Nummer 25/01285
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 2 april 2025 (parketnr. 20-002835-23) het (mondelinge) vonnis van de politierechter bevestigd, waarbij de verdachte wegens “zware mishandeling” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het bevestigde vonnis bevat verder een beslissing op de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het middel bevat de klacht dat ’s hofs bevestiging van het vonnis van de rechtbank – voor zover de rechtbank daarin heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3 Sv – zonder nadere motivering niet juist en/of (voldoende) begrijpelijk is, (onder meer) omdat in hoger beroep namens de verdachte vrijspraak is bepleit.
4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:
“op 2 mei 2023 te [plaats], [gemeente], aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een diepe snee in het aangezicht, heeft toegebracht door een bord kapot te slaan op het hoofd van die [benadeelde].”
5. Het mondeling vonnis van de politierechter is op grond van artikel 378 lid 2 Sv en overeenkomstig de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. Dat proces-verbaal en die aantekening houden onder meer in:
“De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
1. het proces-verbaal van de politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023069777, gesloten d.d. 4 augustus 2023, doorgenummerd van pg. 1 t/m pg. 34;
(…)
De bewijsmiddelen
Inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot bewijs van het ten laste gelegde dient, alsmede de vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden voor de beslissing dat het ten laste gelegde door de verdachte is begaan.
Opgave van de bewijsmiddelen ex artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bij bekennende verdachte:
De inhoud van:
a. het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] d.d. 8 mei 2023 (pg. 6 van het hiervoor onder 1. weergegeven dossier):
b. het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] d.d. 11 mei 2023 (pg. 9 van het hiervoor onder 1. weergegeven dossier):
c. het geschrift, te weten: een medische verklaring betreffende [benadeelde] (pg. 27 van het hiervoor onder 1. weergegeven dossier).
De overwegingen van de politierechter
De in voormelde bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden leveren op de redengevende feiten en omstandigheden waarop steunt de beslissing van de politierechter dat het primair ten laste gelegde en hierna bewezen verklaarde feit door de verdachte is begaan.
De politierechter overweegt daartoe in het bijzonder als volgt:
De verdachte heeft ter zitting bekend dat hij de aangever met een bord op het hoofd heeft geslagen. Getuige [getuige] ziet dat de verdachte de aangever met een glazen bord op het gezicht slaat. Toen de verdachte met het bord sloeg, brak het bord en kwam er bloed uit het gezicht van aangever. De snee in zijn gezicht is ontstaan door het bord, aldus de getuige [getuige]. In het dossier zitten foto's van het letsel van aangever.
Door met een (aangever spreek van: porseleinen) bord in het gezicht van aangever te slaan heeft de verdachte naar het oordeel van de politierechter de aanmerkelijke kans aanvaard dat er daardoor zwaar lichamelijk letsel bij de aangever zou ontstaan. Op de foto's in het dossier is te zien dat de snee in het gezicht van aangever een forse, diepe snee is, die inmiddels – zo blijkt uit overgelegde medische stukken – een fors blijvend litteken is geworden. Dat aangever mogelijk nog geopereerd kan worden doet hier niets aan af. De politierechter verwijst in dat verband ook naar een uitspraak van de Hoge Raad van 3 juli 2018, waarbij het gerechtshof een ontsierend litteken in het gezicht had beschouwd als zwaar lichamelijk letsel en welke beslissing door de Hoge Raad in stand is gelaten.”
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2025 houdt onder meer in:
“De raadsman wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren van de verdachte, namens wie hoger beroep is ingesteld, tegen het vonnis op te geven. De raadsman geeft op dat de verdachte meent ten onrechte te zijn veroordeeld.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of sprake is van zware mishandeling dan wel een poging daartoe. Ik denk dat daarvan geen sprake is en verzoek uw hof cliënt vrij te spreken. Ik ben mij ervan bewust dat er een litteken is aangebracht in het gezicht van aangever en dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. In zijn arrest van 3 juli 2018, ECLI:2018:1085, heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat om te kunnen oordelen of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, gekeken moet worden naar de aard van het letsel, de noodzaak van medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel. Of er sprake is van uitzicht op herstel, volgt echter niet uit het dossier. Er zijn slechts summiere gegevens voorhanden en het is niet bekend hoe het na het incident met aangever is gegaan. Dan blijft alleen de aard van het letsel en de noodzaak tot medisch ingrijpen over. Mijns inziens is er geen sprake van zware mishandeling of een poging daartoe.”
7. Artikel 359 lid 3 Sv luidt:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
8. De raadsman van de verdachte heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep vrijspraak bepleit. De meervoudige kamer van het hof had het mondelinge vonnis daarom alleen mogen bevestigen met de in artikel 423 lid 1 Sv bedoelde aanvulling van gronden, die bestaat uit de in artikel 359 lid 3, eerste volzin, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen. Daaraan doet niet af dat de grond waarop die vrijspraak is bepleit niet is gelegen in een ontkenning van de ten laste gelegde gedragingen maar (enkel) in de juridische duiding van die gedragingen.
9. Het middel is terecht voorgesteld.
10. Het tweede middel, dat de klacht bevat dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, en het derde middel, dat de klacht bevat dat het hof het vonnis niet had mogen bevestigen omdat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg zijn laatste woord niet volledig heeft kunnen uitspreken, kunnen onbesproken blijven gelet op het slagen van het eerste middel. Mocht de Hoge Raad over het eerste middel anders oordelen dan ik heb voorgesteld, dan ben ik − indien de Hoge Raad dat nodig oordeelt − uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
Slotsom
11. Het eerste middel slaagt. Het tweede en het derde middel behoeven geen bespreking.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG