PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04820
Zitting 25 augustus 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 23 december 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-002241-23), wegens "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen", veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren en daarnaast tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij en de verdachte in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
In cassatie wordt geklaagd over de beslissing van het hof om het aanhoudingsverzoek af te wijzen en over de motivering van die beslissing.
2. Het procesverloop
De verdachte is in eerste aanleg aanwezig geweest op de terechtzitting van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 20 april 2023. Op 4 mei 2023 heeft hij tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Op 8 mei 2023 is namens de verdachte een appelschriftuur ingediend. De dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2024 te verschijnen is op 12 november 2024 in persoon aan de verdachte betekend.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2024 is de verdachte niet verschenen. Zijn gemachtigde raadsvrouw heeft ter verwezenlijking van het aanwezigheidsrecht een aanhoudingsverzoek gedaan en daartoe het volgende naar voren gebracht:
“Ik ben gemachtigd. Cliënt komt uit Amsterdam en is verkeerd gereisd. Hij staat nu in Groningen. Hij moet nu nog naar Leeuwarden reizen. Primair wil ik dat cliënt hier aanwezig is, maar ik weet ook dat de zittingsruimte van het gerechtshof schaars is. Ik verzoek aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Wellicht is wachten op de komst van cliënt nu een optie?”
In het proces-verbaal van de terechtzitting staat dat het slachtoffer en diens moeder, bijgestaan door een advocaat en een tolk, wel zijn verschenen. Het proces-verbaal houdt verder – voor zover relevant – nog het volgende in:
“De advocaat-generaal reageert, zakelijk weergegeven:
Ik voel wel mee met mr. Veld, maar vorder dat het gerechtshof de behandeling van de zaak nu wél door zal laten gaan, gelet op het belang daarvan voor het slachtoffer dat vandaag aanwezig is ter zitting. Het is de verantwoordelijkheid van de verdachte om op tijd aanwezig te zijn ter terechtzitting.
Daarnaar gevraagd door de voorzitter delen [benadeelde] en diens moeder mee dat zij vinden dat de zitting nu doorgang moet vinden.”
Het hof heeft beslist tot afwijzing van het aanhoudingsverzoek en in dat verband overwogen:
“Het gerechtshof heeft een belangenafweging gemaakt en acht het belang van de minderjarige [benadeelde] en zijn moeder bij het doorgang laten vinden van de behandeling ter terechtzitting zwaarder wegen dan het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan. Het verzoek van de raadsvrouw van de verdachte tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting wordt daarom afgewezen. Mogelijk verschijnt de verdachte vandaag alsnog ter terechtzitting, maar we gaan dat nu niet afwachten.”
3. Het middel
Het middel bevat de klacht dat het hof het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen terwijl het onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom het belang bij het onverwijld behandelen van de zaak in dit geval zwaarder zou moeten wegen dan het belang (en het recht) van de verdachte om bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak aanwezig te kunnen zijn. Vanwege de betrekkelijk korte duur van de aanhouding waarom gevraagd werd, te weten ongeveer één uur, acht de steller van het middel het oordeel van het hof dat het belang van het slachtoffer en zijn moeder bij behandeling van de zaak zwaarder wegen dan het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan niet begrijpelijk en bovendien blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is de beslissing om niet aan te houden in strijd met het in art. 6 lid 3 onder c EVRM gegarandeerde aanwezigheidsrecht en het in art. 6 lid 1 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces, aldus de steller van het middel.
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan ter terechtzitting worden gedaan door de verdachte of diens op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman. Op grond van artikel 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord. De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen. Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot de hierna weer te geven belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is. Als zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6 lid 3 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing.
De raadsvrouw van de verdachte heeft aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat – zo begrijp ik – de verdachte van plan was om op de zitting te verschijnen, maar vanuit Amsterdam bij vergissing naar Groningen in plaats van Leeuwarden is gegaan en dus nog naar Leeuwarden toe moest reizen. Ze heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak en gevraagd of het een optie was om te wachten op de komst van de verdachte. Het hof heeft de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid kennelijk aannemelijk geacht, maar geoordeeld dat het belang van het minderjarige slachtoffer en zijn moeder bij het doorgang laten vinden van de behandeling ter terechtzitting zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan. Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Het hof heeft weliswaar medegedeeld wat de uitkomst van de belangenafweging is, maar hoe het hof daartoe is gekomen blijkt niet. Uit de overwegingen van het hof blijkt niet dat het heeft stilgestaan bij de omstandigheid dat de verdachte onderweg was naar de zitting en het hof is niet ingegaan op andere factoren, zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak. Als gevolg daarvan wordt niet duidelijk waarom het belang van het slachtoffer en zijn moeder in dit geval zwaarder weegt dan dat van de verdachte. Verder is ook nog van belang dat uit de motivering van het hof niet blijkt dat het hof de mogelijkheid tot schorsing van het onderzoek tot een later tijdstip op de dag onder ogen heeft gezien, terwijl de raadsvrouw daarom wel heeft verzocht. De belangenafweging die ten grondslag ligt aan de afwijzing van het aanhoudingsverzoek is om deze redenen ontoereikend gemotiveerd.
Het middel slaagt.
4. Slotsom
Het middel slaagt.
Ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G