ECLI:NL:PHR:2026:797

ECLI:NL:PHR:2026:797

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer 24/01901
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel (art. 141 lid 2 onder 2 Sr). M1 klaagt tevergeefs over oordeel hof dat verdachte aangever met glas tegen gezicht/hoofd heeft geslagen en dat daarmee strafverzwarende omstandigheid zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard. M2 bevat slagende klacht over inzendtermijn. Conclusie strekt tot vernietiging van bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft hoogte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van beroep voor het overige. Samenhang met 24/01902.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/01901

Zitting 25 augustus 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 8 mei 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-001053-23), wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en de verdachte in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Er bestaat samenhang met de zaak 24/01902. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel bevat een klacht over het bewezen verklaarde zwaar lichamelijk letsel dat bij de aangever is veroorzaakt en de rol die de verdachte daarbij heeft gespeeld. Het tweede middel ziet op een schending van de inzendtermijn.

2. Het eerste middel

Het eerste middel klaagt dat het bewezen verklaarde geweld in vereniging en het oordeel van het hof dat de bijdrage van de verdachte daaraan bestond uit het ‘met een glas tegen het gezicht/hoofd’ slaan niet toereikend is gemotiveerd en niet uit de bewijsvoering kan volgen. Daarmee is ook de bewezen verklaarde strafverzwarende omstandigheid van het gevolg (zwaar lichamelijk letsel) en de strafoplegging waarbij met die omstandigheid rekening is gehouden onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd, aldus de steller van het middel.

De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij, op 5 november 2021 te [plaats] openlijk, te weten in/voor uitgaansgelegenheid [A] aan de [a-straat 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde] , door

- voornoemde [benadeelde] tegen de borst en de rug te trappen;

- voornoemde [benadeelde] met een glas, tegen het gezicht/hoofd te slaan en

- voornoemde [benadeelde] tegen het hoofd te stompen en tegen zijn lichaam te trappen, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten (glasfragmenten in) meerdere wonden op het hoofd/gezicht en twee losse voortanden voor voornoemde [benadeelde] ten gevolge heeft gehad.”

De Promis-bewijsoverwegingen van het hof houden het volgende in:

5. Overweging met betrekking tot het bewijs

(…)

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat uit het dossier niet blijkt dat verdachte wetenschap had van het door anderen tegen aangever gepleegde geweld. Verdachte heeft dan ook niet opzettelijk in vereniging geweld gepleegd. Enkel kan worden bewezen dat verdachte zich door aangever eenmaal op zijn tanden te slaan en hem vervolgens buiten een keer tegen zijn been te schoppen schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, maar dat is niet tenlastegelegd. Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet kan worden vastgesteld dat het (door verdachte) gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat, zowel ten aanzien van de littekens als de gebitschade, de informatie in het dossier over het letsel van aangever te mager is om te kunnen oordelen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Voorts kan volgens de raadsman niet worden vastgesteld hoe het glas in het gezicht van aangever terecht is gekomen. Niet uit te sluiten is dat het glas door de val van aangever op de grond in zijn gezicht is gekomen. Als al moet worden aangenomen dat aangever met een glas is geslagen, dan kan bovendien niet worden vastgesteld wie daarmee heeft geslagen. Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten dat slaan dan hebben meegekregen.

Oordeel van het hof

De bewijsmiddelen

Aangever [benadeelde] heeft het volgende verklaard. Aangever was op 5 november 2021 in café [A] in [plaats] . Aangever liep in het café de trap op, maar besloot om terug naar beneden te gaan toen hij bijna boven was. Aangever had zich nog niet omgedraaid toen hij opeens een trap voelde. Hij zag dat iemand hem trapte die op de eerste verdieping stond. Aangever werd geraakt op zijn borst en raakte uit balans naar achteren. In een reflex pakte hij de schoen vast, waardoor hij niet achterover viel. Toen aangever zich omdraaide om naar beneden te gaan, werd hij voor de tweede keer getrapt. Hij werd hierbij geraakt in zijn rug en kon zich nog net vasthouden aan de leuning. Als aangever zich niet had vastgehouden, was hij van de trap gevallen. Aangever liep vervolgens naar beneden. Toen hij beneden stond, voelde hij ineens een harde klap tegen de rechterzijde van zijn hoofd. Hij voelde dat hij met iets hards werd geslagen en het begon meteen heel hard te bloeden. Direct daarop voelde aangever dat hij tegen de rechterzijde van zijn hoofd en tegen zijn mond werd geslagen. Aangever denkt dat met vuisten werd geslagen, want hij voelde echt pijn van de klappen. Hij weet niet hoe vaak er is geslagen. Aangever voelde heftige pijn aan zijn mond en voelde dat hij een tand kwijt was. Aangever liep vervolgens weg en voelde toen dat hij nog een keer werd aangevallen.

Uit de medische verklaring van 6 november 2021 blijkt dat aangever bij zijn rechter wenkbrauw een wondje van 1 centimeter heeft dat arterieel bloedt. Meer naar het jukbeen zit een wond van 4 centimeter. Deze bloedt na het schoonmaken en wijkt fors. Daarnaast zijn er nog oppervlakkige wondjes. De tanden zijn gereponeerd, maar deze staan nog heel los. De MKA-chirurg heeft de glaspartikels infratemporaal rechts operatief verwijderd en daarnaast de radix 11 en de horizontale wortelfractuur 21. Op 13 mei 2022 - een halfjaar na het incident - zijn implantaten geplaatst op de plek waar de voortanden van aangever waren losgekomen. De verwachting is dat de implantaten om de vijftien jaren moeten worden vervangen.

De politie heeft de camerabeelden van café [A] van 5 november 2021 bekeken. In het proces verbaal waarin door de politie een beschrijving van de beelden wordt gegeven, wordt gesproken over vier verdachten. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de persoon die op de beelden wordt aangeduid als ‘VE 2’ (hierna: verdachte 2) herkend als medeverdachte [medeverdachte 1] . Verbalisant [verbalisant 2] heeft voorts gezien dat medeverdachte [medeverdachte 2] tijdens het verhoor dezelfde jas droeg als de jas die de persoon die op de beelden wordt aangeduid als ‘VE3’ (hierna: verdachte 3) aanhad. Verbalisant [verbalisant 2] is ervan overtuigd dat de persoon die op de beelden wordt aangeduid als ‘VE 1’ (hierna: verdachte 1) verdachte is. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof met alle betrokkenen vastgesteld dat verdachte 1 [verdachte] is, dat verdachte 2 zijn neefje [medeverdachte 1] betreft en dat verdachte 3 de broer van verdachte, [medeverdachte 2] is. Verdachte 4 komt ook in het proces-verbaal voor maar is geen verdachte in deze zaak.

De politie heeft beschreven dat op de camerabeelden van café [A] het volgende te zien is. Na 6 minuten en 54 seconden komt verdachte 2 in beeld. Hij blijft bij de uitgang staan. Na 7 minuten en 9 seconden verschijnt verdachte 3 in beeld. Ook hij blijft - samen met verdachte 2 - bij de uitgang staan. Na 7 minuten en 13 seconden verschijnt verdachte 4 in beeld. Ook hij gaat bij verdachte 2 en verdachte 3 staan. Na 7 minuten en 19 seconden draait verdachte 3 weg van het groepje en verdwijnt uit beeld. Na 7 minuten en 34 seconden verdwijnen zowel verdachte 2 als verdachte 4 snel rechts uit beeld. Het is duidelijk dat er iets gaande is waar zij op afgaan, nader te noemen het incident, aangezien zij echt ergens op reageren en direct hierop ook portiers van het café aan komen rennen. Na 7 minuten en 40 seconden komt verdachte 1 in beeld. Te zien is dat verdachte 1 door twee portiers wordt weggetrokken van het incident. Na 7 minuten en 43 seconden is te zien hoe verdachte 1 door de portier het terras van het café wordt afgegooid. Na 7 minuten en 49 seconden is te zien hoe verdachte 3 het slachtoffer vasthoudt aan zijn witte trui terwijl het slachtoffer probeert om het café uit te gaan. Na 7 minuten en 49 seconden is te zien hoe verdachte 2 het slachtoffer van achteren ook bij zijn witte trui vastpakt. Na 7 minuten en 51 seconden is duidelijk te zien hoe het slachtoffer zich los trekt door zijn witte trui over zijn hoofd te doen. Op de beelden van de openbare camera is na 16 seconden te zien dat het slachtoffer buiten wordt aangevallen door verdachte 1. Verdachte 1 komt op het slachtoffer af, pakt hem vast en maakt met zijn rechterarm een slaande beweging richting het hoofd van het slachtoffer. Te zien is hoe het slachtoffer zich wederom losrukt van verdachte 1 en wegrent in de richting van de politie. Verdachte 1 rent kort achter het slachtoffer aan en maakt met nog een trapbeweging naar het slachtoffer met zijn rechterbeen.

De compilatie van de hierboven omschreven beelden uit het dossier is uitvoerig ter terechtzitting van het hof bekeken en besproken. Met vooraf gegeven toestemming van de verdediging en advocaat-generaal heeft het hof het betreffende filmfragment nogmaals in raadkamer bekeken. Het hof neemt op de beelden waar dat niet alleen verdachte 2 en 4 na 1 minuut en 6 seconden (op de langere versie: 7 minuten en 34 seconden) rechts uit beeld verdwijnen en op het incident afgaan, maar ook verdachte 3.

Voorts neemt het hof op de beelden waar dat verdachte 3 na 1 minuut en 21 seconden (op de langere versie: na 7 minuten en 49 seconden) met zijn linkerarm opgeheven het slachtoffer bij zijn witte trui grijpt en daarbij naar het slachtoffer kijkt, waarna hij het slachtoffer de weg verspert en vervolgens door het slachtoffer wordt weggeduwd. Verdachte 3 staat op dat moment tussen aangever en verdachte 2 in.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft telefonisch contact opgenomen met de portier van café [A] , getuige [getuige 1] . Getuige [getuige 1] verklaarde dat hij zich het incident op 5 november 2021 nog kon herinneren, omdat het slachtoffer na de mishandeling zwaargewond naar hem toe was gekomen en hij nog met het slachtoffer had staan praten. [getuige 1] verklaarde dat hij zich nog kon herinneren dat [medeverdachte 1] en de broer van [medeverdachte 1] betrokken waren bij het incident en dat de broer van [medeverdachte 1] op het slachtoffer lag in de serre.

Tijdens de terechtzitting van de rechtbank is vastgesteld dat getuige [getuige 1] , wanneer hij spreekt over de broer van [medeverdachte 1] , de vader van [medeverdachte 1] , verdachte, bedoelt.

Op de zitting van de rechtbank van 9 februari 2023 is [getuige 2] als getuige gehoord. [getuige 2] heeft verklaard dat hij die avond in [A] was. Hij liep naar boven en zag dat [medeverdachte 1] ruzie had met een jongen. Die jongen trok aan het been van [medeverdachte 1] . De getuige zei tegen de jongen dat hij los moest laten, maar dat deed hij niet. De getuige liep vervolgens naar beneden om dit tegen de oom van [medeverdachte 1] , verdachte, te vertellen. Getuige zag toen dat verdachte de jongen met kracht met zijn vuist een klap in het gezicht gaf. De getuige weet niet of de jongen knock-out ging. Hij is meteen de beveiliging gaan halen die er snel bij kwam.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard. Getuige [getuige 2] had tegen verdachte gezegd dat [medeverdachte 1] ruzie had gehad met een jongen. Getuige [getuige 2] wees de betreffende jongen ook aan en vervolgens kwam de jongen met een vervelende grijns op verdachte aflopen. Verdachte heeft de jongen daarom met volle kracht een vuistslag tegen zijn mond gegeven en waarschijnlijk daarbij zijn tanden geraakt. Zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] stonden toen achter verdachte en de jongen stond op dat moment voor verdachte. De jongen viel achterover en toen kwam de broer van verdachte. Verdachte heeft niet gezien dat de jongen door iemand anders werd geslagen en de jongen had geen letsel toen hij op verdachte af kwam lopen. Buiten heeft verdachte de jongen nog een klap gegeven.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat hij de jongen buiten ook een duw-trap heeft gegeven. Daarnaast verklaarde verdachte bij de rechtbank dat hij door de vuistslag tegen de mond van aangever een wond aan de buitenkant van zijn hand had opgelopen. Zijn hand was aan het bloeden en er stak een pees uit. De wond moest gehecht worden en bleek later ernstig te zijn geïnfecteerd. Verdachte heeft hier een litteken aan overgehouden. Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij denkt dat hij verdachte 1 op de beelden is.

Overweging van het hof

Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat het ‘in vereniging’ plegen van geweld tegen personen zich, gelet op de aard van het delict, in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is mede toepasselijk op - en wordt ook frequent toegepast bij - openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen - soms moeilijk doorzichtige - dynamiek. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen. De enkele omstandigheid dat iemand een groep getalsmatig versterkt geldt niet zonder meer als een voldoende significante of wezenlijke bijdrage. Welbewust een bijna zekere confrontatie aangaan en meegaan in een aanvalsgolf met anderen is echter meer dan een groep getalsmatig versterken (vgl. HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9823). Tot slot is niet nodig dat de deelnemers gelijktijdig aan het geweld zijn begonnen (vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132).

Feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Toen aangever in café [A] de trap op liep, werd hij door medeverdachte [medeverdachte 1] tegen zijn rug en zijn borst getrapt. Hierop liep aangever naar beneden en aldaar werd hij meerdere keren geslagen. De eerste keer werd aangever tegen de rechterzijde van zijn hoofd geslagen en direct daarna nog een keer tegen de rechterzijde van zijn hoofd en mond. Het hof stelt op grond van de door verdachte en getuige [getuige 2] afgelegde verklaringen vast dat verdachte de persoon is geweest die aangever de tweede klap tegen zijn hoofd en mond heeft gegeven. Het hof leidt voorts uit de bewijsmiddelen af dat aangever bij de eerste klap tegen zijn hoofd met een glas is geslagen. In het hoofd van aangever zijn aan de rechterzijde immers glasscherven aangetroffen en aangever heeft verklaard dat hij bij de eerste klap met iets hards tegen de rechterzijde van zijn hoofd werd geslagen en dat het meteen heel hard begon te bloeden. Gelet hierop - in onderlinge samenhang bezien met de door aangever afgelegde verklaring dat hij eerst met iets hards werd geslagen voordat hij de vuistslag op zijn hoofd en mond kreeg - komt het hof tot de conclusie dat aangever eerst met een glas op de rechterzijde van zijn hoofd is geslagen en dat verdachte aangever direct hierop een vuistslag tegen zijn mond heeft gegeven. Het hof schuift het door de raadsman geschetste scenario dat aangever wellicht glasscherven in zijn hoofd heeft gekregen doordat hij na de vuistslag van verdachte met de rechterzijde van zijn hoofd op de grond is gevallen dan ook als onaannemelijk terzijde, nu geen van de betrokkenen daarover heeft verklaard en dit niet overeenstemt met de aangifte. Voorts leidt het hof uit het dossier af dat verdachte aangever niet alleen de tweede klap tegen zijn hoofd en mond heeft gegeven, maar dat hij ook de persoon is geweest die aangever met een glas tegen het hoofd heeft geslagen. Aangever heeft zoals gezegd immers verklaard dat hij eerst met een glas op de rechterzijde van zijn hoofd werd geslagen en dat hij direct hierop een vuistslag tegen de rechterzijde van zijn hoofd en zijn mond kreeg. Verdachte heeft voorts verklaard dat aangever nog geen letsel had toen hij op verdachte af kwam lopen en dat hij niemand anders aangever heeft zien slaan. Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte de persoon is geweest die aangever met een glas tegen de rechterzijde van zijn hoofd heeft geslagen, waarna verdachte aangever direct een vuistslag tegen de rechterzijde van zijn hoofd en mond heeft gegeven.

Voorts stelt het hof vast dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] hebben meegekregen dat aangever door verdachte is geslagen. Op de camerabeelden is immers te zien dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] na 7 minuten en 34 seconden rechts uit beeld verdwijnen en op het incident afgaan en dat direct hierop ook portiers van het café aan komen rennen. Na 7 minuten en 40 seconden - dus slechts zes seconden later - is te zien dat verdachte door twee portiers wordt weggetrokken van de plek waar het incident zich heeft afgespeeld en vervolgens het café wordt uitgezet. Naar het oordeel van het hof kan het dan ook niet anders dan dat rechts buiten beeld de klappen van verdachte tegen het hoofd van aangever plaatsvonden en dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daar spoorslags op afgingen.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat aangever na de klap van verdachte bovenop [medeverdachte 2] viel. Gelet op bovenstaande vaststelling van het hof dat na 7 minuten en 34 seconden rechts buiten beeld de klappen van verdachte tegen het hoofd van aangever plaatsvonden en dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] daar op afgingen, concludeert het hof dat aangever niet als gevolg van de klappen van verdachte bovenop [medeverdachte 2] kan zijn gevallen. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [medeverdachte 2] achter verdachte stond toen verdachte aangever een klap gaf en dat aangever op dat moment juist voor verdachte stond. Ook gelet daarop is het onmogelijk dat aangever door de klap van verdachte bovenop [medeverdachte 2] is beland. Uit de verklaring van getuige [getuige 2] leidt het hof evenwel af dat kennelijk een worsteling heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte 2] en aangever. Daarbij betrekt het hof ook dat getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zich nog kan herinneren dat [medeverdachte 1] en zijn broer (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] en zijn vader) bij het incident betrokken waren en dat de broer van [medeverdachte 1] (aldus: de vader van [medeverdachte 1] ) bovenop aangever lag. Het hof acht dit deel van de verklaring van getuige [getuige 1] betrouwbaar en dus bruikbaar voor bewijs, nu dit de eerste verklaring is van de getuige, deze verklaring voldoende gedetailleerd is en omdat het hof geen reden ziet om aan de inhoud ervan te twijfelen. Het enkele feit dat de verklaring drie-en-een-halve maand na het incident is afgelegd doet daar niets aan af. Tot slot heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zijn broer kwam toen aangever achterover viel en zoals gezegd is op de beelden ook te zien [medeverdachte 2] samen met zijn zoon op het geweld afgaat. Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat vlak nadat verdachte aangever had geslagen een worsteling heeft plaatsgevonden tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en aangever.

Verder volgt uit de camerabeelden dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] kort na het incident aangever de weg versperren en de trui van aangever vastpakken als deze het café probeert te verlaten. Aangever weet enkel te ontkomen door zijn omgeslagen witte trui over zijn hoofd af te doen. Eenmaal buiten het café heeft verdachte aangever nog een keer geslagen en hem nog een trap gegeven, zo volgt uit de camerabeelden en de door verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep afgelegde verklaringen.

Openlijke geweldpleging in vereniging

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat in onderhavige zaak sprake is van openlijk geweld dat bestond uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende geweldshandelingen dat plaatsvond binnen een ongestructureerd, spontaan samenwerkingsverband en dat verdachte opzettelijk daaraan heeft deelgenomen. Het hof acht de door verdachte afgelegde verklaring dat hij niets heeft meegekregen van het door anderen tegen aangever uitgeoefende geweld volstrekt ongeloofwaardig. Allereerst volgt naar het oordeel van het hof uit de camerabeelden en de manier waarop de verschillende door verdachte en zijn medeverdachten tegen aangever uitgeoefende geweldshandelingen hebben plaatsgevonden dat tussen hen wel degelijk enige vorm van afstemming is geweest over het geweld jegens aangever. Daarbij betrekt het hof ook dat de geweldshandelingen jegens aangever plaatsvonden in een zeer kort tijdsbestek en werden verricht door drie familieleden die samen met elkaar in het café op stap waren. Bovendien volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte wist dat zijn neefje, medeverdachte [medeverdachte 1] , ruzie had met aangever en dat verdachte om die reden in het café met een glas tegen het hoofd van aangever heeft geslagen en hem vervolgens een vuistslag tegen zijn hoofd en mond heeft gegeven. Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte zich in de directe nabijheid van aangever en medeverdachte [medeverdachte 2] bevond toen tussen hen een worsteling plaatsvond. Deze worsteling vond immers plaats direct nadat verdachte aangever met het glas had geslagen en hem een vuistslag had gegeven. Naar het oordeel van het hof kan het dan ook niet anders dan dat verdachte - die vlak daarvoor zelf nog geweld op aangever uitoefende en aldus op aangever gefocust was - de worsteling tussen [medeverdachte 2] en aangever heeft meegekregen. Bovendien heeft verdachte zelf verklaard dat zijn broer kwam nadat hij aangever had geslagen. Verdachte wist aldus van het door medeverdachte [medeverdachte 2] op aangever uitgeoefende geweld en is vervolgens buiten - nadat hij het café was uitgezet - weer doorgegaan met het plegen van geweld tegen aangever door aangever nog een keer te slaan en hem een keer te trappen.

Gelet op het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] openlijk geweld heeft gepleegd tegen aangever. Dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten niet (steeds) gelijktijdig plaatsvonden doet aan het voorgaande niets af.

Zwaar lichamelijk letsel

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of het door aangever opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, kunnen onder andere als algemene gezichtspunten worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

Het hof stelt aan de hand van de medische informatie in het procesdossier vast dat aangever ten gevolge van de gedragingen van verdachte in café [A] letsel heeft opgelopen, te weten meerdere wonden in het gezicht met daarin glasfragmenten, een afgebroken tand en een losse tand. Dit letsel was van dien aard dat medisch ingrijpen noodzakelijk was. Zo moesten de glasfragmenten operatief uit de wonden in het gezicht worden verwijderd. Ook zijn tijdens deze operatie de losse tand en wortelresten verwijderd. Aangever heeft pas op 13 mei 2022 - een halfjaar na het incident - implantaten kunnen laten plaatsen op de plek waar zijn tanden loszaten of waren afgebroken. Naar verwachting moeten de implantaten om de vijftien jaren worden vervangen. Daarnaast had aangever een maand na het incident nog steeds geen gevoel in zijn wenkbrauw en kon hij zijn wenkbrauw niet heffen. Voorts zijn op de bijbehorende foto’s ontsierende littekens in het gezicht van aangever te zien. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het letsel dat aangever heeft opgelopen, gezien de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en de duur van het herstel, moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] , terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.”

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2024 heeft de verdachte daar het volgende verklaard:

“ [getuige 2] kwam met mij praten. Hij was van slag, omdat [medeverdachte 1] een akkefietje had gehad op de trap. Ik heb niet gezien wat op de trap is gebeurd. U, voorzitter, vraagt mij waarom ik aangever dan een klap in zijn gezicht geef. Dat weet ik ook niet. Ik had twee of drie biertjes op, maar ik was niet dronken. Ik heb er spijt van dat ik hem heb geslagen. Ik weet niet waar [medeverdachte 1] op dat moment was. Ik heb hem toen niet gezien. (…)

Aangever stond voor mij en [medeverdachte 1] stond achter mij. Waarschijnlijk stond [medeverdachte 2] ook achter mij toen ik aangever een klap gaf. Aangever viel door de klap achterover. Op dat moment kwam [medeverdachte 2] eraan. We stonden niet met zijn drieën bij elkaar. Bij de ingang van het café zit een bar en een loungegedeelte. De trap zit daar rechts van en het discogedeelte zit erachter. Het incident vond plaats bij het gedeelte tussen de trap en de ingang. Door de klap tegen het gezicht van aangever is een pees in mijn hand gescheurd. Ik heb daarvan nog steeds littekens bij mijn knokkels. Ik denk dat de pees is gescheurd doordat ik de tanden van aangever heb geraakt. Het was ook gaan ontsteken.

(…)

[getuige 2] vertelde mij dat [medeverdachte 1] ruzie had gehad met een jongen. De jongen zou aan de voet van [medeverdachte 1] hebben getrokken. [getuige 2] wees mij de jongen aan. Ik liep op de jongen af en hij keek met een vervelende grijns naar me. Toen heb ik hem geslagen. Ik stond op dat moment tussen de trap en de uitgang.

(…)

Er zat niet veel tijd tussen het moment dat [getuige 2] mij de jongen aanwees en het moment dat ik de jongen sloeg. [getuige 2] wees hem aan, de jongen kwam op mij af en toen gaf ik de jongen met volle kracht een vuistslag tegen zijn mond. Daarbij heb ik waarschijnlijk zijn tanden geraakt. Ik heb niet gezien dat iemand anders hem heeft geslagen. De jongen had nog geen letsel toen hij op mij af kwam lopen. U, advocaat-generaal, merkt op dat aangever heeft verklaard dat hij met glas tegen zijn hoofd werd geslagen en dat hij direct daarop een vuistslag tegen de rechterzijde van zijn hoofd en mond kreeg. Dat kan niet. Aangever liegt dan. Ik heb hem in het café één klap gegeven, werd het café uit gezet en heb hem vervolgens buiten ook nog een klap gegeven. Ik heb hem niet met een glas geslagen.”

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bovendien nog het volgende opgemerkt:

“Het is duidelijk dat de grootste schade is veroorzaakt door de klap van mijn cliënt, omdat daardoor de tanden van aangever eruit zijn geslagen.”

In de strafmotivering heeft het hof – voor zover relevant – als volgt overwogen:

“Verdachte heeft zich samen met zijn broer en neef schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [benadeelde] . Verdachte heeft een zeer significante en wezenlijke bijdrage aan die openlijke geweldpleging geleverd door [benadeelde] met een glas tegen het hoofd te slaan en hem een harde vuistslag in het gezicht te geven en later, buiten, nog een klap en een trap. Als een gevolg van het handelen van verdachte heeft [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten meerdere wonden in zijn gezicht waarin glasfragmenten zaten en twee losse voortanden. Verdachte heeft dan ook ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] . Ook geestelijk heeft het incident veel gevolgen gehad voor [benadeelde] , zo blijkt uit de toelichting op de vordering. Het hof rekent het verdachte aan dat hij zo gewelddadig heeft gereageerd op het geweld waarmee zijn neef was begonnen. Bovendien bleef verdachte doorgaan met het uitoefenen van geweld toen [benadeelde] zwaargewond het geweld probeerde te ontvluchten. Ook dit rekent het hof verdachte aan. Tot slot roept dit soort uitgaansgeweld, met dergelijk ernstig letsel als gevolg, gevoelens van weerzin, onveiligheid en angst op in de samenleving.”

De bespreking van het eerste middel

Het hof heeft voor zover hier van belang het volgende vastgesteld. Toen de aangever in café [A] de trap op liep, werd hij door medeverdachte [medeverdachte 1] tegen zijn rug en borst getrapt. De aangever liep vervolgens naar beneden. Toen hij beneden stond, werd hij meerdere keren geslagen. Hij voelde eerst een harde klap met iets hards tegen de rechterzijde van zijn hoofd, als gevolg waarvan het meteen heel hard begon te bloeden. Direct daarna voelde hij dat hij tegen de rechterzijde van zijn hoofd en mond werd geslagen. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de aangever bij de eerste klap tegen zijn hoofd met een glas is geslagen. Het hof stelt op basis van de verklaringen van de verdachte zelf en de getuige [getuige 2] vast dat de verdachte de persoon is geweest die de aangever de tweede klap tegen zijn hoofd en mond heeft gegeven. Het hof komt verder tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de verdachte ook de persoon is geweest die de aangever de eerste klap heeft gegeven en dat hij toen met een glas tegen de rechterzijde van zijn hoofd heeft geslagen. Eenmaal buiten het café heeft de verdachte de aangever nog een keer geslagen en hem nog een trap gegeven.

Het hof stelt vast dat de aangever als gevolg van de gedragingen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat de aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen wordt in cassatie niet betwist. Wél wordt betwist dat de verdachte de aangever met een glas heeft geslagen en dat het zwaar lichamelijk letsel (daarmee) door de verdachte is veroorzaakt.

De aangever heeft verklaard dat hij twee keer tegen zijn hoofd is geslagen nadat hij beneden kwam, dat hij bij de eerste klap met iets hards werd geslagen en dat het daarna heel hard begon te bloeden. In zijn hoofd zijn glasscherven aangetroffen. Ik zie niet in waarom het onbegrijpelijk zou zijn dat het hof op basis hiervan heeft geoordeeld dat de aangever met een glas tegen zijn hoofd is geslagen.

De aangever heeft voorts verklaard dat hij nadat hij met iets hard werd geslagen een vuistslag op zijn hoofd en mond kreeg. De verdachte heeft erkend dat hij de aangever die vuistslag tegen de mond heeft gegeven. Ook heeft de verdachte verklaard dat de aangever nog geen letsel had voordat hij hem sloeg en dat hij niet heeft gezien dat iemand anders de aangever heeft geslagen. Bij gebrek aan enig ander aannemelijk alternatief scenario, kon het hof op basis van het voorgaande oordelen dat de verdachte ook degene was die de aangever met een glas tegen zijn hoofd heeft geslagen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat de verklaring van de getuige [getuige 2] de vaststelling van het hof dat de verdachte de aangever met een glas heeft geslagen zou tegenspreken, zoals in de toelichting op het middel nog wordt aangevoerd, volg ik niet. Dit is in feitelijke aanleg bovendien niet aangevoerd.

Ten overvloede merk ik op dat uit de bewijsvoering van het hof volgt dat het zwaar lichamelijk letsel niet alleen is veroorzaakt door de klap met het glas, maar ook door de vuistslag tegen de mond van de aangever. In hoger beroep heeft de verdediging erkend dat de verdachte fors geweld heeft gebruikt tegen de aangever door hem ‘met volle kracht een vuistslag tegen de mond’ te geven waarbij ‘de tanden van de aangever eruit zijn geslagen’. Uit de overwegingen van het hof volgt dat – ten gevolge van die vuistslag – tijdens een operatie een losse tand en wortelresten zijn verwijderd, de aangever pas een halfjaar na het incident implantaten heeft kunnen laten plaatsen op de plek waar zijn tanden loszaten of waren afgebroken en de implantaten naar verwachting om de vijftien jaar moeten worden vervangen. Ook indien het middel zou slagen zou het daarom de vraag zijn of dat gelet op het voorgaande tot cassatie zou moeten leiden.

3. Het tweede middel

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Namens de verdachte is op 14 mei 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 16 mei 2025 binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met iets meer dan vier maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren is niet meer mogelijk. Het voorgaande moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast voorkomt.

4. Slotsom

Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie op 9 mei 2026 is overschreden. Dat dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf. Voor het overige heb ik geen ambtshalve gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand