PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01023
Zitting 25 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 6 maart 2025 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2023 bevestigd, behalve ten aanzien van de kwalificaties van het in zaak A en in zaak B onder 1 subsidiair bewezenverklaarde en de strafoplegging en in zoverre opnieuw recht gedaan. Het hof heeft de verdachte wegens in zaak A, “enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt of wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd”, in zaak B onder 1 subsidiair “poging tot door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misleiding een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen en/of van hem te dulden” en onder 2 tweede cumulatief/alternatief “een afbeelding, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger is dan zestien jaar” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden als bedoeld in art. 14c Sr, zoals nader omschreven in het arrest.
Namens de verdachte heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, zeven middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van schending van het ambtsgeheim door de verdachte ontoereikend is gemotiveerd, omdat i) uit de bewijsoverwegingen van het door het hof bevestigde vonnis blijkt dat op het moment van het delen van de informatie over [betrokkene 1] het reeds algemeen bekend was dat de laatstgenoemde was aangehouden, zodat geen sprake was van een geheim en ii) het hof niet heeft gerespondeerd op het door de raadsvrouw van de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat hetgeen de verdachte aan informatie heeft gedeeld slechts bestond uit praatjes/geruchten die hij had gehoord op het politiebureau, zodat deze informatie geen geheim betrof als bedoeld in art. 7 Wet politiegegevens en verdachte niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze informatie geheim was en hij verplicht was dit geheim te bewaren.
Ten laste van de verdachte is in zaak A bewezenverklaard dat hij:
“in de periode 13 februari tot en met 16 februari 2022 te [plaats], een geheim waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt te weten surveillant bij de Politie [plaats] en/of wettelijk voorschrift, te weten artikel 7 van de Wet Politiegegevens, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, verdachte, aan personen, te weten een persoon genaamd [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] , informatie verstrekt over een persoon genaamd [betrokkene 1] , ook wel bekend onder de artiestennaam [naam 1] , terwijl die [betrokkene 1] zich op dat moment als arrestant/verdachte in het arrestantencomplex op het Hoofbureau van de politie te [plaats] bevond, inhoudende
- de aanwezigheid van die [betrokkene 1] als arrestant/verdachte in voornoemd cellencomplex en
- dat aldaar in voornoemde cellencomplex foto’s werden gemaakt van die [betrokkene 1] en
- informatie over de gemoedstoestand van die [betrokkene 1] in voornoemd cellencomplex, te weten dat die [betrokkene 1] niet wilde eten, moest huilen, spijt betuigde en (telkens) verzocht te mogen roken.”
De bewezenverklaring berust op de volgende op PROMIS-wijze weergegeven en door het hof overgenomen motivering (met weglating van voetnoten):
“4.1 Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op zondagavond 13 februari 2022 is [betrokkene 1] , wiens artiestennaam [naam 1] is, door de politie als verdachte aangehouden en naar het hoofdbureau van politie te [plaats] gebracht alwaar hij tot en met woensdagochtend 16 februari 2022 in het cellencomplex gedetineerd heeft gezeten.
Op dinsdagochtend 15 februari 2022 is tijdens de briefing door de politie besproken dat [betrokkene 1] niet wilde eten en emotioneel werd. En er zijn toen foto’s van hem gemaakt voor het vastleggen van zijn persoonsgegevens. De verdachte is surveillant van politie. Hij was naar eigen zeggen aan het werk in de periode dat [betrokkene 1] vastzat. Hij hoorde collega’s over [betrokkene 1] praten en hoorde een van hen zeggen dat [betrokkene 1] spijt had en dat hij aan het huilen was en dat hij niet at.
De verdachte heeft op 15 februari 2022 in de groepsapp met [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] het volgende bericht gestuurd: ‘'Echt mooi er zit net een collega te kijken bij de cellencomplexen en we zien [naam 1] (...) er tussen staan hahaha zijn nieuwe foto 's gemaakt ziet er doorheen uit! [naam 1] wilt helemaal vaak roken maar mag niet hahahaah"
Toen de verdachte was thuisgekomen van zijn werk, heeft hij met iemand genaamd [persoon 1] gechat. Tijdens dat gesprek kwam [naam 1] ter sprake. De verdachte heeft toen dingen over [naam 1] verteld. ‘ [persoon 1] ' heeft van dit gesprek een screenshot gemaakt. Het desbetreffende screenshot is op het juicekanaal ‘ [...] ‘ terechtgekomen. [persoon 1] heeft verklaard dat de verdachte haar na zijn dienst heeft geappt dat hij [naam 1] heeft gezien, dat die niet wilde eten en alleen maar zat te huilen.
De informatie die de verdachte heeft verstrekt, komt overeen met de loggingen uit het cellencomplex.
[…]
Het oordeel van de rechtbank
[…]
Ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde (schenden geheimhoudingsplicht)
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan schending van zijn geheimhoudingsplicht. Ter toelichting geldt het volgende.
Het ‘schenden’ van een geheim in de zin van artikel 272 Sr moet worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is. Bij de beoordeling of sprake is van het schenden van een geheim moet acht worden geslagen op onder meer de aard van de informatie alsook het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg. Het is niet vereist dat het geheim ook is toevertrouwd aan degene die het schendt.
Artikel 9 van de Ambtenarenwet 2017 houdt in dat de (gewezen) ambtenaar verplicht is tot geheimhouding van hetgeen hem in verband met zijn functie ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt. Artikel 9 van het Besluit algemene rechtspositie politie is een nadere bepaling ten opzichte van artikel 9 van de Ambtenarenwet 2017 ten aanzien van politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de politietaak en houdt onder meer in dat de politieambtenaar bij de aanvaarding van zijn ambt de eed aflegt dat hij de zaken, waarvan hij door zijn ambt kennis draagt en die hem als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan hij het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen. Verdachte heeft verklaard dat hij de ambtsbelofte heeft afgelegd.
Artikel 7 van de Wpg houdt in dat elke ambtenaar van politie verplicht is tot geheimhouding van de politiegegevens die hem of haar ter beschikking zijn gesteld. In artikel 1 van de Wpg wordt een politiegegeven gedefinieerd als elk persoonsgegeven (alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon) dat wordt verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Politiewet 2012.
Uitgangspunt van artikel 7 Wpg is dat een ieder is gehouden tot geheimhouding wanneer hij de beschikking krijgt over politiegegevens met betrekking tot derden. Dit geldt niet alleen voor personen die zijn belast met de verwerking van politiegegevens of die de gegevens direct van de politie hebben gekregen, maar ook voor eventuele tweede en volgende ontvangers, die de gegevens doorverstrekt hebben gekregen. Ook zij zijn aan de geheimhoudingsplicht gebonden. Dit betekent dat, in beginsel, de uit dit artikel voortvloeiende verplichting tot geheimhouding in de weg staat aan doorverstrekking van de gegevens.”
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gegevens die de verdachte over [betrokkene 1] heeft verstrekt geheim hadden moeten blijven. De gegevens gaan over een identificeerbare natuurlijke persoon, te weten [betrokkene 1] , dat hij vastzat in het cellencomplex, over zijn gemoedstoestand en dat er foto’s van hem werden gemaakt. Verdachte is in zijn hoedanigheid van medewerker van de politie tijdens zijn werk daarmee bekend geworden. Op dat moment was er alleen nog maar bekend dat [betrokkene 1] was aangehouden. De door de verdachte naar buiten gebrachte informatie is van meer specifieke en persoonlijke aard, en had daarom geheim moeten houden. De verdachte heeft bij zijn verhoor op 13 april 2022 op de vraag hoe hij met politie-informatie omgaat, geantwoord dat die informatie bij de politie hoort te blijven; anderen horen dat niet te weten. De politie moet daar heel scherp op zijn. Het gaat dan om informatie die andere mensen niet mogen weten, aldus de verdachte. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte ook wist dat hij zijn boekje te buiten ging.”
Art. 272 Sr stelt strafbaar het schenden van enig geheim door een persoon die wist of had moeten weten dat hij dit geheim uit hoofde van zijn ambt verplicht was te bewaren. De term ‘enig geheim’ in de zin van art. 272 Sr betreft informatie die is bestemd om niet bekend te worden, behalve voor zover deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt. Bij de beoordeling of sprake is van een zodanig geheim kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de informatie, het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en het moment waarop deze de informatie verstrekte aan een derde. De plicht tot geheimhouding hoeft niet voort te vloeien uit een wettelijke bepaling, maar kan ook voortvloeien uit een ambt of beroep.
De door het hof bevestigde overwegingen van de rechtbank houden in de kern in dat de verdachte in zijn hoedanigheid van (politie)ambtenaar ingevolge art. 9 Ambtenarenwet 2017 verplicht was tot geheimhouding van hetgeen hem in verband met zijn functie ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt. Ingevolge art. 9 van het Besluit algemene rechtspositie politie, dat een nadere bepaling ten opzichte van art. 9 Ambtenarenwet 2017 inhoudt, moet een politieambtenaar bij de aanvaarding van zijn ambt een eed afleggen dat hij de zaken waarvan hij door zijn ambt kennis draagt en die hem als geheim zijn toevertrouwd of waarvan hij het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen. Vervolgens is geoordeeld dat art. 7 Wet politiegegevens meebrengt dat een ieder is gehouden tot geheimhouding wanneer hij de beschikking krijgt over politiegegevens met betrekking tot derden. Dit geldt niet enkel voor degenen die zijn belast met de verwerking van politiegegevens of die de gegevens direct van de politie hebben gekregen, maar ook voor eventuele tweede en volgende ontvangers die de gegevens verstrekt hebben gekregen. De verdachte had, gezien het voorgaande, moeten begrijpen dat de gegevens die hij heeft verstrekt aan derden geheim hadden moeten blijven, nu deze gegevens zagen op een identificeerbare natuurlijke persoon en inhielden dat deze persoon vastzat op een cellencomplex, er foto’s van hem werden gemaakt en de informatie verder betrekking had op zijn gemoedstoestand.
Daarmee is de bewezenverklaring mijns inziens niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het verweer dat bij het publiek bekend was dat [betrokkene 1] was aangehouden (wat er verder ook zij van de waarheid van deze stelling), zou wellicht relevant kunnen zijn als dit de informatie was voor het lekken waarvan de verdachte is veroordeeld. Echter, het strafrechtelijke verwijt dat de verdachte wordt gemaakt, is dat hij informatie over de detentie van [betrokkene 1] heeft gedeeld die meer specifiek en van persoonlijke aard was, namelijk dat hij vastzat in het cellencomplex op het Hoofdbureau van politie te [plaats], dat aldaar foto’s van hem werden gemaakt en dat [betrokkene 1] niet wilde eten, moest huilen, spijt betuigde en telkens verzocht te mogen roken, zodat het hof kon oordelen dat sprake is van enig geheim in de zin van art. 272 Sr. Hierop stuit de klacht dat op het moment van het delen van de informatie over [betrokkene 1] het reeds algemeen bekend was dat de laatstgenoemde was aangehouden en dat de verdachte dus geen geheim heeft gedeeld, af.
De klacht inzake de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat hetgeen de verdachte aan informatie heeft gedeeld slechts bestond uit praatjes/geruchten die hij had gehoord op het politiebureau kan ook niet slagen. Ten eerste blijkt uit het bericht dat de verdachte in de groepsapp heeft verstuurd dat hij [naam 1] (de artiestennaam van degene om wie het ging) “er tussen” zag staan, hetgeen aangeeft dat hij deze informatie niet heeft gehoord, maar zelf heeft gezien. Daarnaast zou ook ingeval de verdachte de informatie via-via (eventueel mondeling) te horen heeft gekregen van politiecollega’s dit mijns inziens niet afdoen aan het oordeel dat sprake is geweest van enig geheim in de zin van art. 272 Sr. Een andere opvatting hieromtrent zou het artikel vleugellam maken, hetgeen niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. Ook het verweer dat het “onzin-informatie" was, lijkt me in geen geval te kunnen slagen. Dit verweer vindt reeds zijn weerlegging in de vaststelling dat de informatie die de verdachte aan derden heeft verstrekt, steun vindt in de loggingen uit het cellencomplex en bestemd was om niet verder te worden bekendgemaakt. Ik wijs er verder op dat de verdachte heeft verklaard dat politie-informatie bij de politie hoort te blijven en dat anderen niet op de hoogte horen te komen van deze informatie. Het hof kon op grond daarvan oordelen dat de verdachte ook wist dat hij de informatie niet mocht delen. Hiermee is het standpunt van de verdediging dat de verdachte geen opzet had mijns inziens voldoende weerlegd.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
3. Het tweede middel
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het in zaak B onder 1 tenlastegelegde feit bewezen heeft verklaard, terwijl het in de bewezenverklaring niet heeft vermeld wie het slachtoffer was en het slachtoffer slechts geanonimiseerd aan heeft geduid als “slachtoffer 1 geboren op [geboortedatum] 2007”. Daarnaast wordt geklaagd dat uit de door het hof gebezigde bewijsoverwegingen op p. 10 en 11 van het bekrachtigde vonnis in het geheel niet kan blijken aan welke bewijsmiddelen de aldaar vermelde feiten zijn ontleend.
Ten laste van de verdachte is in zaak B onder 1 bewezenverklaard dat hij:
“in de periode van 1 augustus 2020 tot en met 30 september 2020 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding, bestaande uit het aanzienlijke leeftijdsverschil en het zich voordoen als een jonger persoon door te zeggen dat hij net 18 jaar is geworden, [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2007, die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen te plegen en/of van hem, verdachte, te dulden, immers heeft hij, verdachte:
- aan [slachtoffer 1] kenbaar gemaakt net achttien jaar oud te zijn, terwijl hij in de tenlastegelegde periode twintig jaar oud was, terwijl dat slachtoffer op dat moment twaalf jaar oud was, en
- aan [slachtoffer 1] pornografisch beeldmateriaal toegestuurd en (daarbij) [slachtoffer 1] (in ruil) bewogen haar (deels) naakte lichaam te tonen en/of haar bewogen (daarbij) (ontuchtige) handelingen te plegen bij zichzelf en
- (meermaals) gevraagd/aangedrongen of [slachtoffer 1] (bij zichzelf) seksuele handelingen wil verrichten, door aan [slachtoffer 1] te sturen: “ga even over je clitje wrijven”, “Goed lichaam (..) Laat nog is zien”, “Laat je lichaam zien. (..) Dan kan ik op jou lichaam aftrekken”, “Stop je hand in je broekje”, “Gaan we samen douche”, “Trek je trui ook even uit”, “Stuur jij dan zonder trui?”, “Mag ik iets van jou zien”, “Kan je voor mij nog een geile foto sturen. Dan kom ik sneller klaar”, “Wil je ook een foto van mij. In chat. Dat je kunt vingeren”, “Maar is het dan niet kut om mij te pijpen”, “Wil je er ook opzitten”, “Mag ik ook je tepels zien”, “vinger je eigenlijk soms”, “en [dan] wrijf je dan over je kutje of doe je er ook vingers in”, “hoeveel kun je er in doen”, “3 wel eens geprobeerd?”, “Ik wil je kutje minder strak maken”, “doe je wel eens [is] kontvingeren. (..) Moet je is proberen.”, “Mag ik mijn lul in jou kont steken?”, “Mag ik je neuken”, “Doe iets je string naar beneden”,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”
Wat betreft de eerste klacht, merk ik op dat deze geen bespreking verdient bij evident gebrek aan belang. In het door het hof bevestigde vonnis wordt op pagina 4 de naam van het slachtoffer en haar geboortedatum expliciet genoemd. De steller van het middel erkent ook dat de verdachte niet lijkt te zijn benadeeld, maar beoogt de Hoge Raad ertoe te bewegen zich uit te laten over de vraag of het anonimiseren van een met name bekend slachtoffer in de tenlastelegging en bewezenverklaring geoorloofd is en zo ja, onder welke omstandigheden dit het geval is. De noodzaak daarvoor ontgaat me, nu door de verdediging in beide instanties hierover niet is geklaagd en kennelijk uit de inhoud van het dossier zonneklaar was wie het slachtoffer was. Het was daarmee zonder meer duidelijk tegen welke beschuldiging de verdachte zich moest verweren, zodat de informatiefunctie van de tenlastelegging geen geweld is aangedaan.
Ten aanzien van de tweede klacht merk ik het volgende op. Het klopt dat op pagina 10 en 11 van het bevestigde vonnis niet wordt verwezen naar dossierpagina’s. Echter, eerder in het vonnis, op pagina 3 en 4, heeft de rechtbank overwogen (met weglating van voetnoten):
“4.1 Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden
[…]
In de privételefoon van de verdachte is het Snapchataccount “ [naam 2] ” aangetroffen. In dat Snapchataccount zijn chats aangetroffen met “ [naam 3] ”. Deze chats hebben plaatsgevonden in de periode augustus 2020 en september 2020. In een van de chats worden door “ [naam 2] ” berichten aan [slachtoffer] verstuurd die in de tenlastelegging staan [onderstreping door mij, D.P.]. “ [naam 2] ” is het account van de verdachte. [naam 3] betreft [slachtoffer] . Zij is op [geboortedatum] 2007 geboren. In de telefoon van [slachtoffer] zijn twee dezelfde foto’s aangetroffen als de foto’s in de telefoon van de verdachte. De ene foto betreft een afbeelding van de verdachte. De andere foto betreft een afbeelding van een stijve penis, een zogenoemde dickpic.
[…]”
Ten aanzien van de vaststellingen omtrent de inhoud van de chats wordt verwezen naar dossierpagina’s, te weten het “proces-verbaal van bevindingen betreffende het onderzoek tweede Snapchataccount verdachte en account [naam 3] , [...], p. 40 - 42 en het geschrift, zijnde de bijlage bij dit proces verbaal, p. 57 - 70”. Uit deze stukken blijken de feiten en omstandigheden die later in het vonnis op pagina 10 en 11 zijn genoemd. De verwijzingen zijn voldoende duidelijk zodat “kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd”, hetgeen betekent dat aan de uit de rechtspraak van de Hoge Raad voortvloeiende eisen inzake de PROMIS-motiveringswijze is voldaan.
Het middel faalt.
4. Het derde middel
Het derde middel bevat twee klachten ten aanzien van het in zaak B onder 2 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde. De eerste klacht houdt (opnieuw) in dat het hof in de bewezenverklaring niet heeft vermeld wie het slachtoffer was, maar het slachtoffer slechts heeft aangeduid als “slachtoffer 1 geboren op [geboortedatum] 2007”. Deze klacht faalt om de redenen vermeld in randnummer 3.3 van deze conclusie. De tweede klacht houdt in dat het hof voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat niet met voldoende mate van zekerheid blijkt dat de verdachte op het moment waarop hij een foto van zijn geslachtsdeel verstuurde, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het slachtoffer jonger was dan 16 jaar.
Ten laste van de verdachte is in zaak B onder 2 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaard dat hij:
“in de periode 1 augustus 2020 tot en met 30 september 2020 in Nederland, eenmaal, via Snapchat, een afbeelding, te weten foto bevattende een afbeelding, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, heeft verstrekt aan een minderjarige, te weten [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2007, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat [slachtoffer 1] jonger was dan zestien jaar, immers heeft verdachte in de voornoemde periode aan [slachtoffer 1] één foto verzonden, waarop zijn, verdachtes, (stijve) penis zichtbaar was.”
De volgende bewijsoverwegingen zijn van belang:
“4.4_____Het oordeel van de rechtbank
[…]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met de destijds twaalfjarige [slachtoffer] heeft gechat en haar gedurende die chat een zogenoemde dickpic (piemelfoto) gestuurd. De verdachte heeft daarbij de berichten gestuurd die in de tenlastelegging staan. Tijdens deze chat (10.45 uur) heeft [slachtoffer] de verdachte gevraagd hoe oud hij is. De verdachte reageerde met de wedervraag hoe oud zij hoopt dat hij is. [slachtoffer] antwoordde: “17.” De verdachte heeft [slachtoffer] vervolgens gevraagd of zij op hem wil oefenen. Haar antwoord luidde (10.46 uur): "Isg (de rechtbank begrijpt: is goed). Maar hoe oud ben je”. De verdachte antwoordde in dezelfde minuut daarop: “Ik ben net 18 geworden”. Een minuut later (10.47 uur) heeft [slachtoffer] gevraagd: “Oké hoe oud moet een meisje voor jou zijn”. De verdachte antwoordde (10.47 uur) dat hij daar nooit echt over nagedacht heeft en ‘niet ouder’. [slachtoffer] antwoordde daarop in diezelfde minuut: “Oké” en “Maar ik ben 6 jaar jonger en mij niet gaan verwijderen alsjeblieft.” Het volgende bericht van de verdachte is van 10.48 uur. Het is, mede gelet op het verloop van de chat, niet aannemelijk geworden dat de verdachte deze berichten van [slachtoffer] niet heeft gelezen zoals door de verdediging wordt gesteld. Het bericht waarin [slachtoffer] laat weten dat zij zes jaar jonger is, is immers vrijwel direct verstuurd nadat de verdachte een bericht heeft gestuurd en het chatgesprek gaat daarna direct verder. Bovendien wordt in de conversatie telkens gereageerd op de reactie van de ander. Op een gegeven moment (14.49 uur) heeft de verdachte aan [slachtoffer] gevraagd wat zij van hem wil zien of dat hij iets moet doen. [slachtoffer] antwoordde daarop: “Je lul laten zien”. Nadat de verdachte vroeg "ve[r]der nog iets”, antwoordde [slachtoffer] : “Je gezicht” en “Fk knap”. De verdachte reageerde daarop met: “Jaaa vind je?”. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte toen de ‘dickpic’ en de foto van zichzelf heeft gestuurd die in de telefoon van [slachtoffer] en de verdachte zijn aangetroffen.
[…]
240a Sr
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘schadelijk te achten’ in artikel 240a Sr is een risico van schade voldoende. Beslissend is het oordeel over de redelijkerwijs te verwachten schadelijke invloed van het materiaal op (in dit geval) jongeren beneden de zestien jaar. Het gaat dus oin de mogelijkheid van schade voor de betrokken leeftijdsgroep in het algemeen. De door de verdachte gestuurde foto van zijn stijve penis is van zodanig expliciet seksuele aard dat de vertoning daarvan aan jongeren beneden de zestien jaar in het algemeen schadelijk is te achten. Het betreft hier een geobjectiveerd bestanddeel, wat het slachtoffer ervan vond, doet dus niet ter zake. De wetgever heeft met artikel 240a Sr bedoeld om personen onder de zestien jaar te beschermen tegen ongewenste beïnvloeding die het gevolg kan zijn van confrontatie met beelden van seksuele aard. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan wat hem onder 2 als tweede alternatief is ten laste gelegd. Zij acht echter niet bewezen dat de verdachte ook filmpjes heeft gestuurd.”
Dit middel faalt. Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte van 10.45-10.48 uur reeds met het slachtoffer over hun leeftijd heeft gesproken. De verdachte geeft aan dat hij achttien jaar is, waarop het slachtoffer antwoordt dat zij zes jaar jonger is. De verdachte heeft direct nadat het slachtoffer dit aangeeft, haar een bericht verstuurd. Pas veel later (14.49 uur) heeft het gesprek plaatsgevonden waarbij de verdachte de foto van zijn geslachtsdeel heeft verstuurd aan het slachtoffer. Uit het voorgaande blijkt zonder meer wetenschap van de leeftijd van het slachtoffer aan de zijde van de verdachte, zodat het oordeel van het hof hieromtrent niet onbegrijpelijk is.
Hetgeen de steller van het middel in de toelichting op het middel aanvoert, kan daar niets aan veranderen. Het exacte tijdstip en datum waarop de foto is verstuurd, is een waardering van feitelijke aard die in cassatie verder niet kan worden getoetst dan op zijn begrijpelijkheid. Er zijn geen gronden om aan te nemen dat deze waardering onbegrijpelijk is in de onderhavige zaak.
Het middel faalt.
5. Het vierde middel
Het vierde middel bevat de klacht dat het hof bij de verwerping van het verweer dat de uit het Snapchat-account van de verdachte verkregen informatie van het bewijs diende te worden uitgesloten, omdat de verdachte “tot drie maal toe is verhoord zonder dat hem was gewezen op het recht om zich door een raadsman te laten bijstaan, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel deze verwerping ontoereikend heeft gemotiveerd.” Het gaat de steller van het middel erom dat het hof (in navolging van de rechtbank) bij de verwerping van het verweer van een te beperkte uitleg van het begrip “verhoor” is uitgegaan.
Door de raadsvrouw is verweer gevoerd aan de hand van een op schrift gestelde pleitnota. Deze houdt, voor zover hier van belang, het volgende in (met weglating van voetnoten):
“4.3 Standpunt verdediging in hoger beroep met betrekking tot het verzoek tot bewijsuitsluiting in zaak A en zaak B:
De rechtbank heeft het verweer, dat het bewijs niet rechtmatig is verkregen verworpen, met uitzondering van het verhoor op 16 februari 2022. De verdediging kan zich niet verenigen met dit oordeel. De verdediging verzoek Uw gerechtshof in hoger beroep tot bewijsuitsluiting van de resultaten die zijn voortgevloeid uit de contacten met verdachte op 7 en 15 maart 2022 nu dit onrechtmatig is verkregen.
De verdediging herhaalt het standpunt in eerste aanleg, opgenomen in de bijgevoegde pleitnota ter zake van de verdenking van schending van het ambtsgeheim, dat client ten onrechte niet op zijn recht op consultatie is gewezen bij de contacten tussen hem en de politie op voornoemde data.
Cliënt is geen enkel moment vanaf de start van het onderzoek gewezen op zijn recht op rechtsbijstand van een advocaat. Cliënt is door zijn leidinggevende doorverwezen naar de vakbond en zij deelden client mede dat zij hem juridisch niet konden bijstaan maar dat hij een advocaat moest inschakelen omdat hij verdacht werd van een strafbaar feit. Pas op dat moment werd hem duidelijk dat het geen intern onderzoek betrof maar dat hij een advocaat nodig had voor zijn positie als verdachte in een strafzaak.
In de visie van de verdediging had cliënt al vanaf het eerste contact met de politie ter zake van het ingestelde onderzoek, erop moeten worden gewezen dat hij recht heeft op bijstand en advies van een advocaat. Uit de inhoud van de telefonische gesprekken volgt dat er inhoudelijke vragen aan client gesteld zijn met betrekking tot de verdenking, namelijk het verstrekken van inloggegevens en informatie en vervolgens de vraag om toestemming.
Het bevel gegeven aan en/of de vordering gericht tot verdachte, in opdracht van de OvJ door verbalisanten tot de “gebruikersnaam'’ en/of “inloggegevens” van verdachtes “Snapchataccount” is een bevel en/of vordering op grond van de in Sv opgenomen (samengevat) Bob-bevoegdheden, is in strijd met het recht gegeven aan en/of gericht tot de verdachte, daar waar verdachte tevens niet is gewezen op diens recht tot rechtsbijstand. Door OvJ en/of opsporingsambtenaren is – willens en wetens – en uitdrukkelijk niet de verdachte gewezen op diens recht op rechtsbijstand (vooraf) voor consultatie en/of bij politieverhoor en/of onderzoekshandelingen en bewijsvergaring, van welke rechten verdachte – er niet op gewezen – stilzwijgend noch uitdrukkelijk, in ieder geval niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan.
Vanaf het moment dat verdachte wel wordt bijgestaan door de raadsvrouw wordt deze juist uitdrukkelijk niet door OvJ en/of opsporingsambtenaren uitgenodigd bij (nadere) politieverhoren en/of onderzoekshandelingen en bewijsvergaring uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn.
Deze verhoren hebben consequenties voor het bewijs, nu dit afhankelijk was van de wil van verdachte. Toegang tot de inloggegevens van snapchat konden immers alleen worden verkregen via client. De toestemming van de officier van justitie voor onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoons zag op de bestaande inhoud op die telefoons. Nu de Snapchatapplicatie was verwijderd op de telefoon van client, bestond deze inhoud niet op de privé telefoon. De vraag van verbalisant Weeren d.d. 15 maart 2022 over het aantreffen van het tweede account en de vervolgvraag om toestemming die te doorzoeken was een inhoudelijk verhoor. Hij is gewezen op de cautie en client beantwoordde de mededeling van het tweede account bevestigend dat hij een tweede account heeft. Hij was immers aangemerkt als verdachte en door een opsporingsambtenaar is hem gevraagd/medegedeeld dat er een tweede snapchataccount is gevonden en dat hij zichzelf niet hoefde te belasten door die vraag te beantwoorden. Zowel de vraag over het tweede account als de vraag over de toestemming op 15 maart 2022 zijn inhoudelijke vragen geweest aan client waarbij hem enkel bij de eerste vraag de cautie is gegeven en niet bij de vraag over de toestemming. Daarbij is hij niet gewezen op zijn recht op rechtsbijstand/overleg met een advocaat aangaande deze vragen en het verzoek van de politie.
Het standpunt van de verdediging is dat al hetgeen middels dat onrechtmatige bewijs is verkregen eveneens van bewijs dient te worden uitgesloten, zijnde – niet limitatief –:
[] Pv bevindingen onderzoek iPhone XS [...] verdachte [verdachte] ( [...] );
[] Pv uitlezen privé telefoon verdachte iPhone XS verdachte [verdachte] (‘’);
[] Pv uitlezen werk telefoon Samsung Galaxy A8 verdachte [verdachte] (”);
[] Pv uitlezen mobiele telefoon verdachte IPhone XS (onderzoek Snapchat account(s) ( [...] );
[] Pv bevindingen onderzoek 2e Snapchat account verdachte + bijlagen chatgesprekken met [naam 3]
Bijlage 1 gericht op de volledige chats
Bijlage II: gericht op de leesbaarheid datum chatgesprekken ( [...] );
[] Pv bevindingen aantreffen afbeelding geslachtsdeel verdachte ( [...] );
[] Pv van bevindingen omschrijving dickpic ( [...] );
Voor die conclusie beroept verdachte zich op de Salduz- rechtspraak waarin het EHRM uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat, indien niet is voldaan aan meest minimaal het recht op consultatie, zondermeer bewijsuitsluiting dient te volgen.
Conclusie
De verdediging verzoekt Uw gerechtshof tot bewijsuitsluiting van de voornoemde opgesomde bewijsmiddelen onrechtmatig zijn verkregen. Indien Uw gerechtshof oordeelt dat het verweer slaagt en bewijsuitsluiting dient te volgen van voormeld opgesomde bewijsmiddelen, dient client te worden vrijgesproken voor het tenlastegelegde onder feit 1 subsidiair en het tenlastegelegde onder feit 2 tweede cumulatief/alternatief voor zaak B (met parketnummer in eerste aanleg: 13-187422-22) bij gebrek aan bewijs.”
Het door het hof bevestigde vonnis bevat de volgende overwegingen omtrent de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting (met weglating van voetnoten):
“Onrechtmatig verkregen bewijs?
De verdediging heeft ten aanzien van de rechtmatigheid van het bewijs (samengevat) het volgende aangevoerd. De verdachte is tijdens de contacten met de politie op 16 februari 2022 (verhoor), 17 februari 2022 (start strafrechtelijk onderzoek), 18 februari 2022 (huisbezoek, inbeslagname telefoon van de verdachte, telefonisch verhoor van de verdachte, sms’en door de verdachte), 7 maart 2022 (telefonisch verhoor) en 15 maart 2022 (telefonisch verhoor) telkens niet gewezen op zijn recht zich te laten bijstaan door een advocaat. En dat is in strijd met EU-Richtlijn 2013/48/EU 26, bijvoorbeeld artikel 3 (recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure) en artikel 27c Sv en artikel 28 Sv. Al hetgeen aan bewijsmateriaal is verkregen door de genoemde contacten en als bewijsmiddel zou (kunnen) worden gebruikt, is in strijd met EU-Richtlijn 2013/48/EU en/of het Wetboek van Strafvordering verkregen en al hetgeen door middel van dat onrechtmatige bewijs is verkregen, moet van het bewijs worden uitgesloten, aldus de verdediging.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte op grond van artikel 27c, lid 2 Sv bij zijn (eerste inhoudelijke) politieverhoor op 16 februari 2022 op zijn recht op consultatiebijstand had moeten worden gewezen. Dat geldt echter niet voor de door de verdediging genoemde momenten daarna. Op 7 maart 2022 heeft de politie telefonisch contact met de verdachte opgenomen voor het opvragen van zijn Snapchataccount en inloggegevens waarbij hem de cautie is verleend en hem is uitgelegd dat hij niet hoefde mee te werken aan het strafrechtelijk onderzoek en zichzelf niet hoefde te belasten. Op 15 maart 2022 heeft de politie wederom telefonisch contact met de verdachte opgenomen en hem meegedeeld dat er een tweede Snapchataccount was aangetroffen. De politie heeft toen aan de verdachte gevraagd of hij toestemming wilde geven dat de politie in zijn tweede Snapchataccount mocht kijken en dit mocht onderzoeken. Beide keren was geen sprake van een inhoudelijk verhoor van de verdachte als bedoeld in artikel 29 Sv. De strekking van art. 29 Sv, het behoeden van de verdachte tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling, brengt mee dat als verhoor in de zin van dat artikel worden beschouwd alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit. Op 18 februari 2022 is aan de verdachte medegedeeld dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen hem is gestart en dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Er is inhoudelijk niet gesproken over het onderzoek. Het is niet nodig om direct bij de start van een onderzoek de verdachte daarvan op de hoogte te brengen. En het heeft verder ook geen consequenties voor het bewijs. De inbeslagneming van de telefoon van de verdachte op grond van artikel 94 Sv betreft een opsporingshandeling. De verdachte hoeft voorafgaand aan de inbeslagneming niet te worden gewezen op zijn recht op bijstand van een advocaat. Daar komt bij dat de officier van justitie toestemming heeft gegeven om onderzoek te doen naar specifieke inhoud van de telefoon. De conclusie is dat de verdachte alleen bij het verhoor op 16 februari 2022 ten onrechte niet op zijn recht op consulatie is gewezen. In zoverre slaagt het verweer. Het desbetreffende verhoor wordt niet voor het bewijs gebruikt. Het verweer dat het bewijs niet rechtmatig is verkregen, wordt voor het overige verworpen.
De rechtbank ziet geen noodzaak tot het stellen tot prejudiciële vragen aan het HvJEU over de uitlegging van de Richtlijn 2012/13/EU en aanvullende Richtlijn 2013/48/EU zoals door de verdediging is verzocht.”
Het hof heeft aan de voorgaande overwegingen in zijn arrest het volgende toegevoegd:
“Het hof constateert dat de verdachte op 16 februari 2022, 7 maart 2022 en 15 maart 2022 telkens de cautie is gegeven. Bovendien heeft de verdachte op 15 maart 2022 inhoudelijk ten aanzien van de tenlastegelegde feiten niet (belastend) verklaard en heeft hij geen gegevens verstrekt.”
Door de jaren heen is in het licht van (onder meer) art. 29 Sv verschillende malen in de rechtspraak van de Hoge Raad aan de orde geweest wat onder ‘verhoor’ moet worden verstaan. Hieruit volgt dat van een verhoor sprake is indien de “door de politie aan een verdachte gestelde vragen gaan over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt”. Deze materiële omschrijving van het begrip ‘verhoor’ brengt mee dat de plaats en het moment van ondervraging niet van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een verhoorsituatie.
De vraag of sprake is van een verhoor is van belang, omdat een verhoor verschillende rechten voor de verdachte met zich brengt. Zo volgt uit art. 29 lid 1 Sv dat de verhorend rechter of ambtenaar zich van alles dient te onthouden wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen waarvan niet kan worden gezegd dat deze in vrijheid is afgelegd. Aan dit artikel ligt het zogenaamde nemo tenetur-beginsel ten grondslag, hetgeen betekent dat niemand verplicht kan worden om mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Het in het tweede lid van voornoemd artikel opgenomen zwijgrecht van de verdachte is een uitwerking van dit beginsel. Art. 29 lid 2 Sv schrijft voor dat de verdachte die niet is aangehouden voor de aanvang van het verhoor wordt medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht en dat deze mededeling wordt opgenomen in het proces-verbaal. Ook het recht op rechtsbijstand heeft in het bijzonder tot doel de verdachte te beschermen tegen schendingen van het recht zichzelf niet te belasten en moet daarenboven het recht dat iedere verdachte heeft om te zwijgen garanderen. Ingevolge art. 27c lid 2 en lid 3 aanhef en onder b Sv moet de al dan niet aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor op dit recht worden gewezen.
In de onderhavige zaak doet zich de vraag voor of door de politie in contacten met de verdachte op 7 maart 2022 of 15 maart 2022 in verband met zijn Snapchataccounts vragen zijn gesteld die als verhoor moet worden aangemerkt, zodat de verdachte naast dat hij moet worden gewezen op zijn zwijgrecht ook moest worden gewezen op zijn recht op rechtsbijstand nu de verdachte hier niet eerder op was gewezen.
In de toelichting voert de steller van het middel aan dat ook vragen aan de verdachte die in een nauw verband staan met zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit maken dat sprake is van een verhoor. Dergelijke vragen, zoals naar de toegangscode van een account met relevante informatie of de vindplaats van documenten of voorwerpen, hebben namelijk “zonder meer het doel om de betrokkenheid van de verdachte met een strafbaar feit aan te tonen.” Daarnaast gaat de door de rechtbank gemaakte vergelijking met inbeslagneming mank, nu dit “juist niet afhankelijk is van de wil van de verdachte.” De steller van het middel wijst in dit verband op de zogenaamde Saunders-jurisprudentie waaruit volgt dat “wilsafhankelijk materiaal […] wezenlijk anders [moet] worden beoordeeld dan materiaal dat kan worden verkregen omdat de verdachte die verkrijging slechts passief moet dulden.” De steller van het middel merkt tot slot op dat “[h]et aan de verdachte vragen naar de toegangscodes van een snapchataccount met het doel om daaruit bewijs te verkrijgen voor diens betrokkenheid bij het feit waarvan hij wordt verdacht, moet worden aangemerkt als een verhoor in de zin van artikel 27c Sv.” Nu de verdachte niet eerder was gewezen op zijn recht om zich door een raadsman te laten bijstaan, diende hij daarop te worden gewezen “naast de cautie die hem opmerkelijk genoeg wel steeds is gegeven.”
Voor de leesbaarheid van de deze conclusie herhaal ik hier dat de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis heeft overwogen:
“Op 7 maart 2022 heeft de politie telefonisch contact met de verdachte opgenomen voor het opvragen van zijn Snapchataccount en inloggegevens waarbij hem de cautie is verleend en hem is uitgelegd dat hij niet hoefde mee te werken aan het strafrechtelijk onderzoek en zichzelf niet hoefde te belasten. Op 15 maart 2022 heeft de politie wederom telefonisch contact met de verdachte opgenomen en hem meegedeeld dat er een tweede Snapchataccount was aangetroffen. De politie heeft toen gevraagd of hij toestemming wilde geven dat de politie in zijn tweede Snapchataccount mocht kijken en dit mocht onderzoeken.”
De rechtbank heeft geoordeeld dat beide keren geen sprake was van een inhoudelijk verhoor van de verdachte als bedoeld in art. 29 Sv. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat als verhoor in de zin van dat artikel moet worden beschouwd “alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit.”
In het voorgaande volg ik de rechtbank. De vragen van de politie betreffende de toegang tot verdachtes Snapchat-accounts en het antwoord van de verdachte hierop zijn op zichzelf genomen niet relevant voor beantwoording van de vraag of de verdachte schuldig is aan het strafbare feit waarvan hij werd verdacht. Hetgeen uiteindelijk relevant is voor de bewijsvoering is de informatie die is aangetroffen op het Snapchat-accounts van de verdachte. Het bestaan van deze informatie en de vraag of deze informatie belastend is voor de verdachte staat los van het door de verdachte gegeven antwoord op de vragen die aan hem zijn gesteld. In zoverre kon verdachtes antwoord op de aan hem gestelde vraag ook nooit direct incriminerend voor hemzelf zijn, zodat deze vraag mijns inziens niet kan worden aangemerkt als een vraag die ziet op verdachtes betrokkenheid bij een strafbaar feit. Dat de verdachte voorafgaande aan de vragen van de politie op de voet van art. 29 Sv is meegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden, maakt de vragen niet tot een verhoor. Dat zijn antwoord er wel toe heeft geleid dat toegang is verkregen tot zijn Snapchat-account maakt dit mijns inziens niet anders.
Het middel faalt.
6. Het vijfde middel
Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof geen onderzoek heeft verricht naar de vraag of de gedragingen van de verdachte ook strafbaar waren onder de opvolgers van de ten tijde van het hoger beroep vervallen artt. 240a en 248a Sr, en zo ja of de nieuwe wettelijke bepalingen gunstiger zijn voor de verdachte.
Art. 7 EVRM en art. 1 lid 2 Sr schrijven ter uitwerking van het materieelrechtelijk legaliteitsbeginsel voor dat de voor de verdachte meest gunstige bepaling moet worden toegepast indien de wet is gewijzigd na het tijdstip waarop het feit is begaan (het zogenoemde lex mitior-beginsel).
Met de inwerkingtreding op 1 juli 2024 van de Wet seksuele misdrijven zijn de artikelen 240a en 248a Sr vervallen. Met die wet is onder meer art. 151e Sr in het leven geroepen en hebben artikelen 239 en 247 Sr hun huidige formulering gekregen. Ik geef ten behoeve van de bespreking van het middel deze artikelen weer.
- art. 240a (oud) Sr:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die een afbeelding, een voorwerp of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekt, aanbiedt of vertoont aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger is dan zestien jaar.”
- art. 248a (oud) Sr:
“Hij die door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt of iemand die zich, al dan niet met een technisch hulpmiddel, waaronder een virtuele creatie van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, voordoet als een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk beweegt ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.”
- Art. 151e Sr:
“Degene die een visuele weergave als bedoeld in artikel 239, derde lid, of een voorwerp, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaren, verstrekt, aanbiedt of vertoont aan een persoon beneden de leeftijd van zestien jaren wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.”
- art. 239 lid 2 en lid 3 Sr:
“2. In deze titel wordt onder degene die met een kind seksuele handelingen verricht mede verstaan: degene die een kind seksuele handelingen laat verrichten met diegene, met zichzelf of met een derde, dan wel degene die een kind seksuele handelingen laat ondergaan door een derde.
3.In deze titel wordt onder visuele weergave mede verstaan: gegevens die geschikt zijn om een visuele weergave te vormen of een gegevensdrager bevattende gegevens die geschikt zijn om een visuele weergave te vormen.”
- Art. 247 lid 1 Sr:
“Als schuldig aan aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie, degene die met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren seksuele handelingen verricht.”
In de onderhavige zaak is de verdachte veroordeeld voor overtreding van art. 240a (oud) Sr en art. 248a (oud) Sr.
Art. 151e Sr is de rechtsopvolger van art. 240a (oud) Sr. Deze bepaling, waarin de leeftijdsgrens van zestien jaar is geobjectiveerd, is zowel qua reikwijdte als qua zwaarte van de strafbedreiging niet gunstiger voor de verdachte dan het vervallen art. 240a (oud) Sr.
Voor art. 248a Sr (oud) geldt het volgende. Dit artikel stelde strafbaar het verleiden van een minderjarige tot ontucht. In de onderhavige zaak gaat het om een poging het slachtoffer over te halen tot het tonen van haar naakte lichaam en het verrichten van seksuele handelingen bij zichzelf. Door de wet seksuele misdrijven is art. 248a (oud) Sr uit elkaar gevallen. Voor de handelingen van de verdachte geldt dat deze nu strafbaar zijn gesteld in art. 247 Sr. Dit artikel betreft het verrichten van ‘seksuele handelingen’ met een persoon die de leeftijd van twaalf jaar wel, maar die van zestien jaar nog niet, heeft bereikt. Degene die seksuele handelingen verricht met een persoon omvat ingevolge art. 239 lid 2 Sr ook “degene die een kind seksuele handelingen laat verrichten […] met zichzelf […].” Het gedrag van de verdachte, namelijk het pogen het slachtoffer seksuele handelingen met zichzelf te laten verrichten, valt onder de reikwijdte van het voornoemde artikel. Art. 247 Sr vereist, anders dan art. 248a (oud) Sr, niet de inzet van giften, beloften, geld, goederen of het misbruik van feitelijk overwicht dan wel misleiding. De reikwijdte van nieuwe bepaling is dus ruimer en dekt inhoudelijk de voorheen geldende bepaling. Verder is de strafbedreiging van art. 247 Sr niet minder gunstig. Die is met acht jaren gevangenisstraf namelijk dubbel zo hoog als de vier jaren gevangenisstraf waarmee overtreding van art. 248a Sr (oud) werd bedreigd. Het voorgaande brengt mee dat het lex mitior-beginsel in de onderhavige zaak niet is geschonden.
Het hof was verplicht te onderzoeken of de tenlastegelegde feiten ook strafbaar zijn onder de nieuwe wetgeving en of de nieuwe wettelijke bepalingen gunstiger zijn voor de verdachte, maar bij gebrek aan een daaromtrent ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer, was het hof niet gehouden om in zijn arrest van dit onderzoek blijk te geven. Nu het hof de verdachte heeft veroordeeld wegens overtreding van de inmiddels vervallen artt. 240a en 248a Sr, moet het ervoor worden gehouden dat de rechter dit onderzoek heeft uitgevoerd.
Het middel faalt om de voornoemde redenen.
7. Het zesde middel
Het zesde middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd om in zijn arrest het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde te kwalificeren. Dit leidt tot nietigheid van het arrest, aldus de steller van het middel.
Het middel is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat de rechtbank in het geheel heeft verzuimd het bewezenverklaarde te kwalificeren. De rechtbank heeft de kwalificaties van het bewezenverklaarde evenwel opgenomen op de pagina’s 16 en 17 van haar vonnis. De rechtbank heeft het onder B onder 2 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feit als volgt gekwalificeerd:
“Een afbeelding, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger is dan zestien jaar.”
Het hof heeft deze kwalificatie bevestigd en de kwalificaties van het in zaak A en in zaak B onder 1 subsidiair bewezenverklaarde verbeterd.
Het middel mist aldus feitelijke grondslag en faalt daarmee.
8. Het zevende middel
Het zevende middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te vermelden welk deel van de gevangenisstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in art. 4 van de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw) of de voorwaardelijke invrijheidsstelling bedoeld in art. 6:2:10 Sv, in ieder geval ten uitvoer wordt gelegd.
Dit middel faalt eveneens. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan drie voorwaardelijk. Nu het onvoorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf niet ten minste zes maanden bedraagt, komt de verdachte ingevolge art. 4 lid 2 onder a Pbw niet voor deelname van een penitentiair programma in aanmerking. Ook voor vervroegde invrijheidstelling komt de verdachte niet in aanmerking, nu zijn straf een deels voorwaardelijk karakter heeft (zie art. 6:2:10 lid 2 onder a Sv).
9. Slotsom
De middelen falen en kunnen, met uitzondering van het vierde middel, worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG