PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01441
Zitting 25 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 7 april 2025 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor onder 1 primair “moord” tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en in dit verband aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, zoals nader omschreven in het arrest.
Namens de verdachte hebben D.J. Herbrink en R. van Leusden, beiden advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van moord, in het bijzonder tegen het oordeel van het hof dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.
Ten laste van de verdachte is primair (impliciet primair) bewezenverklaard dat:
“hij op 22 juli 2022 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door
- die [slachtoffer] met een stanleymes in de keel te snijden en
- die [slachtoffer] met kracht de keel dicht te drukken en
- aldus zodanige omstandigheden in het leven te roepen dat die [slachtoffer] geen andere uitweg zag dan via het raam aan hem - te proberen - te ontkomen, waarna of waardoor zij van de tweede verdieping naar beneden is gevallen of gesprongen en als gevolg van die val of sprong letsel heeft bekomen, aan de gevolgen waarvan zij is overleden”.
De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 april 2023 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Op 22 juli 2022 was ik thuis met [slachtoffer] . Ik wilde haar vermoorden. Ik heb tegen haar gezegd dat ik haar zou gaan vermoorden toen zij op het bed lag. Ik heb haar met twee handen bij de keel gegrepen en heb gedrukt. Ik pakte [slachtoffer] (het hof begrijpt steeds: [slachtoffer] ) van achter beet en toen heb ik haar met het stanleymes gesneden langs haar hals aan de voorkant. Ik ben toen naar de keuken gerend om een kapmes te halen. Toen ik terugkwam, lag zij beneden op straat.
2
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2025 verklaard - zakelijk weergegeven-:
Ik ben naar de voorkamer gegaan en heb een joggingbroek aangetrokken. Vanaf daar ben ik naar de keuken gegaan. [getuige 4] (hof: de zoon van [slachtoffer] ) ging naar zijn werk. Ik heb het mesje uit mijn werkbroek gepakt. Ik ben naar de slaapkamer gegaan. [slachtoffer] lag nog op bed. Ik vraag haar: "Waar ben je de laatste tijd mee bezig?" Ze zei dat ze een instantie zou bellen, ze sloeg mij en ik haalde haar hand weg. Ik zei: "jij gaat niet blijven dan ga ik ook niet blijven. "Ik heb haar met het mesje gesneden. Ze pakte mijn hand met het mesje. Ze drukte mijn hand met het mesje op het bed. Het mesje ging stuk. Ik zag dat ze het raam wilde open maken. Ik trok haar naar achteren. Ik rende naar de keuken. Ik zeg: "Ik ga iets pakken". Ik pakte het kapmes van het bordenrek en ik rende terug, maar ik zag haar niet. Ik keek door het raam en zag dat ze beneden lag.
U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik achter haar stond, dat ik haar vast had met de ene hand en met de andere hand het mesje over haar hals heen haalde. Ja. Zij was snel opgestaan van het bed. Daar heb ik haar van achter in de keel gesneden met het mes uit mijn zak. U vraagt mij of zij toen om hulp heeft geroepen. Ja, zij riep "Help, help!".
Ik zei: "Jij gaat niet blijven dan ga ik ook niet blijven". U vraagt mij of ik daarmee bedoel, dat zij niet in leven mocht blijven? Ja. Ik was van plan om haar met het kapmes te doden. Ik wilde haar kappen.
Ze zei: “Ik wil niks van je horen, je moet weg”. Toen ze begon te slaan, pakte ik haar hals. Ik dacht: "jij gaat niet leven, ik ga niet leven". Dat dacht ik omdat ik erg veel van haar hield.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 augustus 2022 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 2207241141.V. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 105-114):
als de op 1 augustus 2022 afgelegde verklaring van verdachte:
Die dag ervoor, donderdag, hadden we ook ruzie. Ze zei dat ze een instantie ging bellen dat ik weg moest gaan. Ze zei dat er hier een einde aan moest komen, want ik moest weg. Ik zei nog tegen haar dat we voor altijd samen zouden blijven. Ik zei dat ik voor haar naar Nederland vanuit Suriname kwam. Daar hadden we ruzie over. Ik zei nog: “Waar moet ik naar toe gaan als ik bij je weg ga? Ik kan nergens heen. Al het geld dat ik verdien geef ik aan je. Ik doe alles voor je.” Toen vrijdagochtend (het hof begrijpt: 22 juli 2022) wilde ik met haar praten. Ik zei: Waarom doe je zo met mij? Ik wilde mijn hele leven samen blijven. Ik heb haar keel dichtgedrukt. Ik zei: “Ik ga je afmaken, ik ga daarna mezelf afmaken”.
4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 juli 2022 van de politie Eenheid Rotterdam met 2207221607.VHR. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz.65 t/m 72):
als de op 22 juli 2022 afgelegde verklaring van verdachte:
In april 2016 heb ik haar ontmoet. Ik heb nog een vrouw en kind in Suriname. Altijd als ik in Nederland was verbleef ik bij [slachtoffer] , de [a-straat 1] in [plaats] . Toen ik terug was in Suriname in december 2018 was ik officieel gescheiden. In 2020 ben ik weer teruggekomen (hof begrijpt: naar Nederland).
[slachtoffer] heeft twee zoons. Die kleine is in 2019 weggegaan en die grote is in 2020 bij ons komen wonen. Tussen 10 juni en 19 juni 2022 ben ik naar Griekenland gegaan en daar ben ik erachter gekomen dat zij vreemd is gegaan. Ze werd ook voor kleine dingen boos. Ik doe alles voor haar. [vraag: En toen, u was dus weer samen thuis, zij ging naar haar werk en u had het idee dat ze heel de dag actief was. Thuis kregen jullie ruzie om kleine dingen?]
Elke dag.
(...)
Toen de zoon vanochtend wegging, voor 7 uur was dat, ben ik naar haar kamer toegegaan.
(…) Zij heeft toen het raam opengemaakt en riep op hulp. Toen heb ik geprobeerd het raam dicht te doen maar zij heeft me toen gestoten. Toen ben ik naar de keuken gelopen en toen ik terugkwam zag ik haar niet.
5. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 juli 2022 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2022224325-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1 t/m 3):
als relaas van de betreffende verbalisanten of één van hen:
Wij, verbalisanten, kregen op 22 juli 2022 om 07.07 de melding om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . Omstreeks 07:09 waren wij ter plaatse aan de [a-straat] . Ter hoogte van portieknummer [1] zagen wij dat er een persoon op haar buik op het trottoir lag. Om 07.27 uur werd de reanimatie gestopt. De vrouw bleek te zijn overleden als gevolg van haar verwondingen. Zij bleek te zijn: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] (Suriname).
Ik zag een man in de tuin van de woning met nummer [2] met bloed in zijn gezicht en op andere plekken aan zijn lichaam. Om 07.30 uur is de man aangehouden als verdachte ter zake doodslag. Hij bleek te zijn: [verdachte] .
6. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 juli 2022 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2022224325-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 4 t/m 6):
als relaas van de betreffende verbalisanten of één van hen:
Op 22 juli 2022 werden wij, verbalisanten, verzocht te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . Ter plaatse sprak ik met getuige [getuige 1] . Ik zag dat zij hevig ontdaan was. Zij verklaarde mij het volgende:
“Omstreeks 06:45 uur was in hier in mijn woning. Ik hoorde een vrouw schreeuwen. Dit was geen normaal geschreeuw maar echt noodkreten. Ik rende naar buiten en ik keek waar het geschreeuw vandaan kwam. Ik zag een vrouw in het raamkozijn zitten en zag dat het raam open stond. Dit was op de tweede verdieping. Ik zag dat er bloed op het raamkozijn zat. Daarna zag ik dat de vrouw uit het raam naar beneden viel. Ik hoorde een hele harde klap en zag dat zij met haar hoofd op de grond landde.”
Ik, verbalisant, zag op de tweede verdieping een raam open staan. Ik zag dat er bloedvegen op de gordijnen zaten en dat er bloed aan de raamsponning van het openstaande raam zat.
7 . Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 juli 2022 van de politie Districtsrecherche Rotterdam-Zuid met nr. 2207221033.GET. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 44 en 45):
als de op 22 juli 2022 afgelegde verklaring van [getuige 2] :
Ik woon aan de [a-straat 3] in [plaats] . Vanmorgen lag ik samen met mijn vriend op bed. Wij hoorden geschreeuw van buiten komen. Wij keken elkaar aan, het klonk serieus. Ik ben gaan luisteren. Toen ik hoorde wat al het geschreeuw was, stond ik snel op en rende naar het raam. Ik kon eerst niks verstaan van wat er geschreeuwd werd. Later hoorde ik "help". Dat was het moment dat ik naar het raam rende. Het was echt geschreeuw, een soort krijs om hulp. Op dat moment ben ik naar mijn raam gerend.
Ik zag een vrouw voor het raam. Ik denk dat zij op de tweede verdieping woont. Ik woon aan de overzijde van waar ik de vrouw zag. Zij ging met haar handen heen en weer voor het raam. Ik zag dat zij met het raam bezig was. Zij deed het raam open. Ik zag hoe ze viel. Wat mij opviel is dat er bloed aan het gordijn van het linker kozijn zat en dat er bloed op de rechterkant van het kozijn zelf zat.
8. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 juli 2022 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2022224325-12. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 47):
als de op 22 juli 2022 afgelegde verklaring van [getuige 3] :
Ik sliep bij mijn vriendin aan de [a-straat 3] te [plaats] . Dat is ongeveer tegenover de [a-straat 1] te [plaats] . Vandaag vrijdag 22 juli 2022, hoorde ik geschreeuw van buiten. Het klonk of er echt paniek was. Toen ben ik naar het raam gelopen. Ik zag een mevrouw. Ik hoorde dat zij aan het schreeuwen was. Ik zag dat de mevrouw probeerde uit het raam naar buiten te komen.
9. Een rapport van Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden van [slachtoffer] , zaaknr. 2022.07.22.185, d.d. 14 december 2022, opgemaakt en ondertekend door de deskundige [naam 1] , arts en forensisch patholoog. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van deze deskundige:
Er waren uitgebreide beschadiging van de hersenen en tekenen van zeer fors bloedverlies welke het overlijden zonder meer kunnen verklaren. Deze zijn, tezamen met de letsels (...), opgelopen door zeer forse stomp botsende krachtsinwerking, zijnde een forse impact aan het lichaam en de voorzijde van het hoofd/gelaat, zoals ten gevolge van een val.
Voor aan de hals (reikend van onder de linkerkaakhoek tot halverwege de onderkaak rechts, of vice versa) was een dwars op de hals verlopend scherprandig huiddefect (snijletsel) van circa 13 cm lengte. Een Stanleymes, zoals aangeduid in de aangeleverde informatie, zou zeer wel kunnen passen als veroorzakend voorwerp.
Verder waren er aan de hals, zowel uitwendig als inwendig, bloeduitstortingen ten gevolge van stomp botsende dan wel samendrukkende krachtsinwerking aan de hals, zoals door vallen, geslagen worden, verwurgd worden of anderszins samendrukkende krachtsinwerking aan de hals.
10. Een schriftelijk bescheid, als bijlage opgenomen bij het proces verbaal forensisch onderzoek woning ( [a-straat 1] [plaats] ) d.d. 8 september 2022 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2022224325-23 (blz. 166):
Bijlage 1 Plattegrond [DP: hier is een plattegrond van de woning weergegeven waarop de vindplaats van enkele voorwerpen/sporen zijn aangeduid]
Het hof neemt op deze plattegrond waar dat er weinig ruimte is tussen het bed en het raam op de slaapkamer aan de voorzijde van de woning, en dat de deuren van deze slaapkamer in verbinding staan met de badkamer en de voorkant van de woning gelegen huiskamer.
11. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 juli 2022 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 2207241400.GODER92. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - de op 24 juli 2022 afgelegde verklaring van getuige [getuige 4] (blz. 60-64):
Ik woon op de [a-straat 1] te [plaats] met mijn moeder en [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). Op vrijdag 22 juli 2022 ging ik tussen 06:40 uur en 06:45 uur weg. Ik ben toen de woning uitgegaan en ging naar mijn werk.
12. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 juli 2022 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2022224325-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 7 t/m 9)
als relaas van de betreffende verbalisanten of één van hen:
Hierop liep ik, verbalisant [verbalisant 1] , samen met collega [verbalisant 2] het portiek van de [a-straat 1] [...] binnen. Wij namen positie in op de tweede verdieping. Wij stonden voor de voordeur van de [a-straat 1] .
Ik zag dat collega [verbalisant 2] de ram ter hand nam en nogmaals op de deur sloeg, ditmaal op het handvat. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat de voordeur van de woning open sloeg.
Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , zagen dat er een tweepersoons bed in de slaapkamer stond. Wij zagen dat er zich, in het midden, van het hoeslaken een rode vlek bevond van ongeveer 40 centimeter breed en 40 centimeter lang. Wij, zagen dat dit een plas bloed betrof. Wij zagen dat er zich aan het voeteneind van het bed een hakmes bevond. Wij zagen dat er zich rechts naast het bed een raam bevond. Wij zagen dat er zich voor het raam een gordijn bevond. Wij zagen dat er op het gordijn, op ongeveer 150 centimeter hoogte, vanaf de grond, er zich een rode vlek bevond. Wij zagen dat dit bloed betrof. Ik zag dat het raam achter dit gordijn open stond.
13. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 8 september 2022 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2022224325-23. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 115 t/m 123)
als relaas van de betreffende verbalisanten of één van hen:
Wij zagen dat er op het bed in de ouderlijke slaapkamer op het voeteneind, aan de rechterzijde, een keukenmes lag. Dit betrof en zogenoemde batter. Wij zagen dat er op het bed, aan de rechterzijde een afgebroken breekmes van een stanleymes lag. Wij zagen op dit breekmes bloed. Wij zagen dat er op het vensterbank een houder van een stanleymes lag. Wij zagen dat deze houder bebloed was. Wij zagen aan de rechterzijde van het bed, tussen het bed en de muur aan de voorzijde van de woning, bloedspatten en vegen op de vloer.
14. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juli 2022 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 2207300800.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 92-93)
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
De zoon van [slachtoffer] , [getuige 4] , verklaarde dat hij op basis van de schade aan de deur het idee had dat de schuiven van de voordeur van de [a-straat 1] op de deur hadden gezeten ten tijde van het inrammen van de deur door de politie. Dit vond [getuige 4] opvallend aangezien hij vlak voor de dood van [slachtoffer] de woning had verlaten en deze schuiven er kennelijk dus kort na zijn vertrek op waren gezet. Deze schuiven konden niet vanaf buiten op de deur gezet worden.
Ik heb vervolgens een onderzoek ingesteld naar de door de Forensische Opsporing gemaakte foto's van de plaats delict aan de [a-straat 1] . Ik zag op deze foto's dat tijdens het forensisch onderzoek de schuiven aan de onderzijde en bovenzijde van de deur zodanig stonden dat de deur van binnenuit zou zijn afgesloten.
Op 28 juli 2022 ben ik samen met [getuige 4] naar de woning aan de [a-straat] gegaan. Ik zag dat onderste schuif inmiddels vervangen was door een nieuwe schuif. Ik zag dat op de bovenste schuif nog wel de oorspronkelijke schuif betrof. Ik heb vervolgens een nader onderzoek ingesteld naar de staat van de nog wel aanwezige bovenste schuif. Ik voelde stevige weerstand bij het open en dicht zetten van de schuif. Ik merk op dat het derhalve niet waarschijnlijk is dat de schuif uit zichzelf naar beneden is gezakt, bijvoorbeeld door het inrammen van de deur. [getuige 4] verklaarde dat beide schuiven voorafgaand aan het incident hetzelfde aanvoelde qua weerstand en dat deze niet 'lam' waren waardoor deze vanzelf naar beneden zouden kunnen zakken. Ik zag dat de schoot van de bovenste schuif enigszins verbogen was. Ik zag dat het kozijn rondom de onderste sluitkom gebarsten was. [getuige 4] verklaarde dat zowel de kozijnen als het sluitbeslag voorafgaand aan het incident in goede en onbeschadigde staat verkeerde.
15. Een proces-verbaal d.d. 9 september 2024 van de politie Eenheid Rotterdam met proces-verbaalnummer 2022224325-44 Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1 t/m 9):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 22 juli 2022 vond er een politieonderzoek plaats aan de [a-straat 1] te [plaats] . Naar aanleiding van het forensisch onderzoek op de plaats delict werd op verzoek van de advocaat-generaal een aanvullend proces-verbaal opgemaakt, die als bijlage 1 bij dit proces-verbaal is gevoegd. Naar aanleiding van dit proces verbaal werd mij, verbalisant, om onderstaande verduidelijking verzocht. Mijn, in dit proces-verbaal genoemde, bevindingen zijn gemaakt op basis van het bestuderen van de beschikbare foto's afkomstig uit het onderzoeksdossier.
Ik zie dat de bovenste raamvergrendeling in verticale stand staat wat past bij het beeld dat de sluitnok van deze raamvergrendeling in de sluitkom zat, op het moment dat de deur dicht zat.
Ik zie dat de bovenste raamvergrendeling is verbogen en is beschadigd. De bovenste raamvergrendeling is dusdanig verbogen en beschadigd, dat geconcludeerd kan worden dat dat veroorzaakt is door kracht van meer dan geringe betekenis, zoals bijvoorbeeld bij inrammen, uitgeoefend op de buitenzijde van de voordeur op het moment dat de raamvergrendeling in de sluitkom zat.
Ik zie dat de binnenzijde van de deurpost aan de zijde van de bovenste raamvergrendeling voor een groot gedeelte verticaal gespleten is. Dit past in het beeld dat dat veroorzaakt is door kracht van meer dan geringe betekenis, zoals bijvoorbeeld bij inrammen, uitgeoefend op de buitenzijde van de voordeur op het moment dat de raamvergrendeling in de sluitkom zat (foto 2).
De bevinding dat de sluitnok van de bovenste raamvergrendeling op het moment van het uitoefenen van kracht van meer dan geringe betekenis, zoals bijvoorbeeld bij inrammen, in de sluitkom zat, wordt versterkt door het schadebeeld van de gespleten deurpost tot en met de plaats waar de dagschoot van het cilinderslot in de post valt (foto 3).
Het is niet aannemelijk dat de schade van de verbogen raamvergrendeling al aanwezig was op het moment van het, door politiepersoneel, inrammen van de voordeur, omdat de voordeur anders niet (goed) gesloten kon worden/zijn.
Er is op basis van te veel variabelen niet te reconstrueren of dergelijke raamvergrendelingen door het rammen op de voordeur van horizontaal naar verticaal vallen/gaan, maar aannemelijk is dit niet. Deurvergrendelingen vallen niet spontaan dicht als deze in nieuwstaat worden gemonteerd (dit om te voorkomen dat men zich buitensluit). Tevens mag je verwachten, wanneer de voordeur geramd wordt met bijvoorbeeld een ram zoals de politie gebruikt, dat de voordeur, ten opzichte van de deurpost, dusdanig naar binnen beweegt, dat wanneer de raamvergrendeling daardoor van horizontaal naar verticaal zou verplaats worden, de sluitnok niet in een sluitkom op de deurpost terecht kan komen.”
Verder heeft het hof de volgende bewijsoverwegingen in het arrest opgenomen:
“I. Vaststellen van de feiten en omstandigheden
Uit het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op vrijdag 22 juli 2022 tussen 6:40 en 6:45 uur is de zoon van het slachtoffer, [getuige 4] , vertrokken uit de woning waar hij samenwoonde met de verdachte en zijn moeder. Vanaf dat moment zijn het slachtoffer en de verdachte de enige aanwezigen in de woning op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Het betreft een portiekwoning op de tweede verdieping.
Buurtbewoners hebben rond 7.00 uur geschreeuw gehoord van een vrouw. Dit was zodanig hard en indringend dat zij gingen kijken wat er aan de hand was. Meerdere getuigen hebben toen het slachtoffer uit het raam zien komen op de tweede verdieping en haar vervolgens zien vallen dan wel springen. Na een 112-melding omstreeks 7.07 uur hebben verbalisanten het slachtoffer enkele minuten later op het trottoir aangetroffen. Zij is ter plekke overleden.
Forensisch patholoog [naam 1] heeft sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. Hij heeft geconcludeerd dat het overlijden van het slachtoffer zonder meer te verklaren is door uitgebreide beschadiging van de hersenen en fors bloedverlies ten gevolge van een forse impact/val. De patholoog heeft tevens snijletsel vastgesteld aan de hals van het slachtoffer, waarbij de grootste wond dwars op de hals verliep en een lengte had van 13 centimeter. Er waren hierdoor geen vitale delen geraakt, waardoor dit snijletsel volgens het sectierapport niet kan worden gezien als (op korte termijn) dodelijk letsel. Ook zijn er bloeduitstortingen geconstateerd aan de hals, zowel uitwendig als inwendig.
De politie heeft de voordeur van de woning van het slachtoffer geforceerd om binnen te komen. In de slaapkamer aan de voorzijde van de woning troffen verbalisanten bloed aan op de grond en op het bed. Op het bed lagen het breekmesje van een stanleymes en een hakmes/kapmes (hierna: kapmes). Het raam naast het bed stond open en op het gordijn was bloed aanwezig. Op de vensterbank bij dit raam lag een bebloede houder van een stanleymes.
De verdachte is gewond, en enkel gekleed in een joggingbroek aangetroffen in de tuin aan de achterkant van de woning. Hij is ter plekke aangehouden en vervolgens naar het ziekenhuis gebracht.
Het hof stelt voorts de volgende, hieraan voorafgaande feiten en omstandigheden vast.
Uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat hij sinds enkele jaren een relatie had met het slachtoffer, met wie hij samenwoonde in haar woning op het adres aan de [a-straat] . Tijdens een gezamenlijke vakantie in Griekenland in juni 2022 was hij erachter gekomen dat het slachtoffer contact had met een andere man. Vanaf dat moment was er telkens ruzie in hun relatie, zo ook in de avond van 21 juli 2022. Ze hadden toen ruzie gehad over het feit dat het slachtoffer wilde dat hij het huis zou verlaten.
In de ochtend van 22 juli 2022 was de verdachte al op, terwijl het slachtoffer nog in bed lag. Na het vertrek van de inwonende zoon van het slachtoffer is de verdachte direct naar de slaapkamer gelopen waar het slachtoffer op bed lag. Hij had een stanleymes gehaald uit zijn werkbroek die over een stoel in de woonkamer hing en deze in de zak van de joggingbroek gestopt die hij op dat moment droeg. De verdachte heeft het slachtoffer in de slaapkamer aangesproken op de manier waarop zij hem behandelde. Ze kregen ruzie en het slachtoffer gaf hem te kennen dat ze hem uit huis wilde hebben. De verdachte heeft haar gezegd dat hij haar ging afmaken/vermoorden, en daarna zichzelf. Hij heeft haar met twee handen bij de keel gegrepen en gedrukt. Het slachtoffer duwde hem daarop weg en vervolgens probeerde hij met het stanleymes de keel van het slachtoffer door te snijden. Over dit laatste heeft de verdachte verklaard dat het slachtoffer op dat moment tussen het bed en het raam stond, hij achter haar is gaan staan, haar bij de keel heeft vastgehouden en met de andere hand heeft gesneden. Hij heeft dat zodanig gedaan, dat een verwonding van 13 centimeter dwars op de hals werd toegebracht. Het slachtoffer slaagde er echter in verdachtes hand te pakken en deze met het mes erin op het bed te drukken, waarbij het breekmesje van het stanleymes is afgebroken. Het slachtoffer bloedde hevig, opende het raam en schreeuwde om hulp, terwijl de verdachte probeerde het raam te sluiten. Het slachtoffer stootte de verdachte steeds weg. Op dat moment heeft hij gezegd “Ik ga iets pakken” en is hij de slaapkamer uit gerend. Via de woonkamer rende hij naar de keuken om een kapmes te halen, dat hij pakte van het bordenrek. Toen hij met het kapmes terugkwam in de slaapkamer, kon hij het slachtoffer niet meer vinden. Hij is in de woning naar haar gaan zoeken, maar vond haar niet. Nadat de verdachte uit het raam keek en het slachtoffer bloedend op straat zag liggen, is hij vanaf het balkon aan de achterzijde van de woning naar beneden gesprongen.
Op enig moment na vertrek van de zoon heeft de verdachte de schuif op voordeur gedaan.
Het hof heeft bij deze feitenvaststelling onder meer gebruik gemaakt van verklaringen van de verdachte. De verdediging heeft aangevoerd dat de op 22 juli 2022 door de verdachte in het ziekenhuis afgelegde verklaring tegenover de politie met enige terughoudendheid moet worden bekeken. Dit verweer spitst zich toe op één aspect van die verklaring, te weten voor zover eruit zou kunnen worden opgemaakt dat de verdachte al tijdens zijn vakantie in Griekenland, dus in juni 2022, het plan had gesmeed om het slachtoffer te doden.
Het hof zal in de beoordeling van deze zaak niet aannemen dat de verdachte toen, in juni 2022, al had besloten het slachtoffer om het leven te brengen (zie hierna), en ziet daarom geen beletsel gebruik te maken van (overige) onderdelen van de verklaring van 22 juli 2022.
[…]
III. Voorbedachte raad
[…]
Het oordeel van het hof
Het hof komt in het navolgende tot de conclusie dat sprake is geweest van voorbedachte raad en zal bespreken welke feiten en omstandigheden daarvoor van belang zijn.
Het stanleymes
Het hof kan het gegeven, dat de verdachte een stanleymes bij zich heeft gestoken alvorens het slachtoffer aan te spreken niet anders uitleggen, dan dat de verdachte van plan was dit mes te gaan gebruiken op de wijze waarop hij dat ook heeft gedaan. Hij had dit mes niet toevallig op zak, maar heeft het speciaal uit zijn werkbroek gehaald. Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij het stanleymes in de zak van zijn joggingbroek heeft gestoken, omdat hij dit wilde gebruiken bij het kleiner snijden van een doos waarin kippenpoten hadden gezeten, maar het hof acht deze verklaring niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft wisselend verklaard over de wijze waarop hij deze doos zou hebben aangetroffen, namelijk apart gezet in een vuilniszak dan wei los op de vloer van de keuken. Niet valt bovendien in te zien, waarom de verdachte in plaats van tot het gestelde snijklusje over te gaan, dit mes in zijn joggingbroek mee heeft genomen naar de slaapkamer waar het slachtoffer lag te slapen. De verdachte heeft daar desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep geen aannemelijke verklaring voor kunnen geven. Het hof stelt dan ook vast, dat de verdachte in elk geval vóór hij ‘s morgens vroeg naar de slaapkamer van het slachtoffer ging, het plan heeft opgevat haar te doden.
Het hof kan niet vaststellen wanneer precies in de periode vanaf de ruzie de avond ervoor en de vroege ochtend de verdachte het plan haar te doden heeft opgevat, maar ziet het gegeven dat de verdachte ‘s morgens - zodra de zoon was vertrokken en zij dus alleen in de woning waren - met het stanleymes naar het slachtoffer toe is gegaan wel in het licht van de discussie over hetzelfde onderwerp die ze de avond ervoor hadden. Dat doet de verdachte zelf ook, blijkens zijn verklaring op 1 augustus 2022, als hij verklaart over de gebeurtenissen van donderdagavond 21 juli en vrijdagochtend 22 juli 2022:
"Die dag ervoor, donderdag, hadden we ook ruzie. Ze zei dat ze een instantie ging bellen dat ik weg moest gaan. Ze zei dat er hier een einde aan moest komen, want ik moest weg. Ik zei nog tegen haar dat we voor altijd samen zouden blijven. Ik zei dat ik voor haar naar Nederland vanuit Suriname kwam. Daar hadden we ruzie over. Ik zei nog: "Waar moet ik naar toe gaan als ik bij je weg ga? Ik kan nergens heen. Al het geld dat ik verdien geef ik aan je. Ik doe alles voor je." Toen vrijdagochtend wilde ik met haar praten. Ik zei: "Waarom doe je zo met mij? Ik wilde mijn hele leven samen blijven."
Het besluit van de verdachte het slachtoffer te doden begrijpt het hof dan ook tegen deze achtergrond: zij wilde dat hij bij haar weg zou gaan en hij kon dat niet verkroppen.
Schuif op de deur
De verdediging heeft aangevoerd dat er geen objectieve aanwijzingen in het dossier te vinden zijn, waaruit geconcludeerd kan worden dat de verdachte de nachtsloten van de deur dicht heeft gedaan.
Het hof overweegt als volgt. In de hoger beroepsfase van deze zaak is door de politie, team forensische opsporing, aanvullend onderzoek gedaan naar de vergrendeling van de voordeur ten tijde van het inrammen door de politie op 22 juli 2022. De onderzoeker noemt de betreffende sloten/schuiven "raamvergrendeling".
Uit dit onderzoek is onder meer het volgende naar voren gekomen. De verticale stand van de raamvergrendeling aan de bovenzijde van de voordeur past bij het beeld dat de sluitnok in de sluitkom zat. De bovenste raamvergrendeling is dusdanig verbogen en beschadigd, dat geconcludeerd kan worden dat dat veroorzaakt is door kracht van meer dan geringe betekenis, zoals bijvoorbeeld bij inrammen, uitgeoefend op de buitenzijde van de voordeur op het moment dat de raamvergrendeling in de sluitkom zat. De binnenzijde van de deurpost aan de zijde van de bovenste raamvergrendeling is voor een groot deel verticaal gespleten. Dit past in het beeld dat dat veroorzaakt is door kracht van meer dan geringe betekenis, zoals bijvoorbeeld bij inrammen, uitgeoefend op de buitenzijde van de voordeur op het moment dat de raamvergrendeling in de sluitkom zat. De bevinding dat de sluitnok van de bovenste raamvergrendeling op dat moment in de sluitkom zat, wordt versterkt door het schadebeeld van de gespleten deurpost tot en met de plaats waar de dagschoot van het cilinderslot in de post valt. Het is niet aannemelijk, dat de schade van de bovenste raamvergrendeling al aanwezig was op het moment van het, door politiepersoneel, inrammen van de voordeur, omdat de voordeur anders niet (goed) gesloten kon worden/zijn.
Het hof stelt aan de hand van deze bevindingen vast dat de bovenste raamvergrendeling (schuif) dicht moet hebben gezeten ten tijde van het inrammen door de politie. De bevindingen zijn goed te volgen en worden gedragen door het daaraan ten grondslag liggende onderzoek, welk onderzoek het hof deugdelijk voorkomt. Meer in het bijzonder ziet het hof niet in waarom het niet logisch is dat het verbuigen en de beschadiging van de bovenste schuif is veroorzaakt door het inrammen van de deur, zoals de verdediging heeft aangevoerd. Ook de bevinding, dat het niet aannemelijk is dat de schade van de bovenste raamvergrendeling al aanwezig was op het moment van het, door politiepersoneel, inrammen van de voordeur, omdat de voordeur anders niet (goed) gesloten kon worden/zijn, is goed te volgen. Nadere uitleg is hiervoor niet nodig.
De verdediging heeft tenslotte aandacht gevraagd voor de mogelijkheid dat dit type raamvergrendeling uit zichzelf op slot valt. Hieraan is aandacht besteed in het onderzoek en de onderzoeker concludeert: "Er is op basis van te veel variabelen niet te reconstrueren of dergelijke raamvergrendelingen door het rammen op de voordeur van horizontaal naar verticaal vallen/gaan, maar aannemelijk is dit niet. Deurvergrendelingen vallen niet spontaan dicht als deze in nieuwstaat worden gemonteerd (dit om te voorkomen dat men zich buitensluit). Tevens mag je verwachten, wanneer de voordeur geramd wordt met bijvoorbeeld een ram zoals de politie gebruikt, dat de voordeur, ten opzichte van de deurpost, dusdanig naar binnen beweegt, dat wanneer de raamvergrendeling daardoor van horizontaal naar verticaal zou verplaats worden, de sluitnok niet in een sluitkom op de deurpost terecht kan komen."
Hoewel de verdediging moet worden nagegeven dat in dit geval niet vast staat dat de deurvergrendeling in nieuwstaat is gemonteerd, zijn de conclusies voor het overige goed te volgen. Het hof betrekt hierbij eerder onderzoek van de bovenste raamvergrendeling door opsporingsambtenaar [verbalisant 4], die relateert: "Ik heb vervolgens een nader onderzoek ingesteld naar de staat van de (..) bovenste schuif. Ik voelde stevige weerstand bij het open en dicht zetten van de schuif. Ik merk op dat het derhalve niet waarschijnlijk is dat de schuif uit zichzelf naar beneden is gezakt, bijvoorbeeld door het inrammen van de deur." De verbalisant relateert voorts dat [getuige 4] , de inwonende zoon van het slachtoffer, tegen hem heeft gezegd dat beide schuiven voorafgaand aan het incident hetzelfde aanvoelden qua weerstand en dat deze niet ‘lam’ waren waardoor ze vanzelf naar beneden zouden kunnen zakken. Het hof schuift de door de verdediging geopperde mogelijkheid van spontaan in het slot vallen dan ook als onaannemelijk terzijde.
Het sluiten van de raamvergrendeling kan alleen de verdachte hebben gedaan: de zoon was door de voordeur weg gegaan naar zijn werk en de schuif kan bij zijn vertrek niet op de deur hebben gezeten. Deze moet dus daarna zijn gesloten. De vergrendeling is alleen vanaf de binnenkant te bedienen, en het slachtoffer lag nog te slapen. Dit brengt met zich dat de verdachte degene is geweest die de schuif op de deur heeft gedaan, nadat de zoon vertrokken is. Dit afsluiten van de voordeur kan alleen begrepen worden, als de verdachte daarmee wilde verhinderen dat het slachtoffer zou ontkomen.
Voldoende gelegenheid
De gebeurtenissen hebben zich tussen het moment van vertrek van de zoon om 6:40/6:45 en het ontvangen van de melding bij de politie omstreeks 7:07 afgespeeld, en hebben daarmee minstens 20 minuten geduurd. In deze tijdspanne heeft de verdachte voldoende de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Aangenomen kan worden dat de verdachte ook gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Er zijn hiervoor verschillende momenten aan te wijzen, namelijk het moment dat de verdachte besloot het stanleymes bij zich te steken, het moment dat de verdachte eerst besloot het slachtoffer te verwurgen, en - toen dat niet lukte - het stanleymes ook daadwerkelijk te gebruiken. De wijze waarop hij dat deed, te weten het achter het slachtoffer gaan staan, haar met de ene hand bij de nek pakken en met de andere hand met het mes in haar hals te steken, wijst hierbij op een zekere bedachtzaamheid. Ook dat lukte niet, omdat het mes kapot ging. Nadat het slachtoffer vervolgens het raam opende en om hulp schreeuwde, en hij het raam had proberen te sluiten, heeft de verdachte de kamer verlaten. Ook dat bood hem de gelegenheid om na te denken over zijn daad en zich rekenschap daarvan te geven. Er was toen namelijk een nieuwe situatie ontstaan. Hij had het slachtoffer verlaten en was naar een andere ruimte gegaan, heeft zich aldaar opnieuw bewapend en is daarna weer terug gegaan. In die tijd had hij kunnen besluiten om af te zien van zijn plan om het slachtoffer te doden. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft ervoor gekozen om met het kapmes terug te keren naar de slaapkamer. Ook het gegeven dat hij, nadat hij het plan had opgevat haar te doden, de schuif op de deur heeft gedaan om te voorkomen dat het slachtoffer zou vluchten wijst op het gebruik maken van de gelegenheid na te denken over zijn daad. Dat niet precies valt vast te stellen wanneer hij dat heeft gedaan, maakt dat niet anders. Tenslotte wijzen de uitlatingen, die de verdachte deed jegens het slachtoffer over het scenario dat zou gaan volgen, namelijk dat hij haar ging doden en daarna zichzelf, onmiskenbaar op het zich rekenschap geven van zijn voorgenomen daad.
Het hof ziet voorts geen contra-indicaties voor voorbedachte raad. De verdediging heeft aangevoerd dat die gezien kunnen worden in - kort gezegd: de tijd tussen het ontdekken van het vreemdgaan van het slachtoffer rondom 17 juni 2022 en de daad op 22 juli 2022 en het feit dat in die periode de verdachte de relatie leek te willen redden en de relatie ook is voortgezet. Ook is gewezen op de omstandigheid dat er op 21 juli 2022 weliswaar wederom een ruzie is geweest waarbij het slachtoffer heel erg boos is geworden, maar zij vervolgens door de verdachte is gekalmeerd en rustig is geworden.
Het hof overweegt dat - zoals hiervoor uiteengezet - de verdachte in elk geval vóór hij 's morgens vroeg naar de slaapkamer van het slachtoffer ging, het plan heeft opgevat haar te doden. Dit laat onverlet dat de verdachte al langere tijd daarvoor wist van het vreemdgaan en doende is geweest de relatie nog te redden. Het tijdsverloop en het voortduren van de relatie vormen dan ook geen relevante contra-indicaties. Ook in het verloop van de ruzie de avond ervoor kan die niet gevonden worden. Wat er ook zij van de stelling dat deze ruzie door toedoen van de verdachte rustig is geëindigd; bij gelegenheid van die ruzie is de verdachte te verstaan gegeven dat hij de woning toch echt moest verlaten. Het staat er niet aan in de weg dat de verdachte na beëindiging van die ruzie het plan heeft opgevat het slachtoffer te doden, en daarna het moment heeft afgewacht dat hij alleen met haar thuis zou zijn.
Het hof ziet ook overigens geen contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. Meer in het bijzonder kunnen die niet worden gevonden in het feit dat in de ochtend van 22 juli 2022 weer ruzie is ontstaan, aangezien de verdachte daaraan voorafgaand bewust de confrontatie heeft opgezocht door het slachtoffer aan te spreken op de wijze waarop zij hem behandelt.
Het hof concludeert op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden dat de verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar dat aangenomen moet worden dat hij daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van heeft gegeven. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht moord bewezen.”
Het beoordelingskader van de Hoge Raad met betrekking tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad komt er in de kern op neer dat voor een veroordeling voor moord moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit om iemand van het leven te beroven en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechter zal door weging en waardering van de omstandigheden van het geval het gewicht moeten bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen de bewezenverklaring van voorbedachte raad pleiten. Indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, moet de rechter in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht besteden aan dit bestanddeel. Verder zal de rechter een door de verdachte gegeven alternatieve lezing van gebeurtenissen die niet met voorbedachte raad strookt, moeten weerleggen door middel van opneming van bewijsmiddelen, vermelding van aan bewijsmiddelen te ontlenen feiten of door het (gemotiveerd) als onaannemelijk of ongeloofwaardig terzijde stellen van de alternatieve lezing.
Uit de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte (bewijsmiddelen 1-4) in combinatie met het technische bewijs in de vorm van het onderzoek naar de schuif aan de voordeur (bewijsmiddelen 14 en 15) blijkt:
- dat de verdachte tijdens de vakantie die ongeveer een maand voor de pleegdatum is geëindigd erachter is gekomen dat het slachtoffer vreemd is gegaan;
- dat de verdachte en het slachtoffer de dag voor de pleegdatum ruzie hadden, dat het slachtoffer toen heeft gezegd dat de verdachte niet meer bij haar kon wonen en dat zij een instantie zou bellen en de verdachte toen heeft gezegd dat hij niet weg zou gaan;
- dat de verdachte in de ochtend van de 22e juli 2022 (de pleegdatum) nadat de zoon van het slachtoffer de woning had verlaten de schuif op de voordeur heeft gedaan;
- dat hij vervolgens uit zijn werkbroek, die in de woonkamer lag, een stanleymes heeft gehaald en deze in de zak van de joggingbreuk die hij droeg, heeft gestopt, hij vervolgens naar de slaapkamer is gegaan waar het slachtoffer op dat moment in bed lag en haar aangesproken heeft op de manier waarop zij hem behandelde en toen heeft gezegd: “Waarom doe je zo met mij? Ik wilde mijn hele leven samen blijven”;
- de verdachte en het slachtoffer toen ruzie hebben gekregen en het slachtoffer, net als de avond ervoor, heeft gezegd een instantie te bellen (kennelijk zodat de verdachte uit huis zou worden verwijderd);
- de verdachte haar keel toen heeft proberen dicht te drukken en tegen haar heeft gezegd, “ik ga je afmaken, ik ga daarna mezelf afmaken”, en haar, nadat zij van het bed was opgestaan, van achteren heeft vastgepakt en haar met het stanleymes in de hals heeft gesneden;
- de verdachte vervolgens, nadat het stanleymes was afgebroken en het slachtoffer naar het raam liep, dit openmaakte en om hulp riep, haar opnieuw heeft vastgepakt in een poging dit te verhinderen;
- de verdachte vervolgens naar de keuken is gegaan om een kapmes te halen en bij het verlaten van de kamer de woorden “Ik ga iets pakken” heeft gezegd, waarna het slachtoffer in paniek het slaapkamerraam is uitgesprongen en door de val is komen te overlijden.
Hieruit kon het hof afleiden dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad, na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Verder heeft het hof het alternatieve scenario zoals gepresenteerd door de verdediging, te weten dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, gemotiveerd verworpen en uiteengezet waarom het ook overigens geen contra-indicaties ziet die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. Het oordeel van het hof dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, is aldus toereikend gemotiveerd. Hetgeen de stellers van het middel hiertegen inbrengen, doet hier niet aan af. Ik licht dit nader toe.
In de eerste plaats menen zij dat het oordeel van het hof dat de verdachte gedurende de tijdspanne tussen 6.40/6.45-7.07 uur gedurende minstens 20 minuten de tijd heeft gehad na te denken over de betekenis van de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven onbegrijpelijk is, nu uit bewijsmiddel 6 blijkt dat getuige [getuige 1] omstreeks 6.45 uur iemand hoorde schreeuwen, en de gelegenheid voor beraad dus slechts vanaf een moment ‘tussen 6:40 uur en 6:45 uur’ (bewijsmiddel 11) tot 6:45 uur kan hebben bestaan. Ik lees het arrest van het hof anders. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte in de tijdspanne van de gebeurtenissen die tussen 6:40/6:45 uur en omstreeks 7:07 uur afspeelden voldoende de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis van de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Hij heeft dus binnen die tijd – en niet per se de volle 20 minuten – daarvoor voldoende tijd gehad.
Dit nog daargelaten, blijkt uit de bewijsvoering dat de verdachte door een escalatie van gebeurtenissen in de relatie tussen hem en het slachtoffer, namelijk eerst het vreemdgaan en vervolgens de mededeling dat hij niet langer in de woning kon blijven wonen, is gekomen tot het besluit haar om het leven te brengen, welk besluit uiterlijk definitief is geworden op het moment dat de verdachte – na het vertrek van de zoon van het slachtoffer om 6:40-6:45 uur – de schuif op de voordeur heeft gedaan en het stanleymes heeft gepakt. Vervolgens is hij naar de slaapkamer van het slachtoffer gegaan, hebben zij ruzie gekregen, heeft hij haar keel proberen dicht te drukken en, nadat het slachtoffer van het bed was opgestaan, haar met het stanleymes in de hals gesneden en getracht te voorkomen dat zij het raam openmaakte. Daarna is de verdachte naar de keuken gegaan om een kapmes te halen. Gelet op al deze gebeurtenissen lijkt het mij van minder groot belang wat de precieze tijdsduur was tussen het dichtdoen van de deur, het vervolgens insteken op het slachtoffer en het uiteindelijk uit het raam springen door het slachtoffer. Het gaat erom dat de verdachte genoeg tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn daden en die tijd heeft hij gedurende de gebeurtenissen gehad. Het oordeel van het hof dat hij daarvoor voldoende tijd heeft gehad, acht ik gelet op het geheel van de bewijsvoering niet onbegrijpelijk. Ik wijs er daarbij op dat een korte tijdspanne tussen het definitieve wilsbesluit en het begin van uitvoering niet per se in de weg staat aan het aannemen van voorbedachte raad. Ik citeer in dit verband uit de parlementaire geschiedenis:
“Het criterium ligt geenszins in de kortere of langere tijdsruimte tusschen besluit en uitvoering, maar in den gemoedstoestand van den dader. Tegenover den “voorbedachten raad” staat het handelen “in impetu”, waarbij èn besluit genomen wordt èn uitvoering geschiedt gedurende ééne onafgebroken gemoedsbeweging die het kalm nadenken uitsluit. De tijdsruimte kan eene gewichtige aanwijzing zijn voor het al of niet bestaan van den voorbedachten raad, maar bewijst dien niet per se. Wie, geheel kalm, het besluit neemt om een ander te dooden en het, na eenig overleg, bijna oogenblikkelijk daarna uitvoert, is moordenaar.”
Daarmee kan het tweede argument van de stellers evenmin ergens toe leiden. Zij voeren aan dat het oordeel van het hof dat het moment dat de verdachte na de bewezenverklaarde gedragingen te hebben verricht de kamer heeft verlaten, kan worden aangemerkt als een gelegenheid die de verdachte daadwerkelijk heeft benut om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bestanddeel voorbedachte raad. Hoewel het inderdaad onduidelijk blijft in hoeverre het bewapenen met het kapmes en het teruggaan naar de slaapkamer heeft plaatsgevonden voordat het slachtoffer uit het raam is gesprongen – en dus moeilijk kan worden volgehouden dat op dat moment nog ruimte bestond voor kalm beraad – meen ik dat de handelingen die de verdachte voorafgaand aan het verlaten van de kamer heeft begaan, zoals hiervoor omgeschreven, het oordeel van het hof dat met voorbedachte raad is gehandeld zelfstandig kunnen dragen. Bovendien heeft de verdachte ook tijdens de periode voordat hij de slaapkamer heeft verlaten meerdere mogelijkheden gehad zijn moordpoging te staken, namelijk bij het afbreken van het mes en bij het trachten te verhinderen van de pogingen van het slachtoffer om het raam te openen en om hulp te roepen. Met andere woorden, vanaf het moment van het afsluiten van de voordeur is voldoende mogelijkheid voor beraad geweest. Ook zonder het eventuele beraad dat na het verlaten van de slaapkamer heeft plaatsgevonden, in aanmerking te nemen, staat de motivering van het hof omtrent de voorbedachte raad overeind.
Het argument van de stellers van het middel dat het oordeel van het hof dat geen contra-indicaties kunnen worden gevonden die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan en dat die meer in het bijzonder niet kunnen worden gevonden in de omstandigheid dat in de bewuste ochtend tussen de verdachte en het slachtoffer weer ruzie is ontstaan onbegrijpelijk is, nu het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer tijdens die ruzie begon te slaan, gaat om grofweg dezelfde reden niet op. Uit de vaststellingen van het hof blijkt immers dat de verdachte reeds voor het moment van de ruzie het besluit had genomen het slachtoffer om het leven te brengen en gelegenheid tot beraad omtrent dit besluit heeft gehad.
Wat betreft het argument dat de feitelijke gevolgtrekking dat de wijze waarop de verdachte het stanleymes gebruikte, wijst op een zekere bedachtzaamheid niet begrijpelijk is, gelet op de vaststellingen van het hof over de manier waarop de ruzie die heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer zich heeft ontvouwd, merk ik het volgende op. De verdachte heeft na binnenkomst in de slaapkamer het slachtoffer geconfronteerd met zijn grieven over hun relatie en toen zij probeerde, weg te komen haar van achteren vastgepakt en toen het stanleymes, dat hij eerder in zijn broekzak had gestopt, getrokken en geprobeerd de keel van de slachtoffer open te snijden. Dat het hof in het geheel van deze gedragingen een zekere bedachtzaamheid heeft gezien, acht ik niet onbegrijpelijk. Nergens blijkt uit dat de ruzie die is uitgebroken en de klap die het slachtoffer kennelijk aan de verdachte heeft uitgedeeld de reden was dat de verdachte is doorgeslagen en haar heeft aangevallen met het stanleymes, terwijl alles erop wijst dat het wilsbesluit om het slachtoffer te trachten om te brengen met het stanleymes reeds was genomen toen de verdachte de slaapkamer binnenliep. Daarbij lijkt het me dat de verdachte zich moet hebben gerealiseerd dat het slachtoffer zich wellicht zou verzetten of zou trachten te vluchten, nu het in de lijn der verwachtingen ligt dat iemand zich niet zomaar zal laten ombrengen. Juist het haar van achteren pakken op het moment dat zij tracht te ontsnappen en het vervolgens meteen trekken van het mes en snijden in haar keel duidt tegen die achtergrond op een zekere bedachtzaamheid.
Tot slot is er het argument dat het oordeel dat de uitingen van de verdachte naar het slachtoffer dat hij haar ging doden en daarna zichzelf, onmiskenbaar wijzen op het zich rekenschap geven van zijn voorgenomen daad niet begrijpelijk is, nu het doen van dergelijke uitlatingen in de zeer korte tijdspanne tussen het besluit en uitvoering aan het bestaan van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling bij de verdachte niet in de weg staan. Ook dit argument gaat niet op. In het licht van het andere bewijsmateriaal kon het hof oordelen dat de verdachte zich rekenschap heeft gegeven van de moord die hij op het punt stond te plegen. Het uiten van deze woorden past bij dit scenario.
Stellers vergelijking met het arrest van de Hoge Raad van 29 september 2015 die zij in dit verband trekken, gaat niet op. In die zaak had het hof in het bijzonder uit de bedreiging die de verdachte kort voor het schieten had geuit in combinatie met het ontbreken van contra-indicaties afgeleid dat de verdachte met voorbedachte raad had gehandeld. De Hoge Raad casseerde dit arrest, nu het hof niets had vastgesteld omtrent het tijdsverloop dat was gemoeid met de bedreiging, het pakken van het pistool, het doorladen van het pistool en het daarmee schieten en voor zover het hof belang zou hebben toegekend aan de drie kwartier eerder geuite woorden: “Ze gaan zien, wacht maar” dit niet tot een andere uitkomst leidde, nu het hof niet had vastgesteld dat die uitlating verband hield met verdachtes voorgenomen daad, terwijl een dergelijk verband evenmin rechtstreeks voortvloeit uit die uitlating.
In de onderhavige zaak heeft het hof mijns inziens het aannemen van voorbedachte raad gebaseerd op de handelingen van de verdachte die hij heeft begaan na het verlaten van de woning door de zoon van het slachtoffer en heeft het hof deze handelingen in de context geplaatst van de opmerking van het slachtoffer dat de verdachte zou moeten vertrekken uit het huis waar zij samen verbleven. De uitingen die de verdachte net voor de moord heeft gedaan, vormen slechts een extra bevestiging dat sprake was van een vooropgezet op levensberoving gericht plan en zijn in zoverre niet dragend voor de bewezenverklaring van de voorbedachte raad.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
3. Slotsom
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, terwijl de verdachte zich ten tijde van de betekening van de aanzegging in cassatie in detentie bevond uit hoofde van de onderhavige zaak. Als de overschrijding niet beperkt kan worden tot één maand zal dit aanleiding dienen te geven tot strafvermindering. Voor het overige heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de uitspraak van het hof aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep en tot eventuele vernietiging van de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindering daarvan wegens overschrijding van redelijke termijn in de cassatiefase.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG