PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00711
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 20 februari 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens
- onder 1 primair “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”;
- onder 2 subsidiair “medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict”;
- onder 5 subsidiair “medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, te doen plegen of uit te lokken, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid middelen of inlichtingen te verschaffen en zich of een ander gelegenheid middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict”;
- onder 8 “medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken”;
- onder 9 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;
- onder 10 “medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”;
- onder 11 “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren, met aftrek van het voorarrest. Ook heeft het hof de teruggave gelast van een inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag.
Er bestaat samenhang met de zaak 25/00643 ( [medeverdachte 1] ). In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft C.F. Korvinus, advocaat in Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het eerste middel bevat de klacht dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het middel slaagt. Namens de preventief gedetineerde verdachte is op 21 februari 2025 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 10 oktober 2025 door de Hoge Raad ontvangen. Dit betekent dat de geldende inzendtermijn van zes maanden met ongeveer anderhalve maand is overschreden. Een voortvarende behandeling van het cassatieberoep is niet meer mogelijk. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
Ambtshalve merk ik daarnaast op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Nu de overschrijding meer dan een maand zal bedragen, zal dit eveneens aanleiding geven tot strafvermindering.
3. Het tweede middel
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het onder 1 bewezenverklaarde ontoereikend heeft gemotiveerd.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2015 tot en met 14 juli 2015 op plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3.150 kilogram en ongeveer 628 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I”.
Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen (met weglating van voetnoten):
“1.3. Oordeel hof
[…]
Beoordeling feit 1
Het hof volgt hierna grotendeels de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld.
Feitelijke invoer
Op 7 juli 2015 is door de Belgische douane in de haven van [plaats in Belgie] in een container geladen met bananen een hoeveelheid van 3.597,08 kilo cocaïne aangetroffen. De container was afkomstig van het motorschip [naam 1] , dat vanuit [plaats] (Colombia) via [plaats] (VK) op 6 juli 2015 in [plaats in Belgie] was aangekomen. De container met bananen was bestemd voor [A] B.V., contactpersoon [betrokkene 1] .
Op 14 juli 2015 is door de Belgische douane in de haven van [plaats in Belgie] in een container geladen met bananen een hoeveelheid van 627,65 kilo cocaïne aangetroffen. De container was afkomstig van het motorschip [naam 2] , dat vanuit [plaats] (Colombia) via [plaats] (VK) op 13 juli 2015 in [plaats in Belgie] was aangekomen. De container met bananen was bestemd voor [A] , contactpersoon [betrokkene 1] .
Feit van algemene bekendheid is dat de haven van [plaats in Belgie] voor zeeschepen uitsluitend te bereiken is via het Nederlandse gedeelte van de Westerschelde. Het kan daarom niet anders dan dat de voornoemde twee hoeveelheden cocaïne eerst per schip binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht alvorens het schip met de cocaïne is doorgevaren naar de haven van [plaats in Belgie] . Het hof is daarom met de advocaat-generaal en in navolging van de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde bestanddeel ‘binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht’ bewezen kan worden verklaard. Dat de cocaïne vervolgens Nederland weer heeft verlaten, de vracht in [plaats in Belgie] in beslag is genomen en dus daarna niet (opnieuw) binnen het grondgebied van Nederland is gebracht, doet hieraan niet af. Het feit was toen immers al gepleegd.
Betrokkenheid en wetenschap verdachten
Het hof zal schetsen of en op welke wijze de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] en hun medeverdachten betrokken zijn bij de invoer van de hierboven genoemde cocaïne. Daar waar de verdachten betrokken waren bij de invoer van deze ladingen is hun handelen slechts als misdrijf te bewijzen als zij het opzet hadden op het invoeren van de hoeveelheid cocaïne. Daarvoor is onder meer vereist dat zij moeten hebben geweten van de in de containers aanwezige hoeveelheden cocaïne. Het hof zal hieronder dan ook nader ingaan op de vraag of de verdachten die wetenschap hadden. Zowel de verdachte [medeverdachte 1] als de [verdachte] heeft als verweer gevoerd dat bij hem die wetenschap ontbrak.
Het hof zal in navolging van de rechtbank hieronder benoemen wat het heeft aangetroffen in het dossier en daarbij telkens tussentijds zijn conclusies bespreken.
Begin samenwerking [medeverdachte 1] en [verdachte]
Op 12 november 2014 is [B] B.V. (hierna ook: [B] of [B] B.V.) opgericht, op naam van [betrokkene 2] .
Op 1 november 2014 werd een bankrekening ( [rekeningnummer 1] ) op naam van [B] B.V. geopend bij de ABN AMRO bank.
In de Medion laptop die is aangetroffen bij een zoeking op 7 juni 2016 op de [a-straat 1] te [plaats] (kantoorpand [B] waar [verdachte] werkte) werden Spaanstalige facturen van een Colombiaans bedrijf aangetroffen die zagen op ‘boxes fresh green [naam 3] banana’. Deze facturen dateerden van respectievelijk 15 november 2014, 4 en 12 december 2014 en waren gericht aan [medeverdachte 1] . De bestemming leek – vrij vertaald – de haven van [plaats in Belgie] te zijn.
Passend bij de aantallen zoals genoemd in de facturen van december 2014 zijn er een tweetal Sea Way Bills aangetroffen van [C] , een bedrijf in [plaats] , Colombia, waarin staat vermeld dat er 960 boxes verzonden worden aan [B] B.V. [b-straat 1] [plaats] , met daarbij als contactgegevens: [telefoonnummer 1] [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] .
Passend bij het aantal boxes vermeld op de factuur van 15 november is een certificaat aangetroffen van [C] waarop eveneens [B] staat vermeld.
In dezelfde periode werden er door het bedrijf [A] (waarvoor in oktober en november 2014 nieuwe bankrekeningen en een nieuwe directeur werden geregistreerd) eveneens bananen ontvangen met als afzender [C] . Uit een aantal Sea Way Bills blijkt dat zeker twee van de bovengenoemde vrachten bananen voor [B] B.V. het schip ( [naam 2] en [naam 4] ) gedeeld hebben met de bananen voor [A] .
In [plaats] zijn op respectievelijk 4 december 2014, 24 december 2014 en 2 januari 2015 contante geldbedragen (€ 3.000,00, € 3.000,00 en € 15.000,00) gestort op de bankrekening van [B] .
Er zijn op 6 januari 2015 bananen aangekomen in [plaats] op het adres van [B] B.V.
Op 12 januari 2015 heeft [verdachte] een bedrag overgemaakt naar de bankrekening van [B] B.V. inzake vrachtkosten bananen.
Het hof constateert met de rechtbank dat [medeverdachte 1] vanaf november 2014 bezig is met de aankoop en import van bananen uit Colombia en dat [verdachte] hier sinds in elk geval januari 2015 bij betrokken is. Het hof constateert eveneens dat er een verband bestaat tussen de bananen voor [A] en de bananen voor [B] : ze worden op hetzelfde moment door dezelfde afzender met hetzelfde schip verzonden.
Vanaf het moment dat [verdachte] de betaling heeft verricht is in het dossier zichtbaar dat er naar afnemers van de bananen gezocht wordt. Er lijken zelfs advertenties van bananen op marktplaats gezet te worden. Op 15 januari 2015 stuurt [verdachte] een mail aan [D] over de vraag wat het kost om de bananen vanuit [plaats] in Colombia naar [plaats] te laten vervoeren. Hij vraagt daarna om input aan [medeverdachte 1] : ‘daar jij de verkoper kent.’
Op 10 februari 2015 mailt [verdachte] naar [medeverdachte 1] een interne berekening die niet per ongeluk door gemaild mag worden. Hierin staan kort gezegd de te verwachten opbrengsten en de afsluiting:
‘Niet slecht voor 2 boerenlullen zonder de ballen verstand van Bananen.. die pas 2 maanden bezig zijn.
En dat is nog maar het begin..!!!!!!!!!!!!!!’
Op 16 februari 2015 stuurt [medeverdachte 1] een voorstel naar afnemer [betrokkene 3] waarin hij aankondigt de maanden april, mei en juni drie vrachten bananen per week te kunnen gaan leveren die aankomen in de haven in [plaats in Belgie] . Op diezelfde dag accepteert [betrokkene 4] van [E] het aanbod en worden verdere afspraken gemaakt.
Op 17 februari 2015 wordt door [verdachte] een berekening aan [medeverdachte 1] gestuurd met daarin vermeld de kosten van [betrokkene 5] . Beoogd wordt om hem aan te nemen per 1 mei 2015 met een proefperiode van 6 maanden voor een brutosalaris van 3.500 euro per maand.
Een andere importeur
Het hof constateert dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op dat moment (dus half februari 2015) zeer concrete plannen lijken te hebben voor de invoer van bananen via de haven in [plaats in Belgie] en dat ze daarvoor een werknemer ( [betrokkene 5] ) nodig hebben. [verdachte] heeft verklaard dat de enige bananen die [B] zelf ingevoerd heeft de drie vrachten in december 2014 en januari 2015 betreffen. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt ook dat het qua invoer door [B] daar bij gebleven is. Hij verklaarde dat ze de samenwerking met [betrokkene 6] beëindigden. Dit betekent dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in februari 2015 concrete voorstellen deden over bananen die zij niet zelf in Nederland zouden invoeren. Uit niets blijkt dat zij op dat moment zelf bezig waren met contacten in Zuid-Amerika om zelf transporten naar Nederland te organiseren. Desalniettemin achtten zij zichzelf in staat bananen te verkopen en verwachtten zij wel de aankomst van bananen in [plaats in Belgie] in de maanden april, mei en juni 2015.
Met ingang van 23 februari 2015 worden zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als bestuurder met de titel algemeen directeur van [B] B.V.
[betrokkene 5] heeft nog geen rol bij [B] of één van de andere bedrijven als de eerste bananen binnen moeten komen voor [B]
Op 31 maart 2015 en 1 april 2015 zijn de [betrokkene 1] , de [betrokkene 5] en de [betrokkene 7] ( [telefoonnummer 2] ) bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven geweest. Medewerkers van de Kamer van Koophandel hebben hun bevindingen van deze bezoeken op 31 maart 2015 en die van de volgende dag in een document weergegeven. In dit document staat dat [betrokkene 1] op 31 maart 2015 een bestuurswisseling door wilde geven, maar niet goed genoeg wist waar het over ging en dus weggestuurd werd. In de middag kwam hij terug met [betrokkene 5] en [betrokkene 7] . Het ging om een directiewisseling van [F] B.V. (die een onderneming heeft: [G] ). [betrokkene 5] vroeg of hij nou directeur werd van [G] of van [F] B.V. Hij gaf niet blijk van enige kennis op dit punt en ook niet dat hij werkelijk wist waarvoor hij nou tekende, want toen het was uitgelegd moest hij nog een keer naar de hal om met [betrokkene 7] te overleggen. Het is uiteindelijk niet doorgegaan omdat [betrokkene 5] geen adres in Nederland had.
Op 1 april 2015 kwamen ze weer terug voor een bestuurswisseling van [A] B.V. en [H] . Men liep tegen hetzelfde probleem met het adres aan. Inmiddels was [betrokkene 5] wel naar de gemeente [plaats] geweest om zich in te schrijven, hiervan werd een uittreksel getoond door [betrokkene 7] . Dit was geen uittreksel van een woonadres. Verder speelde met betrekking tot [A] B.V. dat zij bestuurder was van een failliete onderneming en dat daardoor de curator groen licht zou moeten geven voor de wijziging.
Op de middag van 31 maart 2015 zijn zoekslagen gedaan op een computer die is aangetroffen op het woonadres van [verdachte] . Het Export Summary Rapport bevat de volgende zoektermen:
- dinsdag 31 maart 2015 14:16: 30: [A] bv faillissement;
- dinsdag 31 maart 2015 14:19:46: [betrokkene 1] oplichting;
- Last visit: 2015-03-31 T12:16:30 – [F] bv faillissement.
Op 1 april 2015 om 12.02 uur mailt [betrokkene 4] van [betrokkene 3] aan [medeverdachte 1] op [e-mailadres 3] en in cc [verdachte] de vraag of volgende week inderdaad de eerste bananen binnen komen.
Om 12.03 uur antwoordt [verdachte] aan [betrokkene 3] (met in cc [e-mailadres 1] ):
‘Nee, door omstandigheden zouden ze pas volgende week vertrekken. Dit zal dan een miscommunicatie zijn geweest.’
Het bovenstaande betekent dat [verdachte] en [medeverdachte 1] kennelijk een leverancier van bananen hadden waardoor zij op de hoogte gehouden werden, terwijl [betrokkene 5] nog geen rol had bij [B] of enig ander bedrijf.
Ook blijkt uit het bovenstaande dat [verdachte] op 31 maart 2015 op een nauwe manier betrokken was bij de plannen waarin [betrokkene 5] op de voorgrond werd geplaatst, hij voerde op de middag van de bezoeken van [betrokkene 5] aan de KvK achter de computer onderzoek uit naar de informatie die daaruit naar voren kwam.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [B] in april of mei benaderd is door [A] om bananen af te nemen. [verdachte] heeft verklaard dat hij [A] alleen via [betrokkene 8] kende.
Deze verklaringen passen niet bij de handel in bananen in de periode kort na januari 2015. Toen verkocht [B] bananen die zij zelf niet importeerde, en die naar later bleek door [A] werden ingevoerd. Op dat moment speelde [betrokkene 5] nog geen rol en was dus het plan dat [B] zelf de bananen van [A] zou verkopen. Zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] hielden zich hier intensief mee bezig.
Inzet [betrokkene 5]
In februari 2015 kwam [betrokkene 5] als oude bekende weer in contact met [verdachte] . Meteen werden plannen gemaakt om [betrokkene 5] ook aan het werk te zetten.
Duidelijk is dat [medeverdachte 1] en [verdachte] [betrokkene 5] op het spoor van [A] hebben gezet. [A] was op dat moment al in beeld als leverancier van de bananen die [B] wilde verkopen.
Op 11 mei 2015 wordt [betrokkene 5] algemeen directeur van [A] B.V., [betrokkene 1] is dan al sinds 25 november 2014 enig aandeelhouder en bestuurder.
Op 28 mei 2015 arriveren uiteindelijk de eerste door [B] aan [betrokkene 3] verkochte bananen bij [betrokkene 3] . Er ontstaat op 29 mei 2015 bij [betrokkene 3] verwarring over de afzender die op de vrachtbrief (CMR) staat: [A] uit [plaats] . [verdachte] reageert diezelfde ochtend geruststellend: ‘Wij hebben met [A] een overeenkomst dat we alle vrachten van hun overnemen. Je zult conform afspraak een factuur ontvangen van [B] [plaats] . Groeten [verdachte] .’
In het eerste verhoor van [betrokkene 5] , de dag dat hij door de politie was opgehaald van het vliegveld toen hij terugkwam uit Zuid-Afrika, dus zonder dat hij eerst het dossier had gelezen, verklaarde hij dat [A] BV van [medeverdachte 1] was en dat ze ( [medeverdachte 1] en [verdachte] ) hem er director van maakten. Het was een Belg die het verkocht, een klein vies ventje. [medeverdachte 1] had toegang tot [A] .
In zijn tweede verhoor een dag later verklaarde hij dat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen de partijen in [plaats] afhandelden. Hij is nooit in [plaats] geweest. Hij kent een [betrokkene 9] die alles zou regelen met betrekking tot het overzetten van [A] .
Bovendien zijn in de laptop van [medeverdachte 1] de mailgegevens met inlogcodes van [A] en een aantal andere bedrijven aangetroffen. Ook de inloggegevens van beide bankrekeningen van [A] stonden in de laptop van [medeverdachte 1] .
[betrokkene 4] , werkzaam bij [betrokkene 3] , heeft verklaard dat zij nooit zaken hebben gedaan met [A] , maar dat hij die naam wel heeft zien staan op CMR-formulieren.
In mei 2015 bood [verdachte] [het hof begrijpt: [verdachte] ] van [B] hem bananen aan. Hij heeft die afgenomen, maar het viel hem op dat op de CMR-formulieren [A] stond. Omdat hij geen problemen wilde, heeft hij [verdachte] meteen een mail gestuurd. [verdachte] heeft hem in reactie daarop gemaild dat zij (het hof begrijpt: [B] ) een overeenkomst hadden met [A] om alle vrachten van hen over te nemen en dat de factuur betaald kon worden aan [B] . Dat heeft [betrokkene 3] vervolgens ook gedaan.
[verdachte] doet het voorkomen of de bananen werden ingevoerd door [A] en vervolgens werden overgenomen door [B] . Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat [verdachte] en [medeverdachte 1] [A] aanstuurden. Daar komt bij dat uit de stukken, de aangetroffen administratie en overige bescheiden niet naar voren komt dat [A] de bananen heeft geïmporteerd en vervolgens heeft verkocht aan [B] . Er zijn geen koopovereenkomsten of betalingen aangetroffen tussen [A] en [B] . Feit is dat [verdachte] rechtstreeks zaken deed met [betrokkene 4] om de bananen te verkopen nadat ze waren ingevoerd.
De eerste lading bananen die aan [betrokkene 3] was beloofd arriveerde op 28 mei 2015 bij [E] . Deze lading was afkomstig van [A] en kwam vanuit [plaats] .
Uit de historische gegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 1] ) blijkt dat het telefoonnummer zich op 28 mei 2015 tussen 10:15 en 10:56 uur in [plaats] bevond, het heeft masten aangestraald binnen het bereik van de [c-straat 1] aldaar.
Op 28 mei 2015 om 10:41 uur mailt [verdachte] ( [e-mailadres 4] ) aan [betrokkene 4] :
‘Onderwerp: FWD: Foto 1
Beste [betrokkene 4] .
Zoals afgesproken de fotos (4 totaal).
De vrachten, totaal 64 Pallets worden vandaag bij jullie aangeleverd door de firma [I] .
Met vriendelijke groet
[verdachte] .
Ps factuur zorgt [medeverdachte 1] voor namens [B] [plaats] .’
Het hof constateert dat [verdachte] een foto doormailt (FWD) aan de klant op het moment dat de telefoon van [medeverdachte 1] in [plaats] is. Deze bevindingen onderstrepen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de beschikking hebben over de bananen van [A] in [plaats] .
De verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] over de rol van [betrokkene 5] bij [A] en hun betrokkenheid daarbij acht het hof, evenals de rechtbank, gelet op het bovenstaande ongeloofwaardig. De verklaringen van [betrokkene 5] , die worden ondersteund door die van [betrokkene 4] , passen daarentegen wel bij bovenstaande bevindingen.
Op basis van het bovenstaande concludeert het hof met de rechtbank dat [medeverdachte 1] en [verdachte] [betrokkene 5] [A] doelbewust hebben laten overnemen en hem verder buiten alles hebben gehouden. [betrokkene 5] werd slechts op papier bestuurder van [A] maar had er feitelijk niets mee te maken. [medeverdachte 1] daarentegen had toegang tot de mail en bankzaken van [A] .
Tussenconclusie
Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in het voorjaar van 2015 samen een constructie met [A] B.V. hebben opgezet. Hiervoor hebben ze [betrokkene 5] gebruikt, die feitelijk als katvanger fungeerde voor [A] .
Eenmanszaak [J]
Hoewel de beide vrachten met bananen waarin de cocaïne werd gevonden volgens de vrachtbrieven bestemd waren voor [A] B.V., is er een rol voor [J] weggelegd bij het transport van deze bananen met cocaïne. Het hof zal daarom hierna [J] bespreken.
Op 1 juni 2015 wordt [J] gevestigd, dit is op 2 juni 2015 geregistreerd.
In zijn eerste verhoor op 8 juni 2016 heeft [betrokkene 5] verklaard dat hij [J] moest vestigen. Hij moest transacties doen namens [B] en die kocht van [J] . [J] kocht van de leverancier. Volgens [betrokkene 5] ging het om papieren transacties.
In het dossier bevinden zich verschillende versies van een factuur van [J] aan [B] van 8 juni 2015. Deze versies zijn op 7 juni 2016 digitaal aangetroffen op de Medion laptop aan de [a-straat] in [plaats] en op de laptop van [medeverdachte 1] . Verder zijn drie versies van die factuur op papier (waarvan één met opvolgend factuurnummer) aangetroffen in het kantoorpand aan de [d-straat] in [plaats] . De facturen zaten in een grijze ordner met op de ordnerrug: ‘ [B] ( [A] doorgestreept) Betaal Fact 2015’. Deze factuur betreft in alle versies 960 en 2112 ‘boxes [naam 3] (hof: met ‘ […] ’ op het eind) CAT 2’ en heeft telkens als totaalbedrag € 19.880,88.
Per saldo komt het hof in het dossier vier verschillende versies van dezelfde factuur met dezelfde bijzondere schrijfwijze van ‘ [naam 3] ’ tegen in de stukken.
In voornoemde ordner zat ook een factuur van 10 juni 2015 met betrekking tot 2784 ‘boxes [naam 3] CAT 2’. Deze factuur heeft hetzelfde factuurnummer als die met het afwijkende nummer d.d. 8 juni 2015.
Verder zaten er in de ordner twee facturen d.d. 19 juni 2015 en twee d.d. 26 juni 2015 . Alle facturen betreffen [naam 3] / [naam 3] bananen in verschillende hoeveelheden. De factuurnummers lijken niet helemaal te kloppen en op de facturen d.d. 26 juni 2015 is ook handgeschreven dat de factuur niet correct is in verband met de BTW over de commissie.
De facturen van 19 juni 2015 zijn eveneens aangetroffen in de Medion laptop op de [a-straat] . Onder de facturen staat: ‘Met vriendelijke groeten, [betrokkene 10] .’
Uit onderzoek naar de bankrekening van [J] bij de ING
( [rekeningnummer 2] ) blijkt dat deze rekening op 15 april 2015 geopend is door [betrokkene 5] . De betaalpas is aangevraagd op 4 juni 2015.
Op 8 juni 2015 werd door [B] onder vermelding van ‘factuur […] ’ een bedrag van € 19.880,88 overgemaakt aan [J] .
Op 9 juni 2015 werd een bedrag van € 1,00 overgeschreven naar de bankrekening van ‘ […] ’ met [rekeningnummer 3] met als omschrijving: ‘test’.
Op 9 juni 2015 werd ook een bedrag van € 19.113,88 (factuur 2015101) en een bedrag van € 17,00 (restant overbetaling) overgeschreven naar de bankrekening van [A] BV, [rekeningnummer 4] .
Uit dit onderzoek blijkt verder dat er ook op 22 juni 2015 en 26 juni 2015 substantiële bedragen zijn ontvangen door [J] van [B] en zijn doorbetaald door [J] aan [A] BV.
Het hof constateert dat de betalingen van [B] aan [J] min of meer overeenkomen met de hierboven vermelde aangetroffen facturen. Er is niets aangetroffen dat wijst op de aankoop van de bananen door [J] . [J] komt niet voor als geadresseerde of afzender op transportdocumenten, er zijn geen facturen aan [J] en er zijn geen overeenkomsten gevonden tussen [J] en haar leverancier(s) van de bananen.
Op 6 juli 2015, wanneer met [K] wordt gemaild over het inklaren van de door [A] BV aangekochte en aangeleverde vracht, wordt door een [betrokkene 8] (die daarvoor voor zover bekend niet eerder onder die naam gemaild had vanaf het e-mailadres [e-mailadres 5] ) toestemming gegeven om die vracht te laten inklaren voor de firma [J] uit [plaats] .
Deze mail ziet op de vracht die uiteindelijk op 9 juli 2015 in [plaats] aan moest komen en waarin in de haven van [plaats in Belgie] 3.597,08 kilogram cocaïne is aangetroffen.
De mailsessie vanaf 6 juli 2015 met [K] begint met de volgende tekst :
‘Hierbij geef ik u bij deze formeel toestemming om de door [A] BV aangekochte en aangeleverde vracht, te laten inklaren voor de firma [J] uit [plaats] Nederland, met BTW nr. [nummer 1] .
Eea als gevolg van het tijdelijk niet actief zijn van ons eigen BTW nr. buiten onze schuld.
Wij verontschuldigen ons bij u voor de overlast, en vertrouwen erop dat eea op deze wijze is verholpen, en streven ernaar om alles voor volgende week opgelost en geheractiveerd te hebben.
Graag ontvang ik van u een bevestiging dat alles zo in orde is.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 8] .
[A] B.V.
(…)’
Dit is een reactie op een e-mail van [K] waarin [K] aangeeft dat ‘dit geen simpel dossier meer is’ vanwege het inklaren op een ander bedrijf. [K] zal de goederen pas vrijgeven wanneer de betalingen effectief op de rekening van [K] staan.
In telefoongesprekken van 12 augustus 2015 tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] wordt gesproken over deze mailsessie. In het antwoord van [K] wordt gevraagd om een factuur waaruit zou kunnen blijken dat [A] de goederen heeft verkocht aan [J] .
Het hof maakt hieruit op dat [medeverdachte 1] en [verdachte] kennis hebben van het feit dat er in juli 2015 gemaild is door [K] aan [A] over een factuur waaruit kan blijken dat de bananen zijn verkocht door [A] aan [J] . De factuur heeft het hof niet aangetroffen.
Op 10 juli 2015 wordt de loods aan de [c-straat] in [plaats] (waar de bananen voor [A] afgeleverd moesten worden) doorzocht. In een ruimte die kennelijk als kantoor was ingericht werd in een kast administratieve bescheiden aangetroffen (transportformulieren) en een visitekaartje van een fruitbedrijf. In een vuilcontainer werden snippers van een verscheurd transportformulier en stickers van vermoedelijk andere zendingen goederen aangetroffen. Dit werd inbeslaggenomen. Er werden 36 vrachtbrieven aangetroffen. Op deze vrachtbrieven staat voor de zendingen die vertrokken vanaf de loods in [plaats] telkens vermeld als afzender [A] B.V., al dan niet met daarbij handgeschreven [B] [plaats] .
Het hof maakt hieruit op dat ook in de loods aan de [c-straat] niets op papier is aangetroffen dat duidt op de betrokkenheid van [J] bij de vracht bananen die op 9 juli 2015 moest aankomen in [plaats] .
Uit het dossier blijkt niet van enige betrokkenheid van [J] bij bananen, anders dan de bovengenoemde mail van 6 juli 2015 en de daarop volgende mails met [K] . Daar waar de namen [betrokkene 8] en [betrokkene 10] worden genoemd als contactpersonen voor transporteurs of derden zoals [betrokkene 11] , is dat steeds namens [A] of [B] .
Met de rechtbank overweegt het hof dat het bovenstaande erop wijst dat [medeverdachte 1] en [verdachte] , die betrokken waren bij [A] , ook betrokken waren bij [J] . Zij beschikten ook over de inloggegevens van de mail van [J] . Dit past bij de verklaringen van [betrokkene 5] . Het hof hecht gelet hierop meer waarde aan de verklaringen van [betrokkene 5] dan aan die van [medeverdachte 1] en [verdachte] . Het hof gaat er dan ook van uit dat [medeverdachte 1] en [verdachte] [betrokkene 5] [J] hebben laten oprichten teneinde zelf uit beeld te blijven. Dit past ook bij de eerdere constatering dat [betrokkene 5] bij [A] naar voren is geschoven door [medeverdachte 1] en [verdachte] . Het feit dat [J] naar voren werd geschoven bij juist de lading die cocaïne bevatte, is voor het hof een redengevende omstandigheid voor de uiteindelijke conclusie dat [medeverdachte 1] en [verdachte] daar wel degelijk wetenschap van hadden.
Stortingen [A]
B.V. had in 2014-2015 twee bankrekeningen:
- [rekeningnummer 4] , geopend op 1 oktober 2014 , zakelijk vertegenwoordiger [betrokkene 1] , pasnummer-volgnummer: […] ;
- Kreissparkasse [naam 5] te [plaats] (Duitsland) [rekeningnummer 5] , geopend op 13 november 2014 , gemachtigde [betrokkene 12] .
Op beide bankrekeningen zijn contante geldbedragen gestort en daarvan werd onder meer betaald aan [L] te Colombia (leverancier van de bananen) en aan [K] (inklaarder van de bananen).
Vanaf 3 juni 2015 lijkt er het een en ander veranderd te zijn:
Op 3 juni 2015 worden de laatste stortingen bij de Kreissparkasse in [plaats] gedaan (totaal € 20.000,00), en op 3 juni 2015 wordt datzelfde bedrag overgemaakt naar de ING rekening van [A] .
Op 3, 4 en 5 juni 2015 worden er ook bedragen gestort op de ING rekening van [A] , maar niet meer zoals eerder in het zuiden van het land. [plaats] , [plaats] , [plaats] en [plaats] zijn de locaties van de stortingen die dagen.
Daarna volgen geen stortingen meer op de Kreissparkasse rekening van [A] , maar wel de volgende stortingen op de ING-rekening van [A] :
3 juni 2015: € 10.000,00 om 13.30 uur in [plaats]
4 juni 2015: € 10.000,00 om 10.22 uur in [plaats]
€ 5.000,00 om 13.26 uur in [plaats]
5 juni 2015: € 4.950,00 om 09.06 uur in [plaats]
en dan op 5 juni 2015 een betaling van € 40.265,28 aan [L]
11 juni 2015: € 15.000,00 om 10.49 uur in [plaats]
12 juni 2015: € 15.000,00 om 14.14 uur in [plaats]
15 juni 2015: € 15.000,00 om 11:07 uur in [plaats]
en dan op 15 juni 2015 een betaling van € 33.711,65 aan [L]
26 juni 2015: € 15.000,00 om 19.21 uur in [plaats]
27 juni 2015: € 3.000,00 om 10.14 uur zonder locatie (locatie blijkt [plaats] te zijn )
€ 4.000,00 om 10.09 uur idem
€ 4.000,00 om 10.07 uur idem
€ 4.000,00 om 10.03 uur idem
29 juni 2015: € 15.000,00 om 11:12 uur in [plaats]
en dan op 29 juni 2015 een betaling van € 40.651,47 aan [L]
3 juli 2015: € 15.000,00 om 14.54 uur in [plaats]
en dan op dezelfde dag een bedrag van in totaal € 6.167,27 in twee deelbetalingen aan [K] en op 7 juli 2015 een betaling van € 34.364,39 en € 2.379,07 aan [L]
Op 7 juli 2015 werd de eerste lading cocaïne bestemd voor [A] BV inbeslaggenomen in [plaats in Belgie] . Na 7 juli 2015 vinden er alleen nog maar automatische afschrijvingen plaats op de Nederlandse bankrekening en op de Duitse bankrekening vinden alleen nog maar renteafschrijvingen plaats.
Vanaf begin mei 2015 houdt [verdachte] met [B] kantoor aan de [a-straat 1] te [plaats] . [medeverdachte 1] houdt met [B] al langer kantoor aan de [b-straat 1] in [plaats] . [verdachte] woont in [plaats] en [medeverdachte 1] in [plaats] . [plaats] en [plaats] liggen dichtbij [plaats] .
Het hof volgt de rechtbank in haar overweging dat het opvalt dat deze stortingen passen bij een ander ‘stortingspatroon’, te vinden in deeldossier Ananassen in samenhang met Deklading. Kort gezegd komen de bevindingen in die dossiers met betrekking tot deze periode (vanaf mei 2015) op het volgende neer.
Stortingen Duitsland
In mei 2015 heeft [medeverdachte 1] met een relatie van hem in Duitsland, [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) via Whatsapp contact over een plan waarvan niet zeker is of het doorgaat. Het heeft iets te maken met fruit kopen en dat ze moeten afwachten. Op 4 juni 2015 meldt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] dat hij heeft gezegd ‘ieder 30 K moeten die 2000 betalen’ en dat ‘die 60 of 90 per week willen doen’. [medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 2] : ‘Jij krijgt cash en overmaken naar België’ en ‘Kan over drie dagen kan iedere dag zonder problemen in bank storten 30000’.
[medeverdachte 2] stelt allerlei vragen en ook: ‘Oke wanneer moet dat dan van start gaan. Want ik moet er immers ook zijn dan’.
[medeverdachte 1] reageert met: ‘WEET NIET!!! Wachten en maak geen enkele fout met overmaken omdat die mensen zoeken ons op’.
[medeverdachte 2] lijkt niet te kunnen wachten, maar [medeverdachte 1] bericht pas op 11 juni 2015 dat die 90 willen doen vandaag. Ze spreken af voor morgen, dus 12 juni 2015, om 10.00 uur net over de grens bij [plaats] .
De Whatsappsessie is integraal opgenomen in het dossier Ananassen. Daaruit volgt dat in de zomer van 2015 [medeverdachte 1] regelmatig grote geldbedragen voor een opdrachtgever aan [medeverdachte 2] heeft overhandigd en dat [medeverdachte 2] deze bedragen heeft gestort en overgemaakt naar een Belgisch bedrijf, [M] .
Er ontstond regelmatig stress over het tempo waarmee het geld op de Belgische rekening belandde. Uiteindelijk ging het mis met de stortingen van 19-21 augustus 2015 waarvan € 40.000,00 wel in België terecht kwam, maar € 52.000,00 niet. Dit leidde tot een ontmoeting op 11 september 2015 waarbij [medeverdachte 2] € 30.000,00 terug betaalde aan degene van wie het geld kwam: verdachte [medeverdachte 3] . Deze ontmoeting is geobserveerd. [verdachte] was van deze situatie op de hoogte.
De resterende € 22.000,00 heeft [medeverdachte 1] via [B] (in overleg met [verdachte] ) aan [medeverdachte 2] geleend en aan [medeverdachte 3] overhandigd op 14 september 2015.
Het hof concludeert dat [medeverdachte 1] eind mei 2015 met [medeverdachte 2] al communiceerde over geld dat gestort moest worden in opdracht van [medeverdachte 3] . Verder constateert het hof dat de stortingen die op de ING-rekening van [A] werden gedaan volledig passen in het stortingspatroon van [medeverdachte 2] in Duitsland. De Whatsappberichten sluiten ook aan bij die bevindingen, die geven immers aan wanneer [medeverdachte 1] contact heeft gehad met [medeverdachte 3] (berichten dan wel ontmoetingen).
Wanneer de gegevens naast elkaar gelegd worden leidt dit tot de volgende constateringen:
Uit de apps van 4 juni 2015 blijkt dat [medeverdachte 1] contact gehad heeft met [medeverdachte 3] . In die periode (3, 4 en 5 juni 2015) is er geld gestort op de ING-rekening van [A] in [plaats] (woonplaats [medeverdachte 1] ) en omgeving en in [plaats] (kantoor [verdachte] ).
Vervolgens heeft [medeverdachte 1] op 11 juni 2015 weer contact met [medeverdachte 3] . Op 11, 12 en 15 juni volgens er stortingen van telkens € 15.000,00 in [plaats] op de rekening van [A] (zie boven). Daarnaast brengt [medeverdachte 1] op 12 juni 2015 contanten naar [medeverdachte 2] , die die ochtend € 28.400,00 stort. Op diezelfde dag wordt een bedrag van € 27.500 overgeboekt naar [M] met als vermelding CONSULTING INVOICE […] . Het rekeningnummer van [M] is volgens het bankafschrift van [medeverdachte 2] [rekeningnummer 6] .
Een en ander betekent dat er van 11 tot en met 15 juni 2015 herleidbaar € 73.400 is gestort. Op 11 juni appte [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] dat die 90 willen doen en dat [medeverdachte 2] 30 moet storten.
[medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 1] om rekeningen. In de laptop van [medeverdachte 1] zijn drie facturen aangetroffen van [M] aan [N] Germany op het adres van [medeverdachte 2] . Deze dateren echter van 25 juni, 26 juni (consulting Invoice) en van 16 juli 2015 en hebben een ander rekening(factuur)nummer dan de hierboven genoemde factuur.
In de laptop van [medeverdachte 1] is in de verwijderde items een notitie aangetroffen die volgens de metagegevens opgemaakt is op 20 juni 2015 te 16:08. Bovenaan deze notitie staat:
‘Dingen voor volgende week die geregeld moeten worden.’
Op de tweede helft van het blad staat:
‘ [A]
bij storten nieuwe betaling overkant
Duitsland storting met overboeking
Facturen in orde maken
En eventueel nieuwe boeking organiseren’.
Op 23 juni 2015 laat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] weten dat hij ‘die’ een bericht gestuurd heeft en dat hij op antwoord wacht.
Op 26 juni 2015 laat [medeverdachte 1] weten aan [medeverdachte 2] dat hij vandaag een afspraak heeft en dat hij misschien geld krijgt. Het is dan al te laat om [medeverdachte 2] nog te zien die dag. Op 26 juni 2016 om 19.21 uur wordt er wel weer € 15.000,00 gestort op de ING rekening van [A] in [plaats] . Op 27 juni 2015 laat [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] weten dat hij nu 50K heeft. In de ochtend van 27 juni 2015 wordt er ook in vier delen € 15.000,00 gestort in [plaats] op de ING-rekening. [medeverdachte 1] laat aan [medeverdachte 2] weten dat ze elkaar treffen in [plaats] en dat hij vanuit [plaats in Belgie] komt. Op 28 juni 2015 wordt er op de rekening van [medeverdachte 2] € 22.300,00 en op 29 juni 2015 € 22.725,00 gestort. Op diezelfde dag wordt er € 32.300,00 overgemaakt aan [M] onder vermelding van [rekeningnummer 7] . De factuur in de laptop van [medeverdachte 1] komt hiermee overeen qua bedrag en factuurnummer.
Op 29 juni 2015 heeft [medeverdachte 1] contact met [medeverdachte 2] en zegt hij dat hij morgen weer bij die mensen is. [medeverdachte 2] vraagt of ze in Holland zijn en [medeverdachte 1] bevestigt dit. Op de rekening van [A] wordt die dag € 15.000,00 gestort in [plaats] . Op 3 juli wordt er ook nog € 15.000,00 gestort in [plaats] .
Op zondag 19 juli 2015 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] of hij kan storten. [medeverdachte 1] is nu in [plaats in Belgie] . Ze spreken af elkaar morgen te ontmoeten, [medeverdachte 1] vertrekt om 8 uur vanaf [plaats in Belgie] . Ze overleggen over hoeveel mogelijk is en [medeverdachte 1] sluit af met dat hij 100 brengt en dat [medeverdachte 2] dat in twee dagen doet. Daar verdienen ze samen 5000 aan. Op 21 juli 2015 wordt op de rekening van [medeverdachte 2] € 42.700,00 en € 20.000,00 gestort. Op die dag wordt ook € 41.200,00 overgemaakt aan [M] onder vermelding van [rekeningnummer 8] .
Opvallend is dat er in de laptop van [medeverdachte 1] een factuur van 16 juli 2015 zit met nummer […] voor ‘mediation export/sales food products 3 cargo’ voor een bedrag van € 41.200,00. Deze komt qua bedrag en datum overeen, maar niet qua factuurnummer.
Op 22 juli 2015 bericht [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] dat hij foto’s moet sturen omdat hij pas geld krijgt als [medeverdachte 2] foto’s van de overboeking stuurt. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij vanaf [plaats] komt en ze spreken af in [plaats in Duitsland] .
Op 22 juli 2015 wordt een bedrag van € 27.400,00 gestort en op 23 juli 2015 wordt een bedrag van € 46.200,00 overgemaakt naar [M] onder vermelding van [rekeningnummer 9] . [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 1] dan ook om rekeningen omdat de bank rekeningen wil zien.
Dan volgen er bijna dagelijkse stortingen in Duitsland :
24 juli 2015: € 10.000,00 om 14:58 uur;
25 juli 2015: € 8.900,00 om 11:19 uur;
27 juli 2015: € 10.500,00 uur;
28 juli 2015: € 16.700,00 om 13.22 uur.
Op 29 juli 2015 volgen er twee overboekingen naar [M] :
- € 17.800,00 onder vermelding van [rekeningnummer 10] ;
- € 28.400,00 onder vermelding van [rekeningnummer 11] .
In augustus wil [medeverdachte 2] graag verder, desnoods zonder [medeverdachte 1] , maar [medeverdachte 1] zegt dat ze alleen een op een met hem willen en dat ze moeten afwachten. Op 18 augustus vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] hoeveel hij op een dag kan storten. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij met die is nu. Hij bericht: ‘Misschien 100 vandaag’. Ze spreken af om 1900 in [plaats] . Er volgen stortingen:
19 augustus 2015: € 24.800,00;
20 augustus 2015: € 40.000,00;
21 augustus 2015: € 22.600,00;
en een overboeking naar [M] van € 40.000,00 onder vermelding van [rekeningnummer 12] .
Verder blijkt uit de afschriften van [medeverdachte 2] dat er op 11 september 2015 een bedrag van € 30.000,00 op zijn rekening is overgemaakt en dat hij dat bedrag heeft opgenomen op 11 september 2015.
11 september 2015
Op 11 september 2015 is er in de namiddag een treffen tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 13] en [betrokkene 14] en [medeverdachte 2] . Dit vindt plaats bij [tankstation] aan de […] . Door [medeverdachte 2] is een envelop met daarin € 30.000,00 euro overhandigd aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] heeft deze envelop aan [betrokkene 13] gegeven. [betrokkene 13] maakte deel uit van het gezelschap van [medeverdachte 3] en [betrokkene 14] . [medeverdachte 3] heeft ter plaatse gesproken met zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is van een bedrag dat bij [medeverdachte 3] vandaan kwam en dat naar hem terug moest. Duidelijk is dat [medeverdachte 1] in de gesprekken met [verdachte] kort voorafgaand aan die ontmoeting met de namen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 3] doelde op [medeverdachte 3] .
[medeverdachte 3] – [A]
Het hof stelt op basis van het bovenstaande vast dat de stortingen die gedaan zijn op de Nederlandse bankrekening van [A] vanaf 3 juni 2015, gedaan zijn door [medeverdachte 1] in opdracht van [medeverdachte 3] .
Vast staat dat het geld dat werd gestort op de rekeningen van [A] werd gebruikt om geld over te maken aan [L] , aan [K] en aan andere bedrijven voor aan de import gelieerde kosten (transport, inklaren). Nu [medeverdachte 1] beschikte over de inloggegevens van beide bankrekeningen en hij in elk geval de stortingen vanaf 3 juni 2015 voor zijn rekening heeft genomen, gaat het hof er ook van uit dat hij de bedragen die daarna zijn overgemaakt heeft overgemaakt. Het hof gaat er gelet op de Whatsappberichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vanuit dat [medeverdachte 1] de opdracht hiertoe en de daarvoor benodigde gegevens van [medeverdachte 3] heeft gekregen. [verdachte] was niet alleen als medebestuurder verantwoordelijk voor deze geldstromen, maar hij wist, blijkens de telefoongesprekken tussen hem en [medeverdachte 1] van 12 augustus 2015, daadwerkelijk van de hoed en de rand.
[betrokkene 1] en [medeverdachte 3]
De betrokkenheid van [medeverdachte 3] komt verder in beeld wanneer wordt gekeken naar de rol van eerdergenoemde [betrokkene 1] .
In het dossier duikt [betrokkene 1] op in oktober 2014. Op 1 oktober 2014 vraagt hij een zakelijke rekening aan bij de ING voor [A] BV. Op respectievelijk 24, 25 en 26 november 2015 wordt [betrokkene 1] bestuurder van een aantal rechtspersonen, waaronder [A] B.V. (waarvan hij ook enig aandeelhouder wordt). Op dat moment is [A] al bananen aan het invoeren, zo blijkt uit een Sea Way Bill van 21 november 2014. Als bestemmingsadres is daarop ingevoerd [c-straat 1] in [plaats] en het wordt verscheept door [O] te [plaats] , Colombia. De [c-straat] is met ingang van 1 oktober 2014 gehuurd door [P] B.V., de overeenkomst is getekend door gemachtigde [betrokkene 12] . Deze [betrokkene 12] heeft op 13 november 2014 de hierboven genoemde bankrekening ( [rekeningnummer 5] ) in Duitsland geopend voor [A] B.V.
In diezelfde periode (juli 2014 – februari 2015) worden door [betrokkene 12] op de privérekening van [betrokkene 12] bij diezelfde Kreissparkassebank in Duitsland een groot aantal stortingen gedaan, gevolgd door overboekingen aan [M] .
Bij de stukken van [betrokkene 1] is een schermafdruk (d.d. 21 februari 2015) gevonden van een bericht d.d. 10 december 2014 van BNP Paribas met betrekking tot het nummer waarop de Security SMS zal worden ontvangen: + [telefoonnummer 3] .
Uit hetgeen hierboven met betrekking tot de overboekingen van [medeverdachte 2] op de rekening van [M] staat, volgt dat [M] een bankrekening bij BNP Paribas had.
In de loods aan de [c-straat] in [plaats] is een visitekaartje aangetroffen van [betrokkene 15] van [Q]
In Colombia is een tweetal getuigen gehoord, waaronder bovengenoemde [betrokkene 15] . Deze laatste verklaart dat het hem bekende nummer van [M] gevestigd te [plaats] in België [telefoonnummer 3] is. Hij verklaart tevens dat hij met betrekking tot [M] contact onderhield met de [betrokkene 16] . [betrokkene 16] heeft verklaard dat [M] bananen van hen kocht en dat hij betalingen ontving van [M] van bankrekening [rekeningnummer 6] . Hij heeft als telefoonnummer opgegeven: [telefoonnummer 3] . Beide heren verklaren overigens ook over de leveringen aan [A] .
[betrokkene 1] heeft blijkens een bij zijn stukken aangetroffen bankafschrift op 6 november 2015 op zijn eigen bankrekening een betaling van € 800,00 ontvangen van de rekening van [M] te [plaats] ( [rekeningnummer 6] ).
Het hof maakt uit deze gegevens op dat [M] gebruik maakte van BNP Paribas [rekeningnummer 6] en [telefoonnummer 3] . Delen van deze gegevens komen terug bij de stukken van [betrokkene 1] , via het kaartje in de loods van [A] in [plaats] en uit de stortingen van [medeverdachte 2] voor [medeverdachte 3] .
[betrokkene 12] voornoemd was betrokken bij [A] , maar ook bij [M] eind 2014, begin 2015. In de zomer van 2015 was [medeverdachte 1] betrokken bij beide ondernemingen in opdracht van [medeverdachte 3] .
[betrokkene 12] heeft verklaard dat hij de rekening in Duitsland voor [A] heeft geopend op verzoek van de kopers en dat zij de bankpasjes en de codes van hem gekregen hebben. [betrokkene 1] heeft [A] overgenomen, [betrokkene 12] is met hem naar de Kamer van Koophandel en de notaris geweest. [betrokkene 12] weet niet of [betrokkene 1] het voor zichzelf deed. Hij werd aangedragen door [betrokkene 17] , die zijn [H] ook heeft gekocht. Hij zat met [betrokkene 17] op kantoor op [nummer 2] in [plaats] .
[betrokkene 1] is meermalen door de politie verhoord en ook bij de rechter-commissaris. Hij heeft – kort gezegd – verklaard dat hij benaderd is door [betrokkene 18] en dat hij op verzoek van [betrokkene 18] het bedrijf [A] heeft overgenomen. Hij kent [betrokkene 9] [betrokkene 12] , hij verklaart dat hij een kopie van zijn paspoort thuis had liggen. Deze kopie is inderdaad aangetroffen in zijn stukken. Hij had contact met [betrokkene 9] via [betrokkene 18] . Hij is met [betrokkene 9] naar de ING geweest voor het openen van een rekening voor [A] en de bankkaarten gingen naar [betrokkene 18] . Hij is ook met [betrokkene 9] naar Duitsland geweest voor het openen van een rekening bij de Sparkasse. Hij kreeg toen direct een pas mee en die heeft [betrokkene 18] meegenomen.
In zijn eerste verhoor wordt hem de fotomap getoond. Uit deze map herkent hij in zijn eerste verhoor niemand. In zijn tweede verhoor een dag later worden hem losse foto’s getoond. Hij herkent daarop [betrokkene 12] en die Zuid-Afrikaan die de firma heeft overgenomen. In zijn derde verhoor herkent hij zonder twijfel uit dezelfde fotomap als in zijn eerste verhoor [betrokkene 18] ( [medeverdachte 3] ). Hier blijft hij bij in zijn verhoor bij de rechter-commissaris.
[medeverdachte 1] had in elk geval vanaf mei 2015 contact met [medeverdachte 3] over geld dat in diens opdracht gestort moest worden. Met [verdachte] sprak [medeverdachte 1] regelmatig telefonisch over [medeverdachte 3] (die in de gesprekken [medeverdachte 3] of [medeverdachte 3] genoemd wordt) en dan gaat het over geld dat deze voor allerhande zaken zou moeten betalen . Er zijn meerdere ontmoetingen geweest (o.a. 4 september 2015 en 29 september 2015 ) tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waarbij geld of documenten werd overhandigd. In deze periode speelt ook het contact met [medeverdachte 2] die in opdracht van [medeverdachte 1] met grote regelmaat grote geldbedragen die deze krijgt van anderen, moet afstorten op zijn Duitse bankrekening en daarmee daarna vervolgens betalingen doet voor de aankoop van fruit. Dit gaat regelmatig stroef en leidt tot veel stress en zelfs dreigementen waarbij [medeverdachte 1] duidelijk maakt dat de opdrachtgevers gevaarlijke criminelen zijn . Het loopt zo hoog op dat [medeverdachte 2] op 11 september een bedrag van € 30.000,- moet komen terug betalen aan [medeverdachte 3] . Deze ontmoeting is gezien door het observatieteam . [medeverdachte 1] is bij die ontmoeting aanwezig.
Conclusie met betrekking tot het opzet van de verdachten
Het hof stelt vast dat [betrokkene 1] is ingezet om [medeverdachte 3] buiten beeld te houden. [medeverdachte 3] was degene die de scepter zwaaide met betrekking tot de handel van [A] , hij regelde de financiering van de ladingen bananen en de bijkomende kosten. Hij had er kennelijk echter een groot belang bij zelf buiten beeld te blijven. [betrokkene 1] is op enig moment vervangen door [betrokkene 5] en [medeverdachte 3] heeft [betrokkene 5] gevonden via zijn tussenpersonen [medeverdachte 1] en [verdachte] . Vaststaat dat [medeverdachte 3] contact had met [medeverdachte 1] in mei 2015. Nu niet valt in te zien hoe [medeverdachte 3] in maart 2015 [betrokkene 5] met [betrokkene 1] naar de Kamer van Koophandel kon sturen zonder dat hij [betrokkene 5] geïntroduceerd heeft gekregen, gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 1] [betrokkene 5] voor die positie naar voren heeft geschoven. [medeverdachte 1] zal hierover contact gehad hebben met [medeverdachte 3] . Dit ligt ook voor de hand nu [medeverdachte 1] en [verdachte] in februari 2015 reeds bananen van [A] aan het verkopen waren.
[medeverdachte 3] is de drijvende kracht en financier achter de handel van [A] geweest en het kan niet anders dan dat hij ervoor heeft gezorgd dat hij buiten beeld bleef omdat er grote hoeveelheden cocaïne mee moesten komen met de bananen. Om dit buiten beeld blijven goed te organiseren heeft hij [medeverdachte 1] (en daarmee ook [verdachte] ) ingeschakeld. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren van de reden hiervoor op de hoogte, zij werkten er ten volle aan mee. Zij hebben [betrokkene 5] hiervoor bewust gebruikt.
[medeverdachte 1] heeft vanaf halverwege mei 2015 besproken met [medeverdachte 2] dat er vooruitzichten waren die te maken hadden met stortingen door [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] was toen dus bezig met stortingen in Duitsland voor [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] was een oude bekende van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 3] geïntroduceerd. Vanaf het moment dat het startte in juni 2015 ging het om substantiële bedragen.
Het hof concludeert in navolging de rechtbank dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in elk geval in februari 2015 zaken deden met [medeverdachte 3] .
Vanaf in ieder geval mei 2015 zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] dan ook betrokken geweest bij het creëren van een rookgordijn ten behoeve van [medeverdachte 3] . Zij hebben vanaf dat moment geweten dat zij betrokken waren bij het invoeren van bananen uit Zuid-Amerika waarbij de ware spelers (inclusief zijzelf) buiten beeld moesten blijven. Het hof gaat er dan ook van uit dat zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 1] en [verdachte] wetenschap hebben gehad van de reden van de beoogde schimmigheid: het invoeren van cocaïne. Het inschuiven van [J] bij de bewuste lading is een redengevende omstandigheid voor de conclusie dat [medeverdachte 1] en [verdachte] ook op de hoogte waren van in welke lading precies de cocaïne zat. [medeverdachte 1] en [verdachte] moeten deze kennis hebben verkregen van [medeverdachte 3] . Uiteindelijk is ook in twee ladingen bestemd voor [A] een zeer grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen.
[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben samen bewust hun werk gemaakt van het verschaffen van een legale dekmantel voor de praktijken van [medeverdachte 3] .
Eindconclusie met betrekking tot feit 1
Kortom, uit de bewijsmiddelen en de voorgaande bewijsoverwegingen blijkt dat tussen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [verdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de invoer van de in de tenlastelegging bedoelde twee partijen cocaïne in Nederland, waarbij ieders intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht was.
Dit betekent dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [verdachte] tezamen en in vereniging tweemaal opzettelijk cocaïne hebben ingevoerd in juli 2015.
De andersluidende verklaringen van [verdachte] vinden hun weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen.
De bewijsverweren worden verworpen.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit geen bewijsmiddel blijkt dat de verdachte wetenschap had van de hoeveelheden cocaïne die in de zendingen bananen waren verstopt. Het hof motiveert niet, althans onvoldoende, waarom de verdachte qua wetenschap gelijk kan worden geschakeld met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] is immers degene die contacten onderhield met [medeverdachte 3] en in overleg met hem contante stortingen deed op diverse bankrekeningen. Ook is het [medeverdachte 1] die contact heeft met [medeverdachte 2] en is [medeverdachte 1] degene die in overleg met [medeverdachte 3] de bestellingen bananen coördineert en de financiële transacties doet vanaf de bankrekeningen van [A] . In dit verband wordt er ook op gewezen dat [medeverdachte 1] degene is die in België is veroordeeld voor een transport van 3608 kg cocaïne die op 29 juni 2015 in de haven van [plaats in Belgie] is aangetroffen. Verdachte komt in dat onderzoek in het geheel niet voor. Verdachte heeft dan ook geen enkele intellectuele en/of materiële bijdrage geleverd, althans dit blijkt niet uit enig bewijsmiddel, aldus de steller van het middel.
Het gaat bij het onder 1 bewezenverklaarde feit om twee onderschepte cocaïnetransporten. Op respectievelijk 7 en 14 juli 2015 is in twee containers geladen met bananen vanuit Colombia die waren bestemd voor [A] B.V. samen ruim 4.000 kilo cocaïne aangetroffen. De containers zijn door het Nederlandse deel van de Westerschelde gevaren en dus ook binnen het grondgebied van Nederland gebracht.
Het hof heeft deze onderschepte cocaïnetransporten gelinkt aan de verdachte en heeft geoordeeld dat hij in het kader van de invoer van deze transporten nauw en bewust samen heeft gewerkt met anderen. In de kern komt het erop neer dat de verdachte en zijn [medeverdachte 1] via [B] (verder: [B] ), van welke B.V. de verdachte en [medeverdachte 1] vanaf 23 februari 2015 als bestuurder met als titel algemeen directeur waren geregistreerd, vanaf begin 2015 ( [medeverdachte 1] vanaf eind 2014) bezig waren met het invoeren van bananen en het vervolgens doorverkopen daarvan. Na enige tijd wordt tussen de leveranciers van de bananen en [B] het bedrijf [A] geplaatst. De suggestie werd gewekt dat [A] de bananen invoerde en vervolgens verkocht aan [B] . In werkelijkheid werd [A] aangestuurd door de verdachte en zijn medeverdachte om hun betrokkenheid bij de uiteindelijke import van cocaïne te verhullen. [A] werd gedurende deze periode bestuurd door een katvanger. Eerst was dit [betrokkene 19] , die op verzoek van [medeverdachte 3] [A] had overgenomen, en daarna is dit [betrokkene 5] geweest. [betrokkene 5] heeft verklaard dat [A] van [medeverdachte 1] was en dat hij en de verdachte hem er directeur van hadden gemaakt en dat [medeverdachte 1] toegang had tot [A] (hetgeen wordt ondersteund door de omstandigheid dat op de laptop van [medeverdachte 1] de mailgegevens met inlogcodes van [A] zijn aangetroffen alsmede de inloggegevens van beide bankrekeningen van [A] ). Verder was [medeverdachte 1] de contactpersoon in [plaats] en handelden de verdachte en [medeverdachte 1] de partijen af en liepen zij altijd naar buiten om zaken te bespreken die [betrokkene 5] kennelijk niet mocht horen, aldus de laatstgenoemde.
In de door het hof gebezigde bewijsconstructies staan, naast het voornoemde, centraal een aantal stortingen. In mei 2015 heeft [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] via Whatsapp contact over een ‘plan’ en later meer specifiek over het door [medeverdachte 2] ontvangen van cash geld en het overmaken hiervan. [medeverdachte 1] schrijft dat [medeverdachte 2] geen enkele fout moet maken met overmaken want “die mensen zoeken ons op”. Uit de Whatsappsessie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van juni 2015 blijkt dat in de zomer van 2015 regelmatig grote geldbedragen voor een opdrachtgever via de verdachte aan [medeverdachte 2] worden overhandigd en dat [medeverdachte 2] deze bedragen stort waarna deze worden overgemaakt naar een Belgisch bedrijf. Dit begint op 4 juni 2015. Op die datum bericht [medeverdachte 1] : “Nu afwachten heb gezegd ieder 30 K moeten die 2000 betalen”, “Die willen 60 of 90 per week doen” en “Ja super dat bedoelt iedere week 3000 per”. Vanaf 3 juni 2015 worden ook stortingen op de rekening van [A] gedaan waarmee de leveranciers van de bananen worden betaald. Dit gebeurt deels in de woonplaats van [medeverdachte 1] . De stortingen van [medeverdachte 2] gaan door na de drugsvangst op 7 en 14 juli 2015, maar die aan [A] stoppen dan.
Soms ontstaat er onrust, omdat betalingen te laat doorkomen. Zo blijkt uit tapgesprekken van 3 september 2015 dat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] schrijft: “Als ik morgen niet de 52 plus 8% heb dan halen die ons!!! Die waren al bij mij!!!” en “Die mensen schieten ons af als er geen geld is!!! OKE!!!”. Later moet [medeverdachte 2] 30.000 euro terugbetalen aan degene van wie het geld kwam na een mislukte storting van 52.000 euro in augustus 2015; bij een ontmoeting in september 2015 tussen medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 13] en [betrokkene 14] en [medeverdachte 2] die is geobserveerd door de politie wordt een envelop aan [medeverdachte 1] overhandigd door [medeverdachte 2] (aan de hand van de tapgesprekken kan worden vastgesteld dat hierin 30.000 euro zat) en geeft [medeverdachte 1] deze op zijn beurt aan [betrokkene 13] (de resterende 22.000 euro van het verdwenen bedrag van 52.000 euro is door [medeverdachte 1] in overleg met de verdachte via [B] geleend aan [medeverdachte 2] die het op 14 september 2015 aan [medeverdachte 3] heeft overhandigd). [medeverdachte 1] heeft bij de ontmoeting van 11 september 2015 ook gesproken met [medeverdachte 3] .
Uit het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, heeft het hof afgeleid dat [medeverdachte 1] het besturen van [A] , de stortingen en het aansturen van [medeverdachte 2] deed in opdracht van [medeverdachte 3] . [verdachte] wist hiervan, zo heeft het hof afgeleid uit het telefoongesprek van 12 augustus 2015.
Het verhullen van de betrokkenheid van [B] werd verder bewerkstelligd door inzet van eenmanszaak [J] (gevestigd op 1 juni 2015 door [betrokkene 5]). In de aanloop naar het transport waar de cocaïne is aangetroffen, worden vanaf [B] bedragen overgemaakt naar [J] . [J] maakte op zijn beurt deze bedragen weer over aan [A] . [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij deze zaak moest vestigen en transacties moest doen namens [B] aan Groenendael, maar dat dit zuiver papieren transacties waren (facturen van deze transacties zijn aangetroffen op de laptop van [medeverdachte 1] en de laptop die in beslag is genomen tijdens de doorzoeking van het kantoorpand van [B] op 7 juni 2016). Bij het op 6 juli 2015 inklaren van de vracht met bananen (waar uiteindelijk de partij van ruim 3.500 kilo cocaïne is aangetroffen) wordt namens [A] per mail toestemming gegeven om de door [A] aangekochte en aangeleverde vracht te laten inklaren door de firma [J] . [K] (die kennelijk belast was met het inklaren) mailt terug en vraagt hierbij naar een factuur waaruit blijkt dat de goederen door [A] zijn verkocht aan [J] . In het voornoemde telefoongesprek van 12 augustus 2015 wordt tussen de verdachte en [medeverdachte 1] gesproken over deze mailwisseling, waaruit het hof heeft afgeleid dat de verdachte en [medeverdachte 1] kennis hebben van deze mailwisseling. Een factuur van [A] aan [J] is nooit aangetroffen.
De vraag is nu of het hof op basis van het voorgaande heeft kunnen oordelen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van twee partijen cocaïne. De steller van het middel meent van niet, nu nergens uit blijkt dat de verdachte wetenschap had van de cocaïne in de vrachten bananen. Ik zie dit anders. Hoewel het waar is dat [medeverdachte 1] duidelijk meer op de voorgrond is getreden – hij hield immers contact met [medeverdachte 3] , heeft het geld gestort op de rekening van [A] en stuurde [medeverdachte 2] aan om geld te storten op een Belgische rekening – betekent dit niet dat de wetenschap van de verdachte niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Ik wijs in dit verband in het bijzonder op de in het arrest genoemde omstandigheid dat op de dag dat [betrokkene 5] en [betrokkene 1] naar het KvK-kantoor gaan om de bestuurswisseling van [A] te bewerkstelligen zoekopdrachten in de op het adres van [verdachte] aangetroffen computer zijn ingevoerd die verband houden met [A] en [betrokkene 1] , dat [betrokkene 5] heeft verklaard dat onder meer de verdachte hem van [A] director had gemaakt, dat de verdachte de dag na het intypen van de voornoemde zoektermen via e-mail communiceert met [betrokkene 4] over het tijdstip waarop de bananen aankomen, dat hij op 28 mei 2015 opnieuw communiceert met [betrokkene 4] en daarbij een foto van de vracht aan hem stuurt op hetzelfde moment dat [medeverdachte 1] in [plaats] is, dat hij de dag erna wederom met [betrokkene 4] communiceert en hem geruststelt over de verwarring die bij de laatstgenoemde is ontstaan over het feit dat op de vrachtbrief van de bananen als afzender [A] wordt genoemd, dat [betrokkene 5] heeft verklaard dat de verdachte en [medeverdachte 1] samen de ‘partijen’ in [plaats] afhandelen en dat zij altijd naar buiten liepen om zaken te bespreken die hij kennelijk niet mocht horen, dat in een telefoongesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 1] op 12 augustus gesproken wordt over de eerdere e-mailwisseling met [K] en, tot slot, dat [J] naar voren werd geschoven voor het transport waarbij de eerste lading cocaïne is aangetroffen.
Hoewel nergens direct wetenschap uit blijkt, kon het hof, in het licht van al het voorgaande bewijs, oordelen dat tussen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [verdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de invoer van de in de tenlastelegging bedoelde twee partijen cocaïne in Nederland. In dit oordeel ligt de niet onbegrijpelijke aanname besloten dat sprake was van een gezamenlijk plan waarin het aandeel van [medeverdachte 3] kennelijk was om de cocaïne te regelen en deze in te voeren en de rol van de verdachte en [medeverdachte 1] was om de schijn van legaliteit aan deze invoer te geven. Dat enkel [medeverdachte 1] is veroordeeld in België voor een ander drugstransport doet aan het voorgaande in het geheel niet af. Ik wijs er verder ten overvloede op dat uit de tot het bewijs gebezigde tapgesprekken van 11 september 2015 valt af te leiden dat de verdachte op de hoogte is van het feit dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de problemen zitten, omdat de laatstgenoemde geld is kwijtgeraakt. De verdachte refereert in die tapgesprekken aan [medeverdachte 3] (volgens het hof [medeverdachte 3] ). Hoewel deze tapgesprekken dateren van na het onder 1 bewezenverklaarde feit, kan hieruit wel worden afgeleid dat de verdachte net als [medeverdachte 1] bekend was met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , die ook waren betrokken bij de drugshandel en de financiële verhullingshandelingen die in dit verband werden gedaan.
Het middel faalt.
4. Het derde middel
Het derde middel bevat de klacht dat het hof het onder 2 bewezenverklaarde ontoereikend heeft gemotiveerd.
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 september 2015 tot en met 7 juni 2016 in Nederland
tezamen en in vereniging met anderen,
om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 76 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
voor te bereiden,
- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en
- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat feit,
immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:
- telefoongesprekken (in versluierd taalgebruik) gevoerd en telefonische berichten en mailberichten verstuurd met betrekking tot het vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne)
en
- met personen contact opgenomen en ontmoetingen gehad met betrekking tot het vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en
- betalingen (laten) verricht(en) ten behoeve van het vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en
- [J] als ontvanger van te importeren meubels uit Colombia laten oprichten en
- telefoon(s) en geldbedragen in ontvangst genomen en/of laten nemen en
- een deklading meubels geregeld/laten regelen en
- een ruimte geregeld voor de aflevering en/of opslag van de container met daarin de deklading en
- naar voeten/poten voor onder containers gezocht”.
Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“2. Feit 2 (zaaksdossier [naam 6] )
. Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal acht het tenlastegelegde op grond van hetgeen in het schriftelijk requisitoir is verwoord wettig en overtuigend bewezen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank. In reactie op het verweer van de verdediging heeft de advocaat-generaal betoogd dat het aangevoerde onvoldoende reden geeft om aan de betrouwbaarheid van de desbetreffende Colombiaanse berekeningen en onderzoeksresultaten te twijfelen.
. Standpunt verdediging
De verdediging heeft op de gronden als verwoord in de pleitnota, evenals in eerste aanleg, met betrekking tot het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde betoogd dat de Colombiaanse berekeningen en onderzoeksresultaten met betrekking tot de in de container met meubels aangetroffen stof niet betrouwbaar zijn en daarom van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Ter onderbouwing van dit betoog heeft de verdediging drie argumenten naar voren gebracht, die naar het hof, met de rechtbank, begrijpt, in samenhang moeten worden bezien:
a. De vermelding dat in de balken van de container in totaal 325 pakketten zijn
aangetroffen kan niet juist zijn gelet op de in het dossier ook vermelde gegevens over het aantal pakketten per balk. Op grond van deze gegevens per balk kan niet tot een totaal aantal van 325 worden gekomen. De Colombiaanse berekening van het totaal aantal pakketten is dus onjuist;
b. Het nummer van de desbetreffende container vangt in de Bill of Loading aan met de
letters HLXU, in het rapport van de Colombiaanse politie op pagina 333 met de letters HXLU en in de beëdigde vertaling van de Spaanstalige stukken met de letters HLU. Aldus kan niet meer worden vastgesteld wat de juiste code van de desbetreffende container is geweest;
c. De aangetroffen cocaïne is pas getest tussen 7 en 11 juni 2016, terwijl volgens de in
Colombia ter zake geldende regels de onderzoeksresultaten binnen een uiterste, niet verlengbare termijn van tien dagen na 18 mei 2016 bekend hadden moeten zijn.
Verder heeft de verdediging – naar het hof begrijpt – betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot invoer van cocaïne. [verdachte] heeft geen enkele handeling verricht gericht op de daadwerkelijke invoer van de betreffende container, hij heeft geen bestelling verricht, geen handelingen verricht ten aanzien van het transport, geen betaling verricht en hij heeft uitsluitend op verzoek van [betrokkene 5] nádat de container in beslag was genomen het telefoongesprek met [betrokkene 20] van [betrokkene 5] overgenomen. Ook heeft [verdachte] geen bemoeienis gehad met de oprichting van [J] .
De contacten over de container, voorafgaand aan de inbeslagname, hebben uitsluitend plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 5] , waarbij [verdachte] gevraagd is om mee te zoeken naar opslagmogelijkheden en containervoeten voor het geval dat de container zou zijn aangekomen in Nederland. Deze handelingen kunnen bezwaarlijk worden aangeduid als handelingen gericht op de invoer van de betreffende container.
Kortom, de bewijsmiddelen bevatten geen redengevend bewijs voor de betrokkenheid van [verdachte] bij deze poging tot invoer. Ook bevatten de bewijsmiddelen niets aan redengevend bewijs waaruit wetenschap van [verdachte] zou kunnen worden afgeleid met betrekking tot de verdovende middelen.
Evenmin kunnen de genoemde handelingen van [verdachte] worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen voor de invoer van de betreffende container, aldus de verdediging.
Oordeel hof
Algemeen
Dit zaaksdossier, dat voornamelijk ziet op gebeurtenissen in de maanden oktober en november 2015, gaat over een bestelling van meubels voor de onbekend gebleven [naam 6] . [medeverdachte 1] en [verdachte] bestellen een lading foeilelijke meubels. Dit gaat via [J] van [betrokkene 5] . [medeverdachte 1] en [verdachte] bepalen dit voor [betrokkene 5] . Zij houden zich ook bezig met het mailen en bellen over de vracht en het betalen van de vracht. [medeverdachte 1] , [verdachte] en [betrokkene 5] zijn allerlei voorbereidingen aan het treffen voor de ontvangst van de meubels.
Op 10 november 2015 wordt er in Colombia 76 kilogram cocaïne aangetroffen verborgen in de dubbele bodem compartimenten van een container met meubels voor [plaats] .
Ook hierover heeft [verdachte] contact met de Colombianen.
Het hof volgt hierna grotendeels de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld.
Evenals de rechtbank zal het hof de door de verdediging naar voren gebrachte argumenten ter onderbouwing van het hiervoor genoemde betrouwbaarheidsverweer ieder afzonderlijk bespreken en daarbij dezelfde volgorde als hierboven aanhouden.
Onbetrouwbaarheid van de Colombiaanse onderzoeksresultaten
Voor wat betreft het totaal aantal pakketten stelt het hof vast dat zowel op pagina 796 als op pagina 798 als op pagina 805 van het deeldossier [naam 6] staat vermeld dat het totaal aantal pakketten 325 bedraagt. Voor wat betreft de bevinding op pagina 796 voegt het hof hieraan toe dat de bevinding is gedaan door een medewerker van de nationale politie, maar dat er ook drie getuigen van de waarnemingen zijn geweest. Voor wat betreft de vermeldingen op pagina 798 en 805 ziet het hof dat het totaal aantal van 325 telkens nog nader is gespecificeerd: het betreft 315 rechthoekige witkleurige pakketten en tien (vierkante) beigekleurige pakketten. Het hof ziet in het licht van het voorgaande in hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd onvoldoende grond om aan de juistheid van het genoemde totaal aantal van 325 pakketten te twijfelen.
Voor wat betreft de code van de desbetreffende container overweegt het hof als volgt.
Pagina 333 van het deeldossier [naam 6] (uitgaande van de doorlopende paginanummering onderaan de pagina’s van het fysieke dossier) betreft, anders dan de verdediging stelt, geen rapport van de Colombiaanse politie en op deze pagina staat ook geen containernummer vermeld. Het verweer mist in zoverre daarom feitelijke grondslag. Wel heeft het hof vastgesteld dat op pagina 759 en 760 telkens één maal een nummer aanvangend met ‘HXLU’ is vermeld. Verder heeft het hof geconstateerd dat in de vertaling van de stukken afkomstig van de Colombiaanse autoriteiten (pagina 784-812) op een vijftal plaatsen een containernummer aanvangend met ‘HLU’ is vermeld (zie pagina’s 788, 789, 795 en 796). Elders in die stukken staat, in totaal tien keer, een containernummer aanvangend met ‘HLXU’ vermeld. Wel lijkt telkens dezelfde individuele container te zijn bedoeld. Het heeft er daarom de schijn van dat bij de vermelding van containernummers schrijffouten zijn gemaakt. Het hof heeft er verder acht op geslagen dat op de vrachtbrieven (zie onder andere pag. 720, 722 en 725), maar ook in het verhoor van de medewerker van de eigenaar van de container in zijn verhoor (zie pagina 716-718) telkens een containernummer aanvangend met ‘HLXU’ wordt genoemd. In de Spaanstalige stukken waarvan de stukken op pagina 784-812 een vertaling zijn, is naast de twee vermeldingen op pagina 759 en 760 van een nummer aanvangend met ‘HXLU’ steeds, in totaal dertien keer, een nummer aanvangend met ‘HLXU’ waar te nemen. Zowel de vermelding ‘HLXU’ als de vermelding ‘HXLU’ in de Spaanstalige stukken lijkt voorts in de vertaling te zijn ‘vertaald’ als ‘HLU’. Op grond van het voorgaande, bijeengenomen, acht het hof aannemelijk dat de vijf vermeldingen van een nummer aanvangend met ‘HLU’ en de twee vermeldingen van een nummer aanvangend met ‘HXLU’ een kennelijke schrijffout betreffen en deze vermeldingen steeds moeten worden gelezen als ‘HLXU’. Ten overvloede wijst het hof nog op de ISO6346-standaard, waaruit volgt dat een conform die standaard opgesteld containernummer aanvangt met vier letters, alsmede op de [internetsite 1] , waaruit valt af te leiden dat containers eigendom van [R] een containernummer hebben dat steeds aanvangt met de letters ‘ [R] ’.
Voor wat betreft de door de verdediging aangehaalde overschrijding van een wettelijke termijn is het hof van oordeel dat – wat hiervan verder zij – zonder nadere onderbouwing niet valt in te zien waarom dit de betrouwbaarheid van de bedoelde onderzoeksresultaten zou aantasten.
Het gevoerde betrouwbaarheidsverweer wordt dan ook verworpen.
Betrokkenheid en opzet
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.
Een container met meubels, bestemd voor [J] , werd in Colombia onderzocht op 11 november 2015 en in deze container werd een hoeveelheid cocaïne aangetroffen. [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn in de weken daarvóór druk met de import van meubels en met name met het regelen van een loods. Uit al hun opmerkingen over de tap volgt dat de meubels volgens hen beiden niet veel waard zijn. Ze spreken over foeilelijke meubels en dat ze die nooit verkocht krijgen. Het is allemaal ‘kringlooptroep’. [medeverdachte 1] geeft desgevraagd aan [verdachte] aan dat er wel een grote marge op zit.
De meubels zijn op papier voor [J] bestemd. Dat bedrijf staat op naam van [betrokkene 5] , maar dat weerhoudt [medeverdachte 1] en [verdachte] er niet van om zich intensief met deze import bezig te houden. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben veel gesprekken over een geschikte loods.
Daarbij stuurt [medeverdachte 1] [betrokkene 5] naar [plaats in Belgie] om geld voor de lading in ontvangst te nemen en een telefoon voor [naam 6] af te geven, waarbij [medeverdachte 1] en [verdachte] weer met elkaar bellen en spreken over [betrokkene 5] en zijn trip naar [plaats in Belgie] . [verdachte] houdt [betrokkene 5] zelfs in de gaten.
Het laten ophalen van cash geld en het tegelijk laten afgeven van een telefoon kan naar het oordeel van het hof bezwaarlijk worden gezien als een normale manier van zaken doen. Ook het gesprek tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] van 7 november 2015 over het voor de helft leegmaken van de container voor de deur van [betrokkene 8] en dan de rest naar [plaats] laten gaan, waarbij het verkeerde huisnummer van [betrokkene 8] moet worden doorgegeven, toont aan dat er op een verhulde manier zaken moest worden gedaan. Dit past bij het scenario van een door [medeverdachte 1] en [verdachte] opgezette dekmantel-constructie.
Opvallend in dit dossier is ook het gegeven dan [verdachte] op zoek gaat naar poten voor onder de container. Hij bezoekt de [internetsite 2] en voert gedurende twee dagen meerdere gesprekken over containerpoten. Volgens [verdachte] is er niks verdachts aan en zijn die poten maar een centimeter of 40 hoog. Echter, de containerpoten die te zien zijn op de door [verdachte] genoemde site, zijn poten die in hoogte verstelbaar zijn, tot wel ruim 1400 mm. Dit, in samenhang met het gegeven dat de cocaïne onder in de container verstopt bleek te zitten, brengt het hof tot het oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 1] een manier zoeken om te container omhoog te krijgen, kennelijk teneinde van onderaf de cocaïne uit de bodem te kunnen verwijderen. Het feit dat met deze poten wellicht ook gemakkelijker kan worden uit- of overgeladen doet aan het bovenstaande niet af. Het maken van aanzienlijke kosten door het aanschaffen van die poten voor een vracht ‘foeilelijke/onverkoopbare’ meubels ligt – los van de cocaïne die zich in de vracht bevond – niet in de rede.
De wijze waarop [medeverdachte 1] en [verdachte] [betrokkene 5] dirigeren (en zelfs volgen) kan naar het oordeel van het hof bezwaarlijk als slechts ‘samenwerken’ worden gezien. Op papier hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] zich gedistantieerd van de zending (deze staat immers op naam van [J] ), maar in werkelijkheid onderhouden zij het contact met [naam 6] en geven [betrokkene 5] opdrachten. Dit zaaksdossier laat zien dat zij bezig waren met het in Nederland geïmporteerd krijgen van een container waarin cocaïne verstopt zat.
Het hof wijst nog op een tapgesprek van 12 november 2015 tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] , waarin wordt gezegd dat het mis is gegaan en waarin [medeverdachte 1] op enig moment tegen [verdachte] zegt: ‘Ik zou alleen maar mailen wanneer het verscheept wordt, de meubels en meer zou ik niet doen.’ [verdachte] zegt daarop: ‘Nee, oké.’ [medeverdachte 1] zegt dan: ‘Gewoon voor onszelf.’
Dit wijst er naar het oordeel van het hof duidelijk op dat het de bedoeling was dat er naast de meubels meer mee zou komen met het transport en dat [medeverdachte 1] en [verdachte] dat wisten.
Dit wordt verder ook bevestigd door een tapgesprek van 15 november 2015 tussen [medeverdachte 1] (T) en [verdachte] (F), waarin het volgende wordt gezegd:
F: Het loopt allemaal goed.
T: Ja, alleen jammer van [naam 6] , maar ja.
F: Ja, maar ja weet je jammer dan, dat is oude beurswijsheid dan, maar sla om, volgende bladzijde.
T: Ja, maar daar had ik wel mijn zinnen op gezet. Net in die eerste week in december wel heel lekker geweest.
Daarnaast merkt het hof op dat [medeverdachte 1] en [verdachte] ook in juli 2015 betrokken waren bij de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne in Nederland in een door [A] geregelde zending bananen (zie feit 1, zaaksdossier Bananen). Naar het oordeel van het hof kan het gelet daarop niet anders dan dat [medeverdachte 1] en [verdachte] , mede gelet op alle hierboven genoemde feiten en omstandigheden, hebben geweten van de in de meubelcontainer aanwezige drugs.
Het verweer dat die wetenschap zou hebben ontbroken wordt daarom verworpen.
Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de hiervóór beschreven gedragingen kunnen worden aangemerkt als het medeplegen van een poging tot invoer van cocaïne.
Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 45, eerste lid, Sr is een poging tot misdrijf strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Het voornemen van de dader behelst een opzetvereiste. Dat opzet moet betrekking hebben op de voltooiing van het tenlastegelegde misdrijf. De openbaring van het voornemen moet geschieden doordat met de uitvoering van het voorgenomen misdrijf een begin is gemaakt. De maatstaf is daarbij of de bewezenverklaarde feitelijke handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf (Hoge Raad 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373, NJ 1979/52 en Hoge Raad 8 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0501, NJ 1998/612). De gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm op voltooiing zijn gericht, moeten wel uitvoeringshandelingen zijn die tot het plegen van het misdrijf behoren en in voldoende concrete mate gericht zijn op de voltooiing van het tenlastegelegde (Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, rov. 2.3.).
Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat de hierboven beschreven gedragingen van [medeverdachte 1] en [verdachte] zodanig dicht in tijd en plaats bij voltooiing van invoer in Nederland van cocaïne lagen en zodanig concreet daarop waren gericht dat sprake was van begin van uitvoering.
Gelet hierop, kan niet worden bewezen dat sprake was van het medeplegen van poging tot invoer van cocaïne, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde.
De genoemde gedragingen leveren naar het oordeel wel strafbare voorbereidingshandelingen op voor de invoer van cocaïne in Nederland. Derhalve acht het hof op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en de hiervóór beschreven feitelijke gang van zaken en gedragingen bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij ieders intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht was, opzettelijk de invoer in Nederland van ongeveer 76 kilo cocaïne hebben voorbereid.
Dat betekent dat het hof het onder 2 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne daarom wettig en overtuigend bewezen acht.
Voor zover de raadsman heeft bedoeld te bepleiten dat geen sprake zou zijn van medeplegen vanwege de geringe betrokkenheid van [verdachte] , overweegt het hof dat naar het oordeel van het hof, blijkens de hierboven opgenomen bewijsoverweging onder ‘Betrokkenheid en opzet’ alsmede de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, sprake is van een materiële alsook een intellectuele bijdrage van voldoende gewicht om medeplegen van het voorbereiden van de invoer van cocaïne bewezen te kunnen verklaren.
Voor het overige vinden de gevoerde bewijsverweren reeds hun weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen en de voorgaande bewijsoverwegingen, zodat deze geen nadere bespreking behoeven.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit geen enkel bewijsmiddel wetenschap van de verdachte blijkt ten aanzien van hetgeen zich bevond in de balken in de bodem van de container die op dat moment volgeladen met meubelen in de haven van [plaats] (Colombia) stond. Noch blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij de geprepareerde container met daarin cocaïne.
Het hof heeft vastgesteld dat op 11 november 2015 in Colombia in een container met meubels, bestemd voor Groenendael, een hoeveelheid cocaïne werd aangetroffen. Dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van de container heeft het hof afgeleid uit onder meer de omstandigheden dat:
- in de weken voor de vangst de verdachte en [medeverdachte 1] druk bezig zijn geweest met de import van meubels en het regelen van een loods;
- de meubels door hen ‘kringlooptroep’ worden genoemd vanwege de geringe waarde;
- [betrokkene 5] door hen naar [plaats in Belgie] werd gestuurd om onder meer geld voor de lading in ontvangst te nemen;
- de verdachte en [medeverdachte 1] over de trip van [betrokkene 5] spreken en [betrokkene 5] zelfs door de verdachte in de gaten wordt gehouden;
- de verdachte op zoek is gegaan naar poten voor onder de container, terwijl de cocaïne uiteindelijk in de bodem van de container is aangetroffen en de foeilelijke/onverkoopbare meubels niet een aanzienlijke investering in poten rechtvaardigen;
- de verdachte eerder met [medeverdachte 1] betrokken was bij de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne (het onder 1 bewezenverklaarde feit).
Uit het voorgaande heeft het hof wat mij betreft kunnen afleiden dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van het feit dat cocaïne in de container verstopt zat. Het eerdere transport waarbij de verdachte betrokken was in combinatie met de intensieve bemoeienis van de verdachte rondom de invoer van de meubelen, die volgens de verdachte zelf bijna niets waard zijn, is hierbij voor mij doorslaggevend.
Ten tweede wordt geklaagd dat het hof het verweer aangaande de onbetrouwbaarheid van de gegevens m.b.t. de container, de hoeveelheid pakketten met cocaïne die worden vermeld in het rapport van de politie in Colombia en de gegevens met betrekking tot de overschrijding van de termijn voor het testen en het aanleveren van onderzoeksmateriaal aan het laboratorium in Colombia heeft verworpen zonder daartoe genoegzaam redenen op te geven.
De feitenrechter geniet een grote mate van vrijheid wat betreft de selectie en waardering van het bewijs. Hij hoeft beslissingen hieromtrent niet te motiveren, tenzij door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt ingenomen ten aanzien van het gebezigde bewijsmateriaal. De verstrekkendheid van de motiveringsplicht hangt af van de indringendheid van de argumenten. Niet op elk deel van de argumentatie hoeft te worden ingegaan.
Het hof heeft overwogen waarom het feit dat in het dossier verschillende aanduidingen voor de container worden vermeld (‘HXLU’, ‘HLU’ en ‘HLXU’) niet afdoet aan de betrouwbaarheid van het rapport van de Colombiaanse autoriteiten. In dit verband heeft het hof overwogen dat de verschillende aanduidingen het gevolg zijn van een verschrijving en het steeds over dezelfde container gaat (namelijk ‘HLXU’). Ik vind dit oordeel niet onbegrijpelijk. Het strookt ook met de tapgesprekken van 12 november 2015 waaruit blijkt dat de verdachte en [medeverdachte 1] spreken over het feit dat de container die zij wilden verschepen in Colombia werd vastgehouden.
Op het verweer omtrent de termijnen die gelden voor het aanleveren van onderzoeksmateriaal aan het laboratorium in Colombia is het hof, anders dan de steller van het middel aanvoert, wel degelijk ingegaan. Het hof heeft in dit verband overwogen dat zonder nadere onderbouwing niet valt in te zien waarom dit de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten zou aantasten. Dit oordeel vind ik niet onbegrijpelijk en tot een nadere motivering hieromtrent was het hof mijns inziens niet gehouden.
Het middel faalt.
5. Het vierde middel
Het vierde middel bevat de klacht dat het hof het onder 5 subsidiair bewezenverklaarde ontoereikend heeft gemotiveerd.
Ten laste van de verdachte is onder 5 subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 december 2015 tot en met 21 december 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 1015 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers heeft hij/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:
- telefoongesprekken gevoerd en/of een of meer telefonische berichten verstuurd met betrekking tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en
- met een of meer personen contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en
- een of meer betaling(en) (laten) verricht(en) ten behoeve van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en
- met personen op internet gezocht naar een opslagloods ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne).”
Het arrest bevat onder meer de volgende bewijsoverwegingen:
“3. Feit 5 (zaaksdossier [plaats] )
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden conform de bewezenverklaring van de rechtbank.
Standpunt verdediging
[…]
Ten aanzien van de onder 5 subsidiair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen daartoe heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit, nu het enkele zoeken op internet naar loods zonder te weten waarvoor en zonder resultaat, niet als voorbereidingshandeling voor de invoer van cocaïne kan worden gezien.
Oordeel hof
Het hof volgt hierna grotendeels de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld
Het hof overweegt als volgt.
Opzet
Feiten
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde tot de volgende vaststellingen.
Half december 2015 krijgt [medeverdachte 1] de opdracht van [medeverdachte 3] om een loods te gaan zoeken in de buurt van [plaats] . [medeverdachte 1] moppert daar wat over richting [verdachte] , want hij wil eerst die andere zooi opruimen. [verdachte] zegt: [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) heeft dus wel gezegd dat ie door wil en dat wil ie ook snel.
Desalniettemin gaat [medeverdachte 1] op maandag 14 december 2015 aan de slag en schakelt [betrokkene 21] in om hem te helpen een loods én een chauffeur te zoeken.
Er is grote haast bij en de loods wordt snel geregeld op vrijdag 18 december 2015. In het weekend van 19 en 20 december 2015 houden [medeverdachte 1] en [betrokkene 21] zich intensief bezig met het coachen en begeleiden van de geregelde chauffeur. De chauffeur rijdt zondag 20 december 2015 met een witte MAN-trekker met een leeg containerchassis vanuit [plaats] naar [plaats in Belgie] . Aldaar wordt hij opgevangen en begeleid door [betrokkene 13] . De volgende ochtend wordt de chauffeur door [betrokkene 13] naar een parkeerplaats gebracht waar een andere trailer wordt aangekoppeld. De chauffeur vertrekt met een bijrijder en rijdt naar de door [medeverdachte 1] gehuurde loods in [plaats] . Onderweg wordt de combinatie opgewacht door [betrokkene 14] en [medeverdachte 3] . Zij rijden daarna de vrachtwagen voorbij.
In [plaats] valt de politie de loods binnen op het moment dat men de oplegger net aan het uitladen is. De complete container is door de scanner gehaald en er werden in twee pallets blokken met opdruk aangetroffen, er zat witte substantie in. Het bleek cocaïne te zijn.
[medeverdachte 1] is die middag en dus snel na het aanhouden van de uithalers op de hoogte. [verdachte] wilde om 10.04 uur al weten of [medeverdachte 1] de chauffeur te pakken had gekregen. Later die middag stuurt [medeverdachte 1] [betrokkene 21] naar de loods om foto’s te maken, omdat ‘ze’ dat gevraagd hebben.
Gebruiken namen anderen
[medeverdachte 1] en [verdachte] noemen sommige personen consequent niet bij hun eigen naam, maar gebruiken zelf wel de naam van hun bekende anderen om zelf buiten beeld te blijven, bijvoorbeeld [betrokkene 22] . In een reeks gesprekken van 14 december 2015, die [medeverdachte 1] voert omdat men op zoek is naar een loods, wordt [medeverdachte 1] op de één op één lijn gebeld die hij gebruikt wanneer hij contact heeft met [betrokkene 21] . Hij wordt gebeld door een [betrokkene 23] . [medeverdachte 1] maakt zich bekend als [betrokkene 8] . Hij probeert een afspraak te maken en zegt dat hij ook zijn compagnon wel kan sturen. [betrokkene 23] vraagt wat de naam is van die compagnon. [medeverdachte 1] zegt dat die [betrokkene 22] van [S] heet. [medeverdachte 1] zegt dat hij hem wel even zal bellen en belt tien minuten later met [betrokkene 21] en vraagt hem of hij de volgende dag even kan gaan kijken. Vier minuten later belt [medeverdachte 1] als [betrokkene 8] terug naar [betrokkene 23] en bevestigt de afspraak en de naam [betrokkene 8] [betrokkene 5] . Hij zegt vervolgens dat de eigenaar zelf, [betrokkene 22] , morgen komt kijken.
Inloggegevens e-mail
[medeverdachte 1] beschikt over de inloggegevens voor de e-mail van alle bedrijven die hij gebruikt om uit zicht te blijven, onder andere van [S] .
In een in zijn laptop aangetroffen notitie verwijderde notitie van 20 juni 2015 met ‘dingen die voor volgende week geregeld moeten worden’ staat onderaan: ‘laptop met telefoonkaart zodat ik overal online ben voor mails alle bedrijven’.
Geen pottenkijkers
[medeverdachte 1] en [verdachte] hechtten er waarde aan dat de locaties waar de goederen zouden worden ontvangen uit het zicht waren. Dit gold ook voor de loods die [betrokkene 21] op 15 december 2015 bezocht in [plaats] voor het transport Ananassap. [medeverdachte 1] belt op 15 december 2015 meerdere malen met [betrokkene 21] en wil van hem weten of het druk is bij de loods, waar de ingang is en of er ramen zijn. Desgevraagd geeft [betrokkene 21] aan dat het helemaal afgesloten wordt, potdicht.
Blijkens de in de gebezigde bewijsmiddelen opgenomen taps houdt [medeverdachte 1] [verdachte] op de hoogte van de gang van zaken. Hij vertelt hem over de afspraak bij de loods in [plaats] . [verdachte] vraagt of er wel een goede marge op zit.
Op 18 december 2015 om 19.49 uur wordt het volgende gesprek gevoerd tussen [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) en [verdachte] ( [verdachte] ):
[verdachte] : Maar het gaat allemaal lekker zonder te ver in details te gaan, want dat is voor de boekhouding, maar gaat het goed?
[medeverdachte 1] : Zoals het goed uitziet wordt het een druk weekend. Ik had van de week al gemeld dat ik van het weekend een hoop moest gaan regelen.
[verdachte] : Als ik wat over moet pakken, moet je het maar zeggen. Dat weet je ik laat jou gaan tot je zegt nu groeit te boven mijn hoofd. Dan zeg je het maar en dan spring ik er net zo gemakkelijk ook bij. Samen uit samen thuis he jongen dat weet je.
[medeverdachte 1] : Ja jawel, maar laat die [betrokkene 21] maar lekker, ik heb hem vol aan het werk zetten nu.
[medeverdachte 1] : Ja ik ben nu nog even druk met dingen aan het regelen. Maar alles staat of valt met dit weekend een eigenlijk een beetje. En dat is dan wel niet van ons, maar daar lopen wij in mee natuurlijk.
[verdachte] : Ja snap ik helemaal, laat het maar lekker komen.
Uit bovenstaande vaststellingen volgt naar het oordeel van het hof dat [verdachte] wel degelijk op de hoogte was van het transport van cocaïne naar [plaats] dat op 21 december 2015 zou plaatsvinden. Dat wordt ook bevestigd door een telefoontje van [verdachte] naar [medeverdachte 1] op 21 december 2015 in de ochtend, de dag waarop de lading in [plaats] zou arriveren, waarin [verdachte] aan [medeverdachte 1] vraagt of hij de chauffeur al te pakken heeft gehad. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking, dat [medeverdachte 1] en [verdachte] ook in juli 2015 waren betrokken bij de invoer van grote hoeveelheden cocaïne in Nederland, in een door [A] geregelde zending bananen (zie feit 1, zaaksdossier Bananen) en in oktober/november bij het medeplegen van voorbereidingshandelingen om cocaïne in te voeren vanuit Colombia (zie feit 2, zaaksdossier [naam 6] ).
[…]
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde
Het zoeken naar een loods voor de getransporteerde lading kan naar het oordeel van het hof wel worden aangemerkt als een voorbereidingshandeling voor de invoer van cocaïne. In combinatie met de door [medeverdachte 1] verrichte gedragingen zoals die uit de bewijsmiddelen blijken, was bij het voorbereiden van die invoer naar het oordeel van het hof sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden, waarbij ieders intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht was. Het hof acht het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in de tenlastelegging dan ook wettig en overtuigend bewezen zoals hiervóór onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ is vermeld.
Het hof acht op grond van het hiervoor overwogene wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen. Hieruit blijkt immers niet dat de verdachte enige wezenlijke intellectuele of materiële bijdrage heeft geleverd aan de voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Zo blijkt niet dat hij heeft gezocht naar een locatie voor de loods. Ook de tot het bewijs gebezigde tapgesprekken zijn onvoldoende. Hieruit blijkt immers enkel dat [medeverdachte 1] aan de verdachte meedeelt dat een relatie kennelijk een pand zoekt bij [plaats] (dan wel tussen [plaats] en België). Ook blijkt nergens uit dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne in de lading. Het zoeken op internet zonder enig resultaat kan bezwaarlijk worden aangemerkt als een gedraging van voldoende gewicht om als een intellectuele en/of materiele bijdrage te kunnen worden aangemerkt.
Uit de bewijsvoering en bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] op 14 december aan de slag is gegaan om namens [medeverdachte 3] een loods te gaan zoeken in de buurt van [plaats] . Hij schakelt hierbij de hulp in van [betrokkene 21] . Samen zijn zij, allebei onder een valse naam, bij de loods die uiteindelijk is gehuurd, gaan kijken. [medeverdachte 1] heeft voor deze bezichtiging aan [betrokkene 21] op 15 december gevraagd of de loods druk is en of deze ramen heeft. [betrokkene 21] heeft daarop geantwoord dat de loods potdicht is (bewijsmiddel 17 voor feit 5). Ook heeft de medeverdachte, weer via [betrokkene 21] , een chauffeur geregeld. Op de dag van het transport wordt gesproken over de chauffeur tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 21] , onder meer over waar de chauffeur in [plaats in Belgie] moet zijn. In [plaats in Belgie] wordt de chauffeur opgevangen en begeleid door [betrokkene 13] . De volgende ochtend wordt de chauffeur door [betrokkene 13] naar een parkeerplaats gebracht waar een andere trailer wordt aangekoppeld, waarna de chauffeur met een bijrijder naar de door [medeverdachte 1] gehuurde loods in [plaats] is gereden. Onderweg werd de combinatie opgewacht door [betrokkene 14] en [medeverdachte 3] , die daarna de vrachtwagen voorbijreden. In [plaats] is de politie de loods binnengevallen op het moment dat men de oplegger net aan het uitladen was. Even na de aanhouding weet [medeverdachte 1] hiervan en stuurt hij [betrokkene 21] naar de loods om foto’s te maken.
De bijdrage van de verdachte ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde is beperkt gebleven tot het op internet zoeken naar een loods. Dit blijkt, anders dan de steller van het middel beweert, uit de bewijsmiddelen (31 en 32 voor feit 5):
“31. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een (handgeschreven) verklaring van [verdachte] , gedateerd juli 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bron I, p. 1272):
[medeverdachte 1] belde ook naar [plaats] voor kantoorruimte, opslagruimte en dergelijke. Hij vroeg dan of wij op Funda wilden zoeken in een bepaalde plaats of omgeving, zo is dit ook exact gegaan in het geval van [plaats] . Wij hadden hier in [plaats] veel werk aan steeds.
32. Een proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bron I, p. 1309, 1310):
p. 1309 U houdt mij voor dat uit opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken in de periode van 14 december 2015 tot en met 20 december 2015 het vermoeden is ontstaan dat [medeverdachte 1] samen met [betrokkene 21] bezig waren met het regelen van een loods in [plaats] . Daar heb ik iets over gehoord. Volgens mij heeft hij ook nog aan ons gevraagd om er mee te helpen. [medeverdachte 1] belde ons vaak op dat hij een vriendje had die een loods nodig had. Wij gingen die dan zoeken.
p. 1310 U vraagt mij welke personen betrokken waren bij het zoeken van een loods in [plaats] . Er werd een verzoek gedaan door [medeverdachte 1] om voor een bevriende partij behulpzaam te zijn. Ons werd gevraagd om op internet te zoeken naar beschikbare loodsen in de omgeving. Het was een situatie waarin iedereen behulpzaam was. [betrokkene 8] , [betrokkene 24] en ik. We hebben allemaal gezocht naar een loods.”
De vraag die de steller van het middel opwerpt, is of dit een bijdrage van voldoende gewicht is aan het voorbereiden van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen. Ik meen van wel. De relevante voorbereidingshandeling is hier het zoeken van een loods voor de opslag van de cocaïne. Ik wijs erop dat blijkens art. 10a lid 1 onder 2 van de Opiumwet enkel het “trachten” een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen reeds strafbaar is. De opslag van cocaïne valt, zo volgt uit art. 1 lid 4 Opiumwet, onder het binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen bedoeld in art. 2 onder a Opiumwet. Dat niet kan worden vastgesteld dat het zoekwerk van de verdachte heeft geleid tot het vinden van de loods die uiteindelijk is gebruikt, doet, gezien het voorgaande, niet af aan de bewezenverklaring. De verdachte heeft blijkens zijn eigen verklaring met anderen samengewerkt om dit middel (de loods) ter beschikking te stellen en daarmee een bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan de invoer. Ik wijs er ten overvloede op dat, nu het – ook gezien de eerdere transporten – gaat om een gezamenlijk plan cocaïne in te voeren, de materiële bijdrage van de verdachte meer op de achtergrond komt te liggen en het vooral gaat om de intentionele samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Die intentionele samenwerking kan mijns inziens duidelijk worden afgeleid uit de bewijsvoering.
Dit geldt ook voor de wetenschap van de verdachte. Gezien de eerder onderschepte transporten en het feit dat de verdachte blijkens de tapgesprekken wist dat [medeverdachte 1] in de weer was om een loods te regelen en ook refereert aan de chauffeur (zowel op 16 als 21 december 2015) kon het hof oordelen dat de verdachte ook wetenschap had van het transport van cocaïne op die datum.
6. Slotsom
Het eerste middel slaagt. Het tweede, derde en vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik, naast hetgeen ik in randnummer 2.3 van deze conclusie heb opgemerkt, geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de uitspraak van het hof aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG