Nummer24/03796
Inleiding
De processuele gang van zaken
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte
1. De verdachte is bij arrest van 24 september 2024 (parketnummer 23-000382-24) door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 januari 2023 (parketnummer 96-249992-22), waarbij hij bij verstek wegens "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T.J.N. Hameleers en M. Draaijers, beiden advocaat in Roermond, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel is gericht tegen het oordeel dat het hoger beroep te laat is ingesteld.
3. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:
a) een aan de verdachte geadresseerde akte van uitreiking van 27 december 2022 die inhoudt dat op 7 december 2022 en op 13 december 2022 is geprobeerd de gerechtelijke brief (dagvaarding voor de zitting eerste aanleg van 16 januari 2023, in de zaak met parketnummer 96-249992-22) uit te reiken aan de verdachte op het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats];
b) een aan de verdachte geadresseerde akte van uitreiking van 9 januari 2023, die inhoudt dat de gerechtelijke brief is uitgereikt aan het Openbaar Ministerie en dat een afschrift van de gerechtelijke brief (dagvaarding) is verzonden aan het adres waarop de verdachte in de basisregistratie personen stond ingeschreven op de dag van de eerste aanbieding en vijf dagen daarna;
c) een aantekening mondeling vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 januari 2023, parketnummer 96-249992-22, waarbij de verdachte bij verstek is veroordeeld;
d) een akte van uitreiking met invuldatum “01-02” en vermelding van parketnummer 96-249992-22, met daarop met de hand geschreven personalia van de verdachte, een paspoortnummer waarmee de verdachte zich volgens de akte heeft gelegitimeerd en een handtekening bij “De verbalisant/inrichtingsmedewerker” en een handtekening bij “De betrokkene”;
e) een appelakte waaruit blijkt dat op 16 februari 2024 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank met parketnummer 96-249992-22;
f) een aantekening mondeling arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 september 2024 op het hoger beroep dat is gewezen tegen het vonnis met parketnummer 96-249992-22. Deze aantekening vermeldt dat de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard omdat het hoger beroep is ingesteld na het verstrijken van de appeltermijn.
4. Voorafgaand aan de terechtzitting van het hof van 16 juli 2024 heeft een junior gerechtsjurist in een e-mail van 11 juli 2024 het volgende voorgelegd aan T.J.N. Hameleers, de raadsman van de verdachte:
“Op de rolzitting zal het hof eerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordelen, omdat het vonnis van de politierechter op 1 februari 2024 in persoon aan de verdachte is uitgereikt en blijkens de akte instellen rechtsmiddel het hoger beroep pas op 16 februari 2024 is ingesteld.”
5. De raadsman van de verdachte heeft hierop gereageerd met een uitvoerige e-mail van 12 juli 2024, dat met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende inhoudt:
“Op voorhand wenst de verdediging in te gaan op het de mail van 11 juli 2024 waarin de ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt aangehaald.
1. Cliënt ontvankelijk - Niet duidelijk wat er is uitgereikt
Uit de akte van uitreiking blijkt allereerst niet wat er op 1 februari is uitgereikt. Niet eens blijkt dat dit in 2024 is gebeurd. Voorts staat enkel het parketnummer vermeld. Er kan niet worden geconcludeerd dat op basis van het onbekende stuk wat op 1 februari zou zijn uitgereikt, cliënt bekend was met het verstek vonnis en de appeltermijn uit 408 lid 2 Sv is gaan lopen:
‘In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.’
Pas toen cliënt bekend was met de einduitspraak heeft hij mij meteen benaderd en heeft hij verzocht meteen hoger beroep in te stellen, hetgeen ik ook heb laten doen. De verdediging stelt zich dus ook op het standpunt dat cliënt ontvankelijk is in het hoger beroep.”
6. Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting van 16 juli 2024 geschorst tot de (rol)zitting van 24 september 2024, kort gezegd omdat zich een andere raadsman had gesteld dan Hameleers en beiden met elkaar moesten overleggen over de vraag welke raadsman de verdediging in de voorliggende zaak zou voeren.
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 24 september 2024 houdt het volgende in:
“De raadsheer bespreekt de tijdigheid van het hoger beroep.
De raadsman deelt mede:
Het standpunt van de verdediging is dat onduidelijk is of de mededeling uitspraak in persoon is betekend op 1 februari 2024. In het dossier bevindt zich weliswaar een document, waarop geen jaartal staat, waaruit opgemaakt kan worden dat iets aan mijn cliënt is betekend, maar niet wat. Ik stel mij op het standpunt dat mijn cliënt ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.
De advocaat-generaal zegt:
Op de akte staat weliswaar geen jaartal, maar wel een stempel van het CJIB. Uitgaande van die datum gaat het openbaar ministerie ervan uit dat op dat moment de mededeling uitspraak in persoon aan de verdachte is uitgereikt en dient hij niet-ontvankelijk verklaard te worden in het hoger beroep.
De raadsman persisteert.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.
De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.”
8. De aantekening van het mondelinge arrest van het hof van 24 september 2024 houdt in:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 16 januari 2023 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. De dagvaarding is de verdachte niet in persoon betekend.
De verdachte is op 16 januari 2023 bij verstek veroordeeld.
Het vonnis is op 1 februari 2024 aan de verdachte in persoon betekend.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 16 februari 2024.
Nu het hoger beroep niet binnen: de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.”
Het beoordelingskader
9. Artikel 408 Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. De dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
(…)
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
10. Een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, zoals bedoeld in artikel 408 lid 2 Sv, doet zich voor als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van wat van belang is voor zijn besluitvorming over het instellen van hoger beroep. Gegevens die volgens de Hoge Raad van belang zijn voor die besluitvorming zijn bijvoorbeeld de aard of de zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). Een stuk met de enkele vermelding van het parketnummer van de zaak waarin uitspraak is gedaan levert geen omstandigheid in de zin van artikel 408 lid 2 Sv op. Dat aannemelijk is dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, volstaat niet. Een dergelijke omstandigheid moet vaststaan.
De bespreking van het middel
11. Het middel is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep op de grond dat het te laat is ingesteld. Aangevoerd wordt dat het oordeel dat het vonnis van de rechtbank op 1 februari 2024 in persoon aan de verdachte is uitgereikt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. De akte van uitreiking vermeldt slechts het parketnummer en persoonsgegevens van de verdachte, terwijl uit de akte niet blijkt welk stuk aan de verdachte is uitgereikt en aan de akte geen ‘mededeling uitspraak’ is gehecht, aldus de stellers van het middel.
12. Het middel is terecht voorgesteld. Voor zover het hof heeft bedoeld dat zich op grond van de akte van uitreiking een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is in de zin van artikel 408 lid 2 Sv is dat oordeel onbegrijpelijk gelet op wat hierboven bij randnummer 10 voorop is gesteld. Met het oog op de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep houdt de akte van uitreiking namelijk niet meer in dan het parketnummer van de zaak. Evenmin is aan de akte een document gehecht (zoals een ‘mededeling uitspraak’) op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het vonnis aan de verdachte is uitgereikt. Het hof heeft ook niet vastgesteld dat de verdachte op een andere manier op de hoogte is gesteld van wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep.
13. Omdat de klacht slaagt, is het niet nodig in te gaan op de aan het slot van de schriftuur gepresenteerde subsidiaire klacht dat het hof ten onrechte geen beslissing heeft genomen op het op 12 juli 2024 (schriftelijk) gedane voorwaardelijke getuigenverzoek.
Slotsom
14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam zodat de zaak op basis van het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG