Nummer 25/00329
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 30 januari 2025 (parketnr. 23-001365-22) door het gerechtshof Amsterdam wegens
het bewezen verklaarde in het onderzoek Messina onder
- 1 primair: “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”
- 2 primair: “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan”
- 3: “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan”
- 4: “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”
- 5: “de eendaadse samenloop van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 juncto artikel 2 van de Opiumwet”
- 6: “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan”
- 7: “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”
het in het onderzoek Februus bewezen verklaarde:
- “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst”
veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en twee maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslissingen genomen over een aantal in beslag genomen voorwerpen. Het hof heeft ook beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00337, 25/00383, 25/00384, 25/00386, 25/00460, 25/00461 en 25/00521, waarin ik vandaag ook zal concluderen. Er bestaat tevens samenhang met de zaken 25/00516 en 25/00361, waarin het cassatieberoep is ingetrokken, en de zaken 25/00436 en 25/00520, waarin het cassatieberoep op 18 november 2025 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat geen schriftuur met cassatiemiddelen is ingediend.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
4. Het eerste middel bevat twee deelklachten die zien op beslissingen over het in het onderzoek Messina onder 2 primair ten laste gelegde. Bewezen verklaard is het medeplegen van de opzettelijke overtreding van artikel 13 Wet bodembescherming door het illegaal dumpen van drugsafval. De eerste deelklacht ziet op de bewezenverklaring van het medeplegen en de tweede deelklacht is gericht tegen de kwalificatie.
De relevante delen van de processtukken
5. De bewezenverklaring (arrest p. 24-25) houdt in dat de verdachte:
“op 15 mei 2020 te Ermelo, op een onverhard pad nabij de Drieërweg,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk handelingen op de bodem heeft verricht,
bestaande uit het neerleggen en laten liggen, zijnde handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet Bodembescherming, van
27 met een vloeistof (waaronder ethanol) gevulde jerrycans en
zes metalen drums (inhoud 60 liter, met opschrift "40 Kg Methanol SYNTETYCZNY" en
twee vaten (inhoud 200 liter) met resten van natriumcarbonaat) en
een vat (inhoud 100 liter, gevuld met een basische vloeistof met een drijflaag) en
een vat (inhoud 220 liter met 150 liter vloeistof (een vloeistof bevattende methamfetamine op een sterk alkalische vloeistof)) en
een vat (inhoud 220 liter met onder meer ongeveer 50 liter vloeistof (een drijflaag bevattende methamfetamine op een sterk alkalische vloeistof)),
waardoor de bodem kon worden verontreinigd,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten, of redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd, en
toen niet aan de verplichting hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hen konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging te voorkomen en,
toen die verontreiniging zich voordeed, de directe gevolgen van die verontreiniging niet hebben beperkt en zoveel mogelijk ongedaan hebben.”
6. Het arrest (p. 18-21) bevat de volgende bewijsoverwegingen (die geen voetnoten bevatten):
“3. Feiten 1 en 2 Messina
Inleiding
Op 15 mei 2020 is een partij drugsafval, onder andere bestaande uit vaten en jerrycans, aangetroffen op een onverhard bospad aan de Drieërweg te Ermelo. Van een aantal vaten waren de deksels afgeslagen waardoor vloeistof buiten de verpakking was geraakt en op de onbedekte bodem was terechtgekomen. Het drugsafval is door het NFI onderzocht en bleek methamfetamine te bevatten. Staatsbosbeheer, eigenaar van het terrein, heeft aangifte gedaan van het dumpen van het afval.
Op 3 september 2020 is door de politie binnengetreden in een perceel aan de [a-straat 1] te [plaats] , [gemeente] . Hierbij is een zogeheten drugslaboratorium aangetroffen, bevattende goederen passend bij de productie van methamfetamine.
De verdachte wordt betrokkenheid bij deze feiten verweten, op de wijze zoals onder 1 en 2 ten laste is gelegd, waarbij het op 15 mei 2020 aangetroffen drugsafval afkomstig zou zijn van het laboratorium aan de [a-straat 1] .
Bewijs
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen, naast hetgeen hiervoor onder ‘inleiding’ is overwogen, het volgende af, waarbij grotendeels wordt aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank.
Feit 1 (productie methamfetamine)
In de EncroChat-berichten is vanaf 27 maart 2020 veelvuldig gesproken over een lab dat, gezien de bewijsmiddelen, waaronder de in de chats tussen betrokkenen verzonden afbeeldingen die overeenkomen met de locatie aan de [a-straat 1] , het lab in [plaats] betreft.
Op 28 maart 2020 krijgt een persoon, aangeduid als ‘de boer’, die kennelijk eigenaar is van het stuk grond waar het lab is gevestigd, een EncroChat-telefoon met de gebruikersnaam [A] . [A] heeft contact met de EncroChat-gebruikers [B] en [C] . Er wordt door hen over en weer gechat over de werkzaamheden in het lab en de klachten van de boer zoals onder meer de stank, de geluidsoverlast en het werken in de weekenden. [B] stuurt de inhoud van deze chats door naar de gebruiker van het EncroChat-account met de naam [D] . Uit de chats kan worden afgeleid dat [D] de persoon is die de controle houdt over het productieproces in het lab en de laboranten aanstuurt. Uit de historische verkeersgegevens van [B] en [C] volgt dat hun telefoontoestellen meermalen in de directe omgeving van het lab in [plaats] zijn geweest.
Het hof leidt voorts uit de berichten af dat [betrokkene 1] ( [E] ) intensief contact onderhoudt met [verdachte] ( [F] ) en ook met [C] . [verdachte] ( [F] ) heeft daarnaast intensief contact met [D] en met [betrokkene 2] ( [G] ). [D] en [C] informeren [verdachte] , respectievelijk [betrokkene 1] over het productieproces en de klachten van de boer daarover. [verdachte] en [betrokkene 1] hebben het daarbij regelmatig over hun mensen en "de andere kant". [verdachte] en [betrokkene 1] zijn ontevreden over de gang van zaken en [betrokkene 2] wordt door [verdachte] geïnformeerd over de problemen met betrekking tot het functioneren van het lab. Uit de chats volgt dat [betrokkene 2] , [verdachte] en [betrokkene 1] daarover vervolgens met elkaar communiceren. Over en weer worden ontvangen berichten naar de andere betrokkenen doorgezonden. Al deze berichten kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat het gaat over de inrichting, de voortgang van het productieproces en het aan het zicht onttrekken van het lab. Ze bespreken de knelpunten in het productieproces, in het bijzonder de voorraad grondstoffen, de geur- en geluidsoverlast en de ongewenste zichtbaarheid van de laboranten. Daarnaast wordt besproken welke instructies moeten worden gegeven aan het personeel van het laboratorium en de boer en worden deze instructies vervolgens doorgestuurd aan [C] en, via [D] , aan [B] . [betrokkene 1] en [verdachte] geven een aantal keer aan dat ze een vriend zullen instrueren langs te gaan bij de boer en uit de historische verkeersgegevens van [C] en [B] volgt dat deze personen op die momenten in de directe omgeving van het lab zijn geweest. Tevens kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat er meerdere ontmoetingen hebben plaatsgevonden tussen [D] en [verdachte] en [betrokkene 2] . Uit de inhoud van de chats volgt dat [betrokkene 2] en [verdachte] meerdere keren verhaal halen bij [D] over de problemen bij het lab, aangezien ze anders voor niks "10 /k" hebben betaald. Als tegen het einde van april 2020 [D] aangeeft dat hij niet meer door wil gaan met het lab, wordt er door [betrokkene 2] en [verdachte] gezocht naar een nieuwe partij. Ook [betrokkene 1] wordt daarin betrokken.
Bij de ontmanteling van het lab zijn diverse goederen aangetroffen die passen bij de productie van methamfetamine. Daarnaast wordt in de chats meerdere keren gesproken over onder meer ‘ice’, ‘draaien’, ‘reacties’ en ‘destilleren’. Uit verschillende chats blijkt dat de stank waar de boer over klaagt te maken heeft met de productie van ‘ice’. Bovendien wordt door [D] op 7 april 2020 een afbeelding van een witte substantie met [verdachte] gedeeld met daarbij de tekst ‘zijn eerste kilos aan t maken’. Dat er daadwerkelijk methamfetamine in het lab is geproduceerd blijkt ook uit het door het NFI verrichte onderzoek aan het op 15 mei 2020 aangetroffen drugsafval, dat methamfetamine bevat. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in welk verband mede wordt gewezen op de hierna, onder ‘dumping drugsafval’, opgenomen berichten, die zowel qua inhoud (gesproken wordt over het weghalen van drugsafval bij de boer) als datum (de berichten dateren van eind april tot 15 mei 2020) aansluiten op het aantreffen van het drugsafval, terwijl ook sprake is van overeenkomsten in de soort en kleur van de vaten, in de productsticker op een jerrycan, op de geschreven tekst op een zilverkleurige cilinder en diverse andere voorwerpen, die zowel op afbeeldingen zijn te zien die op 12 mei 2020 door [F] aan [D] en op 26 april 2020 door [H] naar [C] zijn verzonden als op de dumpplaats zijn aangetroffen, is het hof van oordeel dat dit het afval betreft van het lab aan de [a-straat 1] .
De stelling van de verdediging dat dit afval afkomstig zou zijn van een ander lab en door [D] vanuit dat andere lab naar de boerderij in [plaats] zou zijn gebracht om de boer en [verdachte] een hak te zetten, schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde. Afgezien van de onnodige risico’s die met een dergelijk plan - het onnodig rondrijden met drugsafval - zouden worden genomen, hetgeen de interpretatie van de berichten door de verdediging al onaannemelijk maakt, dateren deze berichten deels van na de in casu aan de orde zijnde dumping van het afval. Het verweer van de verdediging dat er geen methamfetamine zou zijn geproduceerd wordt dan ook verworpen.
Het standpunt van de verdediging, dat de rol van [verdachte] slechts die van bemiddelaar of doorgeefluik was en (daarmee) zodanig marginaal dat niet kan worden gesproken van medeplegen, volgt het hof niet. Uit de vele EncroChat-berichten blijkt dat [betrokkene 1] verantwoordelijk was voor de locatie en de contactpersoon was voor het aansturen en instrueren van personen die hierover in direct contact stonden met de boer en dat [verdachte] en [betrokkene 2] contactpersonen waren voor de kant van de laboranten en dat daarin een min of meer strikte scheiding bestond. Geconfronteerd met de klachten van de boer hebben [betrokkene 1] , [verdachte] en [betrokkene 2] veelvuldig contact met elkaar gehad en hebben [betrokkene 1] en [verdachte] verschillende oplossingen aangedragen, gedragsregels afgesproken en die doorgezonden naar hun contacten en heeft [betrokkene 1] voorgesteld zelf met de boer te gaan praten. Dit alles met het doel het productieproces op gang te brengen en te houden en de relatie met de boer blijvend te verbeteren. [betrokkene 1] , [verdachte] en [betrokkene 2] hadden daar ook een financieel belang bij. [verdachte] en [betrokkene 2] omdat zij geld hadden geïnvesteerd, [betrokkene 1] omdat hij hier geld aan zou verdienen. Ook is [betrokkene 1] betrokken bij de zoektocht naar een nieuwe partij om de productie in het lab over te nemen. Vanuit zijn kant werd over deze oplossing ook al eerder gesproken. Hieruit volgt dat [betrokkene 1] , [verdachte] en [betrokkene 2] een essentiële rol hadden in de communicatie tussen de groep die contacten met de boer had en bij de bouw van het lab betrokken is geweest en de groep die verantwoordelijk was voor de productie van methamfetamine in het lab. Hiermee waren zij een onmisbare schakel om te kunnen komen tot de productie van de methamfetamine.
Gelet op het voorgaande en op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een zodanig nauwe en intensieve samenwerking tussen [betrokkene 2] , [verdachte] , [betrokkene 1] en anderen dat sprake is geweest van medeplegen. Het hof komt daarom ten aanzien van [verdachte] tot een bewezenverklaring, van het primair ten laste gelegde medeplegen van het bereiden van methamfetamine. Het hof zal de bewezenverklaarde periode beperken tot 25 april 2020 omdat uit de chats met [D] blijkt dat hij vanaf die datum de locatie heeft verlaten.
Feit 2 (dumpen drugsafval)
Uit de EncroChat-berichten blijkt tevens dat vanaf eind april 2020 intensief is gecommuniceerd over het verwijderen van drugsafval. [betrokkene 1] bericht [verdachte] dat afval bij het lab is achtergebleven en wijst er meermaals op dat dit chemisch afval betreft dat de boer in een trailer heeft gezet. [verdachte] bespreekt met [betrokkene 1] de mogelijkheid om het afval met trailer en al te dumpen. [verdachte] en [betrokkene 2] proberen [D] zover te krijgen het drugsafval te verwijderen. [betrokkene 1] wordt voortdurend op de hoogte gehouden en communiceert kennelijk verder met [C] die in contact staat met de boer. [betrokkene 1] heeft zowel met [verdachte] als met [betrokkene 2] gesprekken over het afval. Hij bericht [betrokkene 2] dat zolang het afval er nog ligt, dit een risico voor de boer oplevert en dat daarvoor betaald moet worden. Op 11 mei 2020 bericht [verdachte] aan [betrokkene 1] dat hij zal proberen te regelen dat een jongen van hem het afval met een bus haalt. Hij schrijft daarbij dat dan wel die plek van [betrokkene 1] nodig is en vraagt of [betrokkene 1] ze dan daar ontmoet, waarop [betrokkene 1] bericht dat dit prima is. Op 12 mei 2020 bericht [verdachte] aan [betrokkene 1] dat als het afval niet de dag erop wordt weggehaald, hij een jongen heeft die een bus zal huren en vraagt hem of zijn man dan met de bus gaat. [betrokkene 1] antwoordt dat het een grote bus vol is als het past, dat al die kleine jerrycans vol zitten. Op 14 mei 2020 chatten [betrokkene 1] en [verdachte] erover dat ze het afval zelf gaan weghalen en dumpen. [verdachte] moet hiervoor € 5.000,00 betalen en wil dat [betrokkene 1] dat bedrag bij de boer terug haalt. Die dag chatten ook [verdachte] en [betrokkene 2] over het verwijderen van het afval. Uit de inhoud van deze chats kan worden afgeleid dat ‘ [I] ’ dit de volgende dag zal doen en dat [verdachte] hier € 2.500,00 voor zal betalen. Op 15 mei 2020 wordt, zoals hiervoor reeds overwogen, een partij drugsafval aangetroffen op het bospad in Ermelo.
Uit de bewijsmiddelen kan, zoals hiervoor reeds is overwogen, worden afgeleid dat dit drugsafval afkomstig is geweest van het lab in [plaats] en dat medeverdachte [medeverdachte] betrokken is geweest bij deze afvaldumping. Het gestorte afval was gevaarlijk op de wijze als omschreven in de delictsomschrijving. Dat blijkt uit de stukken die de benadeelde party heeft overgelegd en die, evenals eerder door de rechtbank, ook door het hof voor het bewijs worden gebruikt.
Op grond van het voorgaande en de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, concludeert het hof dat [betrokkene 1] , [verdachte] en [betrokkene 2] intensief met elkaar overleg hebben gehad over het achtergebleven drugsafval en wat daarmee moest gebeuren. Het was hen bekend dat het gevaarlijk chemisch afval betrof - in de chats wordt gesproken over ‘chemisch afval vaten vol (chat tussen [verdachte] en [betrokkene 1] op 27 april 2020) en ‘giftige dampen’ (chat tussen [betrokkene 2] en [verdachte] op 2 mei 2020) en er is steeds gesproken over het 'dumpen' van dit afval. Uiteindelijk hebben [betrokkene 2] en [verdachte] aan [medeverdachte] de opdracht gegeven om tegen betaling het drugsafval te dumpen. [verdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben hierbij elk een essentiële rol vervuld. Aldus is sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking bij het zich ontdoen van het achtergebleven drugsafval dat dit als medeplegen moet worden aangemerkt.
Het hof komt daarom ten aanzien van [betrokkene 2] , [verdachte] en [betrokkene 1] tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het dumpen van het drugsafval.”
7. De kwalificatie houdt in:
“medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan.”
Een nadere omschrijving van het middel
8. Het middel bevat ten eerste de klacht dat het medeplegen van het opzettelijk dumpen van drugsafval niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Aangevoerd wordt dat de verdachte het delict niet zelf heeft uitgevoerd en dat uit de bewijsmiddelen ook niet blijkt dat met de verdachte (nauw/intensief) overleg is gevoerd over de wijze waarop de vaten met afval moesten worden gelost. De omstandigheid dat de verdachte in een eerdere fase met anderen overleg heeft gevoerd over het laten verwijderen van vaten en het laten afvoeren en 'dumpen' van de vaten en daarvoor een ander heeft betaald, levert nog geen medeplegen op van handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan. De enkele omstandigheid dat niet uitgesloten kan worden dat degene(n) die de vaten hebben achtergelaten dit op een wijze zouden doen die de bewezen verklaarde delictsgedraging opleverde, is daarvoor onvoldoende, aldus de stellers van het middel.
9. Ten tweede houdt het middel in dat het hof de “verdachte ten onrechte strafbaar heeft geacht en de kwalificatiebeslissing onvoldoende met redenen is omkleed.” De stellers van het middel voeren aan dat het handelen dat wordt beschreven in de bewezenverklaring, het op een bodem neerleggen en/of laten liggen van voorwerpen, niet als zodanig strafbaar is gesteld in (de artikelen 6 tot en met 11 van) de Wet bodembescherming. Daarnaast blijkt niet dat deze gedragingen strafbaar zijn gesteld in alle door het hof (in de bewezenverklaring) genoemde bepalingen, althans is niet zonder meer duidelijk op welke in artikelen 6 tot en met 11 strafbaar gestelde gedraging(en) het hof het oog heeft gehad.
De bespreking van het eerste deel van het middel
10. In cassatie staan verscheidene gevolgtrekkingen die het hof in zijn hiervoor geciteerde bewijsoverwegingen aan de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen heeft ontleend, niet ter discussie, zodat hiervan in het vervolg kan worden uitgegaan. Onweersproken zijn: (1) de uitleg die het hof heeft gegeven aan de inhoud van de EncroChat-berichten, (2) (voor zover bij het hof bekend) de identiteit van de EncroChat-gebruikers die schuilgaan achter de door hen in hun communicatie gebruikte pseudoniemen, en (3) de herkomst van het op 15 mei 2020 nabij de Drieërweg te Ermelo illegaal gedumpte drugsafval, te weten het lab op het erf aan de [a-straat 1] te [plaats] . Evenmin staat thans ter discussie dat de verdachte de opzettelijke bereiding van methamfetamine heeft medegepleegd. Dit heeft het hof immers onder 1 primair (thans onbestreden) bewezen verklaard. Drugsafval is hiervan het onvermijdelijke nevenresultaat.
11. Uit de bewijsmotivering blijkt inderdaad niet dat de verdachte betrokken was bij de feitelijke uitvoering van het dumpen van dit drugsafval. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat de verdachte niettemin zo’n belangrijke rol had bij het organiseren van het ophalen, wegbrengen en achterlaten van het drugsafval, dat hij daaraan een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Dat oordeel is gelet op wat het hof heeft vastgesteld over het berichtenverkeer tussen de verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.
12. Het eerste onderdeel van het middel faalt.
De bespreking van het tweede deel van het middel
13. Artikel 1a van de Wet op de economische delicten luidde ten tijde van het bewezen verklaarde:
“Economische delicten zijn eveneens:
1° overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
(…)
de Wet bodembescherming, de artikelen 6 tot en met 13, 38 en 94”.
14. Artikel 13 van de Wet bodembescherming luidde:
“Ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.”
15. Artikel 13 van de Wet bodembescherming bevat een zorgplicht (of: een voorschrift) voor personen die handelingen verrichten als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming. Artikel 6 van de Wet bodembescherming noemt “het verrichten van handelingen waarbij stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, op of in de bodem worden gebracht, ten einde deze aldaar te laten.” Het hof heeft blijkbaar geoordeeld dat de bewezen verklaarde gedragingen vallen onder de in artikel 6 van de Wet bodembescherming beschreven handelingen, zodat de verdachten gehouden waren aan de zorgplicht van artikel 13 van de Wet bodembescherming. De kwalificatie houdt in dat de verdachte dat voorschrift (in vereniging) heeft overtreden. Dat is niet onbegrijpelijk en getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat het hier gaat om het neerleggen en laten liggen van in jerrycans en vaten verpakte gevaarlijke stoffen, maakt dat niet anders.
16. Gezien de redactie van artikel 1a aanhef en onder 1 (oud) van de Wet op de economische delicten en artikel 13 van de Wet bodembescherming is het niet nodig in de kwalificatie te specificeren in welk onderliggend artikel (6-11) uit de Wet bodembescherming de bewezen verklaarde handeling wordt omschreven. De kwalificatie is ook op dit punt niet onbegrijpelijk en getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting.
17. Het tweede deel van het middel faalt ook. Het eerste middel faalt dus in al zijn onderdelen.
Het tweede middel
18. Dit middel houdt in dat “het hof het de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de eerder toegewezen getuigen bekend staande als getuigen ' [J] ', ' [B] ' en ' [K] ' heeft afgewezen op gronden die de afwijzing niet kunnen dragen.”
De relevante delen van de processtukken
19. Het proces-verbaal van de regiezitting in hoger beroep van 24 maart 2023 houdt in:
“In de zaken [verdachte] deelt mr. Van der Meij [de raadsman van de verdachte, D.A.] mee:
(…)
De gebruiker van het account [D] is volgens mr. Landerloo geïdentificeerd. Ik verzoek deze gebruiker te horen, omdat hij kan verklaren over de vermeende rol van cliënt; de rechtbank heeft in haar vonnis immers vastgesteld dat cliënt [F] is. De verzoeken tot het voegen van de chatgeschiedenis en het horen van de gebruiker doe ik ook ten aanzien van de EncroChat-accounts bronsquid, [B] en [J] . Het is van belang vast te stellen met wie [F] contact heeft gehad.”
20. Op de terechtzitting van 26 april 2023 heeft het hof beslist op de verzoeken:
“De verzoeken tot het horen van de (vermeende) gebruikers van de EncroChat-accounts [D] , [J] , [B] en [K] worden toegewezen, onder de voorwaarden dat (i) de desbetreffende gebruikers van de accounts als zodanig in een strafrechtelijk onderzoek door politie/justitie zijn geïdentificeerd en (ii) de vermeende gebruikers van deze identificatie op de hoogte zijn gebracht. Het hof draagt de advocaat-generaal op te onderzoeken of ten aanzien van elke afzonderlijke gebruiker aan deze voorwaarden is voldaan.”
21. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 17 december 2024 heeft de raadsman een pleitnota voorgedragen. Die houdt in:
"Resterende verzoeken
13. Er is uiteraard nog veel meer te zeggen, er zijn nog andere verweren, ook subsidiair en meer subsidiair, maar dit zijn de grote vraagpunten waarom het draait in deze zaak: is [verdachte] ' [F] '. Anders dan het openbaar ministerie, anders dan de rechtbank in eerste aanleg, stelt de verdediging met kracht van argumenten dat het dossier daar onvoldoende aanknopingspunten voor biedt en, sterker nog, juist veel argumenten bevat die het tegendeel bewijzen. Zij gaat daar uitgebreid op in.
14. Op dit punt is van belang dat een aantal onderzoekswensen van de verdediging is afgewezen. Naast het horen van de getuige met Encro-naam ' [D] ' heeft de verdediging verzocht om het mogen horen van ' [J] ' (appelmemorie onderzoekswens 4), ' [L] ' (appelmemorie, onderzoekswens 6) en ' [B] ' (appelmemorie onderzoekswens 8). Zij heeft ook verzocht om Encro-gebruiker ' [K] ' te mogen horen (appelmemorie, onderzoekswens 18). Uw gerechtshof heeft daaromtrent bepaald naar aanleiding van de regiezitting:
(…)
15. Op 9 juli 2023, anderhalf jaar geleden, heeft de advocaat-generaal een update gegeven ten aanzien van de betreffende Encrochat-gebruikers. Daarin constateert de verdediging een omissie, aangezien slechts een beperkt aantal tegencontacten is benoemd. Over de vier hierboven genoemde tegencontacten wordt verder niets gesteld.
(…)
16. De verdediging persisteert bij haar onderzoekwensen, maar dat zou niet eens hoeven aangezien uw gerechtshof al heeft bepaald dat de betreffende gebruikers dienen te worden gehoord onder de gestelde voorwaarden. Het openbaar ministerie is nooit teruggekomen op die andere gebruikers, terwijl de laatste zoekslag dateert van anderhalf jaar geleden. Dat tijdsverloop is zodanig lang dat het zeker niet ondenkbaar is dat de betreffende gebruikers inmiddels zijn geïdentificeerd en zelfs zijn afgestraft voor hun betrokkenheid bij de onderhavige feiten. Dat laatste is overigens geen voorwaarde voor het mogen horen van die getuigen.
17. Uw gerechtshof weet door de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep in de afgelopen zittingsdagen hoeveel waarde de verdediging hecht aan de voortgang van deze zaak. Zij ontkomt er echter niet aan alles in het werk te stellen om uw gerechtshof te overtuigen dat cliënt ' [F] ' niet is. Deze rechtstreekse tegencontacten van ' [F] ' kunnen nogmaals onderstrepen dat achter die Encro-naam niet [verdachte] schuilt. Het belang dat te kunnen aantonen is ook door uw gerechtshof onderkent. Bij deze stand van zaken weten we echter niets meer dan op de regiezitting en hangen deze getuigenverhoren nog boven het dossier.
18. Alle belangen afgewogen dient uw Hof feitelijk nog van het openbaar ministerie te horen of ' [J] ', ' [B] ' en ' [K] ' nu geïdentificeerd zijn en welke inspanningen in dat kader zijn betracht. Onder die omstandigheden dienen de getuigen nog te worden gehoord. Wat de verdediging betreft hoeft dat alleen plaats te vinden als uw gerechtshof zou overwegen dat ' [F] ' [verdachte] zou zijn en cliënt als ' [F] ' zou veroordelen. Niettemin gaat het hier om onder voorwaarden toegekende getuigen, welke voorwaarden kunnen zijn ingetreden, waarvan hoe dan ook het belang is onderkend door uw gerechtshof, en waarbij de verdediging persisteert in haar verzoeken.
19. De verdediging is bereid het verzoek de eerder door uw gerechtshof toegekende maar nog niet gehoorde getuigen ' [J] ', ' [B] ' en ' [K] ' voorwaardelijk in te kleden, dat wil zeggen alleen te persisteren bij het horen van die getuigen als uw gerechtshof tot de slotsom zou komen dat cliënt ' [F] ' is en dientengevolge veroordeeld kan worden voor de aan hem ten laste gelegde strafbare feiten. Op dat punt aangekomen dient wat de verdediging betreft het onderzoek te worden heropend teneinde invulling te geven aan de voorwaarden die uw gerechtshof eerder heeft gesteld aan het openbaar ministerie om zo de getuigen alsnog te kunnen horen.”
22. Uit het proces-verbaal van dat onderzoek ter terechtzitting blijkt:
“De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld het woord in repliek te voeren.
Hij voert aan:
In mei 2024 is binnen het openbaar ministerie navraag gedaan naar de eventuele identificatie van de gebruikers van de EncroChat-accounts [J] , [B] en [K] . Deze gebruikers waren destijds niet geïdentificeerd. Ik heb daarna geen navraag meer gedaan naar eventuele identificatie van genoemde accounts. (...)
Mr. Van der Meij wordt in de gelegenheid gesteld het woord in dupliek te voeren.
Hij voert aan:
De verdediging is niet op de hoogte gesteld van de laatste informatie met betrekking tot de EncroChat-gebruikers. Bovendien is de informatie van mei 2024 zeven maanden geleden. De gebruikers zouden nu geïdentificeerd kunnen zijn. Desgevraagd antwoord ik dat bij de verdediging geen nieuwe informatie over deze gebruikers bekend is.”
23. Het arrest (p. 17-18) bevat de volgende overwegingen:
"2. Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft verzocht het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde alsnog de tegengebruikers van [F] met de namen [J] , [B] en [K] als getuige te horen. Hiertoe is aangevoerd dat het hof op de onderzoekswens van de verdediging heeft beslist dat de gebruikers van de EncroChat- tegencontacten, [M] , [N] , [D] , [J] , [B] en [K] als getuige zullen worden gehoord, onder de voorwaarde dat i) de desbetreffende gebruikers van de accounts als zodanig in een strafrechtelijk onderzoek door justitie/politie zijn geïdentificeerd en ii) de vermeende gebruikers van deze identificatie op de hoogte zijn gebracht. De advocaat-generaal heeft op 9 juli 2023 laten weten dat de gebruikers [M] , [N] en [D] zijn geïdentificeerd en deze gebruikers zijn gehoord. Na deze zoekslag is er van het openbaar ministerie niets meer vernomen over mogelijke identificatie van de overige genoemde tegengebruikers. De verdediging persisteert bij het horen van deze gebruikers en verzoekt tot heropening om de advocaat-generaal een update te laten uitvoeren ten aanzien van de identificatie.
Op 24 maart 2023 heeft in het onderzoek Messina een regiezitting plaatsgevonden. Op 26 april 2023 heeft het hof op de onderzoekswensen beslist en bepaald dat (onder andere) de EncroChat-tegencontacten [M] , [N] , [D] , [J] , [B] en [K] als getuige zullen worden gehoord, onder de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde voorwaarden. Het hof heeft de advocaat-generaal opgedragen te onderzoeken of ten aanzien van elke afzonderlijke gebruiker aan deze voorwaarden is voldaan.
Op 9 juli 2023 heeft de advocaat-generaal aan het hof en de verdediging laten weten dat dat de gebruikers [M] , [N] en [D] zijn geïdentificeerd en de gegevens van deze gebruikers verstrekt.
Op 21 augustus 2024 heeft de advocaat-generaal per e-mailbericht aan het hof en de verdediging laten weten dat het openbaar ministerie ten aanzien van de gebruikers van de tegencontacten in mei 2024 een update heeft ontvangen, welke geen nieuwe informatie heeft opgeleverd. Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal naar aanleiding van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging aangevuld dat hij deze informatie op 24 mei 2024 heeft ontvangen.
De gebruikers van de EncroChat-accounts [M] , [N] en [D] zijn tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak Messina ter terechtzitting in hoger beroep in november 2024 als getuige gehoord.
Het hof stelt voorop dat de beslissing om de gebruikers van de genoemde tegencontacten te horen met de daaraan verbonden voorwaarden niet is aan te merken als een in tijd onbepaalde beslissing, waarbij voortdurend door het openbaar ministerie moet worden getoetst of sprake is van nieuwe informatie. De advocaat-generaal heeft aan de opdracht van het hof gehoor gegeven door op 9 juli 2023 te laten weten welke gebruikers zijn geïdentificeerd en van deze identificatie op de hoogte zijn gebracht. In aanvulling hierop heeft de advocaat-generaal laten weten dat een update in mei 2024 geen nieuwe informatie heeft opgeleverd. De getuigen waarvan de identiteit bekend geworden is, zijn vervolgens ter terechtzitting gehoord. Hiermee is aan de door het hof toegewezen onderzoekswens van de verdediging en aan de aan de advocaat-generaal in dit kader gegeven opdracht voldaan.
Het hof merkt hierbij nog op dat indien de verdediging van mening was dat hiermee niet of onvoldoende was voldaan aan de opdracht van het hof, het op de weg van de verdediging had gelegen dit tijdig, in elk geval ruim voor aanvang van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep, waar immers de geïdentificeerde getuigen zouden worden gehoord, naar voren te brengen. De verdediging heeft dit niet gedaan en eerst bij pleidooi aangegeven te persisteren bij het horen van deze getuigen en om heropening verzocht. De verdediging en de advocaat-generaal hebben op vragen van het hof aangegeven niet over nadere gegevens of aanwijzingen over de mogelijke identiteit van deze gebruikers te beschikken, zodat onaannemelijk is dat deze gebruikers binnen afzienbare tijd kunnen worden gehoord.
Gelet op het bovenstaande wijst het hof het verzoek tot heropening van het onderzoek en het alsnog horen van de - niet geïdentificeerde - gebruikers van de EncroChat-accounts [J] , [B] en [K] af.”
Een nadere omschrijving van het middel
24. De stellers van het middel voeren aan dat uit rechtspraak van het EHRM volgt dat in beginsel inschakeling van de politie wordt verwacht om een getuige te vinden en dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de omstandigheid dat een getuige op enig moment niet te traceren is, niet meebrengt dat die getuige nadien onbereikbaar is zodat vanwege diens unreachability van het verhoor zal kunnen worden afgezien. Tegen die achtergrond merken de stellers op dat het Openbaar Ministerie na mei 2024 geen onderzoek meer heeft gedaan om de getuigen te identificeren en dat het hof niet heeft onderzocht of de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dat brengt mee dat de afwijzende beslissing niet voldoende is gemotiveerd.
Het beoordelingskader
25. Bij de toepassing van artikel 288 lid 1 sub a Sv staat de vraag voorop of het mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. Toepassing van artikel 288 lid 1 sub a Sv kan onder meer aan de orde zijn als het gaat om een getuige die niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord. Deze rechtspraak van de Hoge Raad impliceert een zekere inspanningsverplichting voor de autoriteiten, die gelijkloopt met wat het EHRM van de autoriteiten verwacht in het kader van de vraag of en wanneer er een ‘goede reden’ is om af te zien van het horen van een getuige wegens zijn unreachability.
26. Voor de beoordeling van traceerbaarheid van de getuige kan daarom het tijdsverloop tussen de laatste poging de getuige op te roepen en de inhoudelijke behandeling van de zaak relevant zijn. Was er bijvoorbeeld eerst geen adres van de getuige bekend, en is er in de tussentijd een half jaar verstreken, dan kan de rechter zonder recent onderzoek, bijvoorbeeld het andermaal (laten) raadplegen van de basisregistratie personen en/of de politiesystemen, in beginsel niet oordelen dat een verhoor niet binnen aanvaardbare termijn valt te realiseren.
27. Verder is van belang dat artikel 263 lid 3 Sv voorwaarden bevat waaraan een geldig getuigenverzoek moet voldoen. Artikel 263 lid 3 Sv is evengoed van toepassing op verzoeken in de zin van artikel 410 (en 414) Sv. Om als een getuigenverzoek te kunnen worden aangemerkt, moet het verzoek onder andere voldoende identificerende gegevens bevatten. Van de getuige behoeft niet altijd een naam en adres te worden gegeven, maar hij of zij moet wel voldoende nauwkeurig worden aangeduid. Tegen die achtergrond ligt het in de rede dat bij de beoordeling in het kader van artikel 288 lid 1 sub a Sv betekenis kan toekomen aan de mate waarin de rechter identificerende gegevens tot zijn beschikking heeft. Zijn die beperkt, dan zal de rechter al vrij snel tot het oordeel kunnen komen dat aan de voorwaarden van deze weigeringsgrond is voldaan.
De bespreking van het tweede middel
28. In deze zaak is het als volgt gegaan. Op het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2024, waar de zaak inhoudelijk werd behandeld, deed de verdediging een voorwaardelijk verzoek tot het horen van de (niet eerder geïdentificeerde) gebruikers van een drietal EncroChat-accounts. Het hof wees het verzoek in het arrest af en oordeelde daartoe (kennelijk) dat het niet aannemelijk is dat deze getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord. Daaraan legde het hof ten grondslag dat:
i. het verzoek tot het identificeren en vervolgens horen van de getuigen is toegewezen op 24 maart 2023;
ii. de advocaat-generaal vervolgens op 9 juli 2023 heeft laten weten dat een aantal andere EncroChat-gebruikers (wel) waren geïdentificeerd en konden worden gehoord;
iii. de advocaat-generaal op 24 mei 2024 heeft laten weten dat de gebruikers van de accounts [J] , [B] en [K] niet waren geïdentificeerd en
iv. de verdediging en de advocaat-generaal tijdens de inhoudelijke behandeling op 17 december 2024 hebben aangegeven niet over nadere gegevens of aanwijzingen over de mogelijke identiteit van deze gebruikers te beschikken.
29. Het gaat hier dus om gebruikers van een cryptocommunicatie-account van wie überhaupt geen persoonsgegevens bekend waren, slechts de accountnaam. Dat maakt dit geval anders dan de hierboven onder randnummer 26 besproken rechtspraak en de zaken die de in de toelichting op het middel worden genoemd, waarin de identiteit van de getuige steeds wel bekend was, maar deze om andere redenen niet kon worden bereikt.
30. Met het uitlichten van bovenstaande omstandigheden heeft het hof de afwijzing van het verzoek op grond van artikel 288 lid 1 sub a Sv daarom toereikend gemotiveerd. Op grond van die omstandigheden heeft het hof namelijk geoordeeld dat het onwaarschijnlijk is dat de getuigen bij heropening van het onderzoek binnen afzienbare tijd gehoord kunnen worden. Daarbij heeft het hof betrokken dat geen nadere gegevens of aanwijzingen over de mogelijke identiteit van de EncroChat-gebruikers beschikbaar waren. Dat het hof in zijn arrest niet uitdrukkelijk heeft onderzocht of de procedure als geheel voldoet aan de eisen van een eerlijk proces, speelt in het kader van de beoordeling van de afwijzing van het verzoek geen rol. Die afwijzing is al met al niet onbegrijpelijk.
31. Het middel faalt.
Slotsom
32. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
33. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden.
34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG