ECLI:NL:PHR:2026:765

ECLI:NL:PHR:2026:765

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 12-08-2026
Zaaknummer 24/04315
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Profijtontneming. M1 en M2: klachten dat het hof ten onrechte art. 36e lid 3 Sr als grondslag heeft genomen (M1) en dat het hof het bewijsvermoeden over een verkeerde periode heeft toegepast (M2) zijn terecht voorgesteld, maar hoeven niet tot cassatie te leiden. M3: falend middel dat het hof het voordeel slechts aan de betrokkene heeft toegerekend terwijl kasopstelling uitgaat van een gemeenschappelijke financiële huishouding en de partner in de strafzaak is veroordeeld voor medeplegen van witwassen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 lid 1 RO).

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04315 P

Zitting 8 september 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[betrokkene 1] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de betrokkene

1. Inleiding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem heeft bij arrest van 25 november 2024 (parketnr. 21-002633-22) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 82.438,51,- en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 77.438,51,-. Verder heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

De betrokkene is in de strafzaak veroordeeld wegens onder meer het in vereniging plegen van een diefstal met braak en het medeplegen van gewoontewitwassen. Het hof heeft een ontnemingsmaatregel opgelegd op grond van art. 36e lid 3 Sr. In cassatie wordt geklaagd dat het hof ten onrechte art. 36e lid 3 Sr als grondslag voor de ontneming heeft genomen. Daarnaast wordt geklaagd dat het hof het bewijsvermoeden van art. 36e lid 3 Sr over een verkeerde periode heeft toegepast. Ook is het cassatieberoep gericht tegen de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de grond dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de uitgaven en inkomsten in de kasopstelling slechts aan de betrokkene kunnen worden toegerekend, terwijl de kasopstelling de gemeenschappelijke financiële huishouding van de betrokkene en zijn partner betreft en de partner in de strafzaak (eveneens) is veroordeeld voor het medeplegen van witwassen.

Deze conclusie houdt in dat het eerste en het tweede middel terecht zijn voorgesteld maar niet tot cassatie hoeven te leiden en dat het derde middel faalt.

3. Het eerste middel

Het middel verzet zich ertegen dat het hof art. 36e lid 3 Sr als grondslag heeft genomen voor de ontneming. Volgens de stellers van het middel is voor ontneming op basis van deze bepaling vereist dat de betrokkene is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, terwijl de betrokkene is veroordeeld wegens art. 311 lid 1 Sr dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vierde categorie. Het oordeel van het hof zou getuigen van onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk zijn.

Het onherroepelijke vonnis in de strafzaak houdt het volgende in:

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 2

hij op 29 augustus 2015 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander,

- in totaal 1000 gele blanco kentekenplaten bestemd voor auto’s en

- een stempel (voorzien van rdw keurnummer […] ) en

- een brandblusser, toebehorende aan het bedrijf [A] (gevestigd [a-straat 1] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

feit 3

Op 29 augustus 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een kluis toebehorende aan [A] (gevestigd [a-straat 1] ), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen goed onder hun bereik te brengen door middel van braak, de deuren van een (schuif)kast hebben ontzet/geforceerd en vervolgens in voornoemde schuifkast) stenen uit de muur rondom de kluis hebben weggehaaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 4

in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017 in Nederland en Spanje, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader telkens van contante geldbedragen van € 55.823,51 euro aan onverklaarbaar vermogen verworven en voorhanden gehad terwijl hij en zijn mededader wisten dat die voorwerpen mede - onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk (mede) afkomstig waren uit enig misdrijf;

[…]

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

[…]

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Eendaads samenloop van feit 2 en feit 3:

(feit 2) diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

en

(feit 3) poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaften het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 4 medeplegen van gewoontewitwassen.

[…]

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 47, 55, 57, 63, 311, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.”

Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten):

“2. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 10 juni 2022 (parketnummer 16-705665-16), voor zover van belang, veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op 29 augustus 2015.

Grondslag

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit dit bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten. Volgens artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht kan aan betrokkene in dat geval de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van dit wederrechtelijk verkregen voordeel, ook zonder dat kan worden geconcretiseerd welke “andere strafbare feiten” ertoe hebben geleid dat betrokkene dat wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat verband mag worden vermoed dat uitgaven die een veroordeelde heeft gedaan en voorwerpen die hem zijn gaan toebehoren in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten c.q. aan de verkrijging van de bedoelde voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt. Uit het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel en de hierin opgenomen kasopstelling volgt dat betrokkene in de onderzochte periode grote contante uitgaven heeft gedaan, terwijl uit onderzoek is gebleken dat deze uitgaven veel hoger waren dan de ontvangsten van betrokkene en zijn partner. Een aannemelijke verklaring voor dit verschil is niet door betrokkene gegeven. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, zoals deze zijn opgenomen in het onherroepelijke vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, en op het ontnemingsrapport (hierna: het rapport) en de daarop gemaakte aanvullingen en correcties zoals opgenomen in het proces verbaal van 1 juli 2020. De berekeningsmethode van het wederrechtelijk verkregen voordeel richt zich op de contante uitgaven die door betrokkene zijn gedaan in relatie tot zijn contante legale ontvangsten in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017. Het wederrechtelijk verkregen voordeel in deze zaak is berekend aan de hand van een kasopstelling.”

Voor de bespreking van de klacht is het volgende van belang. Ontneming kan plaatsvinden op grond van art. 36e lid 3 Sr als – kort gezegd – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Ontneming op basis van lid 3 is slechts mogelijk bij degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.

Het middel houdt in dat het vonnis in de strafzaak uitwijst dat de betrokkene is veroordeeld wegens art. 311 lid 1 Sr. Het zou dan gaan om een inbraak in een bedrijfspand waarbij de strafverhogende omstandigheid van art. 311 lid 2 Sr niet van toepassing is. Volgens art. 311 lid 1 Sr wordt een “bedrijfsinbraak” bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vierde categorie. Het oordeel van het hof dat in dit geval kan worden ontnomen op grond van art. 36e lid 3 Sr zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk zijn.

Het hof overweegt in het bestreden arrest onder het kopje “2. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel” dat de betrokkene is veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. Daaropvolgend overweegt het hof onder het tussenkopje “2.1 Grondslag” dat uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit dit bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.

Uit het onherroepelijke vonnis in de strafzaak leid ik inderdaad af dat de betrokkene is veroordeeld wegens het in vereniging plegen van een diefstal met braak uit een bedrijfspand. Hoewel art. 311 lid 1 Sr per 1 juli 2020 wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, was dat ten tijde van het plegen van het delict een geldboete van de vierde categorie. Voor zover het middel inhoudt dat het hof niet op basis van die veroordeling een ontnemingsmaatregel zoals bedoeld in art. 36e lid 3 Sr kon opleggen is het terecht voorgesteld. Op grond van het navolgende meen ik echter dat dit niet tot cassatie hoeft te leiden.

De betrokkene is niet alleen veroordeeld wegens diefstal met braak in vereniging, maar ook wegens het medeplegen van gewoontewitwassen in de zin van art. 420bis jo. art. 420ter Sr, waarop al sinds de invoering van deze bepalingen in 2001 wel een geldboete van de vijfde categorie staat. Uit de overwegingen van het hof onder het kopje “De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel” blijkt dat de berekeningsmethode van het wederrechtelijk verkregen voordeel zich richt op de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017. Die periode komt overeen met de bewezenverklaarde pleegdatum van het gewoontewitwassen. Het hof heeft kennelijk per abuis de veroordeling wegens de gekwalificeerde diefstal en niet de veroordeling wegens het gewoontewitwassen als grond genoemd voor de toepassing van art. 36e lid 3 Sr.

Het middel is terecht voorgesteld maar gelet op het voorgaande heeft de betrokkene onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak.

4. Het tweede middel

Het middel is gericht tegen de periode waarover het in art. 36e lid 3 Sr verankerde bewijsvermoeden is toegepast.

Vooropgesteld moet worden dat art. 36 lid 3 Sr bepaalt dat bij uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld ervan mag worden uitgegaan dat deze wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten.

De stellers van het middel voeren aan dat het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk voordeel op € 82.438,51 kan worden vastgesteld onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd op de grond dat de kasopstelling is opgesteld over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017, terwijl de bedrijfsinbraak is gepleegd op 29 augustus 2015. De kasopstelling zou zich daarmee uitstrekken over een periode na de pleegdatum van het feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld. Volgens art. 36e lid 3 komt die periode niet in aanmerking voor de toepassing van het bewijsvermoeden, omdat dit bewijsvermoeden zich slechts mag uitstrekken over een periode van 6 jaar voorafgaand aan het plegen van het misdrijf.

Bij de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat het hof per abuis de veroordeling wegens de gekwalificeerde diefstal en niet de veroordeling wegens het witwassen als grondslag heeft genoemd voor de ontneming op basis van art. 36e lid 3 Sr. Gelet hierop moet mijns inziens worden aangenomen dat het hof de pleegdatum van het witwassen als eindpunt heeft genomen voor de periode waarover het bewijsvermoeden zich uitstrekt. Dit wordt bevestigd door de door het hof gebruikte kasopstelling die zich uitstrekt over een periode die overeenkomt met de bewezenverklaarde periode van het gewoontewitwassen, namelijk 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017. Onder die omstandigheden strekt de kasopstelling zich uit over een periode (van minder dan zes jaar) voorafgaand aan de pleegdatum van het feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld.

Ook dit middel leidt niet tot cassatie.

5. Het derde middel

Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat het kasverschil volledig aan de betrokkene kan worden toegerekend.

Het ontnemingsrapport houdt voor zover van belang het volgende in:

“Economische eenheid [betrokkene 1] en [betrokkene 2]

Volgens de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) staan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , sinds 03 maart 2010 ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] .

Zij wonen daar samen met hun 2 minderjarige kinderen.

• [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [plaats]

• [betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [plaats]

Op 17 mei 2017 verklaarde [betrokkene 1] al 6 jaar met [betrokkene 2] op het adres [b-straat 1] te [plaats] te wonen en dat zij daar samen met hun twee kinderen wonen. Op 04 april 2018 verklaarde hij dat dit nog steeds het geval was. Verder verklaarde hij dat niet te weten of [betrokkene 2] en hij een samenlevingscontract of een geregistreerd partnerschap hadden. Ze hadden wel getekend bij de notaris voor het huis. Hij verklaarde financieel gezien een gezamenlijke huishouding te voeren met [betrokkene 2] . Op de vraag welke afspraken ze hebben over hun financiën, vanaf het begin dat ze samenwonen, antwoordde [betrokkene 1] :

“Gewoon. We brengen wat zij verdient en wat ik verdien naar de kosten. Wij hebben alle twee onze kosten. De vaste lasten worden gezamenlijk betaald.”

Over de boodschappen verklaarde hij: "Die worden gezamenlijk betaald.” Uit de door de Belastingdienst verstrekte gegevens is gebleken dat zij samen aangifte doen. Op basis van het bovenstaande is er sprake van economische verbondenheid tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en worden zij aangemerkt als een economische eenheid.

Bron: G.B.A. en de Processen-verbaal verhoor verdachte [betrokkene 1] met de documentcodes […] en […] . Persoonsdossier [betrokkene 1] , Hoofdstuk verhoren.

Het onherroepelijke vonnis in de strafzaak houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten):

feit 4

Bewijsmiddelen

[…]

Verdachte heeft verklaard dat hij en zijn partner, [betrokkene 2] , een gezamenlijke (financiële)huishouding voeren en dat [betrokkene 2] voornamelijk de bankzaken regelt.

Bewijsoverwegingen

Vermoeden van witwassen

Door de financiële recherche is onderzoek verricht naar de legale contante inkomsten- en vermogensbronnen van verdachte en zijn echtgenote [betrokkene 2] , en hun contante uitgaven in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017. Het resultaat van dit onderzoek is een kasopstelling gebaseerd op de contante gelden en geverbaliseerd in een rapport wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit de kasopstelling volgt dat in die periode een bedrag aan € 44.726,40 beschikbaar was aan legale contante gelden voor het doen van uitgaven, terwijl de werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen € 100.549,91 bedroegen. Derhalve bestaat het vermoeden dat ten minste het verschil tussen de legale contante inkomsten en contante uitgaven, € 55.823,51, van een andere dan legale bron van inkomsten afkomstig is. Uit een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2020 blijkt een verschil (onverklaarbaar vermogen) van € 71.323,51. In de tenlastelegging is het bedrag van € 55.823,51 gehandhaafd.

[…]

Medeplegen

De rechtbank acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat er tussen verdachte en zijn echtgenote [betrokkene 2] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het witwassen. [betrokkene 2] heeft geweigerd om aan een politieverhoor mee te werken en heeft daarom geen verklaring afgelegd over hun (financiële) huishouding, inkomsten en uitgaven. Uit het dossier volgt dat verdachte en zijn partner [betrokkene 2] een gezamenlijke huishouding voerden en dat [betrokkene 2] voornamelijk de bankzaken regelde, waarmee zij overzicht had over hun inkomsten, uitgaven en contante geldstortingen en opnames. De rechtbank acht het daarom wettig en overtuigend bewezen dat [betrokkene 2] wist dat een groot deel van de inkomsten/contante stortingen geen legale herkomst hadden en dat zij ook beschikkingsmacht over dat geld had.

Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten):

2.2 Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, zoals deze zijn opgenomen in het onherroepelijke vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, en op het ontnemingsrapport (hierna: het rapport) en de daarop gemaakte aanvullingen en correcties zoals opgenomen in het proces verbaal van 1 juli 2020. De berekeningsmethode van het wederrechtelijk verkregen voordeel richt zich op de contante uitgaven die door betrokkene zijn gedaan in relatie tot zijn contante legale ontvangsten in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017. Het wederrechtelijk verkregen voordeel in deze zaak is berekend aan de hand van een kasopstelling.

Het hof kan zich verenigen met de gehanteerde rekenmethode en constateert dat met betrekking tot die rekenmethode geen verweren zijn gevoerd. Wel zijn ten aanzien van verschillende posten bezwaren ingebracht en zal het hof op bepaalde punten van de berekening in voornoemd rapport afwijken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Beginsaldo contant geld

Op 24 december 2014 heeft betrokkene voor het laatst dat jaar een geldbedrag opgenomen, te weten een geldbedrag van € 150,00. Op vier eerdere momenten in december 2014 werden tevens geldbedragen opgenomen.

In het rapport is het bedrag van € 150,00 als startpunt genomen van de berekening die leidt tot de conclusie dat sprake is van een negatief kassaldo. Daarbij wordt gesteld dat men geen geld hoeft op te nemen indien men beschikt over voldoende geld in de portemonnee, zodat mag worden aangenomen dat betrokkene op dat moment verder niet over contant geld beschikte.

Betrokkene heeft ter terechtzitting aangevoerd dat uit de enkele omstandigheid dat hij op een bepaald moment € 150,00 heeft gepind niet kan worden afgeleid dat hij op dat moment niet over ander contant geld beschikte. Volgens betrokkene had hij vaak contant geld in huis en kan die opname van € 150,00 een situatie zijn geweest waarin hij buiten de deur zonder geld kwam te zitten, Betrokkene heeft echter niet gesteld of onderbouwd hoeveel contant geld hij dan gewoonlijk in huis had.

Gelet op dit standpunt van betrokkene en het gebrek aan verdere onderbouwing daarvan komt het hof redelijk voor het beginsaldo op 1 januari 2015 te schatten op € 2.500,00, te weten het totaal van alle geldopnames van december 2014.

Contante ontvangsten uit gigolo werkzaamheden

Betrokkene heeft verklaard dat hij contante inkomsten heeft vergaard uit werkzaamheden als gigolo. Hij stelt dat hij daartoe via een encryptieapp op zijn telefoon contact had met klanten. Ter terechtzitting heeft betrokkene een verklaring overgelegd van een persoon die van zijn werkzaamheden gebruik heeft gemaakt.

Gelet op de overgelegde verklaring acht het hof aannemelijk dat tot op zekere hoogte sprake is geweest van gigolowerkzaamheden. Dit vindt ook steun in het tapgesprek van 30 juni 2016 waarin betrokkene aangeeft dat hij een SOA heeft opgelopen door gigolowerkzaamheden, terwijl betrokkene op dat moment nog niet op de hoogte was dat hij werd getapt. Dat verdachte structureel als gigolo werkte heeft betrokkene wel gesteld, maar op geen enkele wijze onderbouwd of aannemelijk kunnen maken. Betrokkene heeft in dat kader enkel gewezen op de onder zijn boekhouder in beslag genomen administratie. Daarin bevinden zich handgeschreven notities waarin per maand een lijstje is opgesteld met vermelding van een locatie (Nederland, Spanje of Dubai), een tijdsduur en een bedrag. Deze bedragen tellen op tot een bedrag van € 26.930,00. Het hof acht niet aannemelijk dat van structurele gigolowerkzaamheden als regelmatige inkomstenbron geen uitvoerige administratie wordt bijgehouden door betrokkene zelf, dan wel door zijn boekhouder. Nu op de lijstjes ook data voorkomen waarop betrokkene gedetineerd was en dus geen gigolowerkzaamheden kan hebben uitgevoerd, acht het hof weliswaar aannemelijk dat betrokkene meerdere keren seks voor geld heeft gehad, maar dat dit op dusdanige schaal plaatsvond dat deze werkzaamheden in totaal € 26.930,00 hebben opgeleverd, is niet aannemelijk geworden.

Het hof zal daarom het bedrag opgegeven als gigoloinkomsten schatten op een bedrag van € 13.465,00. Dit bedrag trekt het hof af van de totale legale ontvangsten van € 35.151,40, zoals opgenomen in de kasopstelling van het proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2020.

Het hof gaat er daarom van uit dat betrokkene in de relevante periode € 21.686,40 aan legale ontvangsten heeft gehad.

Lening/gift van ouders

Betrokkene en zijn vader hebben wisselend en tegenstrijdig verklaard over geldbedragen die door (één van) de ouders aan betrokkene zouden zijn gegeven of geleend:

- bij de politie heeft betrokkene op 23 mei 2017 verklaard dat hij € 18.000,00 van zijn vader had geleend;

- bij de politie heeft betrokkene op 4 april 2018 verklaard dat hij € 18.500,00 van zijn vader had geleend tijdens zijn detentieperiode in Frankrijk. Zijn vader had het geld in gedeeltes gegeven en zijn partner had het geld gebruikt. Een deel van het geld was mogelijk via de bank overgemaakt;

- ter terechtzitting in eerste aanleg heeft betrokkene verklaard dat hij meerdere keren geld had geleend van zijn vader. Hij zou € 18.000,00 contant van zijn vader hebben geleend voor de aanschaf van een horloge. Vérder zou hij tijdens/rond zijn detentie in Frankrijk € 18.500,00 van zijn vader hebben geleend, dit geld zou grotendeels contant zijn gegeven waarbij het kan kloppen dat zijn moeder een gedeelte per bank heeft overgemaakt;

- ter terechtzitting in hoger beroep heeft betrokkene verklaard dat hij een moederskindje was en zijn moeder vaker aan hem geld gaf Hij zou € 18.000,00 contant van zijn moeder hebben gekregen en zij zou dit niet hebben verteld tegen zijn vader om te voorkomen dat er gezeur van kwam. Hij zou € 18.500,00 van zijn vader hebben gekregen om te investeren in een horloge; bij de politie heeft de vader van betrokkene op 17 juni 2020 verklaard dat hij zijn zoon, na zijn detentieperiode in Frankrijk € 18.500,00 had geleend voor de aankoop van een horloge. Hij wist niets van geld dat zijn vrouw naar zijn zoon overgeboekt zou hebben. Als zij het contant zou hebben gegeven dan had hij het wel geweten, zo verklaarde hij daar;

- bij de rechter-commissaris heeft de vader van betrokkene op 2 december 2021 verklaard dat hij € 18.500,00 had geïnvesteerd in een horloge dat betrokkene wilde kopen. Achteraf had hij met zijn vrouw gereconstrueerd dat zij, de moeder van betrokkene, betrokkene € 20.000,00 euro aan contanten had gegeven/geleend. Hiervan was hij voor zijn verhoor bij de politie niet op de hoogte geweest.

Het hof acht, gelet op de tegenstrijdige en wisselende verklaringen die betrokkene en zijn vader over een lening/gift die betrokkene van (een van) zijn ouders zou hebben gehad, niet aannemelijk geworden dat betrokkene een contant geldbedrag, van zijn ouders heeft gekregen/geleend.

Het hof zal daarom uitgaan van een bedrag van € 0,00 ten aanzien van een contante lening/gift van vader/ouders, zoals opgenomen in de kasopstelling van het proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2020.

Contante lening van [betrokkene 5]

Betrokkene heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij in 2016 een geldbedrag van € 25.000,00 in contanten had geleend van [betrokkene 5] , een vriend van zijn vader. Getuige [betrokkene 5] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij het geld in zijn binnenzak had en er normaal gesproken een elastiekje omheen doet.

Het hof constateert dat betrokkene pas op ter terechtzitting, ruim vijf jaar nadat hij voor het, eerst door de politie is verhoord, met het verhaal over deze lening is gekomen. Dat tast de geloofwaardigheid van de verklaring aan. Voorts is het niet aannemelijk dat een dergelijk bedrag wordt (uit)geleend zonder dat daarover iets op papier wordt gezet. Verder acht het hof het onaannemelijk dat getuige [betrokkene 5] € 25.000,00 contant in zijn binnenzak had zitten, aangezien dit een hoeveelheid geld betreft wat men niet makkelijk vervoert in een binnenzak met een eventueel elastiekje eromheen.

Het hof acht gelet op het vorenstaande de verklaring van betrokkene, dat hij € 25.000,00 van getuige [betrokkene 5] had geleend, niet aannemelijk.

Opbrengst van de verkoop van de waterscooter

Betrokkene heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij de waterscooter, die hij in 2016 heeft aangeschaft, in de zomer van 2017 heeft verkocht. De raadsman heeft aangevoerd dat men de maand mei, waar de tenlastegelegde periode betrekking op heeft, als zomermaand kan beschouwen.

Het hof constateert dat de administratie van de boekhouder een overzicht van de contante inkomsten per maand bevat, waar in het overzicht van de maand juni 2017 gesproken wordt van de verkoop van een waterscooter met een defecte motor.

Gelet op de verklaring van betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep, dat hij éénmaal een waterscooter met een defecte motor heeft verkocht en dat dit in de maand juni 2017 kan zijn geweest, zal het hof de opbrengst van de verkoop van de waterscooter niet in mindering brengen.

Geld afkomstig van de uitkering van ASR in 2013 en 2014

Uit het dossier volgt dat in 2013 en 2014 in totaal € 55.000,00 door ASR aan betrokkene is uitgekeerd. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft betrokkene verklaard dat hij dit bedrag contant heeft opgenomen en hiervan bepaalde onkosten heeft betaald. Volgens de raadsman zou betrokkene hiervan ook na 1 januari 2015 hebben kunnen voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft betrokkene verklaard dat hij van het contante geld afkomstig van de uitkering van ASR niet per definitie geld over had op 1 januari 2015.

Het hof constateert dat uit het dossier blijkt dat betrokkene een luxe levensstijl had. Uit tapgesprekken blijkt dat betrokkene regelmatig uit eten ging en eten afhaalde. Bij betrokkene zijn luxe goederen en kleding aangetroffen en grote aankopen werden contant betaald.

Het hof acht het niet aannemelijk dat betrokkene na 1 januari 2015 nog (contant) geld voorhanden

had afkomstig uit de uitkering van ASR om het levensonderhoud en de riante levensstijl te bekostigen.

Berekening

Beginsaldo contant geld: € 2.500,00

Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen:

Contante ontvangsten (inkomen) Klussenbedrijf € 5.761,40

Contante ontvangsten gigolowerkzaamheden € 13.465,00

Contante opnamen vanuit bankrekeningen en creditcard € 2.460,00

Totalen: € 21.686,40

Eindsaldo contant geld: € 6.075,00

Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen:

Contante uitgaven aan contant bonnen € 6.580,51

Contante uitgaven aan waterscooter € 19.714,30

Contante uitgaven volgens CJ Administratie kantoor € 4.995,24

Contante uitgaven aan voeding € 8.139,86

Contante stortingen op bankrekeningen € 61.616,00

Totalen: € 100.549,91

De in het aanvullend proces-verbaal van 1 juli 2020 opgenomen kasopstelling ziet er derhalve, gewijzigd, als volgt uit:

Beginsaldo contant geld € 2.500,00

Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen € 21.686,40

Eindsaldo contant geld € 6.075,00

Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 18.111,40

[het hof begrijp dat het gaat om het beginsaldo en de legale contante ontvangsten minus het eindsaldo, dus € 24.186,40 minus € 6.075,00 = € 18.111.40]

Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen

Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel) € 82.438,51

[het hof begrijpt dat het gaat om de daadwerkelijke contante uitgaven minus het (legale) beschikbare bedrag dus € 100.549,91 minus € 18.111,40 = € 82.438,51]

Gelet op het voorgaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel dat betrokkene uit andere strafbare feiten heeft verkregen, vast op € 82.438,51. Het is immers niet aannemelijk geworden dat aan dit bedrag een legale bron van inkomsten ten grondslag ligt.

3. De verplichting tot betaling aan de Staat

Redelijke termijn

Het hof constateert dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.

De redelijke termijn is aangevangen op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kón ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou worden gemaakt. Uit de voorhanden zijnde stukken stelt het hof vast dat het moment waarop in deze zaak de redelijke termijn is aangevangen, het moment is waarop de rechter-commissaris de vordering tot het doen van een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek heeft toegestaan, te weten op 30 augustus 2017.

De behandeling van de ontnemingszaak heeft in eerste aanleg niet binnen twee jaar plaatsgevonden. De beslissing is op 10 juni 2022 uitgesproken. Dat betekent dus dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van bijna twee jaar en negen maanden. De rechtbank heeft in het vonnis van 10 juni 2022 rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, in die zin dat de rechtbank de in de hoofdzaak aan de betrokkene opgelegde straf heeft gematigd. Het hof is daarom van oordeel dat de termijnoverschrijding in eerste aanleg voldoende is gecompenseerd.

Op 24 juni 2022 is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld tegen de ontnemingsbeslissing van de rechtbank. Het hof spreekt het arrest op 25 november 2024 uit. Daarmee is de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep met ruim vijf maanden overschreden. Het hof ziet in de termijnoverschrijding in hoger beroep aanleiding de betalingsverplichting te matigen met € 5.000,00.

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 77.438,51.

Gijzeling

Artikel 36e, lid 11, van het Wetboek van Strafrecht is gewijzigd bij de op 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017,82 (Wet USB)). Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel de duur van de gijzeling te bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur van de gijzeling wordt voor elke volle 50 euro van het opgelegde bedrag maximaal één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste 1080 dagen.

Het voorgaande brengt mee dat het hof, gelet op de hoogte van het bedrag dat betrokkene aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dient te betalen, de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv kan worden gevorderd bepaalt op 1080 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 82.438,51 (tweeëntachtigduizend vierhonderdachtendertig euro en eenenvijftig cent).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 77.438,51 (zevenenzeventigduizend vierhonderdachtendertig euro en eenenvijftig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.”

Voorop moet worden gesteld dat de rechter in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds zal kunnen vaststellen. Dan zal hij op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Wanneer de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijs wordt toegerekend. Dat betekent niet dat de rechter in het geval er verscheidene daders zijn, verplicht is tot een verdeling te komen. Evenmin brengt het mee dat pondspondsgewijze toerekening het uitgangspunt dient te vormen ingeval de rechter dan wel tot een verdeling komt. De omstandigheden van het geval zijn in deze beslissend. Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter tot een nadere motivering van zijn oordeel is gehouden, komt bovendien gewicht toe aan de procesopstelling van de betrokkene.

Verder geldt dat de omstandigheid dat uit de kwalificatie van hetgeen ten laste van de betrokkene in de hoofdzaak is bewezen verklaard volgt dat de betrokkene het feit niet alleen heeft gepleegd, er niet aan in de weg behoeft te staan dat de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene toerekent. Onder omstandigheden is evenwel een nadere motivering vereist om een zodanige toerekening begrijpelijk te doen zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als, in verband met wat door of namens de betrokkene op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd of gelet op wat uit de bewijsvoering in de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak rechtstreeks voortvloeit over de verkrijging van voordeel door de verschillende daders, voldoende duidelijke aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld.

De stellers van het middel voeren aan dat het hof zich er geen rekenschap van heeft gegeven dat de kasopstelling de gemeenschappelijke financiële huishouding van de betrokkene en zijn partner betreft. Bij een ontneming op grond van art. 36 lid 3 Sr moet het volgens de stellers van het middel gaan om voordeel dat door de betrokkene is verkregen, niet om het voordeel van een economische eenheid. Een kasopstelling gebaseerd op de gehele economische eenheid zou slechts geschikt zijn als duidelijk is dat slechts één van de betrokkenen zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van misdrijven en dus individueel het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Volgens de stellers van het middel is deze opvatting breed gedeeld onder het pakket en zij verwijzen in dat verband naar eerdere conclusies. Het hof had moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan ieder van de mededaders kon worden toegerekend, heeft dat niet gedaan en daarom zou de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel onbegrijpelijk zijn.

Uit de overwegingen van het hof in het bestreden arrest onder het kopje “2.2. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel” blijkt dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebaseerd op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, zoals deze zijn opgenomen in het onherroepelijke vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, en op het ontnemingsrapport en de daarop gemaakte aanvullingen en correcties zoals opgenomen in het proces verbaal van 1 juli 2020. Uit het ontnemingsrapport weergegeven onder 5.2 blijkt dat de rapporteur uitgaat van een economische eenheid tussen de betrokkene en zijn partner, [betrokkene 2] . In het bestreden arrest ligt daarmee besloten dat het hof ook uit is gegaan van die economische eenheid. De verdediging heeft in hoger beroep niet betwist dat sprake was van een economische eenheid en het cassatiemiddel berust ook op de veronderstelling dat van zodanige eenheid sprake is. Door de verdediging is echter niet aangevoerd dat [betrokkene 2] (mede) verantwoordelijk is geweest voor illegale inkomsten. Dit blijkt ook niet uit de bewijsvoering in de strafzaak. De rechtbank oordeelt in het vonnis dat dat er tussen betrokkene en zijn echtgenote [betrokkene 2] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking “ten aanzien van het witwassen” en dat [betrokkene 2] wist dat een groot deel van de inkomsten/contante stortingen geen legale herkomst hadden en dat zij beschikking had over het geld en dat daarmee het medeplegen van het gewoontewitwassen is bewezen. Hieruit volgt echter niet dat zij ook betrokken is geweest bij het verwerven van de illegale inkomsten, dat zij mede de bron daarvan was. Dat het hof op basis van het voorgaande kennelijk van oordeel is dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan dat het voordeel aan een ander dan de betrokkene moet worden toegerekend acht ik dan ook niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

6. Afsluiting

De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand