ECLI:NL:PHR:2026:769

ECLI:NL:PHR:2026:769

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 16-08-2026
Zaaknummer 25/01457
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Doodslag en verbergen lijk. Middelen over (1) bewezenverklaring doodslag, (2) verwerping beroep op noodweer en (3) toekennen affectieschade aan broer en zus slachtoffer. Eerste twee middelen falen en het derde middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

Nummer 25/01457

Zitting 18 augustus 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 8 april 2025 (parketnr. 21-002724-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “doodslag” en “een lijk wegvoeren en verbergen met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen” veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en over een aantal in beslag genomen voorwerpen. Daarnaast legde het hof (telkens) de schadevergoedingsmaatregel op.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het eerste middel ziet op de bewezenverklaring van doodslag. Het middel bevat twee deelklachten over het bewijs van het opzet.

De bewezenverklaring en bewijsmotivering

4. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:

op 29 september 2021 te [plaats] ([gemeente]) [benadeelde 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- terwijl die [benadeelde 1] op de grond lag, op haar te gaan zitten, en

- haar met zijn hand bij de keel te pakken, en

- met die hand haar keel dicht te knijpen, terwijl hij tegelijkertijd met zijn lichaam extra druk uitoefende op zijn arm,

ten gevolge waarvan zij is komen te overlijden”.

5. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:

“Aantreffen (levenloos) lichaam slachtoffer

Op 7 oktober 2021 is het levenloze lichaam van het slachtoffer aangetroffen in een auto. Die auto stond geparkeerd op het terrein van hotel De Witte Bergen in Eemnes. Naar aanleiding van een melding is de politie daarheen gegaan. De ruiten van de auto waren beslagen en het zicht op de binnenkant van de auto was beperkt. Nadat agenten een achterruit van de auto hadden ingeslagen, zagen ze (alleen) goederen op de achterbank liggen. Wel roken ze een muffe geur. Pas na het openen van de achterdeur van de auto zagen de agenten het lichaam van het slachtoffer achterin de auto liggen.

Ook de (vervolgens ingeschakelde) forensische opsporing kon van buiten de auto, zelfs door de opengebroken ruit, onmogelijk een stoffelijk overschot op de achterbank zien. Pas bij het openen van de achterdeur zagen zij het lichaam van het slachtoffer liggen. Ze lag in buikligging, waarbij haar bovenlichaam en hoofd zich onderin de auto bevonden. Op het lichaam lagen een jas, deurmatten, een wit dekbed, een dekbedovertrek en handdoeken. De bovenbenen van het lichaam lagen op de zitting. De onderbenen waren omhoog gericht, tegen de rugleuning van de achterbank. De spijkerbroek en de slip van het slachtoffer zaten halverwege haar billen. Een van de voeten was bloot, de betreffende schoen lag los op de achterbank. Gezien de positie waarin het stoffelijk overschot zich bevond, hielden de verbalisanten rekening met een scenario waarin het slachtoffer door derden op de achterbank is gesleept/geduwd en daarna in deze positie is geduwd.

Het pathologisch onderzoek

Bij het pathologisch onderzoek is het volgende gebleken.

Op het lichaam van het slachtoffer zijn traumatische afwijkingen aangetroffen. Aan de neus was een gladrandig huiddefect met een onderliggende breuk van het neusbeen, vermoedelijk in het kader van een open neusbreuk. Dit letsel, alsook de verdere genoemde (mogelijke) letsels in het gelaat, kunnen zijn ontstaan bij stomp botsende krachtinwerking zoals vallen, stoten en slagen.

De weke delen van de hals toonden uitgebreide bloeduitstortingen. Deze zijn bij leven ontstaan door (samen)drukkende krachtinwerking op de hals, zoals wurging met de handen. Hierbij is een belemmering van de bloedsomloop van het hoofd te verwachten met bloedstuwing tot gevolg. Indien aangehouden, kan deze belemmering leiden tot zuurstofgebrek van de hersenen op basis waarvan het overlijden kan worden verklaard.

Aan de romp waren enkele bloeduitstortingen door drukkende en/of stomp botsende krachtinwerking. Als bij leven sprake is geweest van (samen)drukkende krachtinwerking op de romp kan dit door belemmering van ademhalingsbewegingen (versmachting) hebben geleid tot of bijgedragen aan het overlijden. In de positie waarin het slachtoffer (hof: in de auto) is aangetroffen, is een belemmering van de ademhaling te verwachten. Als het slachtoffer levend in deze positie is terechtgekomen, kan ademhalingsbelemmering het overlijden hebben veroorzaakt of hieraan hebben bijgedragen (een zogenoemde houdingsgebonden verstikking).

Het overlijden van het slachtoffer kan, volgens de forensisch patholoog, zonder meer worden verklaard door samendrukkende krachtinwerking op de hals (wurging), het gelaat (smoren) en/of de borst (versmachting). Houdingsgebonden verstikking kan een rol bij het overlijden hebben gespeeld.

In reactie op in hoger beroep gestelde vragen heeft forensisch patholoog drs. D.J. Rijken onder meer het volgende geantwoord:

Vraag 1

“Kan antwoord worden gegeven op de vraag welke duur, kracht en intensiteit van de druk op de keel nodig is om het overlijden te veroorzaken?”

Samendrukkende krachtinwerking op de hals (waaronder verwurging) kan door beknelling van de bloedvaten leiden tot zuurstofgebrek van de hersenen. In geval van aangehouden belemmering van de bloedsomloop naar het hoofd kan bewustzijnsverlies optreden na een zestal seconden en ademstilstand na één tot meerdere minuten. Bij ademstilstand is doorgaans geen spontaan herstel (van de ademhaling) te verwachten na het staken van de krachtinwerking op de hals: dit betreft derhalve een reanimatiebehoeftige toestand. De kans op onherstelbare hersenschade neemt toe naarmate het zuurstoftekort van de hersenen aanhoudt; vanaf circa drie tot vijf minuten is er onherstelbare hersenschade. Genoemde tijdsindicaties kunnen variëren: het proces zal langer duren als sprake is van een meer geleidelijke afname van het zuurstofgehalte in de hersenen zoals kan optreden bij onvolledige belemmering van de bloedtoevoer naar het hoofd. De benodigde kracht en intensiteit (mate) van druk op de keel om het overlijden te veroorzaken is moeilijk te duiden. Dit is verschillend van persoon tot persoon en onder meer afhankelijk van het verloop van de krachtinwerking (aangehouden of intermitterend) en de mate van verzet. In algemeenheid is voor belemmering van de bloedsomloop naar het hoofd (via afsluiting van de halsslagaders) een druk nodig van minimaal enkele kilogrammen per vierkante centimeter.

(...)

Vraag 3

“Kan bij verwurging het inwendige deel van de keel intact zijn?”

Het is zonder meer mogelijk dat het tongbeen, schildkraakbeen en ringkraakbeen intact zijn bij verwurging. Bij betrokkene was bovendien sprake van een beweeglijk (scharnierend) tongbeen en een buigzaam (soepel) schild- en ringkraakbeen: wat relatieve bescherming biedt tegen het optreden van breuken in het kader van samendrukkende krachtinwerking (zoals verwurging).

Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft bekend dat hij in de nacht van 28 op 29 september 2021 in zijn chalet geweld op het slachtoffer heeft toegepast. Hij heeft haar in haar gezicht geslagen, waarna ze op de grond viel. Vervolgens is hij op haar gaan zitten en heeft met een hand haar keel dicht geknepen. Hierbij heeft hij met zijn andere arm extra druk uitgeoefend op die hand. Na enige ogenblikken werd het slachtoffer rustig en bewoog niet meer. Het duurde wel even voordat ze rustig werd.

De doodsoorzaak

Het hof stelt vast dat de hiervoor weergegeven verklaringen van verdachte over het door hem toegepaste geweld passen bij het door de patholoog geconstateerde letsel aan de hals dat het overlijden van het slachtoffer kan verklaren. Het hof zal deze verklaring van verdachte dan ook voor het bewijs gebruiken.

Het hof constateert dat het pathologisch onderzoek ook ruimte laat voor een andere doodsoorzaak. Daarin staat immers dat in de positie waarin het slachtoffer in de auto is aangetroffen, een belemmering van de ademhaling was te verwachten. Als het slachtoffer levend in deze positie is terechtgekomen, kan ademhalingsbelemmering het overlijden hebben veroorzaakt of hieraan hebben bijgedragen (een zogenoemde houdingsgebonden verstikking).

Nu verdachte heeft verklaard dat hij met zijn hand om de keel van het slachtoffer kracht heeft gezet tot het moment dat “ze rustig werd en niet meer bewoog”, is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat het slachtoffer (reeds) als gevolg van de door verdachte toegepaste krachtinwerking op haar hals is overleden.

Dat niet bekend is hoe lang en met welke kracht verdachte kracht op de hals heeft uitgeoefend en dat blijkens het sectierapport het inwendig deel van de keel intact was, doet hieraan naar het oordeel van het hof niet af.

Verdachte heeft immers, zoals hiervoor al overwogen, verklaard dat hij kracht heeft uitgeoefend tot het slachtoffer niet meer bewoog. Ook ter zitting van de rechtbank heeft verdachte verklaard dat hij extra druk op zijn arm heeft uitgeoefend en daarmee pas is gestopt toen het slachtoffer niet meer bewoog. Daarnaast blijkt uit een (afgeluisterd) gesprek tussen verdachte en zijn broer [betrokkene 1] dat verdachte op de vraag van [betrokkene 1] “Heb je der gelijk weggebracht?” heeft geantwoord: “Ik heb heel effe nagedacht weet je wel. Maar uuh, het was gewoon slap maat. Het was klaar.”

Het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met het dichtdrukken en dichtgedrukt houden van de keel, dat naar zijn aard geschikt is om het tenlastegelegde gevolg teweeg te brengen, het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Deze gedragingen zijn naar ervaringsregels ook van dien aard dat zij het vermoeden wettigen dat deze hebben geleid tot het intreden van het gevolg. Het hof gaat er, gelet op het vorengaande, ook vanuit dat het slachtoffer al in het chalet is overleden.

Opzet en de uiterlijke verschijningsvormen van de gedragingen

Het hof acht bewezen dat verdachte de keel/hals van het slachtoffer gedurende enige tijd met kracht heeft dichtgeknepen, als gevolg waarvan zij is overleden. Uit dat enkele feit kan echter nog niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte ook opzet had op de dood van het slachtoffer. Verwurging is weliswaar geschikt om dodelijk letsel te veroorzaken, maar dat verdachte het slachtoffer met dat doel heeft gewurgd, kan op basis van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet worden vastgesteld.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -in dit geval de dood- aanwezig is als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is vereist dat hij wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg - in dit geval de dood - zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard in de zin van: op de koop toe heeft genomen. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over wat er ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van belang de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens aanwijzingen van het tegendeel - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Naar algemene ervaringsregels kan een verwurging leiden tot de dood. Het (met kracht) dichthouden van de hals belemmert immers de ademhaling en blokkeert de bloedtoevoer naar de hersenen.

Door en namens verdachte is naar voren gebracht dat hij de aanmerkelijke kans op de dood niet bewust heeft aanvaard. Zo heeft verdachte verklaard dat het die avond in het chalet een hectische en onverhoedse situatie was en dat hij haar vooral rustig wilde krijgen en dacht dat het slachtoffer wel weer bij bewustzijn zou komen.

Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van verdachte, te weten het met kracht bij de keel pakken van het slachtoffer, terwijl hij met zijn andere arm extra druk toepaste op zijn hand(en), net zolang tot ze niet meer bewoog, naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het doden van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op haar dood bewust heeft aanvaard. De door de verdediging genoemde contra-indicaties doen daar niet aan af.

Daarbij betrekt het hof dat de verklaring van verdachte, inhoudend dat hij dacht dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen “slechts” bewusteloos was, niet aannemelijk is en zelfs bewust in strijd met de waarheid is afgelegd. Daarop wijzen de manier waarop hij het slachtoffer daarna van zijn chalet naar haar auto heeft gesleept, de manier waarop zij vervolgens door hem in die auto is gepositioneerd en is bedekt met spullen en ook het feit dat verdachte vervolgens de door hem afgesloten auto op een achterafgelegen plek op een parkeerterrein heeft geparkeerd en achtergelaten.

Het hof komt op basis van dit alles dan ook tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag heeft begaan.

Een nadere omschrijving van het eerste middel

6. De eerste deelklacht van dit middel gaat over de overweging dat de verdachte met het dichtdrukken en dichtgedrukt houden van de keel, dat naar zijn aard geschikt is om het ten laste gelegde gevolg teweeg te brengen, het slachtoffer van het leven heeft beroofd, nu deze gedragingen naar ervaringsregels het vermoeden wettigen dat deze hebben geleid tot het intreden van dat gevolg. Daarmee wordt het bestaan van (slechts) een vermoeden aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegd, aldus de stellers van het middel.

7. Ten tweede wordt met dit middel geklaagd over het oordeel dat de gedragingen van de verdachte, te weten het met kracht bij de keel pakken van het slachtoffer, terwijl hij met zijn andere arm extra druk toepaste op zijn hand(en), net zolang tot ze niet meer bewoog, naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zozeer gericht op het doden van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op haar dood bewust heeft aanvaard.

De bespreking van het eerste middel

8. Het hof heeft het bewijs dat de verwurging heeft geleid tot de dood van het slachtoffer niet slechts gebaseerd op het (naar algemene ervaringsregels) bestaan van een vermoeden dat de verwurging heeft geleid tot de dood van het slachtoffer. Bij de motivering van die conclusie heeft het hof alle onder het kopje ‘De doodsoorzaak’ genoemde omstandigheden betrokken. De eerste deelklacht mist feitelijke grondslag en faalt. Die conclusie is overigens, gelet op de onder dat kopje opgenomen redenen, niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd en getuigt (dus) ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.

9. Het oordeel waartegen de tweede deelklacht is gericht, is ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Ik benadruk dat (het hof heeft vastgesteld dat) de verdachte net zolang krachtig druk heeft uitgeoefend op de keel van het slachtoffer, tot ze niet meer bewoog.

10. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

11. Met dit middel wordt opgekomen tegen de verwerping van een noodweer-verweer. Het middel heeft twee deelklachten.

De verwerping van het beroep op noodweer

12. Het hof heeft op pagina’s 11 tot en met 16 van het arrest aandacht besteed aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte, die de basis vormt voor het beroep op noodweer. Het hof neemt de eerste verklaring van de verdachte bij de politie tot uitgangspunt, omdat de verdachte heeft gesteld dat daarvan moet worden uitgegaan. Het hof vat de verklaring aan het begin van zijn overwegingen samen:

Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer die bewuste nacht agressief was en dat zij op enig moment een (brood)mes pakte en hem daarmee aanviel. Nadat hij het mes uit haar handen had geslagen, kwam ze opnieuw agressief op hem af en heeft hij haar een vuistslag in haar gezicht gegeven. Het slachtoffer viel daardoor op de grond maar bleef agressief. Verdachte is vervolgens op haar gaan zitten en heeft haar keel dichtgedrukt om haar rustig te krijgen. Het was niet mogelijk om zich aan de wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer te onttrekken.”

13. Vervolgens zet het hof uiteen waarom geen geloof wordt gehecht aan deze verklaring van de verdachte en dat het beroep op noodweer daarom wordt verworpen. Het hof vangt die analyse aan met een beoordeling van de aannemelijkheid van het geschetste verloop van de worsteling in algemene zin:

Het hof overweegt allereerst dat verdachte in zijn verklaringen een situatie schetst waarin het slachtoffer steeds zeer dominant en agressief gedrag jegens hem vertoonde. Op enig moment kon verdachte zich verdedigen door het mes uit haar hand te slaan en haar een vuistslag in het gezicht te geven, als gevolg waarvan zij op de grond viel. Op grond van de pathologische bevindingen is haar neus (daardoor) gebroken. Desondanks zou verdachte zich daarna tegen haar aanhoudende aanvallen hebben moeten verdedigen door op haar te gaan zitten en een hand op haar keel te zetten.

Dat komt het hof niet aannemelijk voor.

Hierbij betrekt het hof dat het slachtoffer in werkelijkheid nauwelijks fysiek overwicht op verdachte lijkt te kunnen hebben gehad. Volgens zijn eigen verklaring woog verdachte toen 120 en het slachtoffer 70 kilo. In het algemeen maakt dit de verklaring over de manier waarop de worsteling zou zijn verlopen - waarbij het slachtoffer de dominante partij zou zijn geweest niet geloofwaardig.

14. Daarna gaat het hof in op verschillende andere elementen van de verklaring(en) van de verdachte. Concluderend overweegt het hof:

Gezien het voorgaande concludeert het hof dat verdachte op diverse onderdelen tegenstrijdige, onaannemelijke en ongeloofwaardige en door de bewijsmiddelen weersproken verklaringen heeft afgelegd over de door hem gestelde noodweersituatie en de omstandigheden die daaraan voorafgingen en op volgden. Daarbij springt vooral in het oog dat het mes waarmee verdachte volgens eigen zeggen zou zijn aangevallen, niet is aangetroffen, dat het volgens verdachte door het slachtoffer kapot gemaakt T-shirt niet is teruggevonden en dat verdachte stelt dat hij geen bloed heeft gezien, terwijl er heel veel bloedsporen van het slachtoffer zijn aangetroffen die zich alleen laten verklaren als die zijn ontstaan bij het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld. Daar komt bij dat verdachte aantoonbaar in strijd met de waarheid heeft verklaard over het verslepen/verbergen van het lijk in de auto en geen duidelijkheid heeft willen verschaffen over de verschillende ritjes met het dode lichaam van het slachtoffer achterin de auto die hij in de vroege ochtend van 29 september 2021 heeft gemaakt. Tot slot is van belang dat in het dossier verschillende andere motieven dan noodweer, door verdachte zelf benoemd, naar voren komen als motief voor de doodslag. Dit alles maakt, in onderlinge samenhang bezien, dat het hof het beroep op noodweer (en op noodweerexces) verwerpt omdat de gestelde feitelijke grondslag onvoldoende aannemelijk is geworden. Het hof komt daarom tot de conclusie dat verdachte strafbaar is, aangezien (ook overigens) geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”

15. Het hof voegt daar nog een extra overweging aan toe:

Ten overvloede merkt het hof op dat, zelfs als uitgegaan zou worden van het (door het hof verworpen) scenario waarin het slachtoffer verdachte met een mes heeft aangevallen, deze noodweersituatie eindigde vanaf het moment dat verdachte het mes uit de handen van het slachtoffer had geslagen en zeker nadat hij haar met een gerichte vuistslag in haar gezicht tegen de grond had geslagen. Nadat verdachte ook nog boven op haar was gaan zitten, had hij voldoende fysiek overwicht waarmee hij een eventuele voortdurende of nieuwe aanranding in de vorm van slaan/schoppen/krabben had kunnen weerstaan. Uit niets blijkt dat de verwurgingshandelingen toen nog geboden waren ter noodzakelijke verdediging.”

Een nadere omschrijving van het middel

16. Met de eerste deelklacht van dit middel wordt opgekomen tegen het oordeel dat het slachtoffer in werkelijkheid nauwelijks fysiek overwicht op verdachte lijkt te kunnen hebben gehad en dat dit de verklaring over de manier waarop de worsteling zou zijn verlopen niet geloofwaardig maakt.

17. De tweede deelklacht is gericht tegen het oordeel dat “zelfs als uitgegaan zou worden van het (door het hof verworpen) scenario waarin het slachtoffer verdachte met een mes heeft aangevallen, deze noodweersituatie eindigde vanaf het moment dat verdachte het mes uit de handen van het slachtoffer had geslagen en zeker nadat hij haar met een gerichte vuistslag in haar gezicht tegen de grond had geslagen.

De bespreking van het middel

18. Het hof heeft uitgebreid en overtuigend gemotiveerd waarom de verklaring van de verdachte over de gestelde noodweersituatie onaannemelijk is. De eerste deelklacht is gericht tegen een ondergeschikt onderdeel van die redenering en faalt om die reden. Los daarvan houdt de analyse van het hof in dat verschillende belangrijke elementen van de verklaring van de verdachte bij het eerste politieverhoor ofwel tegenstrijdig zijn met elementen uit zijn latere verklaringen of met resultaten van het opsporingsonderzoek. Het hof heeft zijn oordeel over de onaannemelijkheid van verdachte’s verklaring daarmee toereikend gemotiveerd. De tweede deelklacht gaat over een overweging ten overvloede, en faalt om die reden.

19. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het derde middel

20. Het derde middel ziet op de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] op het punt van affectieschade en ook op de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het middel komt op tegen het oordeel dat zij in een voor toepassing van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW voldoende nauwe betrekking met het slachtoffer stonden.

De relevante delen van de processtukken

21. Het arrest bevat de volgende overwegingen

Vier nabestaanden hebben vorderingen tot schadevergoeding ingediend.

Voor anderen dan het slachtoffer (‘derden’) die schade lijden door het overlijden van het slachtoffer, biedt artikel 108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een recht op vergoeding van schade. Zo biedt artikel 6:108 BW lid 2 aan nabestaanden een aanspraak op vergoeding van kosten van lijkbezorging (lid 2). Daarnaast biedt artikel 6:108 lid 3 aan (een aantal) naasten en nabestaanden een aanspraak op een vast bedrag aan smartengeld. Dit wordt ook wel 'affectieschade' genoemd. De hoogte van de vergoedingen van ‘affectieschade’ zijn vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade. Voor zover het gaat om het leed dat naasten en nabestaanden is aangedaan, bestaat er alleen ruimte voor vergoeding van zogenoemde affectieschade en, afhankelijk van de situatie, daarnaast ook schokschade. Naast deze gronden voor de vergoeding van schade, bieden de wet en de jurisprudentie geen andere grondslag voor een vergoeding van schade aan familieleden voor het leed dat hen is aangedaan.

Alle benadeelde partijen hebben vergoeding van affectieschade gevorderd. Drie benadeelde partijen hebben daarnaast vergoeding van shockschade gevorderd.

Affectieschade

Het hof overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van de door verdachte gepleegde doodslag rechtstreeks schade hebben geleden in de vorm van affectieschade. Deze schade wordt conform de in het Besluit vergoeding affectieschade vastgestelde forfaitaire bedragen toegekend. Dat betekent dat [benadeelde 3] € 20.000,00 zal worden toegekend en aan de overige benadeelde partijen € 17.500,00.

Gelet op de schriftelijke en mondeling ter terechtzitting gegeven toelichting op de vorderingen acht het hof voldoende onderbouwd dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in zodanige nauwe betrekking stonden tot het slachtoffer dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij in aanmerking komen voor de vergoeding van affectieschade.

(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Zoals hiervoor overwogen zal het hof een bedrag van € 17.500,00 toewijzen ter vergoeding van affectieschade.

(…)

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 37.050,00. De benadeelde is in de vordering door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering zodat het hof er opnieuw over zal oordelen. Zoals hiervoor overwogen zal het hof een bedrag van € 17.500,00 toewijzen ter vergoeding van affectieschade.

(…)

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

22. Op het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de advocaat van [benadeelde 1] de vordering toegelicht. De bijhorende pleitnota houdt in:

“I. Shockschade [benadeelde 1]

Shockschade komt onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking. Volgens vaste jurisprudentie kan de vergoeding plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (1) het waarnemen van het tenlastegelegde of (2) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. (…)

De nauwe affectieve relatie is een gegeven; een betrokken zus en een zus die [benadeelde 1] beschouwde als haar steun en toeverlaat tijdens een voor [benadeelde 1] zeer turbulente- en verdrietige periode en gezinssituatie. De ouders van [benadeelde 1] zijn gescheiden toen [benadeelde 1] 40 dagen oud was. [benadeelde 1], geboren op [geboortedatum] 1991 (31 jaar), had een liefdevolle relatie met haar oudere zus [betrokkene 2] (geboren op [geboortedatum] 1987), [betrokkene 2] genaamd. [benadeelde 1] beschouwde haar oudere zus als een moeder en als steun en toeverlaat in moeilijke tijden. [betrokkene 2] stond altijd voor haar klaar. [benadeelde 1] is op haar 14e uit huis geplaatst op grond van een OTS. [benadeelde 1] heeft tot haar 18e levensjaar in allerlei jeugdinstellingen gezeten waaronder […] en […] in [plaats] en in […] in [plaats]. [benadeelde 1] had in die periode voornamelijk contact met [betrokkene 2] die haar geregeld kwam bezoeken. [benadeelde 1] was heel erg close met [betrokkene 2].

Op 28 september 2021 om omstreeks 20.00 uur hebben de zusjes nog telefonisch contact met elkaar. In die ochtend was er video contact. Zij belden elkaar nagenoeg dagelijks. In de avond van 28 september 2021 vertelde [betrokkene 2] nog blij te zijn met haar nieuwe haar extensions. In dat zelfde telefoongesprek vroeg [benadeelde 1] haar zus [betrokkene 2] om de jas van haar dochter terug te brengen. Het weekend daarvoor logeerde de dochter van [benadeelde 1] namelijk nog bij [betrokkene 2] in de chalet. Het laatste contact tussen beiden dateert van 28 september 2021 in de avond en [benadeelde 1] heeft sindsdien niets meer gehoord.

Op maandag 4 oktober 2021 is door [benadeelde 1] een melding gedaan bij de Politie dat zij geen contact kunnen krijgen met [betrokkene 2]. Op 5 oktober 2021 plaatst [benadeelde 1] een bericht op Social Media over de vermissing van [betrokkene 2]. Daarna gaat zij op zoek naar [betrokkene 2]. Zij rijdt onder meer naar de chalet en naar [plaats]. De halfbroer van de verdachte, [betrokkene 1], neemt telefonisch contact op met de Politie en in een gesprek op 7 oktober 2021 omstreeks 19:45 uur verklaart [betrokkene 1] dat hij die dag met zijn halfbroer heeft gesproken, de verdachte, die hem vertelde dat hij [betrokkene 2] had vermoord in zijn chalet door haar te wurgen. Het lijk zou in een Witte Polo liggen en staan bij Hotel "De Witte Bergen”.

(…)

II. Affectieschade [benadeelde 1]

Met ingang van 1 januari 2019 treedt de Wet affectieschade in werking. Hierdoor krijgen nabestaanden en naasten van slachtoffers van verkeersongevallen, geweldsmisdrijven van anderen recht op vergoeding van "hun emotionele schade". De wetgever publiceerde dit in het Besluit vergoeding Affectieschade. In alle categorieën (a tot en met f) staat precies benoemd wat de relatie is tussen het slachtoffer en de gerechtigde. Behalve bij categorie g. Dit is de zogenaamde hardheidsclausule. [benadeelde 1] doet hierop een beroep omdat zij stelt dat zij een nauwe en persoonlijke relatie had met [betrokkene 2]. Het overlijden van [betrokkene 2] is voor [benadeelde 1] een ernstig verlies. [betrokkene 2] fungeerde in feite als moeder voor [benadeelde 1] in de periode dat [benadeelde 1] gedurende 5 jaar in allerlei Jeugdinrichtingen verbleef. Deze relatie was bijzonder en reikte verder dan enkel het hebben van een hechte band.

[benadeelde 1] verwijst naar de uitspraak van de Rechtbank Limburg van 30 oktober 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:8377 waarin is bepaald dat de affectieschade wordt toegekend omdat zus maar drie jaar scheelt met het slachtoffer en tot aan overlijden in het zelfde huis heeft gewoond. In dit geval schelen de zussen ook drie jaar en hebben weliswaar niet in hetzelfde huis gewoond maar [betrokkene 2] was als een moeder voor [benadeelde 1].

23. Het proces-verbaal van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep houdt in:

“Mr. Veldman namens benadeelde partij [benadeelde 4] en [benadeelde 2] merkt op:

Ik hoop dat het hof anders naar de vordering kijkt dan de rechtbank. De feiten kunnen worden bewezen verklaard. De vordering is ontvankelijk. De verdachte heeft rechtstreekse schade toegebracht aan beide cliënten.

Uit het dossier en uit de slachtofferverklaring blijkt dat de gebeurtenissen traumatisch waren en nog zijn. Er is dus grond voor vergoeding van immateriële schade naar billijkheid. Er bestaat aanspraak voor schok- en affectieschade. Er is een hevige schok veroorzaakt door directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het feit. Door het handelen van de verdachte, waaronder het kwijt maken van het lichaam, heeft hij enorme schade toegebracht. [benadeelde 4] is onder behandeling van een psycholoog. Er is PTSS vastgesteld. Ze is diep getroffen door het overlijden van [betrokkene 2] en heeft nog dagelijks verdriet. Zij kan nog niet goed functioneren. Ze heeft haar dochter nog voor het laatst gesproken en heeft een angstig spraakbericht gehoord vlak voor haar overlijden. Zij en [benadeelde 2] zijn geconfronteerd met het ontbindende lichaam van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] kon niet meer ritueel worden gewassen of in een open kist komen te liggen.

De nabestaanden hebben niet op een juiste wijze afscheid kunnen nemen. Er was een nauwe en affectieve relatie. De nabestaanden zijn lange tijd in onzekerheid gelaten, terwijl de verdachte het lichaam van [betrokkene 2] op mensonterende wijze in een auto had laten liggen.

Ik verzoek u de vorderingen toe te wijzen, inclusief de wettelijke rente van de datum van het delict. Ook verzoek ik het hof de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. (…)

Mr. Giard merkt namens [benadeelde 1] op:

[benadeelde 1] is ook psychische schade toegebracht. Daarbij komt dat de verdachte in de nabijheid van haar is gaan wonen. Ze wordt telkens met hem geconfronteerd. Ze heeft haar zus in het mortuarium aangetroffen in een staat zoals je dat niet wilt zien. De benadeelde partij ziet af van het vorderen van de aanvullende kosten. Ze heeft ervan afgezien om naar een psycholoog te gaan. Wel heeft ze gesprekken gehad met de praktijkondersteuner van de huisarts. Uiteindelijk heeft ze geprobeerd op eigen kracht er overheen te komen. Dat is nog wel lastig, omdat ze last heeft van angst- en paniekstoornissen. Dat de verdachte niet is gebleven op deze zitting verzacht het leed niet.

(…)

De raadsvrouw pleit op grond van een op schrift gestelde pleitnota, waarvan de inhoud als hier herhaal en ingelast moet worden beschouwd. Deze pleitnota zal aan dit proces-verbaal worden gehecht. Verder merkt de raadsvrouw op:

(…)

Ook ten aanzien de broer [D.A.: [benadeelde 2]] is niet voldaan aan de voorwaarden voor schokschade. Voor affectieschade is alleen ruimte bij een nauwe persoonlijke relatie. Het moet gaan om een meer dan gemiddelde nauwe relatie. De nabestaande moet dit onderbouwen. De huidige vordering heeft die onderbouwing niet.

Ten aanzien van [benadeelde 1] geldt ook dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van schokschade, gelet op de confrontatie-eis en aangezien er geen ziektebeeld is vastgesteld. Ook hier ontbreekt de onderbouwing voor een meer dan een gemiddeld band met de overleden zus. Het blijkt van een goed contact met de zus, maar niet meer dan dat. Er bleek ook van conflicten.

(…)

Mr Veldman merkt op:

Zojuist heb ik het hof de vordering nogmaals toegestuurd. De benadeelde partij handhaaft de vordering van € 70.000,00 aan immateriële schadevergoeding.

Er wordt gesteld dat niet is voldaan aan de confrontatie-eis. Er was juist confrontatie nodig als gevolg van het kwijtmaken en verbergen van het lichaam, omdat identificatie nodig was. De onderbouwing is inderdaad mager, maar het hof heeft een schattingsbevoegdheid. Het is evident dat er schade is geleden. Ook is het evident dat [benadeelde 2] een nauwe band met het slachtoffer had.

Mr. Giard merkt op:

Ik persisteer. Er bestaat grond voor toekenning van vergoeding voor schokschade. Cliënte is naar het mortuarium geweest en heeft daar het lichaam gezien. Ik verwijs naar jurisprudentie waarin schokschade werd vergoed in een zaak waarbij een vader naar het mortuarium ging om het lichaam van zijn zoon te zien. Cliënte heeft haar zus daar aangetroffen in een erbarmelijke staat van ontbinding. Ten aanzien van de affectieschade merk ik op dat er wel een nauwe band was. Cliënte had bijna dagelijks contact. Toen cliënte in een instelling verbleef, was het slachtoffer haar enige contact.

Het beoordelingskader van de Hoge Raad

24. Op 11 november 2025 wees de Hoge Raad voor het eerst een arrest over affectieschade op basis van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW. De Hoge Raad stelde voorop:

“Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132) luiden artikel 6:107 en 6:108 BW:

(…)

- artikel 6:108 BW:

1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:

(...)

3. Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden.

4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:

a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene;

b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;

c. degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is;

d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is;

e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft;

f. degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;

g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.”

(…)

3.4.1 Uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Een ruimere kring van gerechtigden zou volgens de wetgever de beheersbaarheid van de regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies. (…)

3.4.2 Tot de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens artikel 6:107 lid 2, aanhef en onder g, en 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Bij die ‘andere persoon’ gaat het om een naaste, die niet al in die bepalingen onder a tot en met f is genoemd. Om op grond van deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.

25. De memorie van toelichting bij de Wet van 11 april 2018 noemt verder als voorbeeld van een voldoende hechte affectieve relatie “een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen”. In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer wordt opgemerkt: “Aan (half)broers of –zussen komt als zodanig geen beroep op de hardheidsclausule toe. In een bijzonder geval kan worden bezien of hun feitelijke relatie een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien twee (half)broers langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen.”

26. In een arrest van 12 januari 2026 ging het om het oordeel van het hof om de zus van het slachtoffer (haar broer) als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW aan te merken. Het hof had vastgesteld dat de benadeelde samen met haar broer woonde en dat zij ten aanzien van hem een deel van de taken die bij hun ouders hoorden, had overgenomen. Ook had het hof vastgesteld dat na het overlijden van haar broer de benadeelde in verband met zijn overlijden en ook rondom de strafzaak een rol vervulde die past bij de bijzondere hechte en affectieve relatie die zij hadden. Het hof had op basis van deze vaststellingen geoordeeld dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij zo uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigden. Dit oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was verder niet onbegrijpelijk. De benadeelde partij had, zo blijkt uit het arrest, haar vordering onderbouwd met een schriftelijke verklaring van haar oma. Het hof had verder overwogen dat de raadsman van de verdachte het door de advocaat van de benadeelde partij getypeerde karakter van deze relatie slechts in zeer beperkte mate had betwist.

De bespreking van het middel

27. Het hof heeft overwogen dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] (zus van het slachtoffer) en [benadeelde 2] (broer) voldoende hebben onderbouwd dat zij in een zodanig nauwe betrekking tot het slachtoffer stonden dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij in aanmerking komen voor de vergoeding van affectieschade. Naar het oordeel van het hof biedt artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW hier dus grond voor vergoeding van affectieschade. Het hof doet in het arrest echter geen vaststellingen over de aard, duur en intensiteit van de relatie tussen de benadeelde partijen en het slachtoffer. Wel wijst het hof in dit verband op de schriftelijke en mondelinge toelichting op de vorderingen.

28. Door de advocaat van [benadeelde 1] is aangevoerd dat het slachtoffer haar vaak en als enige kwam opzoeken toen zij van haar veertiende tot haar achttiende in jeugdinstellingen zat en dat zij een liefdevolle relatie hadden. Zij waren erg close en het slachtoffer was als een moeder voor haar. Zij hadden bovendien bijna dagelijks (telefonisch) contact. De advocaat van [benadeelde 2] bracht ter terechtzitting in hoger beroep (slechts) naar voren dat er een nauwe en affectieve relatie was en dat het evident is dat de benadeelde een nauwe band met het slachtoffer had. De benadeelde partijen hebben geen stukken ingebracht als bewijs van hun stellingen.

29. De raadsman heeft voor wat betreft beide vorderingen betwist dat er tussen de benadeelde partijen en het slachtoffer een voldoende nauwe persoonlijke relatie was. Daarbij heeft hij erop gewezen dat deze relatie telkens niet voldoende was onderbouwd. Specifiek tegen de vordering van [benadeelde 1] bracht de raadsman nog in dat zij weliswaar goed contact hadden, maar ook niet méér dan dat. Bovendien hadden zij ook conflicten.

30. Gelet op het voorgaande is het oordeel dat de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] op het punt van de affectieschade moeten worden toegewezen, niet toereikend gemotiveerd, althans getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting.

31. Het middel slaagt.

Slotsom

32. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel faalt ook. De rechtbank had de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging voor wat betreft de bewezen verklaarde doodslag. Afdoening van het tweede middel met artikel 81 lid 1 RO ligt daarom niet voor de hand. Het derde middel slaagt.

33. Naar verwachting zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat de redelijke termijn in cassatie met meer dan een maand is overschreden. Ambtshalve heb ik (verder) geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden.

34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] tot een bedrag van € 17.500 aan affectieschade en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2026-0386
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand