ECLI:NL:PHR:2026:800

ECLI:NL:PHR:2026:800

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer 24/04349
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Mishandeling en niet voldoen aan bevel tot medewerking nader onderzoek van uitgeademde lucht. M1: uos-klacht over causaal verband tussen gedragingen en letsel. M2: klacht over oordeel dat bevel om mee te werken aan nader onderzoek van uitgeademde lucht ex art. 55e.1 Sv kan worden gegeven bij vermoeden van middelengebruik en uos-klacht over tijdsverloop tussen geweldsmisdrijf en bevel. M3: overschrijding redelijke termijn in cassatie (inzendtermijn). AG meent dat de eerste twee middelen falen en derde middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04349

Zitting 25 augustus 2026

CONCLUSIE

P.T.C. van Kampen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte

1. Het cassatieberoep

Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 26 november 2024 (rolnr. 22-001216-24) wegens "mishandeling" en “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de tenuitvoerlegging van een gedeelte van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf bevolen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaten J.L. L'Homme en J.E. Kötter hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

Het eerste middel komt op tegen het onder 1 bewezenverklaarde en bevat de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verdachte van de tenlastegelegde mishandeling moet worden vrijgesproken omdat niet kan worden vastgesteld dat het bij aangeefster geconstateerde letsel door toedoen van de verdachte is ontstaan.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“1.

hij op 6 januari 2024 te [plaats] [aangeefster] , heeft mishandeld door die [aangeefster]

- tegen het gezicht te slaan en

- in de vingers te bijten en

- met kracht vast te pakken en vervolgens aan het lichaam te trekken.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1.

Een proces verbaal van aangifte d.d. 6 januari 2024 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 240106-265-244. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 5-13 procesdossier):

als de op voormelde datum afgelegde verklaring van aangeefster [aangeefster]:

Ik doe aangifte van mishandeling door [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] , op 6 januari 2024 in mijn woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . Omstreeks 17:50 uur hoorde ik dat [verdachte] aan het schreeuwen was. Mijn zoon wilde [verdachte] hierop aanspreken. Ik ging tussen mijn zoon en [verdachte] instaan om te voorkomen dat het escaleerde. Toen zag ik dat [verdachte] zijn rechterhand balde en ik voelde dat hij mij sloeg met een vuist op mijn linkerwang en oor. Ik duwde [verdachte] weg. Ik probeerde [verdachte] naar buiten te duwen. Ik voelde dat [verdachte] in mijn vingers beet. Ik voelde dat dit ontzettend pijn deed. Ik zag dat mijn zoon [verdachte] vastpakte. Dit werd een worsteling in de hal tussen [verdachte] , mijn zoon en ik. De worsteling verplaatste zich naar mijn voordeur. Ik opende onze voordeur en de worsteling vervolgde in het trappenhuis. Door de mishandeling is letsel bij mij ontstaan. Er is een stuk tand afgebroken, mijn lip is dik, mijn vinger is dik, mijn voet is opgezet en achter mijn oor heb ik een blauwe plek.

2.

E en proces verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2024 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 240106-265-987. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 14-16 procesdossier):

als relaas van de betreffende verbalisanten of van één van hen:

Op 6 januari 2024 omstreeks 18:03 uur kregen wij opdracht te gaan naar de [a-straat 1] in [plaats] . Ter plaatsen zagen wij in de deuropening van huisnummer [2] een jongen staan die later blijkt te zijn: [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] .

Wij hoorde de jongen zeggen dat zijn moeder geslagen was. Wij zijn de woning binnen gegaan en zagen een vrouw staan die later bleek te zijn: [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 1984 op [geboorteplaats] .

Ik, verbalisant [verbalisant 2] hoorde dat [aangeefster] zei dat ze was geslagen door [verdachte] . Wij, verbalisanten, zagen dat [aangeefster] een rode plek onder haar linkeroog had. Ook zagen wij letsel op de pink van de rechterhand van [aangeefster] . Daarnaast zagen wij dat er zich een blauwe plek op de bovenkant van de rechtervoet van [aangeefster] bevond. Wij hoorden dat [aangeefster] zei dat ze pijn had. Ook hoorde ik, verbalisant [verbalisant 2] . dat [aangeefster] zei dat ze in haar pink gebeten was door [verdachte] .

3.

Een proces verbaal van verhoor getuige d.d. 7 januari 2024 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2024006653-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 30-31 procesdossier):

als de op voormelde datum afgelegde verklaring van [getuige 1] :

Ik was gisteren op bezoek bij mijn tante aan de [a-straat] te [plaats] . Ik hoorde toen een luide stemverheffing en geschreeuw bij de buren. Ik hoorde een vrouwenstem hard roepen: "Ga weg. Ga weg" en "Help me. Help me". Mijn tante en ik gingen kijken en toen ik de deur opendeed zag ik [aangeefster] op de grond in het trappenhuis liggen. Ze lag dicht bij de trappen en riep dat we de politie moesten bellen. Ik zag dat haar vriend [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) haar bij haar polsen vast had en haar naar beneden wilde trekken. Hij trok haar naar de trap welke naar beneden leidt. [aangeefster] was flink overstuur en had last van haar rechter hand. Haar pink deed pijn en had ook pijn onder haar linker oog. Ook vertelde ze dat ze was gebeten en een stoot had gekregen en dat er een stukje van haar tand was afgebroken.”

Het hof heeft ten aanzien van feit 1 het volgende overwogen:

“Partiële vrijspraak feit 1

Overeenkomstig het oordeel van de rechtbank in eerste aanleg en het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging zal de verdachte van het bestanddeel "levenspartner" worden vrijgesproken. Dit behoeft geen nadere motivering.”

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2024 houdt onder meer in dat de raadsman van de verdachte het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotitie. Deze pleitnotitie houdt voor zover relevant het volgende in:

“2. Verder meent de verdediging dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het door de politie geconstateerde letsel bij aangeefster door toedoen van cliënt is ontstaan. In het proces-verbaal van bevindingen (p. 14) wordt gerelateerd dat de zoon van aangeefster tegen de politie heeft gezegd dat zijn moeder was geslagen. Hij vertelt niet wat hij precies heeft gezien. Aangeefster verklaart over een vuistslag op haar linkerwang en oor, dat cliënt in haar vingers heeft gebeten en dat er een worsteling plaatsvond. Nadien wilde aangeefster ook niet dat haar zoon als getuige werd gehoord. De vraag die zich opdringt is wat er feitelijk heeft plaatsgevonden.

3. De verbalisanten zien dat aangeefster een rode plek heeft onder haar linkeroog, letsel heeft op haar pink en een blauwe plek op de bovenkant van haar voet. Op de foto’s is het letsel niet goed zichtbaar. Daar komt bij dat foto’s zijn gemaakt van het linkeroor en de lip van aangeefster (mogelijk moet daarop de afgebroken tand te zien zijn) terwijl de politie daar niets over schrijft. Wat de politie wel ziet, komt in elk geval niet geheel overeen met wat de aangeefster over het letsel verklaart.

4. Uitgaande van de situatie die aangeefster in de aangifte beschrijft, te weten dat er een worsteling was in de hal tussen haar, haar zoon en cliënt en dat die worsteling zich verplaatste naar de voordeur, kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het geconstateerde letsel het gevolg is geweest van hetgeen cliënt wordt verweten. Het kan evengoed zijn ontstaan tijdens de worsteling en in dat scenario kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het letsel door toedoen van cliënt is ontstaan.

5. Ook de getuigenverklaring van de buurvrouw legt geen gewicht in de schaal, omdat zij alleen heeft gezien dat cliënt aangeefster bij de polsen vasthad en haar naar beneden wilde trekken. Daarover heeft aangeefster niet verklaard dat zij als gevolg daarvan pijn had ondervonden of letsel had opgelopen.

6. Al met al meent de verdediging dat op grond van het dossier niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat cliënt aangeefster op/tegen het gezicht en/of het hoofd heeft geslagen of dat cliënt aangeefster in de vingers heeft gebeten. Ook kan niet bewezen worden verklaard dat het vastpakken en/of vervolgens aan het lichaam trekken mishandeling heeft opgeleverd, want dat deel heeft geen pijn/letsel veroorzaakt.”

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de tenlastegelegde mishandeling niet bewezen kan worden verklaard. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat niet “buiten redelijke twijfel” kan worden vastgesteld dat het bij aangeefster geconstateerde letsel door toedoen van de verdachte is ontstaan, naar ik begrijp omdat dit letsel ook tijdens de worsteling (tussen aangeefster, haar zoon en de verdachte) kan zijn ontstaan en het in dat geval niet het gevolg hoeft te zijn van de aan verdachte tenlastegelegde gedragingen.

Het hof heeft op dit verweer niet gerespondeerd. Kennelijk heeft het hof het aangevoerde niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dient duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren te worden gebracht. In dit geval schiet de argumentatie tekort, omdat uit het verweer niet blijkt waarom de worsteling aan een bewezenverklaring van het causaal verband tussen de gedragingen van de verdachte en het letsel in de weg staat. Daarbij verdient opmerking dat niet vereist is dat “met zekerheid” kan worden vastgesteld dat het geconstateerde letsel het gevolg is geweest van de tenlastegelegde gedragingen van de verdachte; vereist is slechts dat het letsel als gevolg van het door de verdachte verrichte gedragingen redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Uit het verweer blijkt niet waarom de door de verdediging benoemde worsteling aan die toerekening in de weg zou staan. Het hof was dus niet gehouden om toe te lichten waarom het aan het betreffende verweer voorbij is gegaan.

Daar komt bij dat het standpunt van de verdediging dat het onder 1 tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden, zijn weerlegging vindt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit blijkt dat aangeefster heeft verklaard dat zij door de verdachte op haar linkerwang en oor is geslagen en dat hij in haar vingers heeft gebeten en dat hierdoor letsel is ontstaan (bewijsmiddel 1). Verbalisanten hebben van de zoon van aangeefster gehoord dat zijn moeder is geslagen en zij hebben gezien dat aangeefster letsel (“rode plek onder haar linkeroog”, “letsel op de pink”, “blauwe plek op de bovenkant van de rechtervoet”) had (bewijsmiddel 2). Een getuige heeft verklaard dat zij aangeefster op de grond in het trappenhuis heeft zien liggen en dat de verdachte haar bij haar polsen vast had en haar naar beneden wilde trekken (bewijsmiddel 3). Op basis hiervan heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte aangeefster heeft mishandeld door haar tegen het gezicht te slaan, in de vingers te bijten en met kracht vast te pakken en vervolgens aan haar lichaam te trekken.

Het middel faalt.

3. Het tweede middel

Het tweede middel heeft betrekking op het onder 2 bewezenverklaarde en is te onderscheiden in twee deelklachten.

De eerste deelklacht houdt in dat het (kennelijke) oordeel van het hof dat reeds een vermoeden van middelengebruik bij aanhouding voldoende is voor een rechtsgeldig bevel in de zin van art. 55e lid 1 Sv, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Met dat oordeel miskent het hof volgens de stellers van het middel dat een dergelijk bevel slechts kan worden gegeven indien er aanwijzingen bestaan dat de verdachte het feit onder invloed heeft gepleegd.

De tweede deelklacht houdt in dat het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat aan de verdachte (gelet op het tijdsverloop na de ruzie met aangeefster) geen bevel als bedoeld in art. 55e lid 1 Sv had mogen worden gegeven.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“2.

hij op 6 januari 2024 te [plaats] , opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55e lid 1 Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [verbalisant 1] (aspirant bij politie Eenheid Rotterdam), belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen medewerking te verlenen aan een onderzoek uitgeademde lucht, hieraan geen, gevolg te geven.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1.

Een proces verbaal gebruik middelen bij geweldsincidenten d.d. 6 januari 2024 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2024006653-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 27-29 procesdossier):

als relaas van de betreffende verbalisanten of van één van hen:

Op 6 januari 2024 om 19:30 uur werd een onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van middelen, ingevolge artikel 55d lid 1 Wetboek van Strafvordering, ten tijde van het plegen van eenvoudige mishandeling door verdachte [verdachte] . De verdachte werd op 6 januari 2024 om 19:10 uur aangehouden voor genoemd feit.

Aanwijzingen middelengebruik

Ik, [verbalisant 1] , zag dat: de verdachte rood doorlopende ogen had en rook naar het inwendig gebruik van alcohol.

Geen (voor) onderzoek verricht

Door de volgende feiten en omstandigheden werd afgeweken van de WMG richtlijnen. De verdachte werd daarom niet onderworpen aan een voorlopig onderzoek naar uitgeademde lucht, een onderzoek speeksel of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties. De verdachte wenste niet mee te werken aan een onderzoek. Tevens na bevel tot medewerking van hulpofficier van justitie [naam 1] wenste de verdachte niet mee te werken aan het onderzoek.

Vermoeden middelengebruik

Ondanks dat de verdachte niet was onderworpen aan een voorlopig onderzoek naar uitgeademde lucht, een onderzoek speeksel of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, vermoedde ik, [verbalisant 1] , dat de verdachte onder invloed was van één of meer middelen die tot gewelddadig gedrag kunnen leiden, ingevolge de algemene maatregel van bestuur zoals genoemd in artikel 55d, lid 4 Wetboek van Strafvordering.

Het vermoeden bleek uit de verdachte had rood doorlopende ogen en rook naar het inwendig gebruik van alcohol.

2

Een proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 6 januari 2024 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2024006653-303. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 34 procesdossier):

als relaas van de betreffende verbalisant:

Op 6 januari 2024 om 19:10 uur werd door mij op de locatie [b-straat 1] te [plaats] aangehouden als verdachte: [verdachte] .

Onderzoek uitgeademde lucht

Op 6 januari 2024 om 19:31 uur heb ik, [verbalisant 1] , de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek uitgeademde lucht als bedoeld in artikel 55e lid 1 Wetboek van Strafvordering. Ook heb ik de verdachte meegedeeld, dat de verdachte verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de daartoe aangewezen bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten behoeve van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Vervolgens is de verdachte meegedeeld, dat een weigering van dit onderzoek strafbaar is gesteld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht.

De verdachte weigerde mee te werken aan het onderzoek uitgeademde lucht, waardoor hij tevens als verdachte van artikel 184 Wetboek van Strafrecht wordt aangemerkt.

De weigering bleek uit: de verdachte wenste niet mee te werken.

[verbalisant 1] , werkzaam als aspirant bij de Eenheid Rotterdam.”

Het hof heeft ten aanzien van feit 2 het volgende overwogen:

“Nadere bewijsoverweging feit 2

De raadsman heeft zich, overeenkomstig zijn pleitnota, ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft eveneens - zij het met een andere motivering - vrijspraak gevorderd.

Anders dan hiervoor weergegeven standpunten, acht het hof het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Op 6 januari 2024 omstreeks 18:00 uur kreeg de politie de melding te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . Aldaar zou iemand zojuist mishandeld zijn. Vervolgens heeft [aangeefster] aangifte gedaan van mishandeling door de verdachte.

De verdachte is om 19:10 uur aangehouden op verdenking van mishandeling zoals strafbaar gesteld in artikel 300 Wetboek van Strafrecht (Sr).

Uit het proces-verbaal gebruik middelen bij geweldsdelicten van 6 januari 2024 (p. 27 dossier) volgt dat door de desbetreffende verbalisant werd waargenomen dat bij de verdachte sprake was van rood doorlopende ogen en dat hij rook naar het inwendig gebruik van alcohol. Hierop werd bij de verdachte om 19:30 uur een onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van middelen, te weten een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht of een onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het gebruik van alcohol overeenkomstig artikel 55d van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De verdachte wenste niet mee te werken aan dit onderzoek, ook niet nadat hem de medewerking werd bevolen door een hulpofficier van justitie.

De verdachte kan echter niet, door elke medewerking te weigeren, ontkomen aan strafbaarheid op dit punt. Op grond van artikel 55e, eerste lid Sv kan een opsporingsambtenaar - ook als (op zichzelf in strijd met richtlijnen) een voorlopig onderzoek naar uitgeademde lucht niet heeft plaatsgevonden - een verdachte bevelen toch medewerking te verlenen aan een (nader) onderzoek van uitgeademde lucht, indien het vermoeden dat hij alcohol heeft gebruikt op andere wijze ten aanzien van hem is ontstaan. Uit hiervoor genoemd proces-verbaal gebruik middelen bij geweldsdelicten volgt dat bij de verdachte rood doorlopende ogen werden waargenomen en dat hij rook naar het inwendig gebruik van alcohol, op grond waarvan het vermoeden was ontstaan dat de verdachte alcohol had gebruikt. De verdachte is vervolgens overeenkomstig artikel 55e, eerste lid Sv om 19:31 uur bevolen zijn medewerking te verlenen aan een (nader) onderzoek van uitgeademde lucht. Hierbij is de verdachte meegedeeld dat een weigering van dit onderzoek strafbaar is gesteld in artikel 184 Sr. De verdachte heeft eveneens geweigerd aan dit onderzoek mee te werken.

Het hof stelt op grond hiervan vast dat de verdachte op de juiste wijze en gronden is bevolen mee te werken aan een nader onderzoek van de uitgeademde lucht. De verdachte heeft hieraan geen medewerking verleend en heeft zich derhalve schuldig gemaakt het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55e lid 1 Sv.

De door de verdediging gevoerde verweren maken het voorgaande niet anders. Uit de hiervoor geschetste tijdslijn volgt dat de verdachte wel degelijk zo snel mogelijk na het constateren van het geweld is bevolen zijn medewerking te verlenen aan zowel het voorlopige als het nadere onderzoek ex artikel 55d lid 1 jo 55e lid 1 Sv. Voorts doet het door de raadsman geschetste scenario dat de verdachte mogelijk eerst na de ruzie met aangeefster alcohol zou hebben gebruikt - hetgeen overigens niet door de verdachte zelf is verklaard - , niet af aan het gegeven dat de verdachte heeft geweigerd aan genoemd onderzoek mee te werken. Het verweer wordt verworpen.”

De op de terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2024 overgelegde pleitnotitie houdt voor zover relevant het volgende in:

“7. Ik verzoek u cliënt van dit feit vrij te spreken. Uit de aangifte blijkt niet dat cliënt ten tijde van het voorval onder invloed was van verdovende middelen. De aangeefster verklaart weliswaar dat cliënt elke dag bier drinkt en wiet rookt, maar zij zegt niet dat hij op het bewuste moment onder invloed was.

8. Daar komt bij dat cliënt, tussen het moment dat de ruzie ophield en het moment dat hij zich op het bureau meldt, niet meer in beeld was. Het zou dus heel goed kunnen dat hij in de tussentijd alcohol heeft gedronken. Aangeefster heeft verklaard dat zij op 6 januari 2024 omstreeks 17.50 uur ruzie kreeg met cliënt (p. 6). Cliënt is hierna niet meer in beeld. Rond 18.03 uur krijgt de politie een melding van mishandeling en rond 18.07 uur komt de politie aan bij de woning van aangeefster (p. 14). Omstreeks 18:45 uur komt aangeefster met de politie aan op het politiebureau voor het doen van aangifte (p. 14) en pas rond 19.08 uur horen de verbalisanten dat cliënt bij de balie van het politiebureau staat.

9. Client wordt dan ingesloten en in het proces-verbaal wordt op p. 27 gerelateerd dat de verbalisant vermoedde dat cliënt onder invloed was van verdovende middelen die tot gewelddadig gedrag kunnen leiden. Hoe de verbalisant tot dat vermoeden is gekomen, volgt niet uit het dossier. In elk geval kan worden vastgesteld dat dit vermoeden niet kan kloppen.

10. Tussen het moment dat de politie een melding krijgt en het moment dat cliënt zich op het politiebureau meldt zit ruim een uur tijd. Als gezegd, niet kan worden uitgesloten dat cliënt in de tussentijd alcohol heeft gedronken en/of heeft geblowd. Gelet hierop en gelet op het gegeven dat het dossier geen aanknopingspunten biedt dat cliënt ten tijde van de ruzie met aangeefster onder invloed was, kan niet worden gesproken van aanwijzingen dat cliënt het ten laste gelegde heeft gepleegd onder invloed van verdovende middelen.

11. Bij middelenonderzoek is het uitgangspunt dat het onderzoek zo snel mogelijk na het constateren van geweld wordt uitgevoerd. De bovengrens aan het tijdsverloop bij zo’n onderzoek wordt gesteld door de eis dat onderzocht wordt of de verdachte het feit onder invloed heeft gepleegd (en dus niet: of de aangehouden verdachte onder invloed is). Aan cliënt had dus het bevel niet mogen worden gegeven.”

Juridisch kader

De relevante bepalingen luiden als volgt:

- Artikel 184 lid 1 Sr

“1. Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”

- Artikel 55d leden 1, 2 en 4 Sv

“1. De opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 141, onder a tot en met c, kunnen in het belang van het onderzoek bevelen dat een aangehouden verdachte van een geweldsmisdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen of een aangehouden verdachte van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 307, eerste lid, en 308, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, medewerking verleent aan:

a. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht of een onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het gebruik van alcohol;

b. een onderzoek van speeksel of een onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het gebruik van andere middelen als bedoeld in het vierde lid dan alcohol.

2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen gegeven indien uit aanwijzingen blijkt dat de verdachte het geweldsmisdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder invloed van alcohol of andere middelen als bedoeld in het vierde lid heeft gepleegd.

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden de andere middelen dan alcohol aangewezen die tot gewelddadig gedrag kunnen leiden en de grenswaarden voor die middelen en alcohol vastgesteld. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de uitvoering van de onderzoeken, bedoeld in het eerste lid.

- Artikel 55e lid 1 Sv

“1. Indien op grond van een onderzoek als bedoeld in artikel 55d, eerste lid, onder a, ten aanzien van de verdachte bij wie dat onderzoek is uitgevoerd, het vermoeden bestaat dat hij alcohol heeft gebruikt boven de grenswaarde, bedoeld in artikel 55d, vierde lid, of op andere wijze dat vermoeden ten aanzien van hem is ontstaan, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen medewerking te verlenen aan een nader onderzoek van uitgeademde lucht.”

Art. 55d en art. 55e Sv zijn ingevoegd bij de invoering van de Wet van 28 september 2016, houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het terugdringen van geweld onder invloed van middelen. Deze wet had tot doel om de aanpak van geweld onder invloed van alcohol of drugs te verbeteren en voorzag hiertoe in een wettelijke basis voor de inzet van middelentesten bij geweldsdelicten. De wetgever heeft willen bevorderen dat middelengebruik bij een geweldsmisdrijf als afzonderlijke (strafverzwarende) factor bij de sanctieoplegging wordt betrokken.

Art. 55d Sv voorziet in een voorlopig onderzoek. Om vast te stellen dat de verdachte alcohol heeft gebruikt, kan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht of een onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties worden verricht. Een bevel tot medewerking aan dit voorlopige onderzoek wordt op grond van het tweede lid alleen gegeven indien er aanwijzingen zijn dat de verdachte het geweldsmisdrijf onder invloed van alcohol of andere middelen (zie lid 4) heeft gepleegd. Art. 55e Sv voorziet in twee vormen van nader onderzoek, namelijk een nader ademonderzoek (lid 1) of een bloedonderzoek. Het bevel tot medewerking aan een nader ademonderzoek (art. 55e lid 1 Sv) wordt gegeven als op grond van het voorlopige onderzoek het vermoeden bestaat dat de verdachte alcohol heeft gebruikt boven de grenswaarde of als dat vermoeden op andere wijze ten aanzien van hem is ontstaan.

Het wetsvoorstel waarbij werd voorzien in de inzet van middelentesten hield initieel in dat de voorlopige middelentest kon worden ingezet als een opsporingsambtenaar een vermoeden heeft dat de aangehouden verdachte het geweldsmisdrijf onder invloed van drank of drugs heeft gepleegd en dat het vervolgonderzoek kon worden ingezet als het voorlopige onderzoek aanwijzingen van middelengebruik had opgeleverd.Bij nota van wijziging is het wetsvoorstel op dit punt aangepast, omdat voor aanwijzingen minder redengevende omstandigheden zijn vereist dan voor een vermoeden. Voor het uitvoeren van een voorlopig onderzoek als bedoeld in art. 55d Sv zijn aanwijzingen van alcohol- of drugsgebruik voldoende; het onderzoek als bedoeld in art. 55e Sv kan pas volgen als er een vermoeden van dergelijk gebruik (boven de grenswaarde) is ontstaan.

Bij de nota van wijziging is ook toegevoegd dat het voor het vervolgonderzoek vereiste vermoeden van middelengebruik niet alleen kan ontstaan op grond van het eerste alcohol- of drugsonderzoek, maar tevens ‘op andere wijze’. De minister specificeert daarbij dat een dergelijk vermoeden ook kan worden verkregen op basis van de constatering dat de adem van de verdachte naar alcohol ruikt en hij een of meer uiterlijke kenmerken vertoont die wijzen op alcoholgebruik, bijvoorbeeld bloeddoorlopen ogen.

Het voorlopige onderzoek kan aldus worden bevolen ten aanzien van verdachten van geweldsmisdrijven van wie aanwijzingen bestaan dat zij ten tijde van het misdrijf onder invloed van alcohol of drugs waren. Het in art. 55e lid 1 Sv bedoelde onderzoek noodzaakt een vermoeden van alcoholgebruik boven de grenswaarde. Het ligt om die reden voor de hand dat de onderzoeken zo snel mogelijk worden uitgevoerd nadat het geweld is geconstateerd. Het is voor een bevel tot het voorlopige onderzoek blijkens de memorie van toelichting echter niet vereist dat de verdachte op heterdaad is aangehouden: naarmate er meer tijd verstrijkt tussen het delict en de aanhouding is het eventuele middelengebruik weliswaar moeilijker vast te stellen, maar ook in situaties waarin de verdachte buiten heterdaad wordt aangehouden kunnen er aanwijzingen bestaan dat het geweldsdelict onder invloed van alcohol en/of drugs is gepleegd. Aangezien het nadere onderzoek doorgaans na een voorlopig onderzoek zal plaatsvinden, ligt het in de rede dat daarvoor evenmin vereist is dat sprake is van een aanhouding op heterdaad. Dat niet vereist is dat het nadere onderzoek direct na het geweldsmisdrijf plaatsvindt, blijkt ook uit de omstandigheid dat de wetgever voor ogen heeft gehad dat het nadere onderzoek naar het middelengebruik in de regel zal plaatsvinden op een politiebureau.

Een verdachte is verplicht om zijn medewerking aan de middelentesten te verlenen en weigering is strafbaar op grond van art. 184 Sr.Bij een vervolging voor het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering ‘krachtens wettelijk voorschrift gedaan’ in de zin van artikel 184 Sr moet de rechter onderzoeken of het in de tenlastelegging bedoelde wettelijk voorschrift verbindend is en of het bevel rechtmatig is gegeven.

De beoordeling van het middel

De eerste deelklacht steunt op de opvatting dat voor een rechtsgeldig bevel tot medewerking aan een (nader) onderzoek in de zin van art. 55e lid 1 Sv is vereist dat er aanwijzingen bestaan dat de verdachte het geweldsmisdrijf onder invloed van alcohol heeft gepleegd. Uit het voorgaande blijkt dat en waarom die opvatting onjuist is Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat voor een bevel op grond van art. 55e lid 1 Sv een vermoeden moet bestaan dat de verdachte alcohol boven de grenswaarde heeft gebruikt.

De eerste deelklacht faalt.

De tweede deelklacht houdt in dat het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat aan de verdachte in dit geval (gelet op het tijdsverloop) geen bevel als bedoeld in art. 55e lid 1 Sv had mogen worden gegeven.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat het bevel tot medewerking aan het middelenonderzoek niet had mogen worden gegeven. Daartoe is kort gezegd aangevoerd dat er ruim een uur tijd zit tussen het onder 1 tenlastegelegde geweldsmisdrijf en het bevel dat de verdachte op het politiebureau heeft gekregen. Niet kan worden uitgesloten dat de verdachte in de tussentijd alcohol heeft gedronken, terwijl het dossier verder geen aanknopingspunten biedt dat hij ten tijde van de ruzie met aangeefster onder invloed was, zodat niet kan worden gesproken van aanwijzingen (ik begrijp: een vermoeden) dat de verdachte het tenlastegelegde onder invloed heeft gepleegd.

Het aangevoerde kan niet anders worden opgevat dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan het hof is voorgelegd.Het hof heeft het onder 2 tenlastegelegde – in afwijking van het standpunt van de verdediging – bewezenverklaard en heeft daarmee geoordeeld dat het bevel “krachtens een wettelijk voorschrift” (en dus in overeenstemming met een op dat voorschrift berustende bevoegdheid) is gegeven. Aan dit oordeel heeft het hof blijkens zijn bewijsoverwegingen het volgende ten grondslag gelegd.

Het hof heeft vastgesteld dat de politie op 6 januari 2024 omstreeks 18.00 een melding kreeg dat op het adres [a-straat 1] iemand zou zijn mishandeld. Om 19.10 is de verdachte aangehouden op verdenking van mishandeling van aangeefster. Om 19.30 is overeenkomstig art. 55d Sv een voorlopig middelenonderzoek ingesteld, maar de verdachte wenste niet mee te werken aan dit onderzoek. Om 19.31 is de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een nader onderzoek als bedoeld in art. 55e lid 1 Sv.

Naar het oordeel van het hof is de verdachte “op juiste wijze en gronden” bevolen mee te werken aan een nader onderzoek van uitgeademde lucht als bedoeld in art. 55e Sv. Het hof heeft ter zake overwogen dat ten aanzien van de verdachte (ondanks zijn weigering om mee te werken aan het voorlopige onderzoek) op andere wijze een vermoeden is ontstaan dat hij alcohol had gebruikt. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een verbalisant bij de verdachte heeft waargenomen dat sprake was van “rood doorlopende ogen” en dat hij “rook naar het inwendig gebruik van alcohol”. Verder heeft het hof overwogen dat uit de geschetste tijdlijn volgt dat de verdachte wel degelijk zo snel mogelijk na het constateren van het geweld is bevolen zijn medewerking te verlenen aan zowel het voorlopige als het nadere onderzoek. Ook heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zelf niet heeft verklaard dat hij eerst na de ruzie met aangeefster alcohol zou hebben gebruikt. Het hof heeft zodoende voldaan aan zijn verplichting tot gemotiveerde weerlegging van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.

Voor zover in het middel ook wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van het oordeel dat sprake is van een rechtmatig gegeven bevel op grond van art. 55e lid 1 Sv, herhaal ik dat het vereiste vermoeden ook ‘op andere wijze’ kan ontstaan, bijvoorbeeld op basis van de constatering dat de adem van de verdachte naar alcohol ruikt en hij een of meer uiterlijke kenmerken vertoont die wijzen op alcoholgebruik, zoals bloeddoorlopen ogen. Nu in de onderhavige zaak blijkens de bewijsvoering van het hof door een verbalisant is geconstateerd dat de verdachte “rood doorlopende ogen had en rook naar het inwendig gebruik van alcohol”, acht ik het geenszins onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat hieraan het vermoeden kon worden ontleend dat de verdachte alcohol boven de grenswaarde als bedoeld in art. 55d lid 4 Sv had gebruikt, zodat het bevel tot nader onderzoek rechtmatig is gegeven. Dat dit bevel anderhalf uur na de politiemelding van de mishandeling is gegeven, doet aan het voorgaande niet af.

De tweede deelklacht faalt.

Het middel faalt.

4. Het derde middel

Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Het cassatieberoep is ingesteld op 28 november 2024. Het procesdossier is op 8 september 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van 8 maanden met ruim een maand is overschreden, terwijl een voortvarende behandeling in cassatie die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren niet meer mogelijk is. Dit dient te leiden tot strafvermindering.

Het middel slaagt.

5. Slotsom

De eerste twee middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand