Nummer 24/03827
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Bij arrest van 4 oktober 2024 (parketnummer 22-002207-22) heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2022 (parketnummer 10/960443-16) bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf, de motivering daarvan en de toegepaste wetsartikelen. Bij dat vonnis was de verdachte veroordeeld wegens feit 2 en 3 "medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd". Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zeventig uren, te vervangen door vijfendertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Vermaat en E.A. Blok, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt over de bewijsvoering van feit 3.
De bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 3
3. In het door het hof bevestigde vonnis is ten laste van de verdachte onder 3 bewezen verklaard dat:
“hij op 26 juni 2017 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, een voorwerp, te weten een (contant) geldbedrag van (in totaal) 16.000 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf”.
4. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 29 juni 2022, inhoudende:
Toen het geldbedrag van € 16.000,- in de woning van mijn moeder werd aangetroffen, gebruikte ik die kamer. Ik slaap daar als ik bij mijn moeder verblijf. Ik heb dat geldbedrag contant uit Turkije meegebracht.
2. Het proces-verbaal van politie nummer LERCC16006-2664 (pagina 83 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Witwassen Horeca Compleet, onderzoek Bloomington), inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Op 26 juni 2017 zijn wij aanwezig geweest bij een doorzoeking ter inbeslagneming in de woning gelegen aan de: [a-straat 1], [postcode] te [plaats]. Gedurende deze doorzoeking waren wij belast met het doorzoeken van de slaapkamer aan de voorzijde van de woning. Deze slaapkamer is gecodeerd als: PAI84.01.01.
Door mij, [verbalisant 2], werd in deze slaapkamer een geldbedrag aangetroffen van 32 briefjes van vijfhonderd euro biljetten. Meer specifiek, dit geld werd aangetroffen in een kledingkast waar verder enkel herenkleding in aanwezig was. Dit geld is vervolgens in beslag genomen en geregistreerd onder de beslagcode: PA 184.01.01.001. Voorts kunnen wij over de slaapkamer zeggen dat wij zagen dat er enkel herenkleding aanwezig was. Niets wees er op dat deze slaapkamer tevens door een vrouw gebruikt zou worden.
3. Het proces-verbaal van politie nummer LERCC16006-74 (pagina 75 tot en met 79 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Algemeen Dossier, onderzoek Bloomington), inhoudende als relaas van de verbalisant [verbalisant 3]:
Kentekenregister
Uit onderzoek in het centraal kentekenregister is gebleken dat (...) als tenaamgestelde [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1945, [a-straat 1], [postcode] [plaats] staat geregistreerd.
BRP
Uit onderzoek in de basisregistratie personen blijkt dat [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1945 te [geboorteplaats], vrouw, twee kinderen heeft:
• [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats], (…)”
5. Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat vaststaat dat een voorwerp, in dit geval verschillende geldbedragen, afkomstig is uit enig misdrijf. Dat hoeft niet een nauwkeurig aangeduid misdrijf te zijn. Als er geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een delict, kan toch bewezen worden geacht dat het ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Het is aan de officier van justitie om dergelijke feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Als de door de officier van justitie aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat het niet anders kan dan dat er sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het desbetreffende voorwerp. Een dergelijke verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verdachte zo’n verklaring niet heeft gegeven, geldt dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.
(…)
Feit 3: witwassen geldbedrag van € 16.000,-
Tijdens een doorzoeking op 27 juni 2016 is in de woning van de moeder van de verdachte een contant geldbedrag in beslag genomen, bestaande uit 32 briefjes van € 500 (in totaal € 16.000,-).
De rechtbank stelt voorop dat het geldbedrag in beslag is genomen in een kamer waar de verdachte regelmatig verbleef. Hij heeft tevens zelf verklaard dat hij afwist van de aanwezigheid van het geldbedrag. Het geld kan dan ook worden aangemerkt als in beslag genomen onder de verdachte.
In acht genomen dat het ongebruikelijk is om zo’n groot geldbedrag in contanten te bewaren, samengenomen met het feit van algemene bekendheid dat coupures van € 500 vrijwel uitsluitend gebruikt worden in het criminele circuit, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen.
De verklaring van de verdachte houdt in dat het geld afkomstig is uit de verkoop van een stuk grond in Turkije dat toebehoorde aan zijn vader en een compagnon. Zowel de vader als de compagnon is komen te overlijden. De opbrengst moest daarom naar Nederland worden gebracht ten behoeve van de moeder van de verdachte. De verdachte heeft dit geld, in totaal € 35.000,-, opgenomen in Turkije en in delen meegenomen naar Nederland. Het aangetroffen geldbedrag is het restant hiervan, dat zijn moeder onder andere bewaart voor vakantie.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kan worden geschoven. Evenwel heeft de verdachte dermate beperkte concrete gegevens gedeeld, dat daar geen nader onderzoek naar mogelijk was. Het lag op de weg van de verdediging om meer informatie te geven, zoals een naam en gegevens van de (inmiddels overleden) compagnon, opdat daarmee bijvoorbeeld het kadaster in Turkije geraadpleegd zou kunnen worden. De verdachte heeft, met andere woorden, geen concrete en verifieerbare verklaring gegeven voor de herkomst van het geld.
Gelet op voorgaande komt de rechtbank niet tot een andere conclusie dan dat het bedrag van € 16.000,- - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is.”
Een nadere aanduiding van de klachten in cassatie
6. Het middel bevat twee motiveringsklachten over het bewijs van feit 3. Beide klachten hebben betrekking op de door de verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van het bedrag van € 16.000 waarvan bewezen is verklaard dat de verdachte het heeft witgewassen. De verklaring houdt in dat het geld afkomstig is uit de verkoop van een stuk grond in Turkije dat in het bezit was van de overleden vader van de verdachte en een compagnon van de vader. De eerste klacht houdt in dat het hof niet of onvoldoende is ingegaan op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De tweede klacht ziet op de bewijsmotivering. Met de klachten wordt in essentie bestreden dat die verklaring onvoldoende concreet en verifieerbaar was en verdedigd dat het OM gehouden was daarnaar nader onderzoek te doen.
Juridisch kader: het stappenplan
7. Over de bewijsvoering van het delictsbestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:
“2.3.2. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”
Inleiding: Een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de € 16.000
8. In cassatie wordt niet betwist dat de door het OM aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat (het niet anders kan zijn dan dat) het bedrag van € 16.000 uit enig misdrijf afkomstig is. In cassatie gaat het om het oordeel dat de verdachte “geen concrete en verifieerbare verklaring” heeft gegeven voor de herkomst van het geld. Daarbij maken de stellers van het middel een onderscheid tussen wat in eerste aanleg en wat in hoger beroep aan die verklaring ten grondslag is gelegd. Ik begin echter met een overeenkomst tussen die verklaringen.
9. Zowel in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep hebben de verdachte en zijn raadsvrouw verklaard dat het geld niet uit misdrijf afkomstig is. In de kern komt de verklaring erop neer dat de inmiddels overleden vader van de verdachte tezamen met een compagnon een stuk grond in Turkije in bezit had en dat die compagnon een stuk grond heeft verkocht. In het door het hof bevestigde vonnis is vastgesteld dat de verklaring “niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk” is. Dit oordeel wordt (vanzelfsprekend) in cassatie niet betwist. Ook wordt in cassatie niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat met de onderbouwing “geen concrete en verifieerbare verklaring” is gegeven voor de herkomst van het geld. In cassatie wordt aangevoerd dat de verklaring juist wél concreet en verifieerbaar is geworden op basis van de gegevens die in hoger beroep (en met name in de appelschriftuur) aan die verklaring ten grondslag zijn gelegd. Het tegengestelde oordeel is dus onbegrijpelijk (gemotiveerd), aldus de tweede klacht.
De in hoger beroep gegeven verklaring
10. Met betrekking tot de herkomst van de € 16.000 houdt het proces-verbaal dat is opgemaakt van de terechtzitting van het hof van 20 september 2024 het volgende in:
“De verdachte verklaart:
Ik had inderdaad een kamer in het huis van mijn moeder. De € 16.000,- die in de woning van mijn moeder is aangetroffen, is geld van mijn moeder. Mijn vader had destijds een compagnon. Het geld is afkomstig van het stuk land in Turkije dat is verkocht. Mijn moeder is nu 80 jaar en zij weet niet met geld om te gaan. Ik doe de financiële zaken voor mijn moeder. Ik heb het geld uit Turkije in partijen naar Nederland gebracht. Totaal was het € 40.000,-. Ik heb dat geld tussen 2014 en 2016 in Turkije contant opgenomen. Na die periode is de betreffende persoon overleden. In de zomer van 2016 is door, mij het laatste deel gehaald.
In onze cultuur is het zo dat we een bepaald bedrag achter de hand houden voor moeilijke momenten of feesten. Mijn moeder is alleenstaand. Ik ben samen met mijn vrouw mantelzorger voor mijn moeder. Wij willen op die manier voorkomen dat zij in een verzorgingshuis, terecht komt. Ze heeft een kleine AOW-uitkering. Zij wilde dat geld als appeltje voor de dorst opzij zetten.
De voorzitter vraagt mij waarom dat geld niet op een bank is gezet. Mijn moeder en haar leeftijdsgenoten hebben niets met een bank, zij willen dat in huis bewaren. Zij is de baas over haar geld.
De jongste raadsheer vraagt mij of er dan € 24.000,- naar mijn moeder is gegaan. Het klopt dat het om biljetten van € 500,- ging. De bank had dit zo gedaan.
De jongste raadsheer vraagt mij waarom ik het niet gewoon heb overgemaakt naar Nederland, zodat ik het hier kon opnemen. Destijds was dat niet zo makkelijk.
(…)
De raadsvrouw deelt, mede dat bij de doorzoeking afschriften van de Turkse bank zijn gevonden en andere afschriften op naam van [betrokkene 2], destijds de compagnon van de vader van cliënt. Dat ging om een bedrag van 45.000 Turkse lira. Toen was de Lira meer waard dan nu het geval is.
(…)
De raadsvrouw krijgt het woord tot verdediging en voert daartoe het volgende aan.
(…)
Cliënt dient eveneens te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit, nu het aangetroffen geldbedrag van € 16.000,- niet toebehoort aan cliënt, maar aan zijn moeder. Zij hebben daarover beiden een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd, namelijk dat het geld afkomstig is van de verkoop van een stuk grond in Turkije dat toebehoorde aan de vader van cliënt en diens compagnon. Het openbaar ministerie had hiermee min of meer verifieerbare aanknopingspunten voor nader onderzoek. Wat zou nog meer op cliënts schouders kunnen liggen om de verklaring te onderbouwen. Cliënt zelf heeft bij de rechtbank immers al verklaard dat er geen verdere stukken zijn. Zijn vader is 22 jaar overleden. We hebben wel de bankafschriften overgelegd en de moeder en broer van cliënt laten horen. Wat verwachten we nu nog meer van cliënt, als die stukken niet meer in het bezit van de familie zijn? Cliënt heeft ook nog getracht onderzoek door het Kadaster te laten doen, hetgeen niet gelukt is. Wat moeten we dan nog meer doen? De bewijslast mag immers niet omgekeerd worden.
Er zijn ook geen wezenlijke verschillen in de verklaringen van cliënt en zijn moeder. Het komt er op neer dat het geld een appeltje voor de dorst was en voor noodgevallen. Cliënt is opgetreden als gemachtigde voor zijn moeder en daarbij is geen sprake geweest van nalatigheid van de zijde van cliënt. De verdediging heeft alles gedaan om deze verklaring handen en voeten te geven. Cliënt bepleit - nu sprake is van een concrete en verifieerbare verklaring die niet hoogst onaannemelijk is - dan ook vrijspraak en om die reden teruggave van het geld aan zijn moeder.”
11. De appelschriftuur met als datum 10 augustus 2022 houdt het volgende in:
“In de strafzaak tegen (de verdachte) heeft de verdediging op dit moment de volgende grieven (…) en verzoek ik de edelgrootachtbare A-G middels deze appelmemorie om dan wel bij de raadsheer-commissaris dan wel voor de zitting in hoger beroep in het belang van de verdediging nog de navolgende onderzoekshandelingen te verrichten:
(…)
Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3 (het witwassen van een bedrag van € 16.000,00) meent de verdediging dat de verklaring van cliënt wel degelijk concreet en verifieerbaar is en dat deze ook ondersteund wordt door onder andere de verklaringen van zijn broer en moeder. Desondanks heeft de rechtbank hem veroordeeld, waardoor de verdediging zich genoodzaakt voelt het openbaar ministerie te verzoeken nader onderzoek te laten verrichten.
Cliënt heeft verklaard dat het bedrag aan zijn moeder toebehoort en afkomstig is van de verkoop van een stuk grond dat zijn overleden vader ([betrokkene 3], geboren op [geboortedatum]1934) in bezit had voor zijn overlijden. Vader had meerdere stukken grond in zijn bezit in (de omgeving van) Mersin, tezamen met zijn compagnon [betrokkene 2]. Deze compagnon was woonachtig in Mersin maar is inmiddels ook overleden. Uit het kadaster in Turkije zou moeten blijken dat zowel compagnon alsook vader een of meerdere stukken grond in bezit hadden voor overlijden.
Derhalve verzoekt de verdediging het openbaar ministerie nader onderzoek te laten verrichten met betrekking tot het kadaster in Turkije ten aanzien van beide personen. Mogelijk is hier ook gedocumenteerd middels welke notaris de stukken grond zijn gepasseerd bij verkoop, waardoor ook bij de notaris nog nadere informatie kan worden ingewonnen.
Dit onderzoek is van belang omdat cliënt ontkent en betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de verweten gedragingen. Middels het aanvoeren van ontlastend bewijs wenst cliënt zich dan ook te verweren tegen de aantijgingen van de zijde van het OM. Dit onderzoek is ook in het belang voor enige in deze strafzaak uit hoofde van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissingen.”
12. Het OM heeft op 16 september 2024 als volgt op dit verzoek gereageerd:
“In augustus 2022 heeft u in genoemde zaak, die vrijdag op zitting staat, een onderzoekswens ingediend. Volgens mijn gegevens heeft u daarop nooit een reactie ontvangen. In dat geval mijn welgemeende excuses daarvoor. Bijgaand alsnog mijn reactie, die ook naar het hof is gegaan.
(…)
Bij appelmemorie d.d. 10 augustus 2022 heeft de verdediging naar voren gebracht dat de vader van verdachte met de met naam genoemde compagnon meerdere stukken grond in bezit had in Turkije. In dat kader wordt verzocht nader onderzoek te laten verrichten in het kadaster in Turkije. De reden er van is dat in het kadaster mogelijk is gedocumenteerd welke notaris betrokken is geweest bij de verkoop van ‘de stukken grond’, waardoor bij die notaris nadere informatie kan worden ingewonnen en zou moeten blijken dat zowel vader als compagnon meerdere stukken grond in bezit hadden voor overlijden.
Het verzoek van de verdediging heeft in elk geval niet geleid tot een rechtshulpverzoek aan Turkije.
Op het verzoek van de verdediging is het noodzaakcriterium van toepassing.
De moeder en de broer van de verdachte zijn in het onderzoek reeds gehoord. Daaruit zijn onvoldoende concrete aanknopingspunten naar voren gekomen voor nader onderzoek. Het verzoek van de verdediging slechts ziet op het achterhalen van de naam van een notaris die betrokken zou zijn geweest bij de verkoop van meerdere stukken grond in Turkije. Dat is, zeker voor een voormalig eigenaar en aangenomen dat het kadaster over die informatie beschikt, een omslachtige manier om eigendom en verkoop van een specifiek stuk grond te bewijzen. Nu kennelijk sprake is van meerdere stukken grond, is evenmin aangevoerd om welk perceel het in dit verband specifiek gaat. En dat terwijl de verdediging nalaat bewijs te leveren en een verklaring te geven voor de omslachtige wijze waarop de opbrengsten van de gestelde verkoop naar Nederland zijn gebracht. Het ligt op de weg van de verdediging meer concreet zicht op te geven op het bovenstaande.
Gelet op het voorgaande zou het verzoek zijn afgewezen om de reden dat de noodzaak daartoe niet is gebleken. Dat is ook de beslissing die het hof zou moeten nemen indien het verzoek wordt gehandhaafd.”
13. Met betrekking tot de appelschriftuur houdt het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 september 2024, het volgende in:
“Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsvrouw mede dat de onderzoekswens, zoals neergelegd in de appelschriftuur d.d. 10 augustus 2022, thans niet meer wordt gehandhaafd door de verdediging.”
De bespreking van de klachten
14. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof te kennen gegeven dat de in de appelschriftuur neergelegde onderzoekswens niet meer wordt gehandhaafd. Aan die onderzoekswens waren de gegevens ten grondslag gelegd waarvan in cassatie wordt aangevoerd dat daarmee een concrete en verifieerbare verklaring is gegeven voor de herkomst van het geld. Uit het arrest en het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet dat het hof heeft gereageerd op de in de appelschriftuur vermelde gegevens.
15. Ik leid daaruit af dat het hof de inhoud van de appelschriftuur zo heeft opgevat dat deze specifiek betrekking had op de daarin naar voren gebrachte wens om door het OM “onderzoek te laten verrichten met betrekking tot het kadaster in Turkije” naar onroerend goed van de vader van de verdachte en van zijn compagnon. De inhoud van de appelschriftuur (d.w.z. het verzoek tot onderzoek in het kadaster) was voor de raadsvrouw echter niet meer relevant nadat zij te kennen had gegeven de onderzoekswens niet langer te handhaven. Daarmee was de inhoud van de appelschriftuur ook niet meer relevant voor het hof, aldus versta ik ’s hofs oordeel.
16. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst omdat de uitleg van een gedingstuk (zoals de appelschriftuur) is voorbehouden aan de feitenrechter. Voor zover de eerste klacht betrekking heeft op het achterwege blijven van enige reactie op de gegevens in de appelschriftuur, faalt het daarom.
17. Voor zover de eerste klacht betrekking heeft op de overige gegevens die ten grondslag zijn gelegd aan de verklaring, mist het feitelijke grondslag. Door het vonnis te bevestigen heeft het hof overwogen dat “geen concrete en verifieerbare verklaring” is gegeven voor de herkomst van het geld. Daarmee heeft het hof gereageerd op de verklaring die de verdachte en zijn raadsvrouw hebben gegeven voor de herkomst van het bedrag van € 16.000. Met deze overweging is naar mijn mening ook afdoende gereageerd op wat ter terechtzitting van het hof aan die verklaring ten grondslag is gelegd. In de kern is in hoger beroep immers niet méér handen en voeten gegeven aan de verklaring dan in eerste aanleg.
18. Mij is niet duidelijk waarom het OM gehouden was onderzoek te doen naar de herkomst van het geld nadat de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting van het hof uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de daarmee corresponderende onderzoekswens “thans niet meer wordt gehandhaafd”. En het gaat ook niet om gegevens waarover het OM relatief makkelijk beschikt, zoals het geval was in HR 18 december 2018, waarop in de schriftuur een beroep wordt gedaan.
19. In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat het hof ook niet gehouden was geweest te reageren op de verklaring als het hof daarbij de gegevens in de appelschriftuur had betrokken omdat de verklaring ook dan onvoldoende concreet en verifieerbaar zou zijn geweest. Het bezit door de overleden vader en zijn compagnon van een stuk grond in Turkije, dat niet nader is aangeduid dan als in (de omgeving van) Mersin, is naar mijn mening nog steeds onvoldoende concreet en verifieerbaar. Daarmee is immers nog niet uitgelegd hoe dat geld van de compagnon die het stuk grond zou hebben verkocht (of zelfs meerdere stukken grond, zoals in de appelschriftuur staat) in handen is gekomen van de vader van de verdachte. Daarbij neem ik in aanmerking dat de vader 22 jaar geleden is overleden. Onduidelijk blijft ook hoe dat geld vervolgens in Turkije in handen is gekomen van de verdachte. De verklaring van de verdachte dat hij het geld daar bij een bank heeft opgenomen, is niet onderbouwd en onvoldoende concreet en verifieerbaar.
20. Uit het falen van de eerste klacht volgt in feite dat ook de tweede klacht faalt omdat die erop berust dat de bewijsvoering van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” tekortschiet.
Slotsom
21. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
22. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG