PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01641
Zitting 25 augustus 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 24 april 2025 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-000732-24) wegens – kort gezegd – twee verkrachtingen en een poging tot aanranding veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen over de vorderingen van de drie benadeelde partijen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat P.B.A. Acda heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
2. De bewezenverklaring en de bewijsvoering
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. hij op 31 augustus 2010 te [plaats] door bedreiging met geweld en andere feitelijkheden [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1994), heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , is/hebbende verdachte
- de dijen en borsten en de buik van die [slachtoffer 1] betast en/of aangeraakt, en
- die [slachtoffer 1] gedwongen in haar borsten te knijpen, en
- aan de buik en borsten en de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt, en
- die [slachtoffer 1] gedwongen haar schaamlippen uit elkaar te duwen en aan te raken en met haar vinger in haar vagina te gaan, en
- met zijn, verdachtes, vingers (meermalen) in de vagina en/of in de anus van die [slachtoffer 1] gegaan en met die vingers in haar vagina heen en weer bewogen, en
- meermalen geprobeerd met zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] te gaan, en
- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en (vervolgens) met zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] heen en weer bewogen, en
- zich laten aftrekken en zich laten pijpen door die [slachtoffer 1] ,
bestaande die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte – die [slachtoffer 1] is gevolgd naar de kelderbox van haar woning gelegen aan [a-straat] , en
- in die kelderbox aan die [slachtoffer 1] meermalen een mes heeft getoond en voorgehouden, en
- de benen van die [slachtoffer 1] uit elkaar heeft geduwd, en
- het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft beetgepakt, en
- aan die [slachtoffer 1] heeft gezegd: “als je meewerkt, doe ik je geen pijn” en “ik wil je zien, kleed je uit” en “dit is nooit gebeurd, tegen niemand zeggen” en/of “ik weet waar je woont”, en (aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
2. hij op 20 september 2010 te [plaats] door bedreiging met geweld en andere feitelijkheden [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 1997) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte
- zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2] gebracht, en
- de vagina en de schaamlippen van die [slachtoffer 2] betast, en
- in de borsten van die [slachtoffer 2] geknepen en deze betast, bestaande die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte
- die [slachtoffer 2] naar de kelderbox behorende bij haar woning gelegen aan de [b-straat] is gevolgd, en
- zich bij die kelderbox aan die [slachtoffer 2] heeft opgedrongen om een fietspomp te lenen, en
- een mes ter hoogte van de schouder aan die [slachtoffer 2] heeft voorgehouden en getoond, en
- die [slachtoffer 2] heeft geduwd en (daarbij) aan die [slachtoffer 2] heeft gezegd: “Ga maar even de kelder in” en “Gewoon even luisteren” en “Als je gewoon rustig blijft dan doe ik niks” en “Als je iets aan iemand vertelt dan weet ik waar je woont”, en
- aldus die [slachtoffer 2] heeft gedwongen die kelderbox in te gaan, en
- de deur van die kelderbox heeft gesloten, en
- die [slachtoffer 2] heeft gedwongen zich (deels) te ontkleden, en
- tegen de benen van die [slachtoffer 2] heeft getikt, waarbij hij, verdachte, tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: “Doe je benen maar wat verder uit elkaar”, en
- aldus voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
3. hij op 20 september 2010 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door feitelijkheden [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 1994) te dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen,
- die [slachtoffer 3] achterna is gefietst, en
- die [slachtoffer 3] is gevolgd naar de kelderbox van haar woning gelegen aan de [c-straat] , en
- bij die kelderbox zich aan die [slachtoffer 3] heeft opgedrongen (met de smoes) om een fietspomp te lenen en hem, verdachte, te helpen met zijn, verdachtes, fiets, en
- in de nauwe doorgang van de kelderbox contact met die [slachtoffer 3] bleef zoeken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
Deze bewezenverklaring steunt op 21 bewijsmiddelen die zijn opgenomen in een bijlage bij het arrest. Nu het hof in zijn hierna te citeren bewijsoverwegingen zeer uitgebreid en gedetailleerd heeft gemotiveerd waarom het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof kan worden bewezen, zal ik deze bewijsmiddelen niet integraal citeren.
Het arrest van het hof bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“I. Inleiding
De verdachte wordt – samengevat – beschuldigd van verkrachting van twee minderjarige meisjes (feiten 1 en 2 primair) en poging tot aanranding van een ander minderjarig meisje (feit 3).
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig het overgelegde schriftelijk requisitoir – op het standpunt gesteld dat de verdachte ter zake van het onder 1, onder 2 primair en onder 3 tenlastegelegde veroordeeld dient te worden.
Standpunt verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - op gronden als nader omschreven in zijn overgelegde pleitnota - op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van alle tenlastegelegde feiten. Hiertoe heeft hij - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat in de zaken Kelderbox 1 en Kelderbox 2 het enige objectieve bewijs gevormd zou kunnen worden door de resultaten van het DNA-onderzoek. De verdediging stelt echter dat de uitkomsten van het DNA-onderzoek onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen bezigen. Hiertoe stelt de verdediging dat onschuldige overdracht van de DNA-sporen kan hebben plaatsgevonden en dat gelet op het tijdsverloop het voor de verdachte een ondoenlijke opgave is om - na 15 jaar - een verklaring te geven voor de aanwezigheid van zijn DNA bij [slachtoffer 1] (hierna: slachtoffer 1) en [slachtoffer 2] (hierna: slachtoffer 2). Voorts stelt de verdediging dat er onduidelijkheid bestaat over de wijze van bemonstering, mede omdat een deugdelijke verslaglegging en routering naar de SIN-nummers ontbreekt. Dit maakt in de visie van de verdediging dat er dusdanige twijfel en onduidelijkheden rondom de uitkomsten van het DNA-onderzoek bestaan, dat dit onderzoek niet voor het bewijs gebezigd kan worden. Subsidiair is aangevoerd dat er geen sprake is van verkrachting, omdat het ‘binnendringen’ niet bewezenverklaard kan worden. Ten aanzien van de zaak Kelderbox 3 stelt de verdediging zich op het standpunt dat enig objectief (forensisch) bewijs ontbreekt. Bovendien kunnen de door [slachtoffer 3] (hierna: slachtoffer 3) beschreven handelingen niet leiden tot de vaststelling dat er sprake is geweest van een poging tot aanranding, aldus de verdediging. Zo is er geen gebruik gemaakt van een mes en zijn geen uitspraken gedaan waaruit een seksueel motief is gebleken. Naar de uiterlijke verschijningsvorm zijn de handelingen niet als poging tot aanranding te kwalificeren.
II. Bewijsoverweging Kelderbox 1
Feiten en omstandigheden
Slachtoffer 1 heeft verklaard dat zij op 31 augustus 2010 rond 16:10 uur door een onbekende man is gevolgd naar de kelderbox van de flat waar zij woonde aan [a-straat] in [plaats] . Zij was toen 15 jaar oud. Toen zij haar fiets in de kelderbox van haar woning wilde zetten, stond de man achter haar en dwong hij haar onder bedreiging van een mes de kelderbox in. De man hield het mes ongeveer op borsthoogte. De man zei: “Als je meewerkt, doe ik je geen pijn”. Hierop ging slachtoffer 1 de kelderbox in en kwam de man achter haar aan. In de kelderbox moest zij zich van de man helemaal uitkleden en zich betasten. Ze moest haar schaamlippen uit elkaar doen, met haar hand over haar clitoris en haar vagina wrijven en haar borsten kneden. De man heeft vervolgens diverse seksuele handelingen bij slachtoffer 1 verricht. De man heeft met zijn handen aan de borsten en tepels van slachtoffer 1 gevoeld, is met zijn vingers in haar vagina en met zijn mond/tong over haar vagina, borsten en buik gegaan. Daarna heeft hij zijn vinger in haar vagina gedaan, slachtoffer 1 moest na een tijdje op haar rug gaan liggen. De man trok het slachtoffer aan haar benen naar voren in zijn richting. Hierbij is slachtoffer 1 met haar rug over de vloer gegaan. Hij is toen weer met zijn vingers in haar vagina gegaan. Hij probeerde zijn penis in haar vagina te duwen. Zij moest zich vervolgens voorover buigen en de man heeft toen wederom geprobeerd zijn penis in haar vagina te doen. Slachtoffer 1 werd eveneens gedwongen om de penis van de man af te trekken en zijn penis in haar mond te doen. Hij heeft op enig moment ook zijn vinger in haar anus gestoken. Achteraf zei de man: “Als je vader of moeder komt, dan heb ik geholpen met je band oppompen” en “Dit is nooit gebeurd, je zegt het tegen niemand en ik weet waar je woont”.
Nadat slachtoffer 1 is thuisgekomen, heeft zij direct haar moeder (rond 16.30 uur) en de partner van haar moeder (rond 16.38 uur) gebeld. Beiden hebben verklaard dat slachtoffer 1 erg overstuur was en dat zij vertelde dat zij kort daarvoor was aangerand door een man met een mes. Voordat namens slachtoffer 1 aangifte is gedaan, zijn twee verbalisanten naar haar woning gegaan. Aldaar aangekomen zagen de verbalisanten slachtoffer 1 huilend op de bank zitten en toen ze haar verhaal deed was zij zichtbaar geëmotioneerd. Dit was omstreeks 16:58 uur en dus vlak nadat de seksuele handelingen hadden plaatsgevonden.
Diezelfde dag is slachtoffer 1 aan haar lichaam onderzocht. Op haar rechterschouderblad werd toen een lichte schaafplek waargenomen. Verder zijn door een arts bemonsteringen aan en in het lichaam genomen. Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is DNA- onderzoek gedaan naar deze bemonsteringen. In de bemonsteringen van de linker- en de rechterborst (ZAAA6923NL#09 en ZAAA6923NL#11) is een DNA-profiel van een onbekende man A aangetroffen. Uit de bemonstering van ZAAA6923NL#11 is een autosomaal DNA-profiel verkregen. In vijf andere bemonsteringen van onder meer de ingang van de schede en de buitenzijde van de schede (ZAAA6923NL#01, ZAAA6923NL#04 en ZAAA6923NL#05) zijn DNA- kenmerken van dezelfde onbekende man A aangetroffen.
Slachtoffer 1 heeft verklaard dat het ging om een blanke man van tussen de 40 en 45 jaar oud met kort haar, een pet en een bril met rechthoekige glazen. Hij had een zachte, een beetje hoge stem. Naar aanleiding van het opgegeven signalement is een compositiefoto gemaakt.
Betrouwbaarheid verklaringen slachtoffer en steunbewijs
Door de verdediging is inzake de betrouwbaarheid van de verklaring van slachtoffer 1 geen verweer gevoerd. Het hof heeft evenmin reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring die slachtoffer 1 heeft afgelegd. Slachtoffer 1 heeft consistent en gedetailleerd verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, ook direct nadat het gebeurde had plaatsgevonden.
Het hof is dan ook van oordeel dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van slachtoffer 1, zodat die verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt.
Steunbewijs
Het hof stelt daarnaast vast dat de verklaring van slachtoffer 1 in voldoende mate worden ondersteund door overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Dit steunbewijs bestaat in de eerste plaats uit de eigen waarnemingen van de moeder van slachtoffer 1, diens partner en de verbalisanten. Zij hebben slachtoffer 1 vlak na het tenlastegelegde overstuur en geëmotioneerd aangetroffen. Ook getuige [getuige 1] heeft omstreeks 16:30 uur een meisje huilend voorbij zien lopen bij de kelderboxen. De verbalisanten ter plaatse viel het op dat slachtoffer 1 haar sokken binnenste buiten aan had. Naast de waargenomen emoties bij slachtoffer 1 en de wijze waarop ze haar kleren aan had, is er een schaafplek op haar rechterschouder aangetroffen, hetgeen past bij de verklaring van slachtoffer 1 dat zij door de man over de grond van de kelderbox is getrokken. Daar komt ten slotte bij dat er DNA van een onbekende man is aangetroffen op de plekken waarvan slachtoffer 1 heeft verklaard dat ze daar door de man is aangeraakt.
Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat de verklaringen van slachtoffer 1 voldoende worden ondersteund door de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.
Wie is de verdachte?
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wie de onbekende man is geweest die op 31 augustus 2010 slachtoffer 1 naar de kelderbox gevolgd en aldaar de door slachtoffer 1 beschreven (seksuele) handelingen heeft verricht.
Tips en overeenkomende persoonlijkheidskenmerken
In 2010 en de jaren daarna is uitvoerig onderzoek gedaan naar de dader, maar daarbij is er geen zicht op een mogelijke verdachte gekomen. In 2020 is het onderzoek overgedragen aan de afdeling Cold Case van de eenheid Rotterdam. De afdeling Cold Case heeft een zogenaamd hologram van de dader gemaakt, dat is getoond in het televisieprogramma Opsporing Verzocht en in winkelcentra in [plaats] en [plaats] . Het hologram is onder meer tot stand gekomen met behulp van het opgegeven signalement en de eerder gemaakte compositiefoto’s die zijn gemaakt op basis van de verklaringen van slachtoffer 1 en van het hierna te bespreken slachtoffer 3. Eind 2021 is een tip binnengekomen van een voormalig collega van de verdachte – [betrokkene 1] – die verklaarde de verdachte van het hologram te herkennen. Vervolgens is aan de verdachte door de politie een zogenaamde 5+-score toegekend vanwege zijn passende leeftijd, woonplaats en het gegeven dat hij kalend was, een bril had en regelmatig een pet droeg. De verdachte is hierop benaderd voor een vrijwillige DNA-afname. Ook andere mannen aan wie voornoemde score was toegekend (112 in totaal) zijn daarvoor benaderd.
DNA-onderzoek
De verdachte heeft vervolgens DNA-materiaal afgestaan. Door het NFI zijn de DNA-profielen van de mannen die vrijwillig DNA hadden afgestaan vergeleken met het eerder verkregen autosomale DNA-profiel van de onbekende man uit de zaak Kelderbox 1. Uit zowel het oorspronkelijke DNA- onderzoek als uit het aanvullende DNA-onderzoek is gebleken dat het DNA-profiel van de verdachte overeen kwam met het autosomale DNA-profiel ZAAA6923NL#11 van de onbekende man A uit de zaak Kelderbox 1. Na aanvullend onderzoek bleek dat het DNA van de verdachte ook overeenkwam met de aangetroffen DNA-sporen van de onbekende man A uit de andere zes bemonsteringen in de zaak Kelderbox 1 (ZAAA6923NL#01, ZAAA6923NL#04, ZAAA6923NL#05, ZAAA6923NL#08, ZAAA6923NL#09 en ZAAA6923NL#10). Voor al deze resultaten geldt dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer 1 en de verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer 1 en een willekeurige onbekende persoon.
Het hof stelt voorop dat behoedzaamheid moet worden betracht bij het gebruik van de resultaten van het DNA-onderzoek als bewijs. Ook met inachtneming van deze te betrachten behoedzaamheid concludeert het hof, gelet op de bewijskracht van voornoemde resultaten van het DNA-onderzoek en met in achtneming van de steun voor deze resultaten in de overige bewijsmiddelen, dat de verdachte de donor is van de zojuist benoemde DNA-sporen.
Van onregelmatigheden in het DNA-onderzoek, zoals door de raadsman is aangevoerd, is het hof niet gebleken. Niet is komen vast te staan dat bij de afname van de bemonsteringen onzorgvuldig is gehandeld en dat daarbij de toen geldende protocollen niet zijn gevolgd. Evenmin is gebleken dat het feit dat de (waarschijnlijk later geproduceerde) zedenkit van het eerdere strafbare feit een hoger SIN-nummer heeft dan de zedenkit van het latere strafbare feit, van betekenis is voor de procedure die is gevolgd noch voor de bemonsteringen en de resultaten van het onderzoek. Het hof heeft ook naar aanleiding van hetgeen door de raadsman is aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de vermelde locaties van de bemonsteringen en de betrouwbaarheid van de resultaten van het DNA-onderzoek. Ook overigens ziet het hof geen aanknopingspunt voor de, door de raadsman, overigens niet concreet onderbouwde, veronderstelling dat zich tijdens het DNA-onderzoek onregelmatigheden zouden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid van de resultaten van dit onderzoek raken.
Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat niet is gebleken dat bij het DNA-onderzoek op enigerlei wijze is gehandeld in strijd met het belang van waarheidsvinding of een ander te respecteren (verdediging)belang, zodat naar het oordeel van het hof geen sprake is van enig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
Conclusie met betrekking tot daderschap
Gelet op bovenstaande bevindingen, in het bijzonder gelet op het door slachtoffer 1 opgegeven signalement, de daaruit volgende compositiefoto, de herkenning door [betrokkene 1] en de DNA-match, concludeert het hof dat de verdachte de dader in de zaak Kelderbox 1 is geweest.
Juridische kwalificatie
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de seksuele handelingen gekwalificeerd kunnen worden als verkrachting. Nu het hof de verklaring van slachtoffer 1 betrouwbaar acht en deze voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, gaat het hof voor het bewijs van dit feit uit van haar verklaring.
Door slachtoffer 1 is verklaard dat de verdachte onder meer met zijn vinger in haar vagina en anus is geweest. Deze handelingen kunnen volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gekwalificeerd worden als seksueel binnendringen van het lichaam. De verklaring van slachtoffer 1 vindt onder meer steun in het aangetroffen DNA van de verdachte bij de ingang van de vagina van het slachtoffer. Het hof is dan ook van oordeel dat er sprake is geweest van ‘binnendringen’.
Algehele conclusie met betrekking tot feit 1
Het hof is alles afwegende van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van slachtoffer 1. Het onder feit 1 tenlastegelegde acht het hof ook in zoverre wettig en overtuigend bewezen.
III. Bewijsoverweging Kelderbox 2
Feiten en omstandigheden
Slachtoffer 2 heeft verklaard dat zij op 20 september 2010 rond 14:30 uur door een onbekende man is gevolgd naar de kelderbox van haar woning aan de [b-straat] te [plaats] . Zij was toen 13 jaar oud. De man vroeg haar om een fietspomp. Slachtoffer 2 heeft toen uit haar kelderbox een fietspomp aan de man gegeven. Toen slachtoffer 2, nadat ze de pomp weer terugkreeg, de deur van de kelderbox wilde afsluiten, kwam de man naar haar toe met een mes. Hij hield het mesje achter haar ter hoogte van haar bh-bandje. Onder dreiging van het mes moest slachtoffer 2 de kelderbox in van de man. Hij zei: “Als je gewoon rustig blijft, dan doe ik je niks”. Vervolgens zei de man tegen slachtoffer 2 dat ze haar kleren uit moest doen. De man pakte de bh van slachtoffer 2 en klapte de bh-cup naar beneden. De man voelde aan en kneep met zijn handen in de borsten van het slachtoffer. Vervolgens moest slachtoffer 2 haar broek en onderbroek laten zakken. De man heeft vervolgens met zijn vingers tussen de schaamlippen van slachtoffer 2 gevoeld. De man stopte met zijn handelingen waarna slachtoffer 2 zich kon aankleden. De man pakte opnieuw het mes, klapte het open en zei: “Als je iets aan iemand vertelt, dan weet ik waar je woont”.
De moeder van slachtoffer 2 heeft verklaard dat slachtoffer 2 rond 14:45 uur huilend binnenkwam en vertelde dat er beneden een man was die aan haar had gezeten en haar met een mes had bedreigd. De huismeester, M. [slachtoffer 3] , heeft verklaard dat hij slachtoffer 2 die middag had gezien in de kelderbox en dat er een man bij haar in de buurt stond die met een fietspomp bezig was. De man had volgens [slachtoffer 3] een irritant stemmetje (“te beleefd/homoachtig”).
Slachtoffer 2 is diezelfde dag op sporen onderzocht. Door het NFI is DNA-onderzoek gedaan en hierbij zijn diverse bemonsteringen veiliggesteld. In de bemonstering ZAAA6921NL#02 (net voor de ingang van de vagina) is een (onvolledig) Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen.
Betrouwbaarheid verklaringen slachtoffer en steunbewijs
Door de verdediging is inzake de betrouwbaarheid van de verklaring van slachtoffer 2 geen verweer gevoerd. Het hof ziet evenmin reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring die slachtoffer 2 heeft afgelegd. Het slachtoffer heeft gedetailleerd verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, ook direct nadat het gebeurde had plaatsgevonden en deze verklaring komt authentiek op het hof over.
Het hof is dan ook van oordeel dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van slachtoffer 2, zodat die verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt.
Het hof stelt voorts vast dat de verklaring van het slachtoffer in voldoende mate wordt ondersteund door overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Dit steunbewijs bestaat in de eerste plaats uit de eigen waarneming van de moeder van slachtoffer 2. Zij heeft haar dochter ongeveer 15 minuten na het gebeurde huilend aangetroffen. De verklaring van de huismeester, dat hij een man met een fietspomp in de kelderbox in de nabijheid van slachtoffer 2 heeft gezien, kan eveneens als steunbewijs dienen. Daar komt ten slotte bij dat er DNA van (minimaal) één onbekende man is aangetroffen net voor de ingang van de vagina van slachtoffer 2, een plek waar zij verklaard heeft te zijn aangeraakt door de onbekende man.
Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat de verklaringen van slachtoffer 2 voldoende worden ondersteund door overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.
Wie is de verdachte?
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wie de onbekende man is geweest die op 20 september 2010 slachtoffer 2 naar de kelderbox is gevolgd en aldaar de door slachtoffer 2 beschreven (seksuele) handelingen heeft verricht en of dit dezelfde man betreft als de man in de zaak Kelderbox 1.
Signalement
Door slachtoffer 2 is een signalement van de dader opgegeven. Het ging om een blanke man, tussen de 35 en 40 jaar oud. Hij had een bril op met een rechthoekig en stevig montuur en droeg een petje. Het slachtoffer gaf tevens op dat de man kort grijs haar had en mogelijk een beetje kalend was en een vreemde spraak had. De man droeg een blauw/grijs vest en een blauwe spijkerbroek.
Ook slachtoffer 1 heeft een signalement van de dader opgegeven. Het ging volgens haar om een blanke man, tussen de 40 en 45 jaar oud. Hij droeg een petje, een spijkerbroek, een blauw vest, en een bril met donkere rechthoekige glazen en hij had een zachte, beetje hoge stem. De man had volgens slachtoffer 1 kort gemillimeterd haar.
Het hof stelt vast dat het door slachtoffer 2 opgegeven signalement in grote lijnen overeenkomt met het signalement dat slachtoffer 1 heeft opgegeven, zoals de huidskleur, de leeftijd, de pet en de bril. Dat het door beide slachtoffers opgegeven signalement niet op alle punten overeenkomt, doet hieraan niet af, nu de opgegeven signalementen op die punten niet dusdanig afwijkend zijn en op specifieke onderdelen juist opvallende gelijkenissen vertonen.
Werkwijze dader
Uit het dossier volgt dat de dader in de zaken Kelderbox 1 en Kelderbox 2 op dezelfde wijze te werk is gegaan. De dader heeft de slachtoffers benaderd terwijl zij op de fiets vanuit school naar huis reden. Beide slachtoffers waren tussen de 12 en 16 jaar oud. Hierna is hij hen naar binnen gevolgd naar de kelderbox van de flat waar zij woonden, waarna hij hen onder bedreiging van een mes in de kelderbox heeft gedwongen. Aan slachtoffer 2 heeft hij gevraagd naar een fietspomp. Tegen slachtoffer 1 heeft hij gezegd: “Als je vader of moeder komt, dan heb ik geholpen met je band oppompen”. De dader heeft verder tegen de meisjes gezegd dat zij moesten meewerken, want dan zou hij hen niets aandoen. Hij heeft beide slachtoffers gevraagd zelf eerst hun kleding uit te doen en heeft hen vervolgens in de eerste plaats aangeraakt, waarna verdergaande seksuele gedragingen zijn gevolgd. Ook heeft hij naderhand tegen beide slachtoffers gezegd dat ze tegen niemand mochten vertellen wat er zojuist was gebeurd, omdat hij wist waar ze woonden. Bovendien hebben beide gebeurtenissen plaatsgevonden rond dezelfde periode en de flatgebouwen van beide slachtoffers waren niet ver van elkaar verwijderd. Er is naar het oordeel van het hof derhalve sprake van dezelfde modus operandi.
DNA-onderzoek
Uit het verrichte DNA-onderzoek in de zaak Kelderbox 2 is een Y-chromosomaal DNA-profiel ZAAA6921NL#02 (bemonstering net voor de ingang van de vagina van slachtoffer 2) aangetroffen. Gelet op de verklaring van slachtoffer 2 dat de dader haar rondom haar vagina heeft aangeraakt, concludeert het hof dat hier sprake is van een daderspoor. Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek volgt dat de bewijskracht van 100-10.000 betekent dat de kans 100-10.000 keer hoger is als de bemonstering wel DNA van verdachte [verdachte] (of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte [verdachte] verwante man) bevat, dan wanneer de bemonstering geen DNA van de verdachte [verdachte] bevat. De bewijskracht van de uitkomst van dit onderzoek is daarmee minder sterk dan de bewijskracht van de uitkomst van het DNA-onderzoek uit de zaak Kelderbox 1, maar is zeker niet onbeduidend.
Mede op basis van hetgeen reeds hierboven over het signalement en de werkwijze van de dader uiteen is gezet, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de zaken Kelderbox 1 en Kelderbox 2 duiden op één en dezelfde dader. Dit zou betekenen dat de dader in de zaak Kelderbox 1 ook de donor is van het Y-chromosomale DNA-profiel in de zaak Kelderbox 2 (ZAAA6921NL#02). Dit is in lijn met de bevindingen van het NFI namelijk dat het onvolledige Y-chromosomale DNA-profiel in de zaak Kelderbox 2 (ZAAA6921NL#2) overeenkomt met het aangetroffen Y-chromosomale DNA-profiel (ZAAA6923NL#11) in de zaak Kelderbox 1. Onder deze omstandigheden is het zodanig onwaarschijnlijk dat een andere in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man de dader in de zaak Kelderbox 2 zou zijn, zoals door de raadsman naar voren is gebracht, dat het hof aan die mogelijkheid voorbij gaat. Dat er nog enkele zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar zijn die duiden op de aanwezigheid van een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van een onbekende man op de BH van het slachtoffer doet aan voorgaande conclusie niet af, reeds omdat het dossier enkel aanknopingspunten biedt voor één dader.
Nu het hof reeds in paragraaf 2.4.3. heeft geconcludeerd dat de verdachte de dader moet zijn geweest in de zaak Kelderbox 1 en gelet op alle uiteen gezette feiten en omstandigheden heeft het hof geen aanleiding te veronderstellen dat iemand anders dan de verdachte de donor is van het DNA-profiel ZAAA6921NL#02. Het hof komt derhalve tot de conclusie dat de verdachte ook in de zaak Kelderbox 2 de dader is.
Voorwaardelijk verzoek verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan om, in geval het hof een koppeling maakt tussen het aangetroffen Y-chromosomale DNA-profiel uit de zaak Kelderbox 2 met het Y-chromosomale DNA-profiel én daarmee samenhangend het autosomale DNA-profiel uit zaak Kelderbox 1, een deskundige op dit gebied te horen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat een onterechte koppeling van de resultaten het DNA-onderzoek in de zaak Kelderbox 1 en Kelderbox 2 ertoe leidt dat de bewijswaarde van het Y- chromosomale DNA-profiel in zaak Kelderbox 2 wordt overgewaardeerd.
Omdat het hof de bewijskracht van het Y-chromosomale DNA profiel in de zaak Kelderbox 2 niet enkel koppelt aan de bewijskracht van het Y-chromosomale en het autosomale DNA-profiel uit de zaak Kelderbox 1, zoals het hof hierboven uiteen heeft gezet, komt het hof niet toe aan dit voorwaardelijk verzoek van de verdediging.
Juridische kwalificatie
Ten aanzien van de vraag of de seksuele handelingen gekwalificeerd kunnen worden als verkrachting, overweegt het hof als volgt. Nu het hof, zoals in het voorgaande reeds uiteengezet, de verklaring van slachtoffer 2 betrouwbaar acht en deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, gaat het hof voor het bewijs van dit feit uit van haar verklaring.
Door slachtoffer 2 is verklaard dat de verdachte met zijn vinger tussen haar schaamlippen heeft gevoeld. Deze handelingen kunnen als ‘seksueel binnendringen’ worden aangemerkt (onder andere HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2012:BZ3627).
Conclusie
Het hof is alles afwegende van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van slachtoffer 2. Het onder feit 2 primair tenlastegelegde acht het hof ook in zoverre wettig en overtuigend bewezen.
IV. Bewijsoverweging Kelderbox 3
Feiten en omstandigheden
Slachtoffer 3 heeft op 21 september 2010 bij de politie verklaard dat zij op 20 september 2010 rond 15:45 uur, op de fiets uit school, een onbekende man tegenkwam. Zij was toen 15 jaar oud. De man fietste achter haar aan. Toen het slachtoffer bij de ingang van het flatgebouw kwam waar zij woonde aan de [c-straat] te [plaats] , merkte zij dat de man achter haar aan kwam. Zij kende hem niet en toen zij naar binnen ging, kwam de man achter haar aan. Zij heeft vervolgens de deur voor hem open gehouden, omdat ze ervan uitging dat hij ook een bewoner was. Via de deur kwam het slachtoffer bij een kelderboxgang. In deze gang zaten deuren die weer toegang verschaften tot ruimtes met een aantal kelderboxen. De sleutel van de ingang van het flatgebouw was dezelfde als die van de deur die toegang geeft tot de kelderboxruimte en de kelderbox. Toen zij de deur wilde openen van de ruimte waaraan een aantal kelderboxen, waaronder de kelderbox van haar woning, zijn gelegen en zij haar fiets in de kelderbox behorende bij haar woning had geplaatst, kwam, nog net voordat zij de deur van de kelderbox dicht had gedaan, de man op haar af en vroeg of zij een fietspomp had. Zij wist dat zij er een had, maar wilde die niet uitlenen. De man kwam vervolgens naar haar toe, keek om de hoek van haar kelderboxdeur, zag toen een pomp en vroeg ernaar. Slachtoffer 3 gaf de pomp en de man pompte de voorband van zijn fiets op. Slachtoffer 3 voelde dat er iets niet klopte. Ze vond het raar dat de man helemaal was meegegaan om een pomp te vragen. Ze kende de man niet en vond de man opdringerig omdat hij meerdere keren om een pomp vroeg en in haar kelderboxruimte naar een pomp kwam zoeken. Toen de man de pomp terug had gezet, sloot slachtoffer 3 de kelderboxdeur met haar sleutel. Ze zijn toen beiden naar de kelderboxgang gegaan. Slachtoffer 3 wilde langs de man heen, maar hij bleef staan en probeerde het gesprek op gang te houden. Slachtoffer 3 is hem toch gepasseerd. Het voelde niet goed en vertrouwd en zij wilde daar weg. Ze wilde langs hem gaan maar de man vroeg aan haar of zij hem wilde helpen om zijn fiets in zijn kelderbox te zetten omdat zijn band aanliep. Zij vond dat heel erg vreemd omdat zij de buren kent en deze niet zijn verhuisd. De man kon daarom volgens haar helemaal geen sleutel van de kelderbox hebben. Zij vond het ook raar dat hij haar vroeg hem mee te helpen vanwege het feit dat zijn band aanliep, want dat zou hij toch echt wel zelf kunnen doen. Zij vroeg hem toen of hij zijn stuur vast wilde pakken en hoopte dat hij zich dan om zou draaien. Het slachtoffer deed net alsof zij dan de achterkant van de fiets zou pakken. Toen de man zich had omgedraaid is zij er heel snel vandoor gegaan. Het slachtoffer is vervolgens via de lift naar haar woning gegaan en gelijk haar huis binnen gegaan. Zij was in paniek en deed alle deuren in huis op slot en de gordijnen dicht. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij moest huilen omdat zij er erg van geschrokken was. De man heeft niet aan haar gezeten, maar zij denkt dat de man haar had willen aanranden. Hij was opdringerig en hield haar lang aan de praat. Slachtoffer 3 denkt dat de man haar in de kelderbox wilde krijgen. Als signalement heeft slachtoffer 3 onder meer aangegeven dat de man blank was, 185 cm lang, 40-45 jaar oud en bril dragend. Hij had geen baard of een snor. Hij had kort donkerblond iets langer dan gemillimeterd haar op zijn hoofd, zijn hoofd was niet helemaal bedekt met haar en hij had aan de voorzijde een paar inhammen. De man sprak met een stem als Miss Piggy van de Muppetshow; een beetje een lage vrouwenstem, er was iets bijzonders met zijn stem maar het slachtoffer vond dit moeilijk uit te leggen.
Betrouwbaarheid verklaring slachtoffer
Door de verdediging is inzake de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer geen verweer gevoerd. Het hof ziet evenmin reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de, gedetailleerde, verklaring die aangeefster heeft afgelegd, welke verklaring op het hof authentiek is over gekomen.
De verklaring van slachtoffer 3 kan naar het oordeel van het hof dan ook voor het bewijs worden gebruikt.
Steunbewijs
Voor de vraag of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van slachtoffer 3 overweegt het hof als volgt.
Volgens artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op elk onderdeel daarvan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval.
Het hof stelt voorop dat het bij zedenzaken – waarin het vaak, net als in deze zaak, enkel de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van een aangeefster betreft – veelal aankomt op de vraag in hoeverre de door de aangeefster verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Naar vaste rechtspraak hoeft het steunbewijs echter geen betrekking te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Het is derhalve voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Wanneer modus operandi van tenlastegelegde feiten overeenkomt, kan schakelbewijs voldoende steunbewijs opleveren. Daarbij kan tevens van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheiden feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen. Als steunbewijs in essentie bestaat uit schakelbewijs, betekent dat dat de in verband met artikel 342 Sv vereiste steun wordt ontleend aan een bewijsmiddel waaruit blijkt dat de verdachte een ander, soortgelijk feit heeft begaan.
Het hof stelt vast dat hetgeen slachtoffer 3 heeft verklaard in hoge mate overeenkomt met hetgeen zowel slachtoffer 1 als slachtoffer 2 hebben verklaard. Naast hetgeen hiervoor onder 3.3.2. is overwogen over de werkwijze van de dader, overweegt het hof in dit licht dat alle drie de slachtoffers jonge meisjes waren van een overeenkomende leeftijd die overdag zijn gevolgd door een man op een fiets met een overeenkomend uiterlijk, postuur en leeftijd en een opvallende stem, steeds tot in de kelderbox van het flatgebouw van waar zij woonden. In alle drie de zaken wordt bovendien gesproken over het oppompen van de fietsbanden van de man. Zo wordt in de zaak Kelderbox 1, nadat de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden, gezegd dat slachtoffer 1 desgevraagd aan haar ouders moet zeggen dat zij de man heeft geholpen met het oppompen van een band. In de zaken Kelderbox 2 en Kelderbox 3 worden de beide slachtoffer benaderd met de vraag of zij een fietspomp hebben. De drie gebeurtenissen vonden in minder dan een maand plaats binnen een straal van 3,5 kilometer. Voor de zaken Kelderbox 2 en Kelderbox 3 heeft zelfs te gelden dat deze twee gebeurtenissen dezelfde middag plaatsvonden, nog geen anderhalf uur na elkaar, op een (volgens Google maps) afstand van 900 meter, drie minuten fietsafstand van elkaar.
De omstandigheid dat slachtoffer 1 en 2 in betrouwbaar geachte verklaringen spreken over een op essentiële onderdelen identieke situatie als waarover slachtoffer 3 verklaart, kan naar het oordeel van het hof dan ook tot geen andere conclusie leiden dat dat deze verklaringen elkaar over en weer niet alleen in feitelijke, maar ook in bewijstechnische zin ondersteunen.
De hoge mate van overeenstemming in de wijze waarop de slachtoffers door de dader zijn benaderd, (waaronder het per fiets achtervolgen tot in een kelderbox en de wijze van aanspreken van de slachtoffers) maken naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden dan ook dat de verklaringen van slachtoffer 1 en 2 steunbewijs opleveren voor de door slachtoffer 3 in haar verklaring gegeven gedragingen.
Tussenconclusie
Op basis van de inhoud van de inzake Kelderbox 1 en Kelderbox 2 gebezigde bewijsmiddelen en de verklaring van slachtoffer 3, in onderling verband bezien, komt het hof dan ook tot de conclusie dat de verdachte ook in de zaak Kelderbox 3 de dader is geweest.
Juridische kwalificatie
Aan de verdachte wordt verweten dat de feitelijke gedragingen die door slachtoffer 3 zijn beschreven en aldus tenlastegelegd een poging tot aanranding opleveren.
Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven. Uit de rechtspraak kan wel worden afgeleid dat een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht het vastgestelde (samenstel van) gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf ligt, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop zijn gericht. Daarbij kan de aard van het misdrijf van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. In dit licht vindt de opvatting dat van een begin van uitvoering bij een zedendelict pas sprake kan zijn bij een eerste lichamelijk contact of fysieke aanraking, geen steun vindt in het recht.
Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft geen fysiek contact gehad met slachtoffer 3. Wel heeft slachtoffer 3 beschreven dat de situatie niet goed voelde en dat zij zich door (het samenstel van) de gedragingen van de (naar bleek) verdachte genoodzaakt voelde te vluchten, dat zij dacht dat de verdachte haar wilde aanranden en dat zij daardoor, nadien (hevig) geëmotioneerd was. Het hof stelt in dit verband vast dat gedragingen van de verdachte zich van alledaagse gedragingen onderscheiden. De verdachte is immers een hem onbekend meisje gevolgd tot in een flatgebouw waar hij niet woonachtig was, is met dit meisje meegegaan tot in een afzonderlijke ruimte bij haar kelderbox – die slechts te openen was met een daarvoor bestemde sleutel – en heeft haar vervolgens om hulp gevraagd bij (onder meer) het oppompen van zijn fietsband. Deze band had hij, blijkens de verklaring in de zaak Kelderbox 2, een dik uur eerder al opgepompt. Oftewel, er was sprake van een smoes van de zijde van de verdachte. Ten aanzien van deze niet alledaagse gedragingen stelt het hof vast dat vrijwel identieke gedragingen binnen een maand en voor wat betreft de zaak Kelderbox 2 zelfs diezelfde middag, direct vooraf gingen aan een aanranding en een daarop volgende verkrachting. Naar het oordeel van het hof leidt de korte opeenvolging van deze opvallende gedragingen op die specifieke plek tegen de achtergrond van hetgeen niet veel eerder onder overeenkomende omstandigheden was gebeurd, ertoe dat de uiterlijke verschijningsvorm van de in zaak Kelderbox 3 beschreven gedragingen waren gericht op de voltooiing van het door de verdachte voorgenomen misdrijf van (ten minste) een aanranding van slachtoffer 3.
De uitzonderlijke gedragingen van de verdachte op die plek, een kelderbox van een flat, in de nabijheid van een door hem achtervolgd tienermeisje, nadat hij nog geen anderhalf uur eerder maar ook nog geen maand eerder een tienermeisje onder volledig overeenkomstige omstandigheden naar een kelderbox had gevolgd en verkracht, maken naar het oordeel van het hof dan ook dat de tot dan toe verrichte gedragingen – het achter slachtoffer 3 aanfietsen, haar volgen tot de flat, meegaan tot in een afzonderlijke ruimte waar de kelderbox van haar woning was gesitueerd en het verzoeken om een fietspomp uit haar kelderbox en het (vervolgens) verzoeken hem te helpen met het verplaatsen van zijn fiets van de gang naar de genoemde kelderboxruimte (het blijven zoeken van contact) – onder de gegeven omstandigheden als een begin van uitvoering van een door hem voorgenomen aanranding zijn aan te merken. Een voorgenomen misdrijf dat onder de gegeven omstandigheden niet is voltooid omdat slachtoffer 3 snel weg is gevlucht toen zij daartoe de kans zag.
Conclusie
Het hof is alles afwegende van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot aanranding van slachtoffer 3. Het onder feit 3 tenlastegelegde acht het hof daarom wettig en overtuigend bewezen.”
3. Het eerste middel
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof “niet of niet volledig” heeft gerespondeerd op het standpunt van de verdediging dat zich een onzorgvuldigheid heeft voorgedaan bij de afname van de bemonsteringen uit de zedenset.
Het hof heeft het bedoelde standpunt van de verdediging in zijn arrest als volgt samengevat:
“De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep […] op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van alle tenlastegelegde feiten. Hiertoe heeft hij – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat in de zaken Kelderbox 1 en Kelderbox 2 het enige objectieve bewijs gevormd zou kunnen worden door de resultaten van het DNA-onderzoek. De verdediging stelt echter dat de uitkomsten van het DNA-onderzoek onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen bezigen. Hiertoe stelt de verdediging dat onschuldige overdracht van de DNA-sporen kan hebben plaatsgevonden en dat gelet op het tijdsverloop het voor de verdachte een ondoenlijke opgave is om - na 15 jaar - een verklaring te geven voor de aanwezigheid van zijn DNA bij [slachtoffer 1] (hierna: slachtoffer 1) en [slachtoffer 2] (hierna: slachtoffer 2). Voorts stelt de verdediging dat er onduidelijkheid bestaat over de wijze van bemonstering, mede omdat een deugdelijke verslaglegging en routering naar de SIN-nummers ontbreekt. Dit maakt in de visie van de verdediging dat er dusdanige twijfel en onduidelijkheden rondom de uitkomsten van het DNA-onderzoek bestaan, dat dit onderzoek niet voor het bewijs gebezigd kan worden.
De hiervoor geciteerde bewijsoverwegingen van het hof bevatten de volgende passage:
“Van onregelmatigheden in het DNA-onderzoek, zoals door de raadsman is aangevoerd, is het hof niet gebleken. Niet is komen vast te staan dat bij de afname van de bemonsteringen onzorgvuldig is gehandeld en dat daarbij de toen geldende protocollen niet zijn gevolgd. Evenmin is gebleken dat het feit dat de (waarschijnlijk later geproduceerde) zedenkit van het eerdere strafbare feit een hoger SIN-nummer heeft dan de zedenkit van het latere strafbare feit, van betekenis is voor de procedure die is gevolgd noch voor de bemonsteringen en de resultaten van het onderzoek. Het hof heeft ook naar aanleiding van hetgeen door de raadsman is aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de vermelde locaties van de bemonsteringen en de betrouwbaarheid van de resultaten van het DNA-onderzoek. Ook overigens ziet het hof geen aanknopingspunt voor de, door de raadsman, overigens niet concreet onderbouwde, veronderstelling dat zich tijdens het DNA-onderzoek onregelmatigheden zouden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid van de resultaten van dit onderzoek raken.
Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat niet is gebleken dat bij het DNA-onderzoek op enigerlei wijze is gehandeld in strijd met het belang van waarheidsvinding of een ander te respecteren (verdediging)belang, zodat naar het oordeel van het hof geen sprake is van enig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.”
Volgens de steller van het middel is door de verdediging in hoger beroep uitdrukkelijk en onderbouwd met argumenten aangevoerd dat en waarom het onderzoek van de GGD-arts en de resultaten van het DNA-onderzoek onbetrouwbaar zijn. Daarbij is verwezen naar de onjuiste volgorde die is gehanteerd en de onduidelijkheden ten aanzien van de sporen.
Voor zover wordt geklaagd dat het hof niet heeft gereageerd op dit standpunt, mist het middel feitelijke grondslag. Met de hiervoor onder 3.3 geciteerde passage heeft het hof voldaan aan de in art. 359 lid 2 Sv geregelde responsieplicht. In dit verband merk ik op dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard van het onderwerp en de mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen standpunt en dat daarbij in ieder geval geldt dat het hof niet is gehouden om op elk detail van de argumentatie van de verdediging in te gaan.
Blijkens het arrest heeft het hof het desbetreffende standpunt en de bijbehorende argumenten van de verdediging onder ogen gezien en geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat bij de afname van de bemonsteringen onzorgvuldig is gehandeld en dat daarbij de toen geldende protocollen niet zijn gevolgd. De steller van het middel is het kennelijk niet eens met deze conclusie van het hof, maar herhaalt in de toelichting op het middel slechts hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en legt verder niet uit op welke onderdelen en om welke reden de motivering van het hof onbegrijpelijk zou zijn. Een dergelijke klacht kan niet tot cassatie leiden. Ik merk daarbij volledigheidshalve op dat de verdediging in hoger beroep inderdaad heeft verwezen naar een onjuiste volgorde die zou zijn gehanteerd en de onduidelijkheden ten aanzien van de sporen, maar daarbij – zoals het hof in de hiervoor genoemde passage ook terecht constateert – niet is ingegaan op de vraag op welke wijze die onduidelijkheden of (vermeende) onjuiste volgorde de betrouwbaarheid van het daarop gevolgde DNA-onderzoek zou(den) hebben beïnvloed of zou(den) hebben kunnen beïnvloeden.
Ook voor zover de steller van het middel nog meent dat het hof “in het geheel niet” heeft gerespondeerd op het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 2 (Kelderbox 2), faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de onder 3.2 geciteerde samenvatting van het hof kan worden afgeleid dat de onder 3.3 geciteerde passage uit de bewijsoverwegingen van het hof zowel betrekking heeft op het verweer inzake Kelderbox 1 als het verweer in Kelderbox 2.
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
Het tweede middel klaagt dat het hof “niet of niet volledig” heeft gerespondeerd op het standpunt van de verdediging dat er onvoldoende bewijs is voor het seksueel binnendringen van het lichaam, zoals onder 1 en 2 primair is bewezenverklaard.
Ik herhaal volledigheidshalve het onderdeel van de bewijsoverwegingen dat ziet op het bewijs van dit bestanddeel:
“2.5. Juridische kwalificatie
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de seksuele handelingen gekwalificeerd kunnen worden als verkrachting. Nu het hof de verklaring van slachtoffer 1 betrouwbaar acht en deze voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, gaat het hof voor het bewijs van dit feit uit van haar verklaring.
Door slachtoffer 1 is verklaard dat de verdachte onder meer met zijn vinger in haar vagina en anus is geweest. Deze handelingen kunnen volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gekwalificeerd worden als seksueel binnendringen van het lichaam. De verklaring van slachtoffer 1 vindt onder meer steun in het aangetroffen DNA van de verdachte bij de ingang van de vagina van het slachtoffer. Het hof is dan ook van oordeel dat er sprake is geweest van ‘binnendringen’.
[…]
Juridische kwalificatie
Ten aanzien van de vraag of de seksuele handelingen gekwalificeerd kunnen worden als verkrachting, overweegt het hof als volgt.
Nu het hof, zoals in het voorgaande reeds uiteengezet, de verklaring van slachtoffer 2 betrouwbaar acht en deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, gaat het hof voor het bewijs van dit feit uit van haar verklaring. Door slachtoffer 2 is verklaard dat de verdachte met zijn vinger tussen haar schaamlippen heeft gevoeld. Deze handelingen kunnen als ‘seksueel binnendringen’ worden aangemerkt (onder andere HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2012:BZ3627).”
De steller van het middel voert aan dat in hoger beroep uitdrukkelijk en onderbouwd is aangevoerd “dat en waarom er onvoldoende objectief bewijs is ten aanzien van het bestanddeel binnendringen en de resultaten van het DNA-onderzoek hiervoor onvoldoende concludent zijn”.
De steller van het middel miskent dat het hof de bewezenverklaring van het seksueel binnendringen onder 1 en 2 primair niet heeft gebaseerd op DNA-onderzoek, maar op de – overigens door de verdediging niet betwiste – verklaringen van de slachtoffers. De afwijking van het door de steller van het middel bedoelde standpunt ligt aldus besloten in het arrest van het hof. Voor zover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat het bewijs van seksueel binnendringen slechts kan worden ontleend aan “objectief bewijs”, merk ik op dat die opvatting geen steun vindt in het recht.
Het middel faalt.
5. Het derde middel
Het derde middel klaagt dat het hof “niet of niet volledig” heeft gerespondeerd op het standpunt dat er onvoldoende steunbewijs is voor de betrokkenheid van de verdachte bij het onder 3 bewezenverklaarde omdat de modus operandi in deze zaak te generiek is.
De bewijsoverwegingen van het hof over het steunbewijs bij het onder 3 bewezenverklaarde houdt het volgende in:
“Voor de vraag of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van slachtoffer 3 overweegt het hof als volgt.
Volgens artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op elk onderdeel daarvan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval.
Het hof stelt voorop dat het bij zedenzaken – waarin het vaak, net als in deze zaak, enkel de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van een aangeefster betreft – veelal aankomt op de vraag in hoeverre de door de aangeefster verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Naar vaste rechtspraak hoeft het steunbewijs echter geen betrekking te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Het is derhalve voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Wanneer modus operandi van tenlastegelegde feiten overeenkomt, kan schakelbewijs voldoende steunbewijs opleveren. Daarbij kan tevens van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheiden feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen. Als steunbewijs in essentie bestaat uit schakelbewijs, betekent dat dat de in verband met artikel 342 Sv vereiste steun wordt ontleend aan een bewijsmiddel waaruit blijkt dat de verdachte een ander, soortgelijk feit heeft begaan.
Het hof stelt vast dat hetgeen slachtoffer 3 heeft verklaard in hoge mate overeenkomt met hetgeen zowel slachtoffer 1 als slachtoffer 2 hebben verklaard. Naast hetgeen hiervoor onder 3.3.2. is overwogen over de werkwijze van de dader, overweegt het hof in dit licht dat alle drie de slachtoffers jonge meisjes waren van een overeenkomende leeftijd die overdag zijn gevolgd door een man op een fiets met een overeenkomend uiterlijk, postuur en leeftijd en een opvallende stem, steeds tot in de kelderbox van het flatgebouw van waar zij woonden. In alle drie de zaken wordt bovendien gesproken over het oppompen van de fietsbanden van de man. Zo wordt in de zaak Kelderbox 1, nadat de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden, gezegd dat slachtoffer 1 desgevraagd aan haar ouders moet zeggen dat zij de man heeft geholpen met het oppompen van een band. In de zaken Kelderbox 2 en Kelderbox 3 worden de beide slachtoffer benaderd met de vraag of zij een fietspomp hebben. De drie gebeurtenissen vonden in minder dan een maand plaats binnen een straal van 3,5 kilometer. Voor de zaken Kelderbox 2 en Kelderbox 3 heeft zelfs te gelden dat deze twee gebeurtenissen dezelfde middag plaatsvonden, nog geen anderhalf uur na elkaar, op een (volgens Google maps) afstand van 900 meter, drie minuten fietsafstand van elkaar.
De omstandigheid dat slachtoffer 1 en 2 in betrouwbaar geachte verklaringen spreken over een op essentiële onderdelen identieke situatie als waarover slachtoffer 3 verklaart, kan naar het oordeel van het hof dan ook tot geen andere conclusie leiden dat dat deze verklaringen elkaar over en weer niet alleen in feitelijke, maar ook in bewijstechnische zin ondersteunen.
De hoge mate van overeenstemming in de wijze waarop de slachtoffers door de dader zijn benaderd, (waaronder het per fiets achtervolgen tot in een kelderbox en de wijze van aanspreken van de slachtoffers) maken naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden dan ook dat de verklaringen van slachtoffer 1 en 2 steunbewijs opleveren voor de door slachtoffer 3 in haar verklaring gegeven gedragingen.”
Volgens de steller van het middel heeft het hof “een onjuiste maatstaf toegepast ten aanzien van artikel 342 Sv” omdat het hof als steunbewijs gebruik heeft gemaakt van een modus operandi “die zodanig generiek is dat hieruit geen steunbewijs kan worden gehaald”.
Ik volg dat standpunt niet. Het hof heeft in de hierboven geciteerde passage gedetailleerd en gemotiveerd uiteengezet waarom de verklaring van ‘slachtoffer 3’ in hoge mate overeenkomt met hetgeen de slachtoffers in Kelderbox 1 en Kelderbox 2 hebben verklaard. Die motivering laat aan duidelijkheid mijns inziens niets te wensen over – ook niet als het gaat om de vraag wat er in dit geval telkens zo specifiek was aan de werkwijze van de dader. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de omstandigheid dat elk van de slachtoffers spreekt over een op essentiële onderdelen identieke situatie, maakt dat deze verklaringen de verklaring van het slachtoffer in Kelderbox 3 (ook) in bewijstechnische zin – als steunbewijs – ondersteunen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het hof is daarmee ook toereikend gemotiveerd afgeweken van het standpunt van de verdediging dat de door het hof genoemde modus operandi te generiek zou zijn om steunbewijs op te leveren.
Het middel faalt.
6. Het vierde middel
Het vierde middel bevat de klacht dat het hof “niet of niet volledig” heeft gerespondeerd op het standpunt van de verdediging dat er onvoldoende bewijs is voor een poging tot aanranding zoals tenlastegelegd onder 3.
Het hof is ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde uitgegaan van de feiten en omstandigheden die volgen uit de uitgebreide en gedetailleerde verklaring van het slachtoffer. Het hof zag zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze feiten en omstandigheden een poging tot aanranding opleveren. Het hof heeft – anders dan de rechtbank in eerste aanleg – geoordeeld dat dat het geval is. Ik herhaal het daarop betrekking hebbende onderdeel van de bewijsoverwegingen van het hof:
“Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven. Uit de rechtspraak kan wel worden afgeleid dat een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht het vastgestelde (samenstel van) gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf ligt, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop zijn gericht. Daarbij kan de aard van het misdrijf van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. In dit licht vindt de opvatting dat van een begin van uitvoering bij een zedendelict pas sprake kan zijn bij een eerste lichamelijk contact of fysieke aanraking, geen steun vindt in het recht.
Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft geen fysiek contact gehad met slachtoffer 3. Wel heeft slachtoffer 3 beschreven dat de situatie niet goed voelde en dat zij zich door (het samenstel van) de gedragingen van de (naar bleek) verdachte genoodzaakt voelde te vluchten, dat zij dacht dat de verdachte haar wilde aanranden en dat zij daardoor, nadien (hevig) geëmotioneerd was. Het hof stelt in dit verband vast dat gedragingen van de verdachte zich van alledaagse gedragingen onderscheiden. De verdachte is immers een hem onbekend meisje gevolgd tot in een flatgebouw waar hij niet woonachtig was, is met dit meisje meegegaan tot in een afzonderlijke ruimte bij haar kelderbox – die slechts te openen was met een daarvoor bestemde sleutel – en heeft haar vervolgens om hulp gevraagd bij (onder meer) het oppompen van zijn fietsband. Deze band had hij, blijkens de verklaring in de zaak Kelderbox 2, een dik uur eerder al opgepompt. Oftewel, er was sprake van een smoes van de zijde van de verdachte. Ten aanzien van deze niet alledaagse gedragingen stelt het hof vast dat vrijwel identieke gedragingen binnen een maand en voor wat betreft de zaak Kelderbox 2 zelfs diezelfde middag, direct vooraf gingen aan een aanranding en een daarop volgende verkrachting. Naar het oordeel van het hof leidt de korte opeenvolging van deze opvallende gedragingen op die specifieke plek tegen de achtergrond van hetgeen niet veel eerder onder overeenkomende omstandigheden was gebeurd, ertoe dat de uiterlijke verschijningsvorm van de in zaak Kelderbox 3 beschreven gedragingen waren gericht op de voltooiing van het door de verdachte voorgenomen misdrijf van (ten minste) een aanranding van slachtoffer 3.
De uitzonderlijke gedragingen van de verdachte op die plek, een kelderbox van een flat, in de nabijheid van een door hem achtervolgd tienermeisje, nadat hij nog geen anderhalf uur eerder maar ook nog geen maand eerder een tienermeisje onder volledig overeenkomstige omstandigheden naar een kelderbox had gevolgd en verkracht, maken naar het oordeel van het hof dan ook dat de tot dan toe verrichte gedragingen – het achter slachtoffer 3 aanfietsen, haar volgen tot de flat, meegaan tot in een afzonderlijke ruimte waar de kelderbox van haar woning was gesitueerd en het verzoeken om een fietspomp uit haar kelderbox en het (vervolgens) verzoeken hem te helpen met het verplaatsen van zijn fiets van de gang naar de genoemde kelderboxruimte (het blijven zoeken van contact) – onder de gegeven omstandigheden als een begin van uitvoering van een door hem voorgenomen aanranding zijn aan te merken. Een voorgenomen misdrijf dat onder de gegeven omstandigheden niet is voltooid omdat slachtoffer 3 snel weg is gevlucht toen zij daartoe de kans zag.”
De steller van het middel stelt in de toelichting op het middel voorop dat sprake is van een strafbare poging als de gedragingen van de verdachte kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Daarvan is sprake indien deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf.
Ik voeg daar nog aan toe dat – zoals het hof met juistheid heeft overwogen – de vraag of sprake is van zulke gedragingen zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar sterk afhangt van de concrete omstandigheden van het geval. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf liggen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte achter het voor hem onbekende slachtoffer is aangefietst en dat hij haar heeft gevolgd tot aan de flat waar zij woonde (en hij niet), dat hij is meegegaan tot in de afzonderlijke ruimte waar de kelderbox van haar woning was en dat hij haar aldaar vervolgens heeft verzocht om een fietspomp en tevens heeft verzocht om hem te helpen met het verplaatsen van zijn fiets naar de gang van de ruimte. Het hof heeft over deze gedragingen overwogen dat deze “niet alledaagse gedragingen” vrijwel identiek zijn aan de gedragingen van de verdachte ongeveer een maand eerder (in Kelderbox 1) en zelfs nog diezelfde middag (in Kelderbox 2) vertoonde en telkens de opmaat vormden voor een aanranding en een daaropvolgende verkrachting.
Dat het hof de “niet alledaagse gedragingen” (“uitzonderlijke gedragingen”) van de verdachte heeft bezien en beoordeeld tegen de achtergrond van de gang van zaken bij de twee bewezenverklaarde voltooide verkrachtingen, getuigt – anders dan de steller van het middel meent – mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting. Die gang van zaken in Kelderbox 1 en Kelderbox 2 heeft immers betekenis voor de vraag of de gedragingen van de verdachte als een begin in uitvoering kunnen worden aangemerkt, met name voor wat betreft de relevante vraag hoe dicht de vastgestelde gedragingen van de verdachte bij de voltooiing van het misdrijf lagen. In dat verband is van belang dat de twee bewezenverklaarde verkrachtingen ook hebben plaatsgevonden in een kelderbox van de flat waar de slachtoffers woonden en dat de onder 2 bewezenverklaarde verkrachting vrijwel direct is gevolgd op een vraag van de verdachte om hem te helpen met zijn fiets.
Tegen de achtergrond van de werkwijze van de verdachte in Kelderbox 1 en Kelderbox 2 acht ik in dit geval (de motivering van) het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op de voltooiing van het door de verdachte voorgenomen misdrijf van (ten minste) een aanranding, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De afwijking van het standpunt van de verdediging ligt daarin besloten.
Het middel faalt.
7. Slotsom
De middelen falen en de eerste drie middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Voor wat betreft het vierde middel merk ik op dat daarmee wordt geklaagd over de bewezenverklaring van een feit waarvoor de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, zodat afdoening van dat middel op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand ligt.
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie verloopt op 29 augustus 2026. Indien de Hoge Raad uitspraak doet voor 29 september 2026, kan worden volstaan met de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG