Nummer 24/03628
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 26 september 2024 (parketnr. 23-001766-22) wegens “Mensenhandel, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel en de bespreking daarvan
3. Het middel houdt in dat niet aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, omdat de bewijsmiddelen onvoldoende steun bieden aan de verklaring(en) van de aangeefster.
4. Het middel faalt. Het oordeel van het hof dat aan het bewijsminimum is voldaan, is namelijk niet onbegrijpelijk gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen. Het hof heeft dat oordeel verder toereikend gemotiveerd, mede gelet op de overwegingen op pagina 5-6 van het arrest. Het middel en de toelichting bevatten geen doorslaggevende argumenten voor het tegendeel.
Het tweede middel
5. Dit middel gaat over de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Het middel houdt in dat “het oordeel van het gerechtshof tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] met betrekking tot de immateriële schade tot een bedrag van € 7.500,- ‘gezien de aard en de ernst van de normschending’, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of zonder motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.” In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat het hof kennelijk is uitgegaan van de in artikel 6:106 aanhef en onder b BW opgenomen grond voor vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon op andere wijze. Dat oordeel getuigt volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is niet zonder meer begrijpelijk.
De relevante delen van de processtukken
6. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:
“hij in de periode van 23 juni 2016 tot en met 31 december 2017 te [plaats], [plaats] en [plaats],
een ander, genaamd [benadeelde] ,
telkens met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie,
heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard en, onder de onder lid 1, sub 1 van artikel 273f Sr genoemde omstandigheden, zoals hiervoor vermeld, handelingen heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [benadeelde] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard, en
heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [benadeelde] met een derde tegen betaling, en
telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde] , te weten het in ontvangst nemen van de betalingen van klanten dan wel het wegpakken van het betaalde geld van klanten en het van de bankrekening van die [benadeelde] opnemen en overboeken naar zijn, verdachtes, bankrekening van betalingen van klanten,
waarbij die dwang, dat geweld, dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en dat misbruik van een kwetsbare positie hebben bestaan uit:
- het mishandelen van die [benadeelde] en
- het dreigen met het aanrichten van vernielingen in de woning van die [benadeelde] en
- het zich op boze en/of agressieve en/of anderszins dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [benadeelde] en
- het dreigen aan anderen, te weten de ouders van die [benadeelde] , te vertellen dat die [benadeelde] als prostituee werkzaam was en zich had geprostitueerd en
- het dreigen dat hij, verdachte, die [benadeelde] 'kapot’ zou maken en zelfmoord zou plegen wanneer die [benadeelde] aan prostitutieklanten zou kenbaar maken dat er sprake was van onvrijwillige prostitutie en
- het onder controle houden en/of onder druk zetten van die [benadeelde] onder andere door in de omgeving van/nabij de werkplek alwaar de prostitutiewerkzaamheden plaatsvonden zich op te houden en
- het brengen en/of houden van die [benadeelde] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen kon beschikken en
waarbij voornoemde handelingen hebben bestaan uit:
- het aanmaken dan wel assisteren bij het aanmaken en onderhouden waaronder begrepen het "omhoog plaatsen" van advertenties op websites waarin die [benadeelde] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en
- het onderhouden van contacten met en het maken van afspraken met potentiële prostitutieklanten voor die [benadeelde] en het maken van afspraken met die klanten over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en de daarvoor te betalen bedragen en
- het geven van instructies aan die [benadeelde] met betrekking tot de door die [benadeelde] te verrichten prostitutiewerkzaamheden en
- het instrueren van die [benadeelde] al dan niet per telefoon wanneer zij klaar moest staan voor prostitutiewerkzaamheden en
- het boeken en/of regelen van een hotelkamer als werkplek voor die [benadeelde].”
7. De advocaat van de benadeelde partij heeft een toelichting gevoegd bij de vordering van de benadeelde partij. Die toelichting houdt onder meer in:
“Nu nog steeds ondervindt cliënte hinder van hetgeen de verdachte heeft aangedaan. Het komt nu en dan eens voor, dat zij een persoon tegenkomt waarmee zij betaalde seks heeft gehad. Negen van de tien keer loopt diegene door of herkend haar niet, maar het is nu 1 keer voorgekomen, dat zo’n persoon op haar afstapt en in haar oor fluistert, dat hij haar daar van kent. Dan in 1 klap is zij weer terug, in de situatie waar zij zich toen in bevond. Zij is nog niet toe aan psychische hulp of ondersteuning. Zij heeft haar minderjarige dochter om voor te zorgen. Maar er komt een dag, dat zij daar wel aan toe is en daarom houdt zich het recht voor zich voor deze (nog te lijden) schade tot de burgerlijke rechter te wenden.
(…)
6. Immateriële schade
Het behoeft verder geen nader betoog, dat cliënte (ernstige) psychische schade heeft opgelopen door wat de verdachte haar allemaal heeft aangedaan. Zij moest ongewild seks hebben met totaal vreemden, mocht haar familie niet zien of spreken en was totaal afgesloten voor de buitenwereld om haar heen. Niets is meer hetzelfde in het leven van cliënte. Ze komt, zoals eerder gezegd, sommigen mensen nog tegen. Een boodschap doen bij de supermarkt krijgt voor haar al een compleet andere lading. Ze staat op de wachtlijst voor een nieuw huisje, maar de woningbouw is onverbiddelijk in deze en ze moet gewoon op haar beurt wachten. Het put haar uit, maakt haar woedend en radeloos tegelijk. Maar ze houdt zich groot en sterk voor de buitenwereld, maar de vraag is hoe lang houdt ze dit vol.
Ik heb in de rechtspraak aansluiting gezocht en die als richtsnoer kunnen dienen bij het bepalen van de immateriële schade, waar cliënte volgens mij, recht op zou hebben. Ik wijs op de volgende uitspraken:
(…)
Op grond van al het voorgaande begroot cliënte de tot op heden geleden immateriële schade op € 10.000,00, aangezien de eerste uitspraak volledig op haar situatie aansluit.”
8. Op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2024 hebben de benadeelde partij en haar advocaat de vordering niet nader toegelicht. De pleitnota die de advocaat van de verdachte daar heeft voorgedragen, houdt (met weglating van voetnoten) in:
“Ten aanzien van de immateriële vordering verzoekt de verdediging deze vordering sterk te matigen, daar [benadeelde] ook van de prostitutiewinsten heeft genoten. Zie in dit kader de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland locatie Leeuwarden van 11 november 2023. In deze zaak heeft rechtbank de immateriële vordering van € 10.000 gematigd naar € 5.000, omdat de slachtoffers ook hebben genoten van de winsten uit prostitutie. De vordering van € 7.500,- niet in deze verlaagd te worden.”
9. Het arrest bevat over de vordering de volgende overwegingen:
“Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 13.201,00 aan materiële schade (gederfde inkomsten uit de prostitutie) en, gezien aard en ernst van de normschending, tot een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade. De vordering is – anders dan gesteld door de verdediging – voldoende onderbouwd en de behandeling van de vordering levert in haar totaliteit geen onevenredige belasting van het strafgeding op. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.”
10. In de strafmotivering heeft het hof over de aard en ernst van de normschending het volgende overwogen:
“De verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan de seksuele uitbuiting van aangeefster. De verdachte heeft misbruik gemaakt van de door hem gecreëerde afhankelijke en kwetsbare positie waarin zij verkeerde en heeft haar - gebruikmakend van het overwicht dat hij had - bewogen te werken in de prostitutie. Daarbij heeft hij haar bedreigd en zich een groot deel van haar verdiensten uit de prostitutie toegeëigend. Door te handelen als bewezenverklaard heeft de verdachte heeft hij op indringende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster en voorts op de vrijheid die zij zou moeten hebben om haar eigen leven vorm te geven. De verdachte heeft de belangen van aangeefster bij het behoud van haar waardigheid en recht op zelfbeschikking volledig ondergeschikt gemaakt aan zijn zucht naar financieel gewin. Daarnaast heeft de verdachte er op geen enkele wijze blijk van gegeven zich bewust te zijn van de ernst van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan.
(…)
Het hof houdt rekening met de straffen die in vergelijkbare gevallen van seksuele uitbuiting worden opgelegd, zoals die blijken uit de daarop van toepassing zijnde oriëntatiepunten van het LOVS. Het hof betrekt hierbij de lange periode waarin sprake is geweest van uitbuiting, de wijze (zoals de mate van bedreiging met geweld) waarop aangeefster is gedwongen/bewogen de prostitutiewerkzaamheden te doen, de werkomstandigheden zoals het werken zonder condoom en de hoeveelheid geld die werd afgedragen.”
Het beoordelingskader: aantasting in de persoon op andere wijze op grond van de aard en ernst van de normschending en de op basis daarvan veronderstelde gevolgen voor de benadeelde
11. Artikel 6:106 aanhef en onder b BW geeft recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade, onder meer in geval van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. In zijn overzichtsarrest over de vordering van de benadeelde partij van 28 mei 2019, bespreekt de Hoge Raad drie categorieën van gevallen waarin zo’n aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dat kan in geval van (i) aantoonbaar geestelijk letsel, (ii) de aard en ernst van de normschending en de gebleken nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij of (iii) enkel de aard en ernst van de normschending. In de eerste twee categorieën van gevallen moet de benadeelde concrete gegevens aanleveren waaruit geestelijk letsel of andere nadelige gevolgen kunnen worden afgeleid. De derde categorie ziet op uitzonderlijke gevallen waarin die gevolgen wegens de aard en ernst van het feit zo voor de hand liggen, dat het niet nodig is daarover informatie aan te leveren. De nadelige gevolgen kunnen alleen al op basis van de normschending worden verondersteld.
12. Voor de afbakening van deze derde categorie zocht ik naar zaken waarin in cassatie de vraag voorlag of het hof aantasting in de persoon op andere wijze kon aannemen op grond van enkel de aard en de ernst van de normschending. Ik heb geen arrest van de Hoge Raad kunnen vinden waarin de normschending uit seksuele uitbuiting bestond. Wel vond ik vijf andersoortige zaken waarin de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand liet (al dan niet met toepassing van artikel 81 lid 1 RO). Het ging om (1) een woningoverval waarbij de slachtoffers waren vastgebonden, hun monden waren vastgeplakt, zij met een vuurwapen waren bedreigd en een van de benadeelden een klap in zijn nek had gekregen en was bedreigd met het afsnijden van zijn geslachtsdeel, (2) een (enkele) verkrachting van de eigen partner met gebruik van geweld, andere feitelijkheden en bedreiging met geweld, (3) de verkrachting van een zestienjarig meisje na het heimelijk toedienen van GHB, (4) het in een periode van bijna drie jaar plegen van ontuchtige handelingen, waaronder begrepen het seksueel binnendringen van het lichaam, met een minderjarig, doof pleegkind en (5) de ontvoering van een tweejarig kind door haar uit het huis van haar oma weg te halen en naar India over te brengen.
13. Voor verdere houvast kan worden gekeken naar de in opdracht van de Raad voor de rechtspraak opgestelde ‘Rotterdamse schaal’, waarin op basis van Nederlandse rechtspraak aanknopingspunten worden geboden voor vaststelling van de omvang van immateriële schade. Deel C van de schaal is onderverdeeld in categorieën die verschillende gevallen van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ omvatten, zoals bedreigende situaties, onttrekking aan het ouderlijk gezag en seksuele misdrijven. De soorten die ook in de hierboven beschreven rechtspraak van de Hoge Raad zijn te zien, dus. Ook mensenhandel betreft een van de categorieën die zijn ondergebracht in deel C.
14. Per (sub)onderwerp wordt in die schaal gedifferentieerd naar verschillende gradaties van ernst voor het smartengeldbedrag dat het uitgangspunt vormt. Ik noem het uitgangspunt binnen de categorie mensenhandel dat in mijn ogen het best past bij de thans besproken zaak en zet daar de uitgangspunten tegen af die het best passen bij de hierboven beschreven voorbeelden uit de rechtspraak. ‘Ernstige’ mensenhandel (binnen die categorie betreft dat het middelste niveau van ernst) wordt als volgt omschreven: “Mensenhandel die plaatsvindt gedurende een periode van ongeveer één maand tot zes maanden. Over het algemeen wordt geen fysiek geweld gebruikt jegens de benadeelde; er kan wel sprake zijn van bedreiging. De benadeelde kan afhankelijk zijn van de dader, bijvoorbeeld voor woonruimte of omdat de benadeelde niet rechtmatig in Nederland verblijft.” Voor dit soort mensenhandel wordt een bedrag van € 5.000 tot € 10.500 genoemd. Ter vergelijking neemt de schaal een bedrag van € 3.000 tot € 8.000 tot uitgangspunt voor de meest ernstige vormen van een bedreigende situatie die samengaat met diefstal of afpersing, zoals bij een woningoverval het geval kan zijn. Bij ernstige vormen van verkrachting geldt een uitgangspunt van € 7.500 tot € 15.000 en bij ernstige ontucht met binnendringen € 6.000 tot € 12.500. Tot slot wordt voor de meest ernstige onttrekkingen aan het ouderlijk gezag, bij de begroting van het smartengeld voor het kind, een bedrag van € 2.500 tot € 5.000 genoemd.
De bespreking van het tweede middel
15. Het hof heeft in deze zaak kennelijk aangenomen dat de benadeelde partij recht had op vergoeding van immateriële schade wegens een aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof verwijst in dat verband naar de aard en ernst van de normschending en is niet ingegaan op door de benadeelde gestelde nadelige gevolgen. Die zijn door of namens de benadeelde ook niet (echt) naar voren gebracht. In de strafmotivering merkt het hof (over de normschending) op dat de verdachte het slachtoffer over een langere periode seksueel heeft uitgebuit, door haar te dwingen in de prostitutie te werken. Daarbij maakte hij misbruik van een door hem gecreëerde afhankelijke en kwetsbare positie. Hij heeft haar bedreigd en een groot deel van de inkomsten toegeëigend. Verder wijst het hof op de werkomstandigheden, zoals het werken zonder condoom. De verdachte heeft zo op indringende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van de benadeelde. Uit de bewezenverklaring en het bewijs blijkt ook nog dat de verdachte haar heeft mishandeld en dat de benadeelde partij iets meer dan zes maanden voor de verdachte in de prostitutie heeft gewerkt.
16. Blijkbaar neemt het hof aan dat de bewezen verklaarde feiten vallen in de categorie van gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending maken dat de nadelige gevolgen kunnen worden verondersteld, en dat op basis daarvan een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Kijkend naar het hierboven genoemde vergelijkingsmateriaal, vind ik dat oordeel niet onbegrijpelijk en ook niet ontoereikend gemotiveerd. Het oordeel getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.
Slotsom
17. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
18. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG