordt er ook nog € 15.000,00 gestort in [plaats] .
Op zondag 19 juli 2015 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 2] of hij kan storten. [verdachte] is nu in [plaats in Belgie] . Ze spreken af elkaar morgen te ontmoeten, [verdachte] vertrekt om 8 uur vanaf [plaats in Belgie] . Ze overleggen over hoeveel mogelijk is en [verdachte] sluit af met dat hij 100 brengt en dat [medeverdachte 2] dat in twee dagen doet. Daar verdienen ze samen 5000 aan. Op 21 juli 2015 wordt op de rekening van [medeverdachte 2] € 42.700,00 en € 20.000,00 gestort. Op die dag wordt ook € 41.200,00 overgemaakt aan [M] onder vermelding van [rekeningnummer 8] .
Opvallend is dat er in de laptop van [verdachte] een factuur van 16 juli 2015 zit met [rekeningnummer 9] voor ‘mediation export/sales food products 3 cargo’ voor een bedrag van € 41.200,00. Deze komt qua bedrag en datum overeen, maar niet qua factuurnummer.
Op 22 juli 2015 bericht [verdachte] [medeverdachte 2] dat hij foto’s moet sturen omdat hij pas geld krijgt als [medeverdachte 2] foto’s van de overboeking stuurt. [verdachte] geeft aan dat hij vanaf [plaats] komt en ze spreken af in [plaats] .
Op 22 juli 2015 wordt een bedrag van € 27.400,00 gestort en op 23 juli 2015 wordt een bedrag van € 46.200,00 overgemaakt naar [M] onder vermelding van [rekeningnummer 10] . [medeverdachte 2] vraagt [verdachte] dan ook om rekeningen omdat de bank rekeningen wil zien.
Dan volgen er bijna dagelijkse stortingen in Duitsland :
24 juli 2015: € 10.000,00 om 14:58 uur;
25 juli 2015: € 8.900,00 om 11:19 uur;
27 juli 2015: € 10.500,00 uur;
28 juli 2015: € 16.700,00 om 13.22 uur.
Op 29 juli 2015 volgen er twee overboekingen naar [M] :
- € 17.800,00 onder vermelding van [rekeningnummer 11] ;
- € 28.400,00 onder vermelding van [rekeningnummer 12] .
In augustus wil [medeverdachte 2] graag verder, desnoods zonder [verdachte] , maar [verdachte] zegt dat ze alleen een op een met hem willen en dat ze moeten afwachten. Op 18 augustus vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 2] hoeveel hij op een dag kan storten. [verdachte] geeft aan dat hij met die is nu. Hij bericht: ‘Misschien 100 vandaag’. Ze spreken af om 1900 in [plaats] . Er volgen stortingen:
19 augustus 2015: € 24.800,00;
20 augustus 2015: € 40.000,00;
21 augustus 2015: € 22.600,00;
en een overboeking naar [M] van € 40.000,00 onder vermelding van [rekeningnummer 13] .
Verder blijkt uit de afschriften van [medeverdachte 2] dat er op 11 september 2015 een bedrag van € 30.000,00 op zijn rekening is overgemaakt en dat hij dat bedrag heeft opgenomen op 11 september 2015.
11 september 2015
Op 11 september 2015 is er in de namiddag een treffen tussen [verdachte] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] en [medeverdachte 2] . Dit vindt plaats bij [tankstation] aan de […] . Door [medeverdachte 2] is een envelop met daarin € 30.000,00 euro overhandigd aan [verdachte] en [verdachte] heeft deze envelop aan [betrokkene 11] gegeven. [betrokkene 11] maakte deel uit van het gezelschap van [medeverdachte 3] en [betrokkene 12] . [medeverdachte 3] heeft ter plaatse gesproken met zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is van een bedrag dat bij [medeverdachte 3] vandaan kwam en dat naar hem terug moest. Duidelijk is dat [verdachte] in de gesprekken met [medeverdachte 1] kort voorafgaand aan die ontmoeting met de namen [betrokkene 13] en [medeverdachte 3] doelde op [medeverdachte 3] .
[medeverdachte 3] – [A]
Het hof stelt op basis van het bovenstaande vast dat de stortingen die gedaan zijn op de Nederlandse bankrekening van [A] vanaf 3 juni 2015, gedaan zijn door [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 3] .
Vast staat dat het geld dat werd gestort op de rekeningen van [A] werd gebruikt om geld over te maken aan [L] , aan [K] en aan andere bedrijven voor aan de import gelieerde kosten (transport, inklaren). Nu [verdachte] beschikte over de inloggegevens van beide bankrekeningen en hij in elk geval de stortingen vanaf 3 juni 2015 voor zijn rekening heeft genomen, gaat het hof er ook van uit dat hij de bedragen die daarna zijn overgemaakt heeft overgemaakt. Het hof gaat er gelet op de Whatsappberichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] vanuit dat [verdachte] de opdracht hiertoe en de daarvoor benodigde gegevens van [medeverdachte 3] heeft gekregen. [medeverdachte 1] was niet alleen als medebestuurder verantwoordelijk voor deze geldstromen, maar hij wist, blijkens de telefoongesprekken tussen hem en [verdachte] van 12 augustus 2015, daadwerkelijk van de hoed en de rand.
[betrokkene 1] en [medeverdachte 3]
De betrokkenheid van [medeverdachte 3] komt verder in beeld wanneer wordt gekeken naar de rol van eerdergenoemde [betrokkene 1] .
In het dossier duikt [betrokkene 1] op in oktober 2014. Op 1 oktober 2014 vraagt hij een zakelijke rekening aan bij de ING voor [A] BV. Op respectievelijk 24, 25 en 26 november 2015 wordt [betrokkene 1] bestuurder van een aantal rechtspersonen, waaronder [A] B.V. (waarvan hij ook enig aandeelhouder wordt). Op dat moment is [A] al bananen aan het invoeren, zo blijkt uit een Sea Way Bill van 21 november 2014. Als bestemmingsadres is daarop ingevoerd [d-straat 1] in [plaats] en het wordt verscheept door [O] te [plaats] , Colombia. De [d-straat] is met ingang van 1 oktober 2014 gehuurd door [P] B.V., de overeenkomst is getekend door gemachtigde [betrokkene 8] . Deze [betrokkene 8] heeft op 13 november 2014 de hierboven genoemde bankrekening ( [rekeningnummer 5] ) in Duitsland geopend voor [A] B.V.
In diezelfde periode (juli 2014 – februari 2015) worden door [betrokkene 8] op de privérekening van [betrokkene 8] bij diezelfde Kreissparkassebank in Duitsland een groot aantal stortingen gedaan, gevolgd door overboekingen aan [M] .
Bij de stukken van [betrokkene 1] is een schermafdruk (d.d. 21 februari 2015) gevonden van een bericht d.d. 10 december 2014 van BNP Paribas met betrekking tot het nummer waarop de Security SMS zal worden ontvangen: [telefoonnummer 3] .
Uit hetgeen hierboven met betrekking tot de overboekingen van [medeverdachte 2] op de rekening van [M] staat, volgt dat [M] een bankrekening bij BNP Paribas had.
In de loods aan de [d-straat] in [plaats] is een visitekaartje aangetroffen van [getuige] van [Q] S.A.S.
In Colombia is een tweetal getuigen gehoord, waaronder bovengenoemde [getuige] . Deze laatste verklaart dat het hem bekende nummer van [M] gevestigd te [plaats] in België [telefoonnummer 4] is. Hij verklaart tevens dat hij met betrekking tot [M] contact onderhield met de [betrokkene 14] . [betrokkene 14] heeft verklaard dat [M] bananen van hen kocht en dat hij betalingen ontving van [M] van [rekeningnummer 14] . Hij heeft als telefoonnummer opgegeven: [telefoonnummer 3] . Beide heren verklaren overigens ook over de leveringen aan [A] .
[betrokkene 1] heeft blijkens een bij zijn stukken aangetroffen bankafschrift op 6 november 2015 op zijn eigen bankrekening een betaling van € 800,00 ontvangen van de rekening van [M] te [plaats] ( [rekeningnummer 6] ).
Het hof maakt uit deze gegevens op dat [M] gebruik maakte van BNP Paribas rekening [rekeningnummer 14] en [telefoonnummer 3] . Delen van deze gegevens komen terug bij de stukken van [betrokkene 1] , via het kaartje in de loods van [A] in [plaats] en uit de stortingen van [medeverdachte 2] voor [medeverdachte 3] .
[betrokkene 8] voornoemd was betrokken bij [A] , maar ook bij [M] eind 2014, begin 2015. In de zomer van 2015 was [verdachte] betrokken bij beide ondernemingen in opdracht van [medeverdachte 3] .
[betrokkene 8] heeft verklaard dat hij de rekening in Duitsland voor [A] heeft geopend op verzoek van de kopers en dat zij de bankpasjes en de codes van hem gekregen hebben. [betrokkene 1] heeft [A] overgenomen, [betrokkene 8] is met hem naar de Kamer van Koophandel en de notaris geweest. [betrokkene 8] weet niet of [betrokkene 1] het voor zichzelf deed. Hij werd aangedragen door [betrokkene 15] , die zijn [G] ook heeft gekocht. Hij zat met [betrokkene 15] op kantoor op nr. […] in [plaats] .
[betrokkene 1] is meermalen door de politie verhoord en ook bij de rechter-commissaris. Hij heeft – kort gezegd – verklaard dat hij benaderd is door [betrokkene 16] en dat hij op verzoek van [betrokkene 16] het bedrijf [A] heeft overgenomen. Hij kent [betrokkene 8] , hij verklaart dat hij een kopie van zijn paspoort thuis had liggen. Deze kopie is inderdaad aangetroffen in zijn stukken. Hij had contact met [betrokkene 8] via [betrokkene 16] . Hij is met [betrokkene 8] naar de ING geweest voor het openen van een rekening voor [A] en de bankkaarten gingen naar [betrokkene 16] . Hij is ook met [betrokkene 8] naar Duitsland geweest voor het openen van een rekening bij de Sparkasse. Hij kreeg toen direct een pas mee en die heeft [betrokkene 16] meegenomen.
In zijn eerste verhoor wordt hem de fotomap getoond. Uit deze map herkent hij in zijn eerste verhoor niemand. In zijn tweede verhoor een dag later worden hem losse foto’s getoond. Hij herkent daarop [betrokkene 8] en die Zuid-Afrikaan die de firma heeft overgenomen. In zijn derde verhoor herkent hij zonder twijfel uit dezelfde fotomap als in zijn eerste verhoor [betrokkene 16] ( [medeverdachte 3] ). Hier blijft hij bij in zijn verhoor bij de rechter-commissaris.
[verdachte] had in elk geval vanaf mei 2015 contact met [medeverdachte 3] over geld dat in diens opdracht gestort moest worden. Met [medeverdachte 1] sprak [verdachte] regelmatig telefonisch over [medeverdachte 3] (die in de gesprekken [medeverdachte 3] of [medeverdachte 3] genoemd wordt) en dan gaat het over geld dat deze voor allerhande zaken zou moeten betalen . Er zijn meerdere ontmoetingen geweest (o.a. 4 september 2015 en 29 september 2015 ) tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] waarbij geld of documenten werd overhandigd. In deze periode speelt ook het contact met [medeverdachte 2] die in opdracht van [verdachte] met grote regelmaat grote geldbedragen die deze krijgt van anderen, moet afstorten op zijn Duitse bankrekening en daarmee daarna vervolgens betalingen doet voor de aankoop van fruit. Dit gaat regelmatig stroef en leidt tot veel stress en zelfs dreigementen waarbij [verdachte] duidelijk maakt dat de opdrachtgevers gevaarlijke criminelen zijn . Het loopt zo hoog op dat [medeverdachte 2] op 11 september een bedrag van € 30.000,- moet komen terug betalen aan [medeverdachte 3] . Deze ontmoeting is gezien door het observatieteam . [verdachte] is bij die ontmoeting aanwezig.
Conclusie met betrekking tot het opzet van de verdachten
Het hof stelt vast dat [betrokkene 1] is ingezet om [medeverdachte 3] buiten beeld te houden. [medeverdachte 3] was degene die de scepter zwaaide met betrekking tot de handel van [A] , hij regelde de financiering van de ladingen bananen en de bijkomende kosten. Hij had er kennelijk echter een groot belang bij zelf buiten beeld te blijven. [betrokkene 1] is op enig moment vervangen door [betrokkene 2] en [medeverdachte 3] heeft [betrokkene 2] gevonden via zijn tussenpersonen [verdachte] en [medeverdachte 1] . Vaststaat dat [medeverdachte 3] contact had met [verdachte] in mei 2015. Nu niet valt in te zien hoe [medeverdachte 3] in maart 2015 [betrokkene 2] met [betrokkene 1] naar de Kamer van Koophandel kon sturen zonder dat hij [betrokkene 2] geïntroduceerd heeft gekregen, gaat het hof ervan uit dat [verdachte] [betrokkene 2] voor die positie naar voren heeft geschoven. [verdachte] zal hierover contact gehad hebben met [medeverdachte 3] . Dit ligt ook voor de hand nu [verdachte] en [medeverdachte 1] in februari 2015 reeds bananen van [A] aan het verkopen waren.
[medeverdachte 3] is de drijvende kracht en financier achter de handel van [A] geweest en het kan niet anders dan dat hij ervoor heeft gezorgd dat hij buiten beeld bleef omdat er grote hoeveelheden cocaïne mee moesten komen met de bananen. Om dit buiten beeld blijven goed te organiseren heeft hij [verdachte] (en daarmee ook [medeverdachte 1] ) ingeschakeld. [verdachte] en [medeverdachte 1] waren van de reden hiervoor op de hoogte, zij werkten er ten volle aan mee. Zij hebben [betrokkene 2] hiervoor bewust gebruikt.
[verdachte] heeft vanaf halverwege mei 2015 besproken met [medeverdachte 2] dat er vooruitzichten waren die te maken hadden met stortingen door [medeverdachte 2] . [verdachte] was toen dus bezig met stortingen in Duitsland voor [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] was een oude bekende van [verdachte] . [verdachte] heeft [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 3] geïntroduceerd. Vanaf het moment dat het startte in juni 2015 ging het om substantiële bedragen.
Het hof concludeert in navolging de rechtbank dat [verdachte] en [medeverdachte 1] in elk geval in februari 2015 zaken deden met [medeverdachte 3] .
Vanaf in ieder geval mei 2015 zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] dan ook betrokken geweest bij het creëren van een rookgordijn ten behoeve van [medeverdachte 3] . Zij hebben vanaf dat moment geweten dat zij betrokken waren bij het invoeren van bananen uit Zuid-Amerika waarbij de ware spelers (inclusief zijzelf) buiten beeld moesten blijven. Het hof gaat er dan ook van uit dat zowel [medeverdachte 3] als [verdachte] en [medeverdachte 1] wetenschap hebben gehad van de reden van de beoogde schimmigheid: het invoeren van cocaïne. Het inschuiven van [J] bij de bewuste lading is een redengevende omstandigheid voor de conclusie dat [verdachte] en [medeverdachte 1] ook op de hoogte waren van in welke lading precies de cocaïne zat. [verdachte] en [medeverdachte 1] moeten deze kennis hebben verkregen van [medeverdachte 3] . Uiteindelijk is ook in twee ladingen bestemd voor [A] een zeer grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen.
[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben samen bewust hun werk gemaakt van het verschaffen van een legale dekmantel voor de praktijken van [medeverdachte 3] .
Eindconclusie met betrekking tot feit 1
Kortom, uit de bewijsmiddelen en de voorgaande bewijsoverwegingen blijkt dat tussen [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de invoer van de in de tenlastelegging bedoelde twee partijen cocaïne in Nederland, waarbij ieders intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht was.
Dit betekent dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] tezamen en in vereniging tweemaal opzettelijk cocaïne hebben ingevoerd in juli 2015.
De andersluidende verklaringen van [verdachte] vinden hun weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen.
De bewijsverweren worden verworpen.”
De eerste deelklacht
In de eerste plaats wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte en [medeverdachte 1] het importbedrijf [A] aanstuurden – mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd – niet begrijpelijk is dan wel dat het hof van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdediging heeft ingenomen, namelijk dat [A] bestuurd werd door [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] en niet door de verdachte en [medeverdachte 1] , zonder daartoe in het bijzonder de redenen op te geven. Daarnaast brengt het creëren van een dekmantelconstructie ten behoeve van door derden ingevoerde cocaïne volgens de stellers van het middel niet zonder meer mee dat nauw en bewust is samengewerkt bij het uitvoeren van de cocaïnetransporten die onder deze dekmantel plaatsvonden. In dit verband wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat:
- uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat de verdachte en/of [medeverdachte 1] betrokkenheid heeft gehad bij het logistieke proces van de invoer van de cocaïne vanuit (eerst) Zuid-Amerika naar Nederland;
- ook de verklaringen van [betrokkene 2] te onbepaald zijn om uit te kunnen afleiden dat de verdachten een bijdrage van voldoende gewicht hebben geleverd aan de drugstransporten;
- het door de verdachte voeden van de rekening van [A] ter aanschaf van de dekladingen door [medeverdachte 3] of [betrokkene 1] niet valt aan te merken als een bijdrage van voldoende gewicht (hoogstens als een medeplichtigheidshandeling).
Het gaat bij het onder 1 bewezenverklaarde feit om twee onderschepte cocaïnetransporten. Op respectievelijk 7 en 14 juli 2015 is in twee containers geladen met bananen vanuit Colombia die waren bestemd voor [A] B.V. samen ruim 4.000 kilo cocaïne aangetroffen. De containers zijn door het Nederlandse deel van de Westerschelde gevaren en daarmee binnen het grondgebied van Nederland gebracht.
Het hof heeft beide onderschepte cocaïnetransporten gelinkt aan de verdachte en heeft geoordeeld dat hij in het kader van de invoer van deze transporten nauw en bewust samen heeft gewerkt met anderen. In de kern komt het erop neer dat de verdachte en zijn [medeverdachte 1] via [B] (verder: [B] ), van welke B.V. de verdachte en [medeverdachte 1] vanaf 23 februari 2015 als bestuurder met als titel algemeen directeur waren geregistreerd, vanaf eind 2014 ( [medeverdachte 1] vanaf begin 2015) bezig waren met het invoeren van bananen en het vervolgens doorverkopen daarvan. Na enige tijd wordt tussen de leveranciers van de bananen en [B] het bedrijf [A] geplaatst. De suggestie werd gewekt dat [A] de bananen invoerde en vervolgens verkocht aan [B] . In werkelijkheid werd [A] aangestuurd door de verdachte en zijn medeverdachte om hun betrokkenheid bij de uiteindelijke import van cocaïne te verhullen. [A] werd gedurende deze periode bestuurd door een katvanger. Eerst was dit [betrokkene 17] , die op verzoek van [medeverdachte 3] [A] had overgenomen, en daarna is dit [betrokkene 2] geweest. [betrokkene 2] heeft verklaard dat [A] van de verdachte was en dat de verdachte en [medeverdachte 1] hem er directeur van hadden gemaakt en dat de verdachte toegang had tot [A] (hetgeen wordt ondersteund door de omstandigheid dat op de laptop van de verdachte de mailgegevens met inlogcodes van [A] zijn aangetroffen alsmede de inloggegevens van beide bankrekeningen van [A] ). Verder was de verdachte de contactpersoon in [plaats] en handelden de verdachte en [medeverdachte 1] de partijen af, aldus [betrokkene 2] .
In de door het hof gebezigde bewijsconstructie staat, naast het voornoemde, een aantal stortingen centraal. In mei 2015 heeft de verdachte met [medeverdachte 2] via Whatsapp contact over een ‘plan’ en later meer specifiek over het door [medeverdachte 2] ontvangen van cash geld en het overmaken hiervan. De verdachte schrijft dat [medeverdachte 2] geen enkele fout moet maken met overmaken want “die mensen zoeken ons op”. Uit de Whatsappsessie tussen de verdachte en [medeverdachte 2] van juni 2015 blijkt dat in de zomer van 2015 regelmatig grote geldbedragen voor een opdrachtgever via de verdachte aan [medeverdachte 2] worden overhandigd en dat [medeverdachte 2] deze bedragen stort waarna deze worden overgemaakt naar een Belgisch bedrijf. Dit begint op 4 juni 2015. Op die datum bericht de verdachte: “Nu afwachten heb gezegd ieder 30 K moeten die 2000 betalen”, “Die willen 60 of 90 per week doen” en “Ja super dat bedoelt iedere week 3000 per”. Vanaf 3 juni 2015 worden ook stortingen op de rekening van [A] gedaan waarmee de leveranciers van de bananen worden betaald. Dit gebeurt deels in de woonplaats van de verdachte. De stortingen van [medeverdachte 2] gaan door na de drugsvangst op 7 en 14 juli 2015, maar die aan [A] stoppen dan.
Soms ontstaat er onrust, omdat betalingen te laat doorkomen. Zo blijkt uit tapgesprekken van 3 september 2015 dat de verdachte aan [medeverdachte 2] schrijft: “Als ik morgen niet de 52 plus 8% heb dan halen die ons!!! Die waren al bij mij!!!” en “Die mensen schieten ons af als er geen geld is!!! OKE!!!”. Later moet [medeverdachte 2] 30.000 euro terugbetalen aan degene van wie het geld kwam na een mislukte storting van 52.000 euro in augustus 2015; bij een ontmoeting in september 2015 tussen de verdachte, [medeverdachte 3] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] en [medeverdachte 2] die is geobserveerd door de politie wordt een envelop aan de verdachte overhandigd door [medeverdachte 2] (aan de hand van de tapgesprekken kan worden vastgesteld dat hierin 30.000 euro zat) en geeft de verdachte deze op zijn beurt aan [betrokkene 11] (de resterende 22.000 euro van het verdwenen bedrag van 52.000 euro is door verdachte via [B] geleend aan [medeverdachte 2] die het op 14 september 2015 aan [medeverdachte 3] heeft overhandigd). De verdachte heeft bij de ontmoeting van 11 september ook gesproken met [medeverdachte 3] .
Uit het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, heeft het hof afgeleid dat de verdachte het besturen van [A] , de stortingen en het aansturen van [medeverdachte 2] deed in opdracht van [medeverdachte 3] .
Het verhullen van de betrokkenheid van [B] werd verder bewerkstelligd door inzet van eenmanszaak [J] (gevestigd op 1 juni 2015 door [betrokkene 2]). In de aanloop naar het transport waar de cocaïne is aangetroffen, worden vanaf [B] bedragen overgemaakt naar [J] . [J] maakte op zijn beurt deze bedragen weer over aan [A] . [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij deze zaak moest vestigen en transacties moest doen namens [B] aan [J] , maar dat dit zuiver papieren transacties waren (facturen van deze transacties zijn aangetroffen op de laptop van de verdachte en de laptop die in beslag is genomen tijdens de doorzoeking van het kantoorpand van [B] op 7 juni 2016). Bij het op 6 juli 2015 inklaren van de vracht met bananen (waar uiteindelijk de partij van ruim 3.500 kilo cocaïne is aangetroffen) wordt namens [A] per mail toestemming gegeven om de door [A] aangekochte en aangeleverde vracht te laten inklaren door de firma [J] . [K] (die kennelijk belast was met het inklaren) mailt terug en vraagt hierbij naar een factuur waaruit blijkt dat de goederen door [A] zijn verkocht aan [J] . Het hof heeft aan de hand van de bewijsmiddelen kunnen vaststellen dat in een later telefoongesprek van 12 augustus 2015 tussen de verdachte en [medeverdachte 1] wordt gesproken over deze mailwisseling en heeft daaruit niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte en [medeverdachte 1] kennis van deze mailwisseling kennis hebben. Een factuur van [A] aan [J] is nooit aangetroffen.
De vraag is nu of het hof op basis van het voorgaande heeft kunnen oordelen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van de inbeslaggenomen cocaïne. De stellers van het middel menen van niet, omdat het enkel creëren van een dekmantelconstructie onvoldoende is voor het aannemen van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Ik zie dit anders. De verdachte heeft samen met zijn [medeverdachte 1] doelmatig verschillende rechtspersonen/bedrijven ingezet om te verhullen dat sprake was van drugstransporten. Dat het hof in dit verband heeft geoordeeld dat [A] werd aangestuurd door de verdachte en [medeverdachte 1] vind ik niet onbegrijpelijk, met name gezien de verklaringen van [betrokkene 2] , welke verklaringen ik anders dan de stellers van het middel niet ‘te onbepaald’ vind om conclusies uit te trekken, in combinatie met het aantreffen van de inloggegevens op de laptop van de verdachte en de afgeluisterde telefonische conversatie met [medeverdachte 1] over de mail van 6 juli 2015 over het inklaren van de vracht.
Het hof heeft niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de verdachte ook wist dat de transporten van de bananen verdovende middelen bevatten. Voor mij weegt hierbij in het bijzonder mee dat de berichten in mei die de verdachte heeft uitgewisseld met [medeverdachte 2] indiceren dat de mensen waar de verdachte mee samenwerkte criminelen zijn en dat de bedragen die de verdachte heeft ontvangen en die hij (deels) aan [medeverdachte 2] heeft overgedragen en deels zelf heeft gestort, kennelijk van [medeverdachte 3] afkomstig waren. Deze [medeverdachte 3] was degene die drugstransporten heeft georganiseerd. Verder weegt zwaar dat de verdachte op 12 augustus met [medeverdachte 1] spreekt over de mail van [K] aan [J] waarin wordt gevraagd om een factuur waaruit zou kunnen blijken dat [A] de goederen heeft verkocht aan [J] . Tot slot speelt mee dat juist [J] naar voren werd geschoven bij de lading waarin de cocaïne is aangetroffen. In de bewijsvoering van het hof ligt mijns inziens besloten dat de gedragingen van de verdachte moeten worden geplaatst in de sleutel van de verwezenlijking van een gezamenlijk plan tot de invoer van cocaïne waarin het aandeel van [medeverdachte 3] kennelijk was om de cocaïne te regelen en deze in te voeren en de rol van de verdachte en [medeverdachte 1] was om de schijn van legaliteit aan deze invoer te geven.
Nu sprake is van een gezamenlijk plan meen ik dat de omstandigheid dat de verdachte en [medeverdachte 1] niet direct bij het transporteren van de bananen uit Colombia betrokken lijken te zijn geweest, niet relevant is. Nodig is slechts dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Het lijkt me evident dat het inzetten van bedrijven om de import van de cocaïne te verhullen als zo’n bijdrage van voldoende gewicht kan worden aangemerkt.
Het hof heeft wat mij betreft, gezien het voorgaande ook voldoende gerespondeerd op het verweer van de verdediging dat [medeverdachte 3] volledig over [A] kon beschikken en de verdachte daarvoor niet nodig had. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, met name de verklaring van [betrokkene 2] , en bewijsoverwegingen blijkt voldoende waarom het hof hierin niet is meegegaan.
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
Ten tweede wordt aangevoerd dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 1] dat hij na de bestuurderswissel geen betrokkenheid bij [A] had onbetrouwbaar zijn, zonder in het bijzonder de reden daartoe op te geven.
Blijkens de ter terechtzitting voorgedragen pleitnota is ten aanzien van de verklaring van [betrokkene 1] het volgende aangevoerd:
“Verklaring [betrokkene 1] onjuist en daarmee onbetrouwbaar: [betrokkene 1] gaf ook na 31 maart 2015 nog feitelijk leiding aan [A]
71. Deze - door de rechtbank dus betrouwbaar geachte - verklaring van [betrokkene 1] is echter evident onjuist en daarmee dus onbetrouwbaar. De goede lezer van het dossier ziet namelijk dat [betrokkene 1] ook nadat [betrokkene 2] in beeld komt, feitelijk blijft optreden voor en namens [A] (precies zoals hij dat daarvoor ook steeds deed).
72. Dat blijkt ten eerste uit het feit dat alle Bils of Loading telkens [betrokkene 1] als contactpersoon (van [A] ) vermelden. Deze Bils of Loading vermelden ook steeds (enkel en alleen) de naam van [betrokkene 1] als ontvanger. [betrokkene 1] is voorts ook degene die de 36 CMR’s heeft ondertekend die op 10 juli 2015 zijn aangetroffen in het bedrijfspand van [A] in [plaats] . De politie heeft vastgesteld dat die handtekening door steeds dezelfde persoon is gezet - door [betrokkene 1] dus.
73. Dat dit inderdaad de handtekening van [betrokkene 1] betreft, wordt onder meer bevestigd door het feit dat het dezelfde handtekening is als de handtekening op de werkorder van [R] . De eigenaar van dit bedrijf verklaart dat hij altijd zaken deed in opdracht van een Belg, genaamd [betrokkene 1] van [A] . Deze werkorder dateert van 25 juni 2015; aldus slechts een week vóór aanvang van de pleegperiode in ZD Bananen en mitsdien na het moment dat [betrokkene 1] naar eigen zeggen niets meer met [A] van doen had. De heftruck is toen vervoerd vanuit [plaats] naar het bedrijfspand van [A] in [plaats] - in opdracht dus van [betrokkene 1] . De facturen werden gestuurd naar het adres van [A] in [plaats] . (Een locatie waar [verdachte] op geen enkele manier mee in verband te brengen valt.)
74. [betrokkene 1] is verder degene die namens [A] steeds de betalingen doet - óók na het in beeld komen van [betrokkene 2] en zelfs nog na juli 2015 (de maand waarin de cocaïneladingen zijn onderschept). Ik wijs op pagina 1694 en 1695 van ZD Bananen; daaruit blijkt dat de betalingen door [betrokkene 1] aan [R] (voor en namens [A] ) doorlopen tot en met september 2015. [betrokkene 1] kon die betalingen zelf ook doen, getuige het feit dat tijdens de doorzoeking van zijn woning van [betrokkene 1] de ING-pas […] van [A] (inclusief pincode) is aangetroffen. Hij had dus - ook na zijn zogenaamde ‘exit' - nog altijd volledige toegang tot de bankrekening van [A] .
75. Ook een belangrijk gegeven is het feit dat [betrokkene 1] de gebruiker is van het mailaccount ‘ [e-mailadres 4] ’. Hij gebruikte dit account onder meer wanneer hij mails verstuurde namens [A] aan [R] . Dit mailadres wordt overigens al zeker sinds 2014 gebruikt door de mensen achter [A] . Zo verklaart [betrokkene 18] van [L] dat zij sinds oktober 2014 zaken doen met [A] en dat de onderhandelingen altijd via dat mailadres van ‘fruitimpex' verlopen.
76. Dit mailadres wordt voor [A] ook nog gebruikt in de periode juni en juli 2015. Zie
in dit verband bijvoorbeeld de communicatie met vervoersbedrijf [Y] op 8 juli 2015. Dat [betrokkene 1] van deze mails de verzender is geweest, blijkt onder meer uit het feit dat onder deze mails telkens het Belgisch telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 5] vermeld wordt. Van dit nummer staat vast dat het bij [betrokkene 1] in gebruik was en volgens zijn eigen verklaring ook exclusief bij hem in gebruik was. Die verklaring wordt de recherche onderschreven.
77. Ten overvloede wijs ik er in dit verband op dat de histo-gegevens van dit telefoonnummer geen enkel aanknopingspunt bieden voor de eventuele veronderstelling dat het gebruik van dit nummer - in weerwil van de eigen verklaring van [betrokkene 1] - op enig moment op [betrokkene 2] (of [verdachte] of [medeverdachte 1] ) is overgegaan. Integendeel, want uit die gegevens blijkt slechts van aanstralingen in het zuiden van Nederland, met name op masten in [plaats] en (later) [plaats] en omgeving. Aldus exact de locaties waar [betrokkene 1] pleegde te verblijven als hij namens [A] optrad. Bovendien is door de recherche vastgesteld dat [betrokkene 2] met zijn eigen 06-nummer (eindigend op * [telefoonnummer 6] ) op 10 juli 2015 tweemaal telefonisch contact heeft gehad met het nummer van [betrokkene 1] . […] Het nummer van [betrokkene 1] gaat die dag uit de lucht.
78. Daarmee staat overigens niet alleen vast [betrokkene 1] ook na de (formele) bestuurswissel met [betrokkene 2] - voor [medeverdachte 3] - feitelijk leiding bleef geven aan [A] , maar tevens dat hij zich in die periode namens [A] uitgaf voor [betrokkene 2] . De eerder genoemde e-mails aan onder meer het bedrijf [S] zijn immers steeds ‘ondertekend’ door [betrokkene 2] . Het Belgische telefoonnummer van [betrokkene 1] staat voorts in het klantsysteem van [betrokkene 10] gekoppeld aan de naam ‘ [betrokkene 2] ’ van [A] BV, in verband met een afvalverwerkingsopdracht voor [A] in [plaats] in de maand mei 2015.
79. De verklaring van [betrokkene 1] dat hij na de bestuurswissel geen betrokkenheid meer had bij [A] , is dus aantoonbaar onjuist. Hij was ook daarna gewoon nog ‘zaaksvoerder’ en als zodanig betrokken bij de import van de bananen.”
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal een grote mate van vrijheid geniet. In beginsel hoeft hij de selectie en waardering daarvan niet te motiveren. Als door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt ingenomen omtrent de betrouwbaarheid van een bepaald bewijsstuk, zal de rechter, indien hij van dit standpunt afwijkt, daarop moeten responderen. Hierbij is van belang dat voor betrouwbaarheidsverweren een zware stelplicht geldt.
Aan deze stelplicht is in de onderhavige zaak mijns inziens voldaan. Door de verdediging is expliciet gewezen op inconsistenties en feitelijke onjuistheden in de getuigenverklaring en het verweer is met objectieve gegevens uit het dossier ondersteund.
Er zal dus moeten worden beoordeeld of het hof in afdoende mate heeft gerespondeerd op het standpunt. De inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten bepalen hoe ver de motiveringsplicht van de rechter strekt. Niet op ieder detail hoeft namelijk te worden ingegaan en het is zelfs denkbaar dat de nadere motivering besloten ligt in de door de feitenrechter gebezigde bewijsmiddelen. In dit verband verdient opmerking dat de Hoge Raad geen al te hoge eisen lijkt te stellen aan de verwerping van betrouwbaarheidsverweren. Enkel het geheel niet responderen op een dergelijk verweer of het volstaan met de formuleachtige overweging dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, terwijl ook uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt waarom het verweer niet opgaat, kan tot cassatie leiden.
Het hof heeft in zijn arrest bij de weergave van het standpunt van de verdediging het volgende overwogen:
“De verklaring van [betrokkene 1] , dat hij na de bestuurswissel met [betrokkene 2] in [A] geen betrokkenheid meer heeft gehad bij [A] , en de verklaring van [betrokkene 2] , dat [A] van [verdachte] was en dat [verdachte] feitelijk de beschikking had over de bedrijfsvoering van [A] , zijn aantoonbaar onjuist en daarmee onbetrouwbaar, aldus de verdediging.”
Het hof heeft in de onderhavige zaak niet expliciet gerespondeerd op het betrouwbaarheidsverweer van de verdediging omtrent de verklaringen van [betrokkene 1] . Wat mij betreft is dat niet fataal, nu de weerlegging van het betrouwbaarheidsverweer besloten ligt in de bewijsvoering. Het hof heeft aan de hand van de KvK-inschrijving (bewijsmiddel 18) vastgesteld dat [betrokkene 2] vanaf 11 mei 2015 algemeen directeur was van [A] . [betrokkene 2] heeft ook verklaard dat de verdachte toegang had tot [A] en het allemaal “zijn pakkie aan” was. Ik wijs er in dit verband op dat het hof wel expliciet heeft gereageerd op het betrouwbaarheidsverweer inzake de verklaringen van [betrokkene 2] en in dit verband heeft overwogen dat zijn verklaringen over de rol van de verdachte en [medeverdachte 1] bij [A] steun vinden in ander bewijsmateriaal, terwijl het hof de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 1] over hun gebrek aan betrokkenheid bij [A] ongeloofwaardig heeft geacht. Ik acht dit van belang in verband met het navolgende. Uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] kan worden afgeleid dat zij katvangers waren en geen werkelijke rol van betekenis hadden in [A] . Dit staat haaks op het alternatieve scenario van de verdediging dat [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] het voor het zeggen hadden bij [A] . Als de verklaring van [betrokkene 2] waar is, dan betekent dit dat de verklaring van [betrokkene 1] (in ieder geval voor wat betreft het deel waarin hij zegt geen rol te hebben gehad bij [A] ) ook waar is. De overwegingen van het hof ten aanzien van de verklaringen van [betrokkene 2] zijn dus in feite ook (zij het zijdelings) een respons op het betrouwbaarheidsverweer ten aanzien van de verklaringen van [betrokkene 1] .
Ook heeft het hof vastgesteld dat in de woonplaats van de verdachte geld wordt gestort op de rekening van [A] in de periode dat de verdachte contact heeft gehad met [medeverdachte 3] . Het hof heeft dus onderbouwd waarom het van oordeel is dat de verdachte [A] (namens [medeverdachte 3] ) runde en heeft daarmee ook impliciet de redenen opgegeven waarom het de verklaring van [betrokkene 1] (in ieder geval voor wat betreft hetgeen hij heeft verklaard over zijn bescheiden rol bij [A] ) betrouwbaar acht. Dit alles tezamen is wat mij betreft een voldoende respons op het verweer inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] . Ik wijs er ten overvloede op dat niet op elk deel van het betrouwbaarheidsverweer hoeft te worden ingegaan.
De derde deelklacht
Ten derde is volgens de stellers van het middel – mede in het licht van hetgeen door de verdediging in dit verband is aangevoerd – onbegrijpelijk dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte na 3 juni 2015 vanaf de Nederlandse bankrekening van [A] betalingen heeft verricht. Aangevoerd is immers dat [betrokkene 1] ook na de bestuurderswissel zaaksvoerder van [A] was en in die hoedanigheid bestellingen en betalingen deed van onder meer door [A] geïmporteerde bananen.
Deze klacht hangt samen met de voorgaande deelklacht en faalt om grofweg dezelfde redenen. Dat niet [betrokkene 1] , maar de verdachte de betalingen heeft verricht is een waardering van feitelijke aard die in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Mijns inziens is deze vaststelling – wat er verder ook zij van de stelling dat aan uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] een rol van betekenis heeft gespeeld na de bestuurswisseling – niet onbegrijpelijk gezien de hiervoor genoemde verklaringen van [betrokkene 2] over de rol van de verdachte bij [A] , verdachtes contacten met [medeverdachte 3] en de plek waar de stortingen zijn gedaan. Ik merk in dit verband nog op dat het mailcontact met [betrokkene 5] over de lading bananen die op 28 mei 2015 bij hem zijn binnengekomen, is gelopen via de [medeverdachte 1] . Deze mailt [betrokkene 5] op 28 mei een foto door van kennelijk de lading bananen. Op dat moment straalt de telefoon van de verdachte aan in [plaats] (op de vrachtbrief van de bananen stond [A] uit [plaats] ). [betrokkene 5] mailt de dag erna naar [medeverdachte 1] (met de verdachte in de cc) (bewijsmiddel 18):
“Wij hebben gisteren de eerste vracht bananen binnen gekregen. Op het CMR staat afzender [A] uit [plaats] . Ik vraag jullie hoe hiermee om te gaan. Ik ken de firma [A] niet en zit niet op eventuele problemen te wachten. Kunnen jullie mij in ieder geval een orderbevestiging sturen op naam van [B].”
[medeverdachte 1] reageert diezelfde dag nog (wederom met de verdachte in de cc) (bewijsmiddel 19):
“Goede morgen [betrokkene 5] ,
Helemaal gelijk heb je, echter geen probleem deze keer.
Wij hebben met [A] een overeenkomst dat wel alle vrachten van hun overnemen.
Je zult conform afspraak een factuur ontvangen van [B] .
Groeten [medeverdachte 1]”.
De verdachte had dus net voor de stortingen ook betrokkenheid bij [A] . [betrokkene 1] is op dat moment echter niet in beeld. Ook dit sterkt mijn overtuiging dat het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] op het moment van de stortingen geen rol meer had bij [A] en dat de stortingen zijn gedaan door de verdachte, die samen met [medeverdachte 1] [A] runde, niet onbegrijpelijk is.
De vierde deelklacht
Ten vierde wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat de in juli 2015 door [A] ingevoerde bananen tevens cocaïne bevatten, omdat [J] “naar voren werd geschoven bij juist de lading die cocaïne bevatte” – mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over (kort gezegd) de daadwerkelijke op (fruit)handel gerichte activiteiten van [betrokkene 2] met [J] – niet zonder meer begrijpelijk is.
Deze deelklacht stuit af op hetgeen reeds is overwogen in het kader van de bespreking van de voorgaande deelklachten. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte en [medeverdachte 1] samenwerkten met [medeverdachte 3] en door middel van de bedrijven [A] en [J] een rookgordijn hebben opgetrokken ten behoeve van de invoer van cocaïne en dat zij dus wisten van de invoer.
Dat de verdediging heeft betoogd dat [betrokkene 2] wel degelijk zelfstandig opereerde met [J] stuit af op zijn verklaring waarin hij aangeeft slechts papieren transacties te hebben verricht, hetgeen wordt ondersteund door de vaststelling van het hof dat nergens uit blijkt dat [J] bananen heeft gekocht van leveranciers.
3. Het tweede middel
Het tweede middel bevat de klacht dat het opzet van de verdachte ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ruim 1000 kilo cocaïne niet, althans niet begrijpelijk, uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de merkwaardige gang van zaken rondom het transport kan volgens de stellers van het middel niet het oordeel dragen dat het niet anders kan dat de verdachte moet hebben geweten dat cocaïne werd ingevoerd.
Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezenverklaard dat:
“hij in of omstreeks de periode van 20 december 2015 tot en met 21 december 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (ongeveer) 1015,46 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I”.
Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen (met weglating van verwijzingen):
“3. Feit 5 (zaaksdossier [plaats] )
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden conform de bewezenverklaring van de rechtbank.
Standpunt verdediging
Primair heeft de verdediging, op gronden zoals verwoord in de pleitnota, vrijspraak bepleit voor zowel het onder 5 primair als subsidiair tenlastegelegde, vanwege het ontbreken van opzet bij [verdachte] , ook in voorwaardelijke zin, op de invoer in Nederland van de hoeveelheid cocaïne.
De raadsman heeft hiertoe onder meer – kort samengevat – aangevoerd, dat:
- [verdachte] geen enkele rol heeft gehad in de voorbereiding en uitvoering van het transport
vanuit Costa Rica naar [plaats in Belgie] ;
- de lading ananassap niet voor hem bestemd was;
- hij deze partij niet zou doorverkopen en
- hij pas heel kort voor aankomst van de partij sap is aangezocht met de vraag of hij
een transporteur kende die de lading van [plaats in Belgie] naar Nederland kon brengen.
Deze vaststellingen zijn contra-indicatief voor het bestaan van wetenschap dat er ruim 1.000 kilogram cocaïne Nederland zou worden binnengebracht of maakt in ieder geval dat die wetenschap niet zonder meer kan worden verondersteld, aldus de verdediging.
Subsidiair is vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde medeplegen van de invoer van cocaïne, omdat de rol van [verdachte] in relevante zin uit niets méér bestond dan het (mede) regelen van een transporteur voor de rit van [plaats in Belgie] naar [plaats] . Als het hof meent dat vastgesteld kan worden dat [verdachte] dit deed in de wetenschap dat deze chauffeur cocaïne zou gaan vervoeren, dan is dat volgens de verdediging hooguit een faciliterende bijdrage in de voorbereiding geweest.
Oordeel hof
Het hof volgt hierna deels de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld
Het hof overweegt als volgt.
Opzet
Feiten
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde tot de volgende vaststellingen en oordelen.
Half december 2015 krijgt [verdachte] de opdracht van [medeverdachte 3] om een loods te gaan zoeken in de buurt van [plaats] . [verdachte] moppert daar wat over richting [medeverdachte 1] , want hij wil eerst die andere zooi opruimen.
Desalniettemin gaat [verdachte] op maandag 14 december 2015 aan de slag en schakelt [betrokkene 19] in om hem te helpen een loods én een chauffeur te zoeken.
Er is grote haast bij en de loods wordt snel geregeld op vrijdag 18 december 2015. In het weekend van 19 en 20 december 2015 houden [verdachte] en [betrokkene 19] zich intensief bezig met het coachen en begeleiden van de geregelde chauffeur. De chauffeur rijdt zondag 20 december 2015 met een witte MAN-trekker met een leeg containerchassis vanuit [betrokkene 19] naar [plaats in Belgie] . Aldaar wordt hij opgevangen en begeleid door [betrokkene 11] . De volgende ochtend wordt de chauffeur door [betrokkene 11] naar een parkeerplaats gebracht waar een andere trailer wordt aangekoppeld. De chauffeur vertrekt met een bijrijder en rijdt naar de door [verdachte] gehuurde loods in [plaats] . Onderweg wordt de combinatie opgewacht door [betrokkene 12] en [medeverdachte 3] . Zij rijden daarna de vrachtwagen voorbij.
In [plaats] valt de politie de loods binnen op het moment dat men de oplegger net aan het uitladen is. De complete container is door de scanner gehaald en er werden in twee pallets blokken met opdruk aangetroffen, er zat witte substantie in. Het bleek cocaïne te zijn.
[verdachte] is die middag en dus snel na het aanhouden van de uithalers op de hoogte. [medeverdachte 1] wilde om 10.04 al weten of [verdachte] de chauffeur te pakken had gekregen. Later die middag stuurt [verdachte] [betrokkene 19] naar de loods om foto’s te maken, omdat ‘ze’ dat gevraagd hebben.
Gebruiken namen anderen
[verdachte] en [medeverdachte 1] noemen sommige personen consequent niet bij hun eigen naam, maar gebruiken zelf wel de naam van hun bekende anderen om zelf buiten beeld te blijven, zoals bijvoorbeeld [betrokkene 20] . In een reeks gesprekken van 14 december 2015, die [verdachte] voert omdat men op zoek is naar een loods, wordt [verdachte] op de één op één lijn gebeld die hij gebruikt wanneer hij contact heeft met [betrokkene 19] . Hij wordt gebeld door een [betrokkene 21] . [verdachte] maakt zich bekend als [betrokkene 2] . Hij probeert een afspraak te maken en zegt dat hij ook zijn compagnon wel kan sturen. [betrokkene 21] vraagt wat de naam is van die compagnon. [verdachte] zegt dat die [betrokkene 20] van [U] heet. [verdachte] zegt dat hij hem wel even zal bellen en belt tien minuten later met [betrokkene 19] en vraagt hem of hij de volgende dag even kan gaan kijken. Vier minuten later belt [verdachte] als [betrokkene 2] terug naar [betrokkene 21] en bevestigt de afspraak en de naam [betrokkene 2] . Hij zegt vervolgens dat de eigenaar zelf, [betrokkene 20] , morgen komt kijken.
Inloggegevens e-mail
[verdachte] beschikt over de inloggegevens voor de e-mail van alle bedrijven die hij gebruikt om uit zicht te blijven, onder andere van [U] . In een in zijn laptop aangetroffen notitie verwijderde notitie van 20 juni 2015 met ‘dingen die voor volgende week geregeld moeten worden’ staat onderaan: ‘laptop met telefoonkaart zodat ik overal online ben voor mails alle bedrijven’.
Geen pottenkijkers
[verdachte] en [medeverdachte 1] hechtten er waarde aan dat de locaties waar de goederen zouden worden ontvangen uit het zicht waren. Dit gold ook voor de loods die [betrokkene 19] op 15 december 2015 bezocht in [plaats] voor het transport Ananassap. [verdachte] belt op 15 december 2015 meerdere malen met [betrokkene 19] en wil van hem weten of het druk is bij de loods, waar de ingang is en of er ramen zijn. Desgevraagd geeft [betrokkene 19] aan dat het helemaal afgesloten wordt, potdicht.
Op grond van de bewijsmiddelen kan weliswaar niet vastgesteld worden dat [verdachte] een aandeel heeft gehad in de voorbereiding en de uitvoering van het transport van cocaïne vanuit Costa Rica naar [plaats in Belgie] , maar wel dat hij een aandeel had in het transport van [plaats in Belgie] naar Nederland.
De chauffeur van dat transport heeft verklaard dat hij alleen contact heeft gehad met [betrokkene 19] , maar uit de bewijsmiddelen en dan met name de tapgesprekken blijkt dat [betrokkene 19] steeds voorafgaand aan de contacten met de chauffeur contact en overleg had met [verdachte] , die hem ook instructies gaf.
[verdachte] heeft niet enkel een transporteur geregeld, maar heeft ook een loods gezocht die geschikt was voor het lossen van de lading. Daarom was van belang dat de loods uit zicht moest zijn en dat er niet in gekeken kon worden. [betrokkene 19] gaf via de telefoon aan [verdachte] aan dat de loods potdicht kon. [verdachte] is ook samen met [betrokkene 19] , beiden onder een valse naam, gaan kijken bij de loods.
Gelet op deze merkwaardige gang van zaken, in het bijzonder de instructie en begeleiding van de chauffeur, het gebruik van andermans namen bij het regelen van een loods en het belang dat [verdachte] eraan hecht dat de loods buiten het zicht gelegen is, een en ander in onderling verband en samenhang bezien, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat [verdachte] moet hebben geweten dat er cocaïne werd ingevoerd, mede in het licht van het feit dat [verdachte] en [medeverdachte 1] ook in juli 2015 waren betrokken bij de invoer grote hoeveelheden cocaïne in Nederland, in een door [A] geregelde zending bananen (zie feit 1, zaaksdossier Bananen) en in oktober/november bij het medeplegen van voorbereidingshandelingen om cocaïne in te voeren vanuit Colombia (zie feit 2, zaaksdossier [naam 5] ).
Medeplegen invoer
Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van het onder 5 primair tenlastegelegde is noodzakelijk dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij zijn intellectuele en/of materiële bijdrage aan de totstandkoming van dit feit van voldoende gewicht moet zijn.
Het hof stelt in dit verband vast dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] :
- vanuit [plaats] , heeft gezocht en/of laten zoeken naar een loods in of rond
[plaats] , in opdracht van [medeverdachte 3] ;
- contant geld van [medeverdachte 3] in ontvangst heeft genomen voorafgaand aan het
contant betalen van de loods;
- via [betrokkene 19] een chauffeur heeft geregeld voor het transport van ananassap naar
[plaats] . Hij had [betrokkene 19] in een eerder stadium het bedrijf [U] laten oprichten voor transporten;
- overlegt met [betrokkene 19] over een telefoon en geld voor de chauffeur;
- tijdens het transport via [betrokkene 19] instructies geeft aan de chauffeur;
- via [betrokkene 19] aan de chauffeur doorgeeft waar hij moet stoppen om op ‘die mannen’
te wachten;
- na de aanhouding van de uithalers [betrokkene 19] naar de loods stuurt om foto’s te
maken, omdat ‘ze’ dat gevraagd hebben.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat deze gedragingen bezwaarlijk als slechts faciliterend van aard kunnen worden aangemerkt. Integendeel, alle bovengenoemde gedragingen, in onderling verband en samenhang bezien, zijn te beschouwen als een intellectuele en/of materiële bijdrage aan de onder 5 tenlastegelegde invoer van cocaïne. Het hof acht deze bijdragen van meer dan voldoende gewicht om het medeplegen van die invoer van cocaïne bewezen te verklaren.
Dit betekent dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat [verdachte] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk cocaïne heeft ingevoerd in december 2015.
Het verweer wordt mitsdien verworpen”.
Het hof heeft het opzet van de verdachte afgeleid uit het volgende. De verdachte is op 14 december aan de slag gegaan om namens [medeverdachte 3] een loods te gaan zoeken in de buurt van [plaats] . Hij schakelt hierbij de hulp in van [betrokkene 19] . Samen zijn zij, beide onder een valse naam, bij de loods die uiteindelijk is gehuurd, gaan kijken. Verdachte heeft voor deze bezichtiging aan [betrokkene 19] op 15 december gevraagd of de loods druk is en of deze ramen heeft. [betrokkene 19] heeft daarop geantwoord dat de loods potdicht is (bewijsmiddel 17). Ook heeft de verdachte, weer via [betrokkene 19] , een chauffeur geregeld. Ook op de dag van het transport wordt gesproken over de chauffeur tussen de verdachte en [betrokkene 19] , onder meer over waar hij in [plaats in Belgie] moet zijn. In [plaats in Belgie] wordt de chauffeur opgevangen en begeleid door [betrokkene 11] . De volgende ochtend wordt de chauffeur door [betrokkene 11] naar een parkeerplaats gebracht waar een andere trailer wordt aangekoppeld, waarna de chauffeur met een bijrijder naar de door de verdachte gehuurde loods in [plaats] is gereden. Onderweg werd de combinatie opgewacht door [betrokkene 12] en [medeverdachte 3] , die daarna de vrachtwagen voorbijreden. In [plaats] is de politie de loods binnengevallen op het moment dat men de oplegger net aan het uitladen was. Even na de aanhouding weet de verdachte hiervan en stuurt hij [betrokkene 19] naar de loods om foto’s te maken.
Wat mij betreft, kon het hof verdachtes wetenschap van de cocaïne afleiden uit het voorgaande. Dat het hof daarbij acht heeft geslagen op eerdere drugstransporten waaraan de verdachte heeft geparticipeerd, acht ik niet onbegrijpelijk. Dit is immers redengevend voor de wetenschap van de verdachte dat zijn [medeverdachte 3] , voor wie hij de loods regelde, een partij verdovende middelen wilde invoeren in Nederland. In dit verband wijs ik er voorts op dat van een schakelbewijsconstructie, waarbij de modus operandi overeenkomsten moet vertonen, in de onderhavige zaak geen sprake is, zodat de argumenten die hierop betrekking hebben in de schriftuur geen doel treffen. Ik wijs er in dit verband nog op dat de verdachte in de periode waarin de loods wordt geregeld (op 18 december) – zo blijkt uit bewijsmiddelen 22 en 24 – twee keer een ontmoeting heeft met [medeverdachte 3] . Bij een van die ontmoetingen ontvangt de verdachte vermoedelijk geld in de vorm van coupures van 50 euro.
De overige in de schriftuur genoemde argumenten doen hier niet aan af. Het regelen van een chauffeur en een overslagloods zijn wellicht op zichzelf genomen, zoals de stellers betogen, gebruikelijke handelingen voor de uitvoering van een wegtransport, maar dit betoog gaat eraan voorbij dat in de onderhavige zaak ook een valse naam is gebruikt, de verdachte tussentijds contact heeft gehad met [medeverdachte 3] en vermoedelijk geld van hem heeft ontvangen en dat de verdachte specifiek een loods zoekt waar geen pottenkijkers zullen zijn. Daarnaast heeft de verdachte samen met [betrokkene 19] de chauffeur ongebruikelijk intensief gecoacht.
Het middel faalt.
4. Het derde middel
Het derde middel bevat de klacht dat het onder 8 bewezenverklaarde gewoontewitwassen niet, althans niet begrijpelijk, zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is onder 8 bewezenverklaard dat:
“8.
(zaaksdossier Deklading)
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 7 juni 2016 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, meermalen
geldbedragen, te weten
- 134.950 euro en
- 141.550 euro en
- 28.500 euro en
en hij in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 7 juni 2016 in Nederland en/of Duitsland,
tezamen en in vereniging met anderen, meermalen
een geldbedrag, te weten
- 297.025 euro
heeft omgezet
terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,
en hij, verdachte en zijn mededader(s), van het plegen van dit feit een gewoonte hebben gemaakt.”
Het arrest bevat de volgende bewijsvoering (met weglating van verwijzingen):
“4. Feit 8 (zaaksdossier Deklading)
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal acht in navolging van de rechtbank gedeeltelijk bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 8 tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen, namelijk van een bedrag van € 139.950,- (sub a), van een bedrag van € 141.550,- (sub c), van een bedrag van € 28.500,- (sub d) en van een bedrag van € 297.025,- (sub i) (dus in totaal van een bedrag van € 743.925,-). Van de overige bedragen dient hij volgens de advocaat-generaal te worden vrijgesproken.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich, op de gronden als verwoord in de pleitnota, aangesloten bij de door de rechtbank gegeven deelvrijspraken. Voor de bedragen die de rechtbank wel bewezen heeft geacht, heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Deze gronden komen – zeer kort samengevat – op het volgende neer (hierbij wordt de door de rechtbank gehanteerde alfabetische aanduiding van de geldbedragen overgenomen).
Met betrekking tot het geldbedrag van € 256.950,- (sub a, stortingen Nederlandse rekening [A] ) en het geldbedrag van € 213.050,- (sub b, stortingen Duitse rekening [A] ) heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring van [betrokkene 2] , dat de verdachte over de bankpas van [A] beschikte, onbetrouwbaar is, zodat deze in zoverre niet voor het bewijs kan worden gebruikt.
Voor het overige is er onvoldoende bewijs om de verdachte als (mede)pleger van het storten van deze bedragen aan te kunnen merken.
Ook voor het witwassen van het geldbedrag van € 141.900,- (sub e, stortingen op bankrekening […] ), het geldbedrag van € 78.290,- (sub f, stortingen op bankrekening partner [verdachte] ), het geldbedrag van € 135.300,- (sub g, stortingen op Duitse bankrekening [verdachte] ) en het geldbedrag van € 83.500,- (sub h, stortingen Duitse bankrekening [verdachte] ) is er onvoldoende bewijs.
Voor wat betreft de herkomst van het geldbedrag van € 141.550,- (sub c, stortingen op bankrekening [B] ) heeft de verdachte een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven.
Ter zake van het geldbedrag van € 30.900,- (sub d, stortingen op bankrekening [J] ) en het geldbedrag van € 297.025,- (sub i, stortingen op bankrekening [medeverdachte 2] ) is het kennelijk de bedoeling van de steller van de tenlastelegging om de verdachte te verwijten dat hij die bedragen heeft omgezet door deze af te storten. De verdachte heeft daaraan echter niet een bijdrage van zodanig gewicht geleverd dat hij als medepleger hiervan kan worden aangemerkt. Subsidiair ontbrak het de verdachte aan de vereiste wetenschap over de (mogelijk) criminele herkomst van het geld, aldus de verdediging.
Oordeel hof
Het hof volgt hierna gedeeltelijk de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld.
‘Afkomstig uit enig misdrijf’
Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende juridische kader voorop.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Voor het bewijs van een vermoeden van witwassen kan onder meer gebruik worden gemaakt van feiten van algemene bekendheid en zogenaamde witwastypologieën. Dit zijn min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring heeft geleerd, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. De Financial Intelligence Unit (FIU) Nederland heeft deze feiten van algemene bekendheid, typologieën en andere indicatoren met betrekking tot witwassen in kaart gebracht.
Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.1.-2.4.).
In dit geval is naar het oordeel van het hof op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband te leggen met een bepaald misdrijf. Dit maakt dat het hof – gelet op het hiervóór vooropgestelde beoordelingskader – om te kunnen komen tot bewezenverklaring van (medeplegen van) (gewoonte)witwassen eerst dient te beoordelen of de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof begrijpt dat de steller van de tenlastelegging als feitelijke witwashandeling telkens het storten van het desbetreffende geldbedrag op de desbetreffende bankrekening op het oog heeft (omzetten).
Bij de beoordeling van het feit zal het hof in navolging van de rechtbank een onderscheid maken tussen de verschillende in de tenlastelegging genoemde geldbedragen. Bij ieder geldbedrag zal het hof het hiervóór geschetste beoordelingskader toepassen. Bij de beantwoording van de vraag of de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is en de vraag of de verdachte daarvan wetenschap had, neemt het hof mede in ogenschouw dat uit de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 5 en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen blijkt dat de verdachte betrokken was bij het invoeren van grote hoeveelheden cocaïne en bij het voorbereiden daarvan. Het is een feit van algemene bekendheid, dat er bij de grootschalige handel in cocaïne doorgaans grote sommen contant geld worden verdiend. Een deel van deze gelden zal, zo mag worden aangenomen, weer worden aangewend ten behoeve van de aankoop van nieuwe hoeveelheden harddrugs. Voor zover kan worden bewezen dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan de stortingen heeft gehad, geldt tegen de achtergrond van het voorgaande dat indien hij voorts voor de legale herkomst van deze geldbedragen geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring kan geven, ook het voor bewezenverklaring van witwassen vereiste opzet aanwezig wordt geacht.
a. het geldbedrag van € 256.950,-
Dit bedrag is kennelijk een optelsom van 23 stortingen van contant geld op de Nederlandse rekening van [A] B.V. bij de ING-bank met [rekeningnummer 15] in de periode van 11 december 2014 tot en met 3 juli 2015. De gestorte bedragen lopen uiteen van minimaal (vrijwel) € 1.000,- tot maximaal € 15.000,- per keer. Deze stortingen op zich, in het bijzonder meewegend de hoogte van de afzonderlijke bedragen en het totaalbedrag, in samenhang met de (relatief korte) periode waarin de stortingen hebben plaatsgevonden, mede in het licht van het feit dat de verdachte betrokken was bij de grootschalige invoer van cocaïne, leveren naar het oordeel van het hof een vermoeden op dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof wijst daarbij nog op het feit van algemene bekendheid dat het (in dit geval: voorafgaand aan de stortingen) vervoeren van grote contante geldbedragen aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengt.
Voor wat betreft de vraag of [verdachte] strafbaar betrokken is bij deze stortingen overweegt het hof als volgt.
Uit het dossier kan worden afgeleid dat de stortingen tot en met de storting op 7 mei 2015 plaatsvonden bij banken in de provincie Limburg. Verder blijkt dat [betrokkene 2] op 11 mei 2015 is ingeschreven als bestuurder van [A] B.V. Het hof gaat er daarom en op grond van de door het hof bij het onder 1 tenlastegelegde gebezigde bewijsmiddelen van uit dat ook de betrokkenheid van [verdachte] bij deze vennootschap en de daarbij behorende bankrekening is aangevangen op of omstreeks 11 mei 2015. Gelet hierop acht het hof onvoldoende bewijs aanwezig voor de betrokkenheid van [verdachte] , als pleger of als medepleger, bij de stortingen die hebben plaatsgevonden tot en met 7 mei 2015, in totaal € 122.000,- bedragend. Voor zover het tenlastegelegde betrekking heeft op dit bedrag zal [verdachte] dan ook worden vrijgesproken.
Voor wat betreft de stortingen die hebben plaatsgevonden vanaf 3 juni 2015, zijnde de eerstvolgende storting na die op 7 mei 2015, is het hof van oordeel, mede onder verwijzing naar hetgeen in de voorgaande alinea over de betrokkenheid van [verdachte] al is overwogen en naar de met betrekking tot het onder 1 ten laste van [verdachte] bewezenverklaarde gebezigde bewijsmiddelen, dat hier wel sprake is van strafbare betrokkenheid van [verdachte] .
Het hof voegt daar voor het bewijs aan toe de locaties van deze stortingen, te weten (voor zover bekend en redengevend) [plaats] (5x), [plaats] (1x), [plaats] (2x) en [plaats] (3x). [plaats] was de woonplaats van [verdachte] , [plaats] en [plaats] zijn – zo is van algemene bekendheid – nabij [plaats] gelegen dorpen en in [plaats] kwam [verdachte] ook met enige regelmaat en was een kantoor van [B] gevestigd, waar [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] werkzaam waren. Het hof bezigt voorts voor het bewijs de verklaring van [betrokkene 2] , voor zover inhoudende dat [betrokkene 2] geen transacties voor [A] B.V. heeft uitgevoerd, maar [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) zich bezig heeft gehouden met de import van bananen via deze vennootschap, alsmede dat [verdachte] de bankpassen van [A] B.V. in beheer had of daar toegang toe had. Het hof gaat er daarbij, zo wordt ten overvloede overwogen, van uit dat de gestorte bedragen geheel of gedeeltelijk zijn gebruikt ten behoeve van de aankoop van partijen bananen, waarbij het hof erop wijst dat telkens nadat een storting of reeks van stortingen heeft plaatsgevonden, dezelfde dag of een tot enkele dagen later een betaling wordt gedaan aan [L] , een leverancier van bananen. Uit niets blijkt voorts dat [verdachte] vanaf 3 juni 2015 de beschikking over de desbetreffende bankrekening, al dan niet tijdelijk en al dan niet voor het storten van contante bedragen, heeft overgedragen aan een ander of anderen. Op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden, bijeengenomen, komt het hof tot de conclusie dat [verdachte] zelf de stortingen heeft verricht.
Het ligt daarom op de weg van [verdachte] om over de (legale) herkomst van de geldbedragen zoals gestort vanaf 3 juni 2015 een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te verschaffen. Volgens [verdachte] betreft het inkomsten uit de verkoop van de inventaris van zijn toenmalige café-restaurant, de verkoop van een auto en de ontvangsten van onderhandse leningen in de jaren ‘vlak voorafgaand’ aan de tenlastegelegde periode. Het hof acht deze niet onderbouwde verklaringen niet concreet en verifieerbaar in de hiervóór bedoelde zin en overweegt daartoe als volgt.
Voor wat betreft de gestelde verkoop van de inventaris en de auto geldt dat [verdachte] heeft verzuimd om concreet aan te duiden wanneer en van wie hij deze inkomsten heeft genoten en bovendien op welke wijze het ontvangen bedrag voor de inventaris is ontvangen.
Voor wat betreft onderhandse leningen heeft [verdachte] in zijn verklaringen concreet gesproken over een (terugbetaling van de) lening van [verdachte] en [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] en over een lening van [betrokkene 22] aan [verdachte] . Voor zover [verdachte] ter verklaring van de herkomst van de gestorte geldbedragen heeft willen verwijzen naar deze twee leningen overweegt het hof als volgt.
Voor wat betreft de terugbetaling door [medeverdachte 2] stelt het hof aan de hand van telefoongesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] vast dat dit bedrag op 3 juli 2015, de datum van de laatste storting, nog niet was geleend en dus zeker nog niet was terugbetaald door [medeverdachte 2] . Deze lening kan dan ook niet dienen als verklaring in de hier bedoelde zin voor de herkomst van de gestorte bedragen.
Het hof acht de verklaring dat [betrokkene 23] aan [verdachte] een lening heeft verstrekt niet geloofwaardig en zal daaraan bij de beoordeling van dit feit voorbijgaan. De verklaringen van [betrokkene 23] en [verdachte] zijn tegenstrijdig in die zin dat [betrokkene 23] heeft verklaard dat hij wel wat geïnvesteerd heeft maar daar verder niets naders over wil verklaren en [verdachte] in zijn schriftelijke verklaring heeft opgeschreven dat het onzin is dat rechercheurs denken dat vreemden zijn bedrijf zouden hebben gefinancierd. Het hof leidt hieruit af dat dat [verdachte] met zoveel woorden ontkent dat er geïnvesteerd zou zijn in zijn bedrijf. Hij spreekt ook niet over een lening. Dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] geld heeft geleend van [betrokkene 23] voor de aankoop van een partij glycerine, staat hier dan weer haaks op en maakt het geheel nog minder geloofwaardig. Daar komt bij dat er in telefoongesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] veel gesproken wordt over betalingen die door [betrokkene 22] moeten worden gedaan voor allerhande praktische zaken, maar daarbij wordt geen enkele maal gerept van of gerefereerd aan geleend of geïnvesteerd geld.
Het hof komt daarom tot de conclusie dat de door [verdachte] gegeven verklaring over de herkomst van deze gestorte bedragen geen concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de legale herkomst van de desbetreffende geldbedragen vormt.
De verdediging heeft gesteld dat de verklaring van [betrokkene 2] , dat [verdachte] over de bankpas van [A] beschikte, onbetrouwbaar is, zodat deze in zoverre niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Het hof volgt de verdediging niet in deze stelling. De verklaring van [betrokkene 2] , dat [verdachte] over de bankpas van [A] beschikte, sluit aan bij hetgeen hij verder heeft verklaard over de rol van [verdachte] en [medeverdachte 1] bij [A] , namelijk dat [A] van [verdachte] was, dat [verdachte] en [medeverdachte 1] hem er ‘director’ van hadden gemaakt en dat [verdachte] en [medeverdachte 1] samen de partijen in [plaats] afhandelden. Deze verklaring van [betrokkene 2] vindt steun vindt in de bevindingen en de verklaring van [betrokkene 5] als hiervóór besproken in de bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1 (zaaksdossier Bananen). Het hof heeft dan ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van [betrokkene 2] en diens verklaringen, voor zover voor het bewijs gebruikt, te twijfelen.
Gelet op het voorgaande, acht het hof het witwassen van een geldbedrag van € 134.950,- bewezen op de wijze als hiervóór onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ is vermeld. Van het witwassen van het overige gedeelte van het tenlastegelegde totaalbedrag van € 256.950,- zal de verdachte worden vrijgesproken.
b. het geldbedrag van € 213.050,-
Het hof heeft in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende bewijs aangetroffen dat [verdachte] zich met betrekking tot dit tenlastegelegde geldbedrag schuldig heeft gemaakt aan het plegen van witwashandelingen als tenlastegelegd. Het hof overweegt daarbij nog nader dat niet afdoende aannemelijk is geworden dat [verdachte] kon beschikken over (de tegoeden op) deze bankrekening. Het hof acht evenmin bewijs aanwezig dat [verdachte] een zodanige materiële en/of intellectuele bijdrage aan het witwassen van de tenlastegelegde geldbedragen heeft geleverd, dat dit bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen kan rechtvaardigen.
Het hof zal [verdachte] daarom vrijspreken van het onder 8 tenlastegelegde voor zover betrekking hebbend op dit geldbedrag.
c. het geldbedrag van € 141.550,-
Dit bedrag is kennelijk een optelsom van 17 stortingen van contant geld op de rekening van [B] B.V. ( [B] ) bij de ABN-AMRO Bank met [rekeningnummer 1] in de periode van 4 december 2014 tot en met 3 juni 2016. De gestorte bedragen lopen uiteen van één maal € 1.000,- tot één maal € 24.000,-. Deze stortingen op zich, in het bijzonder meewegend de hoogte van de afzonderlijke bedragen en het totaalbedrag, in samenhang met de (relatief korte) periode waarin stortingen hebben plaatsgevonden en het feit dat bij acht van de stortingen het onder meer ging om coupures van 500 euro, mede in het licht van het feit dat de verdachte betrokken was bij de grootschalige invoer van cocaïne, leveren naar het oordeel van het hof een vermoeden op dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof wijst er daarbij nog op dat het gemiddelde bedrag dat wordt gestort ruim € 8.300,- bedraagt en dat er twee periodes van telkens ongeveer viereneenhalve maand zijn geweest waarin in het geheel geen stortingen hebben plaatsgevonden. Het hof wijst voorts ook hier op het feit van algemene bekendheid dat het (in dit geval: voorafgaand aan de stortingen) vervoeren van grote contante geldbedragen aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengt.
Voor wat betreft de vraag of [verdachte] strafbaar betrokken is bij deze stortingen overweegt het hof als volgt.
[verdachte] was vanaf 23 februari 2015 bestuurder van [B] . Niet gesteld of anderszins aannemelijk is geworden dat de bevoegdheid als bestuurder van de B.V. op enigerlei wijze was beperkt. Als bestuurder is [verdachte] beschikkingsbevoegd met betrekking tot eigendommen van [B] , waaronder tegoeden op de desbetreffende bankrekening op naam van [B] . [verdachte] was eind 2014 ook oprichter van [B] en hij had deze B.V. voor de verkoop in Nederland. [verdachte] noemt [B] ook wel ‘mijn eigen bedrijf’. Het hof begrijpt daaruit dat [verdachte] vanaf de oprichting tot 23 februari 2015 feitelijk de leiding had binnen [B] . Verder betreft de plaats waar deze stortingen hebben plaatsgevonden telkens (dezelfde geldautomaat in) [plaats] . [plaats] is de woonplaats van [verdachte] . Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, brengt het hof tot het oordeel dat [verdachte] deze stortingen heeft verricht. [verdachte] heeft overigens, maar dat ten overvloede, ten aanzien van deze stortingen ook niet uitdrukkelijk ontkend deze te hebben verricht.
Het ligt daarom op de weg van [verdachte] om over de (legale) herkomst van de geldbedragen een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te verschaffen. [verdachte] verwijst ter verklaring van de herkomst van de gestorte geldbedragen naar dezelfde bronnen als hiervóór genoemd met betrekking tot het geldbedrag van € 256.950,-.
Voor wat betreft de stortingen die hebben plaatsgevonden tot en met 23 november 2015, in totaal € 45.300,- belopend, volstaat de verwijzing naar hetgeen door het hof is overwogen bij dit bedrag van € 256.950,- om te oordelen dat [verdachte] ook voor deze stortingen geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring in de hiervóór bedoelde zin heeft afgelegd. De verklaring van [verdachte] over de inkomsten uit de verkoop van een auto en inventaris zijn ook voor de overige stortingen op dezelfde gronden niet een concrete en verifieerbare verklaring te achten.
Voor wat betreft de terugbetaling van een lening aan [medeverdachte 2] overweegt het hof in aanvulling op hetgeen het daarover hiervóór al heeft overwogen, dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in ieder geval niet kan worden vastgesteld dat deze lening voorafgaand aan februari 2016 is terugbetaald. Voor zover uit het telefoongesprek op 17 februari 2016 reeds zou moeten worden begrepen dat [medeverdachte 2] toen tot terugbetaling is overgegaan, overweegt het hof voorts dat dit geen verklaring in de hier bedoelde zin kan opleveren van de legale herkomst van de contante geldbedragen. Het hof wijst er daarbij op dat [verdachte] niets heeft verklaard over de bron waaruit [medeverdachte 2] dit geldbedrag heeft verkregen en dat dit geldbedrag voor wat betreft de stortingen op 15 en 17 februari 2016 heeft bestaan uit – in het legale handelsverkeer niet gangbare – coupures van 200 en 500 euro. Voor wat betreft de door [verdachte] gestelde lening van [betrokkene 22] overweegt het hof dat zelfs als van de juistheid van die stelling wordt uitgegaan en die lening al in december 2015 (geheel) aan [verdachte] zou zijn verstrekt, dit geen verklaring oplevert die het vermoeden ontkracht dat de desbetreffende bedragen van misdrijf afkomstig zijn. In dat geval heeft [verdachte] immers van een persoon die hij niet goed kent een groot geldbedrag, volgens eigen zeggen in ieder geval in de orde van grootte van meerdere tienduizenden euro’s, in contanten aangenomen. [verdachte] heeft voorts geen verklaring afgelegd over waar [betrokkene 22] dit geldbedrag vandaan heeft. Dit terwijl het geldbedrag kennelijk contant aan [verdachte] ter beschikking is gesteld en dit bedrag, afgaande op het overzicht van de onderhavige stortingen, onder meer uit coupures van € 500,- zal hebben bestaan.
Gelet op het voorgaande, acht het hof het witwassen van een geldbedrag van € 141.550,- bewezen op de wijze als hiervóór onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ is vermeld.
d. het geldbedrag van € 30.900,-
Dit bedrag is kennelijk een optelsom van tien stortingen van contant geld op de Nederlandse bankrekening van Handelsonderneming [J] bij de ING-bank met [rekeningnummer 2] in de periode van 17 juli 2015 tot en met 26 oktober 2015. Met betrekking tot zeven van de tien stortingen, voor bedragen van € 10,- tot € 250,- en eenmaal € 1.650,-, is het hof van oordeel dat deze geen vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Deze stortingen, tot een totaalbedrag van € 2.400,-, kunnen daarmee niet worden aangemerkt als witwassen, zodat [verdachte] in zoverre van het onder 8 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.
Met betrekking tot de resterende drie stortingen, voor bedragen van respectievelijk €11.500,-, € 4.500,- en € 12.500,-, heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij deze stortingen heeft verricht in opdracht van en na ontvangst van de desbetreffende geldbedragen van [verdachte] , dat [verdachte] hem niets heeft verteld over de herkomst van de geldbedragen en dat hij de stortingsbewijzen daarna aan [verdachte] heeft afgegeven. Deze verklaring acht het hof betrouwbaar, waarbij het hof als herhaald en ingelast acht hetgeen het hiervóór heeft overwogen met betrekking tot de betrouwbaarheid van [betrokkene 2] en zijn verklaringen, voor zover die voor het bewijs zijn gebruikt. Deze stortingen op zich, in het bijzonder meewegend de hoogte van de afzonderlijke bedragen en het totaalbedrag, in samenhang met de (relatief korte) periode waarin de stortingen hebben plaatsgevonden, mede in het licht van het feit dat de verdachte betrokken was bij de grootschalige invoer van cocaïne, leveren naar het oordeel van het hof een vermoeden op dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof wijst daarbij nog op het feit van algemene bekendheid dat het (in dit geval: voorafgaand aan de stortingen) vervoeren van grote contante geldbedragen aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengt.
Voor wat betreft de storting van € 11.500,- op 17 juli 2015 en de betrokkenheid van [verdachte] hierbij bezigt het hof voorts als bewijsmiddel de inhoud van het volgende telefoongesprek:
Datum: 21-08-2015 te 9:13 uur
[verdachte] (sh) belt uit met [medeverdachte 1] (sh)
[verdachte] : Ik neem dat dinsdag wel mee en dan geef ik dat wel aan hem. Want dat was min min die twee en een half was dat.
[medeverdachte 1] : Ja, dat is dus elf en een half min twee en een half is negen.
[verdachte] : Ja, ik weet niet wat ie gestort heb, twaalf en een half gestort toch, of elf en een half?
[medeverdachte 1] : Nee, elf een half, elf een half min twee een half is negen. [betrokkene 2] heb precies bijgehouden.
Voor wat betreft de storting van € 12.500,- op 19 oktober 2015 en de betrokkenheid van [verdachte] hierbij heeft het hof acht geslagen op een handgeschreven verklaring van [verdachte] , voor zover inhoudende dat [betrokkene 2] ( [J] ) geld voor de aankoop van meubels is gaan halen in [plaats in Belgie] en dat geld toen op zijn bankrekening is gestort. Daarnaast gebruikt het hof in dit verband als bewijsmiddel de verklaring van [betrokkene 2] , voor zover inhoudende dat hij op 18 oktober 2015 in [plaats in Belgie] op straat van een voor hem onbekende man een envelop met contant geld heeft ontvangen en dat hij deze envelop met inhoud de volgende dag op kantoor aan [medeverdachte 1] en [verdachte] heeft gegeven, die het geld hebben geteld. Het hof begrijpt uit deze laatste twee bewijsmiddelen, dat het contante geldbedrag dat [betrokkene 2] in [plaats in Belgie] heeft opgehaald in elk geval gedeeltelijk een dag later door [betrokkene 2] , na ontvangst van [verdachte] , is gestort op de desbetreffende bankrekening van [J] .
Het ligt gelet op het voorgaande op de weg van [verdachte] om over de (legale) herkomst van de geldbedragen van € 11.500,-, € 4.500,- en € 12.500,- een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te verschaffen. [verdachte] heeft, zo begrijpt het hof, primair ontkend dat hij deze stortingen heeft verricht en subsidiair verwezen naar de door hem voor de herkomst van de bedragen gegeven verklaring bij het bedrag van € 256.950,-.
Het hof stelt op grond van het daarvan opgemaakte overzicht vast dat de drie desbetreffende stortingen hebben plaatsgevonden op 17 juli 2015, 7 augustus 2015 en 19 oktober 2015. Gelet hierop valt de verklaring van [verdachte] niet aan te merken als concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring in de hier bedoelde zin op dezelfde gronden als hiervoor gegeven bij de beoordeling van het bedrag van € 256.950,-.
Gelet op het voorgaande, acht het hof het witwassen van een geldbedrag van € 28.500,- bewezen op de wijze als hiervóór onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ is vermeld. Van het witwassen van het overige gedeelte van het tenlastegelegde totaalbedrag van € 30.900,- zal de verdachte worden vrijgesproken.
e. het geldbedrag van € 141.900,-
Het hof stelt aan de hand van het desbetreffende overzicht vast dat de stortingen waar het hier om gaat alle in Duitsland hebben plaatsgevonden op een Duitse bankrekening. Daar werd het geld omgezet en op die manier witgewassen. Duitsland is echter niet als pleegplaats opgenomen voor wat betreft dit geldbedrag (het hof verwijst hier naar hetgeen het hiervóór heeft overwogen onder het kopje ‘Tenlastelegging’ met betrekking tot de door de advocaat-generaal gevorderde wijziging van de tenlastelegging).
Daarom zal het hof de verdachte vrijspreken van het witwassen van dit geldbedrag.
f. het geldbedrag van € 78.290,-
Het hof heeft in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen bewijs aangetroffen dat [verdachte] zich met betrekking tot dit tenlastegelegde geldbedrag schuldig heeft gemaakt aan het plegen van witwashandelingen als tenlastegelegd. Het hof overweegt daarbij nog nader dat niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] kon beschikken over (de tegoeden op) deze bankrekening van Lindsy [betrokkene 3] . Het hof acht evenmin bewijs aanwezig dat [verdachte] een zodanige materiële en/of intellectuele bijdrage aan het witwassen van dit geldbedrag heeft geleverd, dat dit bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen kan rechtvaardigen. Daarnaast heeft – gelet op het overzicht op pagina 235 van het deeldossier Deklading – slechts een gedeelte van de desbetreffende stortingen (tot een totaalbedrag van € 17.290) plaatsgevonden binnen de tenlastegelegde periode.
Het hof zal [verdachte] al met al dan ook vrijspreken van het onder 8 tenlastegelegde voor zover betrekking hebbend op dit geldbedrag.
g. het geldbedrag van € 135.300,-
Het hof stelt aan de hand van het overzicht op pagina 284 en 285 van het deeldossier Deklading vast dat de stortingen op de desbetreffende bankrekening hebben plaatsgevonden in de periode van 15 augustus 2013 tot en met 28 februari 2014. De stortingen vallen daarmee alle buiten de tenlastegelegde periode.
Reeds hierom zal het hof [verdachte] vrijspreken van het onder 8 tenlastegelegde voor zover betrekking hebbend op dit geldbedrag.
h. het geldbedrag van € 83.500,-
Het hof stelt aan de hand van het desbetreffende overzicht vast dat de desbetreffende stortingen alle hebben plaatsgevonden bij een geldautomaat op een Duitse bankrekening. Het hof gaat er daarmee van uit dat de stortingen ook in Duitsland hebben plaatsgevonden. Duitsland is echter niet als pleegplaats opgenomen voor wat betreft dit geldbedrag (het hof verwijst hier naar hetgeen het hiervóór heeft overwogen onder het kopje ‘Tenlastelegging’ met betrekking tot de door de advocaat-generaal gevorderde wijziging van de tenlastelegging) Het hof is niets bekend over de locatie van de stortingen en over wie de stortingen heeft gedaan. Hierdoor ontbreekt ook bewijs voor het door iemand (mede) in Nederland leveren van een materiële of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan het witwassen van dit bedrag of een gedeelte daarvan.
Het hof kan reeds hierom dan ook niet anders dan [verdachte] vrijspreken van het onder 8 tenlastegelegde voor zover betrekking hebbend op dit geldbedrag.
i. het geldbedrag van € 297.025,-
Dit bedrag is kennelijk een optelsom van 13 stortingen van contant geld op de Duitse bankrekening van [medeverdachte 2] bij de Sparkasse [plaats in Duitsland] met [rekeningnummer 16] in de periode van 12 juni 2015 tot en met 21 augustus 2015. De gestorte bedragen lopen uiteen van één maal € 8.900,- tot één maal € 42.700,-. Deze stortingen op zich, in het bijzonder meewegend de hoogte van de afzonderlijke bedragen en het totaalbedrag, in samenhang met de (relatief korte) periode waarin stortingen hebben plaatsgevonden, mede in het licht van het feit dat de verdachte betrokken was bij de grootschalige invoer van cocaïne, leveren naar het oordeel van het hof een vermoeden op dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof wijst er daarbij nog op dat het gemiddelde bedrag dat wordt gestort ruim € 22.800,- bedraagt. Het hof wijst voorts ook hier op het feit van algemene bekendheid dat het (in dit geval: voorafgaand aan de stortingen) vervoeren van grote contante geldbedragen aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengt.
Voor wat betreft de vraag of [verdachte] strafbaar betrokken is bij deze stortingen overweegt het hof dat [medeverdachte 2] over de stortingen op zijn rekening het volgende heeft verklaard, zakelijk weergegeven en voor zover hier relevant.
U houdt mij voor dat ik op 29 juni 2016 een overboeking van € 14.000,- naar [V] heb gedaan. U vraagt mij wanneer ik de eerste keer concreet van [verdachte] een opdracht heb gekregen of iets in ontvangst heb genomen. Een dag vóór de eerste overboeking die op mijn rekening bij de Sparkasse in [plaats in Duitsland] is te constateren, heb ik de eerste keer geld van [verdachte] ontvangen. Deze ontmoeting heeft in Nederland plaatsgevonden. Voor zover ik weet heeft maar één keer een geldoverhandiging in Duitsland plaatsgevonden. Ik kan niet meer precies zeggen hoe vaak er aansluitend aan de overhandiging van € 14.000,- (het hof begrijpt: aansluitend aan de overhandiging die heeft geleid tot de overboeking van € 14.000,- aan [V] ) nog geldoverhandigingen hebben plaatsgevonden, maar dit zou aan de hand van mijn grote stortingen contant geld op mijn rekening bij de Sparkasse te achterhalen moeten zijn. De hoge bedragen contant geld heb ik altijd van [verdachte] ontvangen.
Uit hetgeen is overwogen met betrekking tot het bewijs van feit 1, zaaksdossier Bananen, blijkt dat [medeverdachte 2] vanaf 12 juni 2015 bedragen van [verdachte] heeft ontvangen en daarna gestort en overgemaakt naar [M] .
Ook is in de overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 1, zaaksdossier Bananen, het medeplegen van de invoer van cocaïne, geconcludeerd dat de bedragen die [medeverdachte 2] van [verdachte] ontving afkomstig waren van [medeverdachte 3] . Zoals hierboven reeds is besproken, betekent dit dat het hof ervan uitgaat dat het geld van misdrijf afkomstig was.
Gelet op het voorgaande, acht het hof het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 297.025,- bewezen, op de wijze als hiervóór onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ is vermeld.
Gewoontewitwassen
Gelet op de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede op het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarin deze zich hebben afgespeeld, acht het hof bewezen dat de verdachte en zijn mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.
Resumé
Het hof komt resumerend voor wat betreft het onder 8 tenlastegelegde tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van € 134.950,- (sub a), een bedrag van € 141.550,- (sub c), een bedrag van € 28.500,- (sub d) en een bedrag van € 297.025,- (sub i) (dus in totaal van een bedrag van € 743.925,-), op de wijze als hiervóór onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ is vermeld.
De met betrekking tot deze bedragen gevoerde bewijsverweren worden verworpen.
Van het witwassen van de overige (delen van) tenlastegelegde geldbedragen zal de verdachte worden vrijgesproken.”
In de eerste plaats wordt door de stellers van het middel betoogd dat het oordeel dat de verdachte na 3 juni 2015 diverse contante stortingen heeft gedaan op de Nederlandse bankrekening van [A] niet zonder meer begrijpelijk is.
Het hof heeft mijns inziens niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de verdachte vanaf 11 mei 2015 betrokkenheid heeft gehad bij [A] en dat de stortingen van na die datum (beginnende op 3 juni 2015) door de verdachte zijn gedaan in of nabij zijn woonplaats. Wat betreft de criminele herkomst van het geld kan ik kort zijn. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de stortingen – gezien de hoogte van de bedragen en het feit dat de verdachte in deze periode betrokken was bij de grootschalige invoer van cocaïne (zie ook de bewijsvoering van feit 1) – vermoedelijk uit misdrijf afkomstig zijn. De klacht dat het hof dit oordeel niet heeft gemotiveerd, mist dan ook feitelijke grondslag. De verdachte heeft geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de herkomst van dit geld. Dat het OM ondanks het uitblijven van een dergelijke verklaring verder onderzoek had moeten doen naar de herkomst van het geld, zoals de stellers van het middel betogen, betwist ik. Degene van wie het geld volgens het hof afkomstig is, is [medeverdachte 3] , de aanstuurder van de drugstransporten. In zo’n geval kan niet van het OM worden verwacht dat nader onderzoek wordt verricht naar de legaliteit van het geld. Daar stuit het argument op af. De klacht faalt dus.
Ten tweede wordt betoogd dat ten aanzien van het door [medeverdachte 2] gestorte bedrag van 297.025 euro niet uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte wist dat dit van misdrijf afkomstig was.
Deze klacht faalt evident. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte samenwerkte met [medeverdachte 3] bij het invoeren van grote hoeveelheden harddrugs. Hierin ligt besloten dat de verdachte wist dat de bedragen die hij kreeg van [medeverdachte 3] afkomstig waren van enig misdrijf. Dit in het arrest besloten liggende oordeel acht ik gezien de vaststellingen van het hof niet onbegrijpelijk.
Het middel faalt.
5. Het vierde middel
Het vierde middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat art. 63 Sr niet van toepassing is in het geval van buitenlandse vonnissen. Volgens de stellers van het middel getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de strafoplegging in het licht van art. 3 kaderbesluit 2008/675 en de uitleg hiervan door het Hof van Justitie onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd. Verder is het hof volgens de stellers van het middel zonder genoegzaam de redenen hiervoor op te geven, afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat in de onderhavige zaak art. 63 Sr naar analogie moet worden toegepast.
Het hof heeft in het kader van de straftoemeting onder meer overwogen:
“Door de raadsman is naar voren gebracht dat het feit dat de verdachte in België een lange gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen straf mitigerend zou moeten werken op de bestraffing in de voorliggende zaak in het licht van artikel 63 Sr. Het hof volgt deze redenering niet. Het hof merkt op dat artikel 63 Sr. niet van toepassing is in het geval van buitenlandse vonnissen. Het feit dat de verdachte in het buitenland eveneens voor soortgelijke feiten is bestraft tot een lange gevangenisstraf duidt erop dat de verdachte niet alleen in Nederland betrokken is bij ernstige drugsfeiten. Dit gegeven leidt naar het oordeel van het hof niet tot strafvermindering in deze zaak. Integendeel, het bevestigt het beeld dat de verdachte zich internationaal bezig houdt met drugsfeiten. Het hof heeft dit aspect derhalve niet in straf verhogende of straf verminderende zin meegenomen bij de beoordeling van de hoogte van de straf.”
Art. 63 Sr (oud) luidde in de periode van 1 februari 2008 tot 1 juli 2026:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
Art. 3 kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (hierna: kaderbesluit 2008/675/JBZ) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Elke lidstaat zorgt ervoor dat in een strafrechtelijke procedure tegen een persoon rekening wordt gehouden met in andere lidstaten tegen de betrokkene uitgesproken, eerdere veroordelingen wegens andere feiten, waarover krachtens de geldende rechtsinstrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand of inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister informatie is verkregen, zulks voor zover in de lidstaat zelf met eerdere veroordelingen rekening wordt gehouden, en dat aan die in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen rechtsgevolgen worden verbonden, gelijkwaardig aan die welke de nationale wetgeving verbindt aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf.
[…]
5. Indien het strafbare feit waarover de nieuwe procedure wordt gevoerd, gepleegd is voordat de eerdere veroordeling is uitgesproken of volledig ten uitvoer is gelegd, hebben de leden 1 en 2 niet tot gevolg dat vereist wordt dat lidstaten hun nationale voorschriften betreffende het opleggen van straffen toepassen, wanneer het toepassen van die voorschriften op in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen voor de rechter een beperking zou inhouden bij het opleggen van een straf in de nieuwe procedure.
De lidstaten zien er evenwel op toe dat eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen door rechters in dergelijke gevallen anderszins in aanmerking kunnen worden genomen.”
Kaderbesluit 2008/67 berust op onder meer de volgende overwegingen:
“(3) Dit kaderbesluit beoogt de lidstaten de minimumverplichting op te leggen rekening te houden met in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen. […]
(4) Sommige lidstaten verbinden gevolgen aan in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen, terwijl in andere lidstaten alleen rekening wordt gehouden met door eigen rechters uitgesproken veroordelingen.
(5) Als grondregel moet gelden dat de lidstaten aan een in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling gevolgen moeten verbinden die gelijkwaardig zijn aan de gevolgen van een nationale veroordeling overeenkomstig het nationale recht, ongeacht of het volgens het nationale recht om feitelijke gevolgen dan wel om procesrechtelijke of materieelrechtelijke gevolgen gaat. Dit kaderbesluit beoogt evenwel niet een harmonisatie tot stand te brengen wat betreft de gevolgen die door de verschillende nationale wetgevingen aan het bestaan van eerdere veroordelingen worden verbonden, en de verplichting om rekening te houden met eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen bestaat alleen voor zover volgens het nationaal recht met eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf rekening wordt gehouden.
(6) In tegenstelling tot andere instrumenten richt dit kaderbesluit zich niet op de tenuitvoerlegging in een bepaalde lidstaat van rechterlijke beslissingen die in andere lidstaten zijn genomen, maar strekt het ertoe dat in het kader van een nieuwe strafrechtelijke procedure in een lidstaat aan eerdere, in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen gevolgen kunnen worden verbonden voor zover volgens het nationale recht van die lidstaat ook aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf gevolgen worden verbonden.
Daarom houdt dit kaderbesluit niet de verplichting in om met deze eerdere veroordelingen rekening te houden wanneer, bijvoorbeeld, de uit hoofde van de toepasselijke instrumenten verkregen informatie niet toereikend is, wanneer in de lidstaat zelf geen veroordeling had kunnen worden uitgesproken met betrekking tot de handeling die tot de eerdere veroordeling heeft geleid of wanneer de eerder opgelegde straf in het eigen rechtsstelsel niet bestaat.
(7) De gevolgen die aan veroordelingen uit andere lidstaten worden verbonden, moeten gelijkwaardig zijn aan de gevolgen die aan nationale veroordelingen verbonden worden, en zulks tijdens de fase die aan het strafproces voorafgaat, tijdens het strafproces zelf en bij de tenuitvoerlegging van het vonnis..
(8) Wanneer tijdens een strafrechtelijke procedure in een lidstaat informatie over een in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordeling beschikbaar is, moet zoveel mogelijk worden vermeden dat de betrokkene minder gunstig wordt behandeld dan indien de eerdere veroordeling een nationale veroordeling was geweest.
(9) Artikel 3, lid 5, dient onder andere in het licht van overweging 8 zodanig te worden geïnterpreteerd dat indien de nationale rechter, op grond van een in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordeling, oordeelt dat een bepaalde strafmaat gezien de omstandigheden van de dader binnen de grenzen van het nationale recht onevenredig hard voor de dader zou zijn en het doel van de sanctie met een lagere straf kan worden bereikt, hij de strafmaat kan verminderen, indien een dergelijke strafmaatvermindering in louter nationale zaken mogelijk zou zijn.
[…]
(13) Dit kaderbesluit laat de verscheidenheid aan nationale oplossingen en procedures die nodig is om rekening te kunnen houden met een eerdere veroordeling in een andere lidstaat, onverlet. […]”.
De implementatie van kaderbesluit 2008/675/JBZ heeft wat betreft het Wetboek van Strafrecht geleid tot wijziging van de artikelen 38m (oplegging ISD), art. 43a (recidive), 43c (vervallen) en 78c (betekenis van een voorafgaande of vroegere veroordeling), maar niet tot een aanpassing van art. 63 Sr. De memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot implementatie van kaderbesluit 2008/675 geeft daarvoor de volgende verklaring:
“De tweede uitzondering op de hoofdregel van het kaderbesluit, neergelegd in artikel 3, vijfde lid, ziet op een voor Nederland relevante situatie. Ook het Nederlandse strafrecht kent een mechanisme dat ertoe strekt dat bij de strafoplegging in een nieuwe strafzaak rekening wordt gehouden met de hoogte van een eerder opgelegde straf. Het gaat om de situatie dat iemand na een vroegere veroordeling wordt berecht voor een feit dat is gepleegd vóór de genoemde vroegere veroordeling. Regels hieromtrent zijn neergelegd in de artikelen 55 tot en met 63 Sr betreffende de samenloop van strafbare feiten. De ratio van deze regeling is de verdachte alsnog het voordeel te bieden dat hij zou hebben gehad wanneer de zaken gelijktijdig waren behandeld. Aldus wordt de al dan niet bewuste keuze van het openbaar ministerie de feiten niet gelijktijdig te vervolgen als het ware achteraf gecorrigeerd. Anders dan bij de Gesamtstrafe het geval is, blijft in het Nederlandse stelsel de eerder opgelegde straf ongewijzigd, maar dient de rechter die eerder opgelegde straf wel te verdisconteren in de nog op te leggen straf. Hij is daarbij gebonden aan het maximum dat zou hebben gegolden wanneer beide feiten gelijktijdig waren berecht. De uitzondering, neergelegd in artikel 3, vijfde lid, van het kaderbesluit strekt ertoe de toepassing van deze samenloopbepalingen te beperken tot vroegere nationale veroordelingen. Gelet op de verschillen in strafklimaat die bestaan tussen de lidstaten van de Europese Unie zou toepassing van deze regeling op vroegere veroordelingen afkomstig uit andere lidstaten tot onredelijke resultaten kunnen leiden (zie ook de conclusie van AG Machielse in HR 31 maart 2009, NJ 2009, 176). Immers, de in een andere lidstaat opgelegde straf kan aanzienlijk hoger uitvallen dan in Nederland voor een vergelijkbaar feit het geval zou zijn geweest omdat bijvoorbeeld de veroordeelde aldaar veel eerder dan in Nederland voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld. Zou de samenloopregeling onverkort van toepassing zijn op eerder in het buitenland opgelegde straffen, dan zou dit ertoe kunnen leiden dat, gelet op de hoogte van de eerder in het buitenland opgelegde straf, er voor de nieuwe zaak geen straf meer over is. De Nederlandse rechter zou in een dergelijk geval moeten volstaan met strafbaarverklaring zonder dat een straf wordt opgelegd. Als gevolg van de uitzondering neergelegd in artikel 3, vijfde lid, van kaderbesluit behoeft artikel 63 Sr, waarin de hierboven bedoelde regeling is neergelegd, niet te worden aangepast.
Het feit dat artikel 63 Sr niet van toepassing is op vroegere veroordelingen afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie, laat overigens onverlet dat de rechter uiteraard wel anderszins rekening kan houden met eerdere veroordeling (artikel 3, vijfde lid, tweede alinea, van het kaderbesluit). Hij behoudt immers de beoordelingsvrijheid om een straf op te leggen die hij, gegeven de omstandigheden van het geval, passend en geboden acht.”
Verder houdt de nota naar aanleiding van het verslag onder meer in:
“Het is juist dat wanneer artikel 63 Sr ook van toepassing zou zijn op vroegere veroordelingen afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie, de Nederlandse rechter beperkt wordt in zijn straftoemetingsvrijheid hetgeen tot een lagere straf zou kunnen leiden dan welke had kunnen worden opgelegd zonder toepassing van artikel 63 Sr. Hierover wil ik graag het volgende opmerken. Artikel 63 Sr heeft betrekking op een zeer specifieke situatie. Het gaat om de situatie waarin een persoon terecht staat voor een feit dat is gepleegd vóórdat hij ter zake van een ander feit is veroordeeld. Artikel 63 Sr bepaalt dat in een dergelijk geval de samenloopbepalingen van toepassing zijn. De ratio achter deze bepaling is dat beide feiten zich voor gelijktijdige berechting hadden geleend in welk geval de rechter de samenloopbepalingen had moeten toepassen. Toepassing van die samenloopbepalingen beoogt de cumulatie van vrijheidsstraffen te beperken en leidt ertoe dat de straftoemetingsvrijheid van de rechter wordt beperkt. De rechter is in een dergelijk geval gebonden aan het strafmaximum dat hij zou hebben kunnen opleggen wanneer beide feiten gelijktijdig zouden zijn berecht. In de conclusie van de AG in de zaak HR 29 november 2005, NJ 2006, 176 (LJN AU2227) wordt duidelijk gesteld dat artikel 63 Sr in beeld komt «als het strafbare feit waarover de rechter zich buigt bij een eerder vonnis had kunnen zijn afgedaan». Uitbreiding van het toepassingsbereik van artikel 63 Sr tot buitenlandse veroordeling zou volledig indruisen tegen de ratio van dit artikel. Immers, de mogelijkheid van gelijktijdige berechting doet zich nu juist niet voor wanneer het ene feit in Nederland is gepleegd en het andere feit in een andere lidstaat. Bovendien zou zich het probleem voordoen dat in het buitenland opgelegde straffen niet noodzakelijkerwijs zijn te vergelijken met in Nederland opgelegde straffen. Nu artikel 63 Sr bepaalt dat de eerder opgelegde straf moet worden verrekend met de in de nieuwe zaak op te leggen straf, zou dit tot een onwenselijke beperking van de mogelijke strafoplegging kunnen leiden. Tegen deze achtergrond is dan ook de uitzondering in artikel 3, vijfde lid, van het kaderbesluit opgenomen die ertoe leidt dat artikel 63 Sr geen aanpassing behoeft.”
Naar het oordeel van de Hoge Raad brengt kaderbesluit 2008/675 niet mee dat dient te worden afgeweken van het uitgangspunt dat art. 63 Sr niet van toepassing is op vroegere buitenlandse veroordelingen, hetgeen in lijn is met de hiervoor weergegeven parlementaire geschiedenis betreffende de wet tot implementatie van kaderbesluit 2008/675. Het lijkt ook in lijn te zijn met de situatie in België. Het oordeel van de Hoge Raad heeft tot gevolg dat de rechter niet gebonden is aan het strafmaximum dat zou gelden op grond van de regels van beperkte cumulatie van vrijheidsstraffen. Het laat echter onverlet dat de rechter gegeven de omstandigheden van het geval tot oplegging van een lagere straf kan komen.
De stellers van het middel erkennen dat de Hoge Raad reeds klare wijn heeft geschonken over dit onderwerp in zijn arresten van 6 maart 2018 en 1 oktober 2019, maar willen de kwestie niettemin opnieuw aan de orde stellen. Zij betogen aan de hand van het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023, waarin prejudiciële vragen van het Duitse Bundesgerichtshof over de uitleg van art. 3 leden 1 en 5 van kaderbesluit 2008/675 zijn beantwoord, dat art. 63 Sr enkel geen toepassing dient te hebben op eerdere veroordelingen opgelegd in andere EU-lidstaten als toepassing daarvan ertoe leidt dat de rechter geen ruimte meer heeft voor het opleggen van een straf. In alle andere gevallen (waar er dus nog wel enige strafruimte is) moet art. 63 Sr worden toegepast.
Het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023 betreft een geval waarin de Duitse rechter werd geconfronteerd met een situatie waarin de gelijkstelling van in Frankrijk tegen de verdachte uitgesproken veroordelingen er naar Duits recht toe zou leiden dat de Duitse rechter weliswaar een straf kon uitspreken wegens het op 10 oktober 2003 in Duitsland begane strafbare feit van bijzonder ernstige verkrachting, waaraan de verdachte schuldig is bevonden, maar waarin de naar Duits recht achteraf vast te stellen totaalstraf niet tegen de verdachte ten uitvoer zou kunnen worden gelegd, omdat de bij die vaststelling in acht te nemen bovengrens van vijftien jaren voor tijdelijke vrijheidsstraffen reeds door een op 29 februari 2008 in Frankrijk uitgesproken veroordeling was bereikt. Het Bundesgerichtshof stelde onder meer de volgende prejudiciële vraag (vertaald naar het Nederlands):
“(1) Kan, gelet op het beginsel van gelijke behandeling van artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/675 en op artikel 3, lid 5, van dit kaderbesluit, in het geval van vaststelling van een totaalstraf wegens veroordelingen in Duitsland en in een andere lidstaat, ook een straf worden opgelegd voor het in Duitsland gepleegde strafbare feit wanneer een fictieve samenvoeging met de in de andere lidstaat opgelegde straf tot gevolg zou kunnen hebben dat de maximumstraf voor tijdelijke vrijheidsstraffen naar Duits recht wordt overschreden?
Het antwoord van het Hof van Justitie op de in 5.10 van deze conclusie weergegeven prejudiciële vraag luidt (vertaald naar het Nederlands):
“1. Artikel 3, leden 1 en 5, van kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie
moet aldus worden uitgelegd dat
een lidstaat in geval van een strafrechtelijke procedure tegen een persoon niet verplicht is aan de veroordelingen die eerder in een andere lidstaat wegens andere feiten tegen die persoon zijn uitgesproken rechtsgevolgen te verbinden die gelijkwaardig zijn aan de rechtsgevolgen van eerdere nationale veroordelingen overeenkomstig de voorschriften van het betrokken nationale recht inzake het vaststellen van totaalstraffen wanneer, ten eerste, het strafbare feit dat aan die procedure ten grondslag ligt is gepleegd voordat die eerdere veroordelingen waren uitgesproken en, ten tweede, de inaanmerkingneming van die eerdere veroordelingen overeenkomstig die nationale wetgeving de nationale rechter bij wie die procedure aanhangig is gemaakt verhindert aan de betrokkene een uitvoerbare straf op te leggen.”
Uit de in het arrest van 12 januari 2023 opgenomen overwegingen van het Hof van Justitie volgt dat op grond van art. 3 lid 5 kaderbesluit 2008/675/JBZ een lidstaat in geval van een strafrechtelijke procedure niet is verplicht aan veroordelingen die eerder in een andere lidstaat wegens andere feiten tegen die persoon zijn uitgesproken rechtsgevolgen te verbinden die gelijkwaardig zijn aan de rechtsvervolgen van eerdere nationale veroordelingen overeenkomstig de voorschriften van het betrokken nationale recht wanneer aan twee voorwaarden wordt voldaan. Ten eerste moet zijn voldaan aan de in art. 3 lid 5, eerste alinea, gestelde voorwaarde met betrekking tot het tijdsaspect (overweging 56): er moet – kort gezegd – sprake zijn van een of meer tussenliggende veroordeling(en). Ten tweede moet sprake zijn van de situatie waarin de rechter wordt beperkt bij het opleggen van een straf voor een strafbaar feit dat op het nationale grondgebied is gepleegd voordat de veroordelingen in een andere lidstaat zijn uitgesproken of ten uitvoer gelegd (overweging 67). In de door de verwijzende Duitse rechter voorgelegde situatie waarin de nationale rechter wordt belet in het hoofdgeding een uitvoerbare straf op te leggen, is daarvan sprake. Indien de uitzondering van art. 3 lid 5 kaderbesluit 2008/675 van toepassing is, ontslaat dit de nationale rechter van de verplichting om aan tussenliggende buitenlandse veroordelingen rechtsgevolgen te verbinden die gelijkwaardig zijn aan die welke aan nationale veroordelingen worden verbonden (overweging 62). Het doel van art. 3 lid 5, eerste alinea, kaderbesluit 2008/675 is juist om de bevoegdheid van de nationale rechter te behouden om in een dergelijk geval een straf op te leggen, met inachtneming van de diversiteit van de strafrechtelijke tradities en strafrechtstelsels van de lidstaten, door hem te ontslaan van de verplichting om eerdere, in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen gelijk te stellen met eerdere nationale veroordelingen, zoals bepaald in art. 3 lid 1 van dit kaderbesluit (overweging 70). In gevallen waarin lidstaten uit hoofde van kaderbesluit 2008/675 niet verplicht zijn met in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen rekening te houden, behouden zij wel de vrijheid om met dergelijke veroordelingen rekening te houden (overweging 71).
Het door de stellers van het middel aangehaalde arrest van het Hof van Justitie betreft de beantwoording van een prejudiciële vraag die specifiek betrekking heeft op de feiten van de betreffende Duitse strafzaak. Het was in die zaak gezien de eerdere veroordeling door de Franse rechter niet meer mogelijk voor de Duitse rechter om een (totaal)straf op te leggen. Het antwoord van het Hof van Justitie moet in dat licht worden bezien. Dit brengt mee dat de voornoemde zinssnede slechts de feiten uit de Duitse zaak reflecteert en dat hieruit niet kan worden afgeleid dat art. 3 lid 5 zo moet worden gelezen dat nationale cumulatieregelingen enkel niet hoeven te worden toegepast als die ertoe leiden dat in het geheel geen straf meer kan worden opgelegd (wat zou betekenen dat in een geval als onderhavige, waarin de rechter bij toepassing van art. 63 Sr op de eerdere Belgische veroordeling weliswaar beperkt wordt in de strafoplegging, maar wel in staat is om een executeerbare gevangenisstraf op te leggen hij gehouden zou zijn art. 63 Sr toe te passen). Dit zou ook strijdig zijn met de formulering van art. 3 lid 5 van het kaderbesluit dat op ondubbelzinnige wijze te kennen geeft dat lidstaten niet verplicht zijn de samenloopregelingen toe te passen op eerdere veroordelingen uit andere lidstaten als dit de rechter zou beperken bij het opleggen van een straf. Ik wijs er verder op dat de Hoge Raad na het arrest van het Hof van Justitie in 2023 reeds een arrest heeft gewezen in een zaak waarin deze kwestie aan de orde werd gesteld. De Hoge Raad deed de zaak op dit punt af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering, nadat mijn toenmalige ambtgenoot Spronken in de toelichting op het middel, waarin werd gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van 23 januari 2023, geen aanleiding zag om aan te nemen dat de Hoge Raad terug zou komen op zijn arrest van 6 maart 2018.
Verder meen ik ook dat het hof voldoende heeft gerespondeerd op het verzoek om art 63 Sr analoog toe te passen. Het hof heeft dit verzoek onder ogen gezien, maar heeft dit niet in strafmatigende zin meegewogen, omdat juist het feit dat de verdachte ook in het buitenland is veroordeeld voor soortgelijke feiten erop duidt dat de verdachte niet alleen in Nederland betrokken is bij ernstige drugsfeiten. Deze motivering vind ik niet onbegrijpelijk, zeker in het licht van de grote mate van vrijheid die de rechter geniet om binnen de wettelijke strafmaxima een naar zijn goeddunken passende straf op te leggen en de vrijheid die kaderbesluit 2008/675/JBZ de rechter in dit geval laat.
De derde deelklacht, die klaagt dat de laatste volzin van art. 3 van het voornoemde Kaderbesluit is geschonden, faalt ook. Deze volzin verplicht de lidstaten slechts de rechter de mogelijkheid te bieden om rekening te houden met eerdere veroordelingen. Gezien de vrijheid die de Nederlandse rechter geniet ten aanzien van de strafoplegging wordt hieraan mijns inziens voldaan. De verwijzing naar een arrest van het Hof van Justitie van 3 juli 2025 in de schriftuur, gaat ook niet op. Deze zaak ging over het in strafverzwarende zin rekening houden met eerdere buitenlandse veroordelingen. Art. 63 valt niet in die categorie, nu dit artikel geen strafverhoging meebrengt.
Al met al zie ik voor het stellen van prejudiciële vragen ook geen aanleiding. Het in deze conclusie besproken arrest van het Hof van Justitie laat wat mij betreft geen twijfel bestaan over de juiste uitleg van de uitzondering als bedoeld in art. 3 lid 5 Kaderbesluit 2008/675/JBZ en dus is naar mijn mening sprake van een acte éclairé.
6. Slotsom
De middelen falen en de eerste drie middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 21 februari 2025, terwijl de verdachte ten tijde van de betekening van de aanzegging in cassatie uit hoofde van de onderhavige zaak was gedetineerd. Nu de overschrijding meer dan een maand zal bedragen, zal dit aanleiding geven tot strafvermindering.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG