ECLI:NL:PHR:2026:754

ECLI:NL:PHR:2026:754

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 03-08-2026
Zaaknummer 26/01641
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Executieuitlevering naar Brazilië. Eerste middel bevat falende klacht over genoegzaamheid stukken. Tweede middel klaagt terecht dat mogelijkheid om in verzoekende staat herzieningsverzoek in te dienen uitleveringsrechter niet ontslaat van verplichting om te beslissen over vraag of bij totstandkoming van strafvonnis schending van art. 6 lid 1 EVRM heeft plaatsgevonden, maar leidt niet tot cassatie nu rechtbank verweer slechts had kunnen verwerpen. Derde middel bevat falende klacht over verwerping beroep op voltooide schending art. 3 EVRM. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/01641 U

Zitting 18 augustus 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[de opgeëiste persoon],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de opgeëiste persoon.

1. Inleiding

Bij uitspraak van 24 april 2026 heeft de rechtbank Noord-Holland de uitlevering aan Brazilië van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard tot tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraken van

- het Federale Hof van Beroep van het 2e rechtsgebied van Espirito Santo met zaaknummer 0012986-79.2007.4.02.5001 en

- het Hof van Justitie van de Staat Espirito Santo met zaaknummer 0039405.21.2013.8.08.0024, voor zover deze betrekking heeft op de veroordeling ter zake van drugshandel

en de uitlevering voor het overige ontoelaatbaar verklaard.

Namens de opgeëiste persoon hebben W.R. Jonk en A.C.M. van Dijk, beiden advocaat in Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

Het eerste middel bevat de klacht dat het oordeel van de rechtbank om de stukken genoegzaam te achten voor wat betreft de ter zitting aan de verdediging verstrekte wetsbepalingen en het verzoek van de verdediging aan de rechtbank om de officier van justitie te verzoeken hieromtrent nadere informatie in te winnen bij de verzoekende staat af te wijzen, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting althans niet voldoende begrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

Het proces-verbaal van de zitting van 13 april 2026 houdt, voor zover hier van belang, in:

De officier van justitie voert het woord

Ten aanzien van het verzoek tot uitlevering in verband met politieonderzoek en een strafrechtelijke procedure zijn geen stukken overgelegd, waardoor ik vandaag enkel vorder het verzoek toelaatbaar te verklaren met betrekking tot het tenuitvoerleggen van de straffen in de zaken met de nummers eindigend op 0024 en 5001, zoals zojuist door de voorzitter genoemd. De zaak met nummer 0016013-53.2008.8.08.0048 is verjaard, waardoor ten aanzien van deze zaak niet om uitlevering wordt gevraagd. Vanmorgen heb ik een e-mail naar uw rechtbank gestuurd, waarin de wetsartikelen vermeld staan, de zogenaamde ‘criminal charges’, waar de opgeëiste persoon voor is veroordeeld.

[…]

De griffier stuurt de e-mail van de officier van justitie van 12 april 2026 naar de raadsman door.

De voorzitter geeft aan dat de raadsman alle opmerkingen en vragen aan de orde kan stellen.

De raadsman voert het woord aan de hand van een pleitnotitie. Een kopie van de pleitnotitie bevindt zich in het digitale dossier.

De raadsman voert in aanvulling daarop nog het volgende aan:

[…]

Ten aanzien van punt 10 en 11 van de pleitnota: ik heb nu een e-mail van de officier van justitie ontvangen met een Engels stuk waarvan we moeten aannemen dat het de wetsbepalingen zijn. De herkomst van die stukken in de e-mail in onduidelijk. De stukken moeten via de diplomatieke wijze worden verstrekt. In de e-mail staan ook wetsartikelen van een verjaard vonnis. Het betreft een onduidelijke e-mail en er moeten hierover vragen aan Brazilië worden gesteld.

[…]

De officier van justitie voert het woord:

[…]

Op de vraag van de voorzitter kan ik antwoorden dat ik van mening ben dat er aan Brazilië niet om verduidelijking hoeft te worden gevraagd over de verstrekte wetsartikelen (the Criminal Charges). De artikelen zijn via de Braziliaanse Ambassade verstrekt.”

De rechtbank heeft overwogen:

“3.3 De genoegzaamheid van de stukken

Het verzoek is schriftelijk gedaan en rechtstreeks toegezonden aan de minister. De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van ongenoegzaamheid der stukken, omdat de herkomst van de door de officier van justitie gestuurde e-mail met daarin de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften onduidelijk is.

De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat de in het Engels vertaalde wetsartikelen via de Braziliaanse ambassade in Nederland, en aldus via diplomatieke wijze, verkregen zijn.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat aan de vereisten van artikel 18 UW is voldaan en dat de stukken dan ook genoegzaam zijn.”

Het onderhavige verzoek is gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Dit betekent ingevolge art. 51a lid 3 jo. lid 2 Uitleveringswet (verder ook wel: UW) dat – nu geen ander uitleveringsverdrag van toepassing is – de bepalingen van de Uitleveringswet en het Europees Verdrag betreffende uitlevering (verder: EUV) bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek in acht moeten worden genomen.

Art. 28 lid 2 UW luidt:

Bevindt de rechtbank

hetzij dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken niet voldoen aan de vereisten omschreven in artikel 18, of aan nadere vereisten gesteld in het toepasselijke verdrag,

hetzij dat het verzoek tot uitlevering niet voor inwilliging vatbaar is,

hetzij dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd,

dan verklaart zij bij haar uitspraak de uitlevering ontoelaatbaar.”

Art. 18 lid 3 UW luidt:

“Het verzoek moet vergezeld gaan van:

a. het origineel of een authentiek afschrift

hetzij van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis,

hetzij van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft,

een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

b. een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, met een zo nauwkeurig mogelijke vermelding van de tijd en de plaats waarop deze zijn begaan;

c. de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften of, voorzover ongeschreven recht van toepassing is, een voor de beoordeling van het verzoek voldoende verklaring omtrent de inhoud van dat recht;

d. de gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van de identiteit van de opgeëiste persoon en – in geval van mogelijke twijfel daaromtrent – van zijn nationaliteit.”

Art. 12 lid 2 EUV luidt:

Tot staving van het verzoek dienen te worden overgelegd:

(a) het origineel of een authentiek afschrift, hetzij van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, hetzij van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij;

(b) een overzicht van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht. De tijd en plaats, waarop de feiten begaan zijn, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen dienen zo nauwkeurig mogelijk te worden vermeld; en

(c) een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen of, indien zulks niet mogelijk is, een verklaring aangaande het toepasselijke recht, alsmede een zo nauwkeurig mogelijk signalement van de opgeëiste persoon, en alle andere inlichtingen die van belang zijn om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen.”

Bij de gedingstukken bevindt zich het uitleveringsverzoek met bijlagen. Het uitleveringsverzoek is op basis van een naar de rechtbank verstuurde e-mail van de officier van justitie aangevuld met een Engelse vertaling van de tekst van de toepasselijke wetsartikelen. De officier van justitie heeft verklaard dat deze artikelen door de Braziliaanse ambassade zijn verstrekt.

Met de rechtbank meen ik dat in de onderhavige zaak aan het vereiste van art. 18 lid 3 onder c UW is voldaan en dat er op dit punt geen reden was de Braziliaanse autoriteiten om nadere inlichtingen te vragen. De Engelse vertaling van de wetsbepalingen is opgenomen in de bijlage bij de e-mail van de officier van justitie en is ook ter beschikking gesteld aan de verdediging. Een beëdigde vertaling daarvan wordt noch door art. 18 UW, noch door art. 12 lid 2 EUV vereist. De betrouwbaarheid is voldoende gewaarborgd door de opmerking van de officier van justitie dat de wetsartikelen door de Braziliaanse ambassade zijn verstrekt. Bovendien zijn de bepalingen eenvoudig via openbare bronnen te controleren (de toepasselijke wetsartikelen zijn immers in het uitleveringsverzoek genoemd), zodat ook voor de verdediging voldoende mogelijkheid bestond deze te controleren, had zij dit gewenst.

Het middel faalt.

3. Het tweede middel

Het tweede middel bevat de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een herstelbare schending van art. 6 EVRM, omdat de opgeëiste persoon nog niet alle rechtsmiddelen heeft uitgeput van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel dat dit oordeel niet begrijpelijk is althans onvoldoende is gemotiveerd.

De rechtbank heeft omtrent het verweer inzake art. 6 EVRM het volgende overwogen:

“3.7. Flagrante schending(en) recht op een eerlijk proces artikel 6 EVRM

Volgens de raadsman is de veroordeling van de opgeëiste persoon in zaak 0024 het gevolg

van meerdere flagrante schendingen van het recht op een eerlijk proces als bedoel in artikel 6

EVRM. Om deze reden dient de uitlevering volgens de raadsman ontoelaatbaar te worden

verklaard.

De rechtbank stelt voorop dat wanneer het gaat om een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, het aan de uitleveringsrechter is te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden.

In onderhavige zaak is namens de opgeëiste persoon middels een verzoek van 9 januari 2026 aan het Hof van Justitie in Espirito Santo in Brazilië verzocht het veroordelend vonnis te herzien. Door de raadsman is aangegeven dat reeds verzocht is tot plaatsing van het verzoek op de zittingsrol en dat het verzoek binnen afzienbare tijd inhoudelijk zal worden behandeld. In de procedure zal onderzocht worden of sprake is van een, namens de opgeëiste persoon gestelde, schending van artikel 6 EVRM.

Gezien bovenstaande is het niet uitgesloten dat Brazilië nog een herstelmogelijkheid heeft na een schending van art 6 EVRM. In het kader van een dergelijke herstelmogelijkheid kan de opgeëiste persoon alsnog een eerlijk proces krijgen in Brazilië.

De rechtbank is daarom van oordeel, nu de opgeëiste persoon de nationale rechtsmiddelen nog niet heeft uitgeput, de schending niet is voltooid”.

In zijn overzichtsarrest omtrent het beroep op mensenrechtenschendingen in uitleveringsprocedures heeft de Hoge Raad overwogen:

“3.6. Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in art. 6 EVRM zijn toegekend, geldt het volgende.

A. Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid, een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders indien het gaat om een beroep op een flagrante inbreuk op art. 14, eerste lid, IVBPR. Het gaat hier dus om een beroep op een voltooide flagrante schending van voormelde verdragsbepaling(en).”

In de onderhavige zaak heeft de rechtbank niet beslist over de vraag of in de zaak die tot de veroordeling in de zaak met zaaknummer 0039405.21.2013.8.08.0024 heeft geleid een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM, omdat in de onderhavige zaak namens de opgeëiste persoon middels een verzoek van 9 januari 2026 aan het Hof van Justitie in Espirito Santo in Brazilië is verzocht het veroordelend vonnis te herzien.

Uit de door de Braziliaanse autoriteiten overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de uitlevering wordt gevraagd voor de tenuitvoerlegging van twee strafvonnissen die voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn, waaronder het strafvonnis met het zaaknummer eindigend op 0024. Uit die stukken blijkt immers dat de tenuitvoerlegging van deze strafvonnissen al was aangevangen, maar dat de opgeëiste persoon toen hij tijdelijk vrij was onder elektronische controle, het contact op 3 januari 2024 heeft afgebroken. Daarmee moet worden aangenomen dat de strafvonnissen naar Braziliaans recht onherroepelijk zijn en dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. Kennelijk staat in Brazilië, net als in Nederland, in zo’n geval nog wel het bijzondere rechtsmiddel van herziening open.

De vraag is of dit de uitleveringsrechter ontslaat van zijn verplichting om te beslissen over de vraag of bij de totstandkoming van het strafvonnis met het zaaknummer eindigend op 0024 enig in art. 6 lid 1 EVRM gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad zie ik daarvoor geen ruimte. Maatgevend is of in de zaak die tot de veroordeling heeft geleid enig in art. 6 lid 1 EVMR gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden en een beroep op de dergelijke schending wordt door de Hoge Raad aangemerkt als een beroep op een voltooide flagrante schending van voormelde verdragsbepaling. Nu het bij een uitlevering ter tenuitvoerlegging altijd moet gaan om een voor tenuitvoerlegging vatbaar rechterlijk vonnis, is dat niet verwonderlijk.

Gezien het voorgaande meen ik dat de overweging van de rechtbank dat de opgeëiste persoon vanwege een lopend herzieningsverzoek de nationale rechtsmiddelen nog niet heeft uitgeput en dat daarom geen sprake is van een voltooide schending van art. 6 EVRM getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel is terecht voorgesteld.

Tot cassatie hoeft dit evenwel niet te leiden, omdat de rechtbank het verweer slechts had kunnen verwerpen. Ik licht dit toe.

Het verweer dat de raadsman ter zitting heeft gevoerd ten aanzien van de schendingen van art. 6 EVRM in de zaak met zaaknummer eindigend op 0024 houdt in dat:

i) de rechter gebruik heeft gemaakt van een onder dwang verkregen verklaring;

ii) in strijd met Braziliaans recht het medisch onderzoek naar zijn mishandeling door de politie niet aan het dossier is toegevoegd;

iii) de doorzoeking van zijn woning heeft plaatsgevonden zonder geldige machtiging;

iv) hij is verhoord zonder bijstand van zijn advocaat;

v) de rechtbank gebruik heeft gemaakt van tegenstrijdige en (deels) anonieme verklaringen van politieagenten;

vi) behandeling van de zaak ter terechtzitting heeft plaatsgevonden zonder advocaat, althans slechts met een advocaat die door de rechtbank is aangesteld en die geen overleg met de opgeëiste persoon heeft gehad.

De claim dat de verdachte tijdens zijn verhoor is mishandeld door de politie is door de rechtbank behandeld in het kader van het verweer dat art. 3 EVRM is geschonden door de Braziliaanse autoriteiten. Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt met betrekking tot deze claim:

“De raadsman heeft aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard, omdat sprake is van een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM. Volgens de raadsman is de opgeëiste persoon tijdens het politieverhoor in de zaak met nummer 0024 fysiek en psychisch mishandeld door de verhorende ambtenaren en heeft hij onder deze druk een bekennende verklaring afgelegd. Hierbij is verwezen naar een passage uit het vertaalde strafvonnis (procesdossier deel I, p. 30) waarin vermeld staat dat de opgeëiste persoon ontkende dat het wapen van hem was en heeft verklaard dat hij fysiek en mentaal geweld had ondergaan om een bekennende verklaring af te moeten leggen. Verder is door de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon na het afleggen van de bekennende verklaring is onderzocht door een medisch instituut voor letselonderzoek, maar dat het door dit instituut opgestelde rapport niet aan de opgeëiste persoon is verstrekt Dit benadrukt volgens de raadsman de stelling dat de opgeëiste persoon is mishandeld.”

Zoals ik bij de bespreking van het derde middel zal toelichten, is de daarop volgende verwerping van het verweer betreffende schending van art. 3 EVRM niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dit brengt mee dat van een art. 6 EVRM-schending door het gebruik van de verkregen verklaring tot het bewijs geen sprake kan zijn en de rechtbank het verweer betreffende de onder i) gestelde schending slechts had kunnen verwerpen. Daarnaast merk ik op dat het veroordelend vonnis van de Braziliaanse rechter dat zich bij het uitleveringsverzoek bevindt zo kan worden gelezen dat de rechter zijn bekennende verklaring niet tot het bewijs heeft meegewogen, maar dat ander bewijs, waaronder de verklaring van de politieagenten die de verdachte op heterdaad hebben aangehouden, doorslaggevend is geweest. Ik citeer:

De verdachte, gehoord tijdens de onderzoeksfase, op blz. 15/16, bekende de eigenaar te zijn van het in beslag genomen pistool, waarbij hij verklaarde dat hij een bedrag van R$ 6.000,00 (zesduizend reais) had betaald. Echter, tijdens het proces, op blz. 357/358, ontkende hij dat het wapen van hem was, en verklaarde dat hij fysiek en mentaal geweld had ondergaan om dergelijke verklaringen af te leggen (bekentenis).

Ondanks de herroeping van de verdachte, geloof ik dat de verklaringen van de politieagenten voldoende bewijzen zijn om een veroordeling voor het misdrijf van illegaal wapenbezit te rechtvaardigen, aangezien ze in overeenstemming zijn met het geheel van bewijsmateriaal.”

Ten aanzien van de onder ii, iii en iv genoemde schendingen merk ik op dat die, zelfs als de rechtbank die zou hebben kunnen vaststellen, nog geen flagrante schending van art. 6 lid 1 EVRM opleveren.

Voor zover het gaat om de onder v) genoemde schending, die inhoudt dat in het veroordelende vonnis gebruik is gemaakt van tegenstrijdige en (deels) anonieme verklaringen van politieagenten, merk ik het volgende op. Voor deze schending heeft de raadsman ter zitting slechts in algemene zin verwezen naar het bij de pleitnota gevoegde herzieningsverzoek van 9 januari 2026. Dat verzoek bevat een overzicht van vermeende tegenstrijdigheden tussen verschillende verklaringen, waaruit vervolgens de conclusie wordt getrokken dat er geen solide en consistent bewijs is om een veroordeling voor drugshandel en illegaal wapenbezit te rechtvaardigen. De veroordelende rechter heeft daar, gelet op zijn onder 3.12 van deze conclusie weergegeven overwegingen, anders over gedacht. Op grond van hetgeen in het herzieningsverzoek naar voren wordt gebracht kan de onder v) genoemde schending naar mijn mening niet worden vastgesteld, zodat de rechtbank het beroep daarop slechts kon verwerpen.

Wat betreft het behandelen van de zaak zonder advocaat, althans slechts met een advocaat die door de rechtbank is aangesteld en die geen overleg met de opgeëiste persoon heeft gehad het volgende. Voor deze schending heeft de raadsman ter zitting ook slechts in algemene zin verwezen naar het bij de pleitnota gevoegde herzieningsverzoek van 9 januari 2026. In het herzieningsverzoek wordt dit meerdere malen genoemd, maar enig bewijs hiervan wordt niet geleverd. Ook het beroep op de onder vi) genoemde schending kon de rechtbank dus slechts verwerpen.

Tot slot wijs ik erop dat de opgeëiste persoon in het vonnis met zaaknummer eindigend op 0024 is veroordeeld wegens wapenbezit, valsheid in geschrift en drugshandel, maar dat de uitlevering ter tenuitvoerlegging van dit vonnis door de rechtbank slechts toelaatbaar is verklaard voor zover het betrekking heeft op de veroordeling ter zake van drugshandel. Die beperking is niet verwonderlijk, nu het uitleveringsverzoek is gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en art. 6 van dit verdrag slechts een basis biedt voor uitlevering wegens de in art. 3 lid 1 van dit verdrag genoemde feiten. Wapenbezit en valsheid in geschrift waarvoor de opgeëiste persoon ook is veroordeeld, vallen daar niet onder. Bij cassatie in verband met de onder i, ii en iii gestelde schendingen, die uitsluitend verband houden met de veroordeling wegens wapenbezit, heeft de opgeëiste persoon aldus onvoldoende belang.

Het middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.

4. Het derde middel

Het derde middel bevat de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM dan wel dat onvoldoende is onderbouwd dat de herzieningsprocedure in Brazilië dient te worden afgewacht en nadere vragen aan de Braziliaanse autoriteiten dienen te worden gesteld, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat dit oordeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

De rechtbank heeft naar aanleiding van het onder 3.11 van deze conclusie weergegeven verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard vanwege een voltooide schending van art. 3 EVRM overwogen:

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) over de bevoegdheidstoedeling in uitleveringszaken dient de uitleveringsrechter de verzochte uitlevering ontoelaatbaar te verklaren, als vast komt te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering is gevraagd sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten.

De rechtbank is echter van oordeel dat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken niet is komen vast te staan dat sprake is van een voltooide schending van artikel 3 EVRM. De eigen verklaring van de opgeëiste persoon hierover en een (als bijlage 4 aan de pleitnota aangehecht) afschrift van een schriftelijk verzoek tot letselonderzoek acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. Ook anderszins heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om (met voldoende mate van zekerheid) vast te kunnen stellen dat ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van een voltooide schending van de fundamentele rechten als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

De rechtbank ziet bij gebreke van een toereikende onderbouwing ook geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de herzieningsprocedure en evenmin om de officier van justitie opdracht te geven hierover vragen te stellen aan de Braziliaanse autoriteiten”.

Indien de verdediging aanvoert dat sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM moet de uitleveringsrechter beoordelen of voldoende is komen vast te staan dat dit het geval is. De maatstaf hierbij is aannemelijkheid. Indien de uitleveringsrechter tot de conclusie komt dat de gestelde schending voldoende is komen vast te staan, moet hij de uitlevering ontoelaatbaar verklaren.

De rechtbank heeft geoordeeld dat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken niet is komen vast te staan dat sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM. Anders dan de steller van het middel meent, heeft de rechtbank hiermee blijk gegeven, te hebben onderzocht of sprake is van een voltooide schending van art. 3 EVRM. Het is niet zo dat het achterwege laten van het opvragen van nieuwe informatie bij de Braziliaanse autoriteiten betekent dat van onderzoek naar de schending geen sprake is. Ik merk in dit verband ook op dat door of namens de opgeëiste persoon in het geheel niet concreet is gemaakt wat er precies is gebeurd tijdens zijn verhoor en waaruit de vermeende mishandeling precies heeft bestaan. Tegen deze achtergrond acht ik het oordeel van de rechtbank, dat verweven is met feitelijke waarderingen omtrent de zich in het dossier bevindende stukken, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

5. Slotsom

Het eerste en derde middel falen. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie. In ieder geval het eerste en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand