ECLI:NL:PHR:2026:764

ECLI:NL:PHR:2026:764

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 12-08-2026
Zaaknummer 25/00567
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Profijtontneming. Slagend middel dat klaagt over oordeel dat “de redelijke termijn in beperkte mate is overschreden en dat vanwege deze gering overschrijding kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM” onbegrijpelijk is, omdat de redelijke termijn met 7 maanden is overschreden. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak i.v.m. schending redelijke termijn, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/00567 P

Zitting 8 september 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de betrokkene

1. Inleiding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 7 februari 2025 (parketnr. 21-005693-22) het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2022 (parketnr. 18-730235-19) bevestigd met verbetering en aanvulling van gronden. Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 364.128,74 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 364.128,74 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. D.R. Kops, advocaat in Breukelen UT, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

De betrokkene in deze ontnemingszaak is in de onderliggende strafzaak in eerste aanleg veroordeeld wegens kort gezegd het telen van hennep en diefstal van stroom. De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 364.128,74 en aan betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van eveneens € 364.128,74 aan de Staat. Het hof heeft in het bestreden arrest het vonnis van de rechtbank bevestigd met verbetering en aanvulling van gronden en aan de betrokkene de betalingsverplichting opgelegd ter hoogte van het genoemde bedrag. De bevestiging betreft ook het oordeel van de rechtbank over de overschrijding van de redelijke termijn in deze ontnemingsprocedure in eerste aanleg. Het middel klaagt over dat oordeel.

Deze conclusie houdt in dat het middel slaagt.

3. Het middel

Het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat “de redelijke termijn in beperkte mate is overschreden en dat vanwege deze geringe overschrijding kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM” onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat de redelijke termijn met 7 maanden is overschreden.

Blijkens het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland is door de raadsman van de betrokkene aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden en dat deze overschrijding moet leiden tot vermindering van het vast te stellen ontnemingsbedrag.

Met betrekking tot de aanvang van de redelijke term en het procesverloop blijkt uit het vonnis het volgende:

- tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op 19 mei 2020 heeft het openbaar ministerie een ontnemingsvordering aangekondigd;

- op 30 mei 2022 is de ontnemingsvordering pro forma behandeld en vervolgens heeft een schriftelijke ronde plaatsgevonden;

- de vordering is behandeld ter terechtzitting van 10 november 2022;

- op 22 december 2022 heeft de rechtbank beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat “de redelijke termijn in beperkte mate is overschreden en dat vanwege deze geringe overschrijding kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM”.

De raadsman van de betrokkene heeft blijkens de pleitnota op de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2025 onder meer het volgende aangevoerd inzake de overschrijding van de redelijke termijn:

“35. De verdediging meent dat door de Rechtbank ten onrechte is volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op het overschrijden van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM.

36. Op 19 mei 2020 heeft het OM een ontnemingsvordering aangekondigd. Op 30 mei 2022, dus meer dan 2 jaar later, is deze vordering pro forma behandeld. Het is niet aan cliënt toe te rekenen dat vervolgens schriftelijke rondes hebben plaatsgevonden, waardoor de redelijke termijn nog verder is overschreden.

37. Om deze reden meent de verdediging dat – indien wederrechtelijk verkregen voordeel zou worden vastgesteld – op dit bedrag een mindering van toepassing zou moeten zijn”.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd met verbetering en aanvulling van gronden. De verbetering van de gronden heeft betrekking op de bewijsmiddelen, de aanvulling betreft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Hetgeen door de rechtbank met betrekking tot de redelijke termijn is overwogen, is bevestigd door het hof.

De Hoge Raad heeft inzake de overschrijding van de redelijke termijn in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis als volgt overwogen:

“Toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter

Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vòòr de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd:

a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.

b. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

Bij deze toetsing geldt als uitgangspunt dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de onderhavige garantie van art. 6, eerste lid, EVRM. Hij behoeft in zijn uitspraak echter alleen in de volgende gevallen te doen blijken van dat onderzoek:

a. Als ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven.

b. […]

Opmerking verdient dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vòòr de bestreden uitspraak:

a. Wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd, en

b. […]

In deze gevallen moet immers worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de sub 3.11 bedoelde dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd.

[…]

Aanvang van de redelijke termijn

[…]

Ook in ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Dat moment zal in de regel niet samenvallen met dat waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak begint. Het is aan de feitenrechter om, gelet op de omstandigheden van het geval, dit moment vast te stellen.

Hoewel een meer specifieke regel daaromtrent niet valt te geven, zal in het algemeen als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden:

a. het in art. 311, eerste lid, Sv bedoelde moment waarop de officier van justitie uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken […]

Duur van de redelijke termijn

[…]

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13.1 vermeld.

[…]

Rechtsgevolgen van overschrijding van de redelijke termijn

[…]

Het staat de rechter overigens vrij om - na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn - te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM; de Hoge Raad wijst in dit verband op de hiervoor onder 3.6 vermelde gevallen”.

Uit het door het hof met verbetering en aanvulling van gronden bevestigde vonnis van de rechtbank volgt dat 19 mei 2020 als aanvangsdatum voor de redelijke termijn in eerste aanleg is aangenomen. Dit is de dag waarop het openbaar ministerie tijdens de inhoudelijke terechtzitting de ontnemingsvordering heeft aangekondigd. Op 22 december 2022 – ruim 2 jaar en 7 maanden later – heeft de rechtbank beslist op de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Door de raadsman van de betrokkene in eerste aanleg is aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden en dat deze overschrijding moet leiden tot vermindering van het vast te stellen ontnemingsbedrag. De rechtbank heeft – na in algemene zin het kader te hebben gegeven voor beoordeling van overschrijdingen van de redelijke termijn en daaraan eventueel te verbinden gevolgen – geoordeeld dat “de redelijke termijn in beperkte mate is overschreden en dat vanwege deze geringe overschrijding kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM”. In hoger beroep is door de raadsman van de betrokkene onder meer aangevoerd dat door de rechtbank “ten onrechte is volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op het overschrijden van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM”, dat op 30 mei 2022 (de dag van de pro forma behandeling) de redelijke termijn reeds was overschreden (met 1 week en 4 dagen), dat het verdere overschrijden van de redelijke termijn ten gevolge van de schriftelijke rondes niet aan de betrokkene is toe te rekenen en dat omwille van het voorgaande het ontnemingsbedrag dient te worden verminderd. Met het “verdere overschrijden van de redelijke termijn ten gevolge van de schriftelijke rondes” doelt de raadsman, zo begrijp ik, op de termijn van 6 maanden 3 weken en 1 dag. Het hof heeft hetgeen door de rechtbank met betrekking tot de redelijke termijn is overwogen bevestigd.

Mede gelet op hetgeen door de raadsman van de betrokkene in hoger beroep is aangevoerd, is het oordeel van het hof dat “de redelijke termijn in beperkte mate is overschreden en dat vanwege deze geringe overschrijding kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM” zonder nadere, op de onderhavige zaak betrekking hebbende motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Op zichzelf bezien komt een overschrijding met 7 maanden, hetgeen in een percentage uitgedrukt neerkomt op een overschrijding van bijna 30%, niet onmiddellijk als beperkt voor. Hoewel het de rechter vrijstond om na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn, te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM, blijkt niet op grond waarvan het hof tot het oordeel is gekomen dat de overschrijding van de redelijke termijn in de onderhavige zaak als beperkt kan gelden en blijkt ook verder niet waarom het hof volstaat met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Hierbij merk ik op dat in de samenhangende strafzaak geen overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, zodat zich hier niet het geval kan voordoen dat vanwege een reeds in de strafzaak toegepaste compensatie in de ontnemingszaak geen korting meer wordt toegepast.

4. Afronding

Het middel slaagt.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand