ECLI:NL:PHR:2026:804

ECLI:NL:PHR:2026:804

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 21-08-2026
Zaaknummer 24/04301
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Profijtontneming. Falend middel dat het hof in strijd met art. 359 lid 2 tweede volzin Sv zonder motivering is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat salariskosten die de betrokkene aan zichzelf heeft uitgekeerd als kosten moeten worden afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 lid 1 RO).

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04301 P

Zitting 8 september 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de betrokkene

1. Inleiding

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 15 november 2024 (parketnr. 23-003102-22) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 360.750,76 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 355.000,-. Verder heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. I.R. Rigter, advocaat in Amsterdam , heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

De betrokkene in deze ontnemingsprocedure is in de onderliggende strafzaak veroordeeld wegens − onder meer – oplichting en verduistering (beide) meermalen gepleegd. In de ontnemingszaak heeft het hof de vermogensvermeerdering door de gepleegde oplichtingen en verduisteringen tot uitgangspunt genomen bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat de salariskosten die de betrokkene aan zichzelf heeft uitgekeerd als kosten moeten worden afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In cassatie wordt geklaagd dat het hof in strijd met art. 359 lid 2 tweede volzin Sv zonder motivering is afgeweken van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.

Deze conclusie houdt in dat het middel faalt.

3. Het middel

Het middel bevat de klacht dat het hof in de bestreden uitspraak is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel het salaris van de betrokkene als directeur-grootaandeelhouder diende te worden afgetrokken als kosten, zonder tot uitdrukking te brengen dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, dan wel dat zij wel als zodanig kunnen geleden maar dat zij – al dan niet gedeeltelijk – voor rekening van de betrokkene dienen te blijven.

Relevante processtukken

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2024 heeft de raadsvrouw van de betrokkene het woord gevoerd aan de hand van haar schriftelijke pleitaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd. Deze pleitaantekeningen houden voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoot):

“29. Ook in [A] BV zijn kosten gemaakt die in rechtstreeks verband staan tot de strafbare

feiten waarvoor cliënt is veroordeeld. Met betrekking tot deze BV zijn de gemaakte kosten in de jaren 2016 en 2017 aan te merken als kosten die in rechtstreeks verband staan tot de strafbare feiten waarvoor cliënt veroordeeld is. Vanuit deze BV heeft cliënt zijn werkzaamheden voor beide projecten verricht en vanuit deze BV heeft hij zichzelf een (minimaal) DGA-salaris uitgekeerd. Dat salaris is verre van onredelijk hoog.

30. In de schriftelijke reactie heb ik met betrekking tot de kosten gemaakt door [A] al het

volgende opgenomen in de paragrafen 27 tot en met 31:

Kosten [A]

Voor wat betreft de kosten die in de jaren 2016 en 2017 zijn gemaakt door [A] BV heeft de rechtbank geoordeeld dat deze kosten deels aftrekbaar zijn. Nu de rechtbank geen bankafschriften heeft, gaat zij daarbij uit van de jaarrekeningen van [A] van 2016 en 2017. De in die jaarrekeningen opgevoerde bedrijfskosten worden als directe kosten aangemerkt en zijn door de rechtbank van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgetrokken. Zoals reeds uitgelegd heeft [A] zich vanaf 2016 enkel bezig gehouden met werkzaamheden met betrekking tot de beide [B] projecten. Ook voorafgaand aan de oprichting van [B] medio juni 2016 waren al wat voorbereidende werkzaamheden nodig. De kosten die in zowel 2016 als 2017 zijn gemaakt zien derhalve op de beide [B] projecten en de daarmee gemoeide werkzaamheden. Na de beslaglegging heeft [A] zich echter nog geruime tijd bezig gehouden met werkzaamheden ten behoeve van deze projecten. Vanuit die BV zijn immers de couponrentes uitbetaald aan de inleggers.

Buiten de rentelasten wordt nog één enkele in de jaarrekeningen opgevoerde kostenpost door de rechtbank in haar vonnis niet afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat betreft de daar gemaakte loonkosten, het salaris van cliënt.

Ook het salaris dat cliënt zichzelf heeft uitgekeerd betreft kosten die van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgetrokken moeten worden. Cliënt heeft zich voor beide projecten ingespannen en heeft flink wat werk verricht om gronden te zoeken die aangekocht konden worden, contacten met gemeenten gelegd en onderhouden om de mogelijkheden voor het op die bewuste gronden kunnen laten realiseren van zonneparken en inleggers te bewegen om gelden te storten.

Evenals zijn medewerkers van wie de loonkosten als aftrekbare kosten worden aangemerkt door de rechtbank. Die kosten behoren immers tot de “kosten die zijn gemaakt om investeerders te bewegen te investeren in een voldoende rechtstreeks verband staan met de gepleegde oplichtingen ne verduisteringen. Zonder deze uitgaven zouden er ook geen mensen zijn opgelicht en zou er ook geen geld te verduisteren zijn geweest.” Datzelfde geldt voor het salaris dat cliënt zichzelf (overigens geheel wettelijk verplicht) als directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft moeten uitkeren voor de door hem verrichte werkzaamheden. Ik heb hiervoor al uitgelegd welke feitelijke werkzaamheden door cliënt zijn verricht ten behoeve van het aantrekken van investeerders en het beheren van de gelden. Dat hij zichzelf vanuit een andere BV salaris heeft uitbetaald dan vanuit de BV waaruit hij zijn medewerkers betaalde is niet relevant.

In 2016 heeft cliënt vanuit [A] BV een DGA-salaris uitbetaald gekregen van € 39.297,-. Dat blijkt alleen al uit de jaarrekeningen die reeds deal uitmaken van het dossier.

In 2017 is aan cliënt vanuit [A] een DGA-salaris uitbetaald van € 45.000, . Ook dat blijkt uit de jaarrekeningen.”

31. Concluderend meent de verdediging dat de hoogte van het bedrag dat als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt als volgt berekend dient te worden:

Inleg: € 1.155.000,-

Aftrek:

- Kosten [B] : € 203.885,67

- Kosten [C] : € 153.513,19

- Kosten [A] : € 185.870,- +

- Totaal kosten: € 543.268.86

- Resterende gelden ( [betrokkene 1] /dubbeltelling): € 400.726,62+

- Totale aftrek: € 943.995,48-

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 211.004,52

32. In deze berekening wordt uitgegaan van de inlegde gelden en daarvan worden de door de 3 BV’s gemaakte kosten in de jaren 2016, 2017, 2018 en 2019 afgehaald. Daartoe wordt uitgegaan van de bedragen zoals in de jaarrekeningen genoemd omdat daar alle betaalde couponrentes in worden genoemd, de rentelasten zijn meegenomen, ook de noodzakelijk nog gemaakte kosten na de beslaglegging (hoewel zeer beperkt) en tevens het DGA-salaris wat cliënt zichzelf heeft uitgekeerd. In de jaren 2018 en 2019 betreft dat uiteraard enkel de couponrente die is uitbetaald, er was toen geen sprake meer van overige uitgaven. In 2017 is daarnaast van de rekening van [C] een factuur betaald van [D] ter hoogte van € 5.000,-, dat bedrag dient uiteraard niet meegenomen te worden in de af te trekken kosten.

33. Dit komt neer op het volgende overzichtje van de af te trekken bedragen per BV en per jaar, wat mijn collega [betrokkene 6] ook al gebruikte:

Kosten [B] BV:

2016

Bedrijfskosten € 50.435,-

Rentelasten € 2.337,-

Totaal 2016 € 52.772,-

2017

Bedrijfskosten € 78.269,-

Rentelasten € 19.451,-

Couponrente € 21.729,30

Totaal € 119.449,-

2018

Couponrente € 31.664,37

Totaal kosten [B] € 203.885,67

Kosten [C] BV

2016

Bedrijfskosten € 676,-

Rentelasten € 0,-

Totaal € 676,-

2017

Bedrijfskosten € 126.904,-

Kosten advo strafzaak - € 5.000,-

Rentelasten € 710,-

Totaal € 122.614,-

2018

Couponrente € 25.754,45

2019

Couponrente € 4.468,74

Totaal kosten [C] € 153.513,19

Kosten [A] BV

2016

Bedrijfskosten € 57.921,-

Rentelasten € 4.712,-

Totaal € 62.633,-

2017

Bedrijfskosten € 93.079,-

Rentelasten € 30.158,-

Totaal € 123.237,-

Totaal kosten [A] € 185.870,-

34. De beide [B] BV’s en ook [A] vanaf 2016 hebben zich volledig gericht op het laten slagen van de beide [B] projecten en het binnenhalen van gelden uit de markt. Daartoe is een volledig professioneel kantoor ingericht met medewerkers die zich bezig hielden met het benaderen van inleggers en het informeren van de inleggers aan de hand van het informatiememorandum. Dat informatiememorandum diende uiteraard ook opgesteld te worden waartoe juridisch advies is ingewonnen. Verder zijn er veel contacten geweest met de verschillende gemeentes in Nederland voor de mogelijkheden voor het kunnen verkrijgen van een omgevingsvergunning en de mogelijkheden op voor aankoop beschikbare gronden de bestemming ‘zonneparken’ te verkrijgen. Daarnaast diende een koper voor de grond gevonden te worden en daarmee overleg gevoerd te worden voor het daar door die partij te (laten) realiseren zonnepark. De beide [B] BV’s hebben nooit werkzaamheden verricht die geen betrekking hadden op de projecten en ook [A] BV heeft dat sinds 2016 niet gedaan. Alle gemaakte kosten betroffen derhalve de projecten waarvan u heeft bewezen verklaard dat sprake is geweest van oplichting dan wel verduistering.”

De bestreden uitspraak houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten):

“[…]

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt het oordeel van de rechtbank dat het gehele wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene wordt toegewezen, over te nemen. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat “andere feiten” niet als grondslag kunnen dienen voor het te ontnemen voordeel.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt dat de hoogte van het bedrag dat als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt als volgt berekend dient te worden:

Inleg: € 1.155.000,-

Aftrek:

- Kosten [B] : € 203.885,67

- Kosten [C] : € 153.513,19

- Kosten [A] : € 185.870,- +

- Totaal kosten: € 543.268.86

- Resterende gelden ( [betrokkene 1] /dubbeltelling): € 400.726,62+

Totale aftrek: € 943.995,48 -/-

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 211.004,52

De raadsvrouw verzoekt de betalingsverplichting op nihil te stellen, gelet op zijn draagkracht en subsidiair de betalingsverplichting te verminderen met € 15.000.00 namelijk € 196.004.52.

Oordeel van het hof

I Grondslag ontnemingsvordering

[…]

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 13 januari 2022 in de strafzaak veroordeeld ter zake van kort gezegd en voor zover van belang −:

- oplichting, meermalen gepleegd, tot afgifte van € 202.500,00 in de periode van 19 januari 2017

tot en met 8 februari 2017 en

- verduistering, meermalen gepleegd, van geldbedragen van in totaal € 477.500,00 in de periode

van 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2017.

toebehorende aan natuurlijke personen en rechtspersonen (inleggers in [B] BV en [C] BV).

Dit zijn misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, strafbaar gesteld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht respectievelijk artikel 321 Wetboek van Strafrecht.

I.I Toerekening aan de betrokkene

Uit het dossier en de stukken uit de ontnemingsprocedure komt naar voren dat als gevolg van de door betrokkene gepleegde oplichtingen en verduisteringen wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen. Dit voordeel is in eerste instantie binnengekomen op bankrekeningen van [B] BV en [C] BV. (hierna: [B] en [C] of gezamenlijk: de [E] -vennootschappen) waarna een deel hiervan is uitgegeven, is overgemaakt naar de bankrekening van [A] B.V. of bij de betrokkene terecht is gekomen. Het hof ziet aanleiding om het gehele wederrechtelijk verkregen voordeel dat door de betrokkene binnen de [E] -vennootschappen is behaald, aan de betrokkene toe te rekenen. Voor die toerekening is vereist dat het de betrokkene is geweest die daadwerkelijk het voordeel heeft genoten van de opbrengsten van de gepleegde oplichtingen en verduisteringen. Daarvan kan sprake zijn als de betrokkene (volledig of in belangrijke mate) zeggenschap had over de [E] -vennootschappen, over het vermogen van de [E] -vennootschappen kon beschikken en als het verkregen voordeel tot het voordeel van de betrokkene kon strekken.

Dat dit zo is, leidt het hof gelijk de rechtbank af uit de volgende omstandigheden. De betrokkene was (indirect) de enig bestuurder en enig aandeelhouder van [B] en [C] . De betrokkene heeft in zijn derde verhoor bij de FIOD verklaard dat hij de beschikking had over de bankrekeningen van de [E] -vennootschappen en dat hij de beschikking had over de (enige) bankpas van de bankrekeningen.

Verder is gebleken dat substantiële bedragen vanaf de bankrekeningen van de [E] -vennootschappen op de privérekening van de betrokkene terecht zijn gekomen of contant zijn opgenomen. Het hof heeft geen aanwijzingen dat één of meer anderen (ook) zeggenschap hadden over de [E] -vennootschappen of konden beschikken over de bankrekeningen van de [E] -vennootschappen.

Het hof acht voldoende aannemelijk dat deze misdrijven ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, nu de betrokkene (indirect) de enig bestuurder en aandeelhouder van [B] BV en [C] BV was.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

II.I Vermogensvermeerdering en resterende banktegoeden

Het hof gaat uit van totale vermogensvermeerdering van € 680.000.00, namelijk de bedragen zoals genoemd in de strafzaak van de betrokkene, in welke zaak hij voor oplichting (€ 202.500,00) en verduistering (€ 477.500,00) is veroordeeld.

Het hof vindt dat ten aanzien van de resterende banksaldi van [E] -vennootschappen niet gezegd kan worden dat deze, net als door het hof in de strafzaak in het tweede cumulatief van het onder 1 tenlastegelegde bewezenverklaarde, door de betrokkene verduisterd zijn. Immers, deze bedragen heeft de betrokkene, nadat zij door de beleggers naar de bankrekeningen van [B] en [C] waren overgemaakt, zich niet toegeëigend.

II.2 In mindering te brengen kosten

Het hof ziet aanleiding om kosten in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De kosten die voor aftrek in mindering komen, zijn de kosten die in rechtstreeks verband staan tot de voltooiing van de strafbare feiten en die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komen. Dit betekent dat de kosten die zijn gemaakt om investeerders te bewegen te investeren in een voldoende rechtsreeks verband moeten staan met de gepleegde oplichtingen en verduisteringen. Het gaat daarbij om uitgaven van [B] en [C] , voor zover die uitgaven in verband staan met het aantrekken en beheren van inleggelden.

Het hof baseert zich bij het bepalen van de in de aftrek te nemen kosten waar mogelijk op de kosten zoals die blijken uit de bankmutaties, aangezien dat in dit geval de beste manier is om te bepalen welke kosten daadwerkelijk zijn betaald en of de gedane uitgaven redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen.

Naast de salariskosten, facturen/kosten, vergoeding leaseauto, beheervergoeding en betalingen aan de Belastingdienst betreft dit de couponrente van de [E] -vennootschappen tot de inval en over 2018 en 2019 (voor zover van toepassing) en de daadwerkelijke gemaakte kosten voor de aankoop grond ten behoeve van [B] ( [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ) en [C] ( [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ).

Het hof ziet, gelijk eerder de rechtbank, geen aanleiding om rekening te houden met de door de verdediging opgevoerde rentelasten die in de jaarstukken van de [E] -vennootschappen zijn opgenomen.

Niet is gebleken dat in dat verband sprake is geweest van kosten die in rechtstreeks verband staan tot de (voltooiing van de) strafbare feiten en dat die daadwerkelijk zijn betaald aan anderen dan betrokkene of de [E] -vennootschappen.

Kosten [B]

Betaalde couponrente tot inval € 21.729,30

Betaalde couponrente 2018 € 31.664,37

Betaalde optiepremies/aankoop grond € 7.794,95

(7.500 [betrokkene 2] , 294.95 [betrokkene 3] )

Bankkosten en facturen € 24.763,41

(uit bankafschriften)

Beheersvergoeding inleg € 1.500,00

Salariskosten € 34.850,46

Loonbelasting € 28.077,00

Vergoeding leaseauto € 10.717,92 +

€ 161.097,41

Kosten [C]

Betaalde couponrente tot inval € 709,65

Betaalde couponrente 2018 € 25.754,45

Betaalde couponrente 2019 € 4.468,75

Loonbelasting juli 2018 € 12.556,00

Betaalde optiepremies/aankoop grond € 33.938,00

(8.000 [betrokkene 4] , 25.938 [betrokkene 5] )

Bankkosten en facturen € 25.352,63

(uit bankafschriften)

Beheersvergoeding inleg € 1.500,00

Salariskosten € 36.508,95

Salariskosten na 18 augustus 2017 € 8.541,40

Loonbelasting € 8.822,00

€ 158.151,83 +

Totale kosten (€ 161.097.41 + € 158.151.83 =) € 319.249,24

II.3 Verschil

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de volgende schatting van het wederechtelijk voordeel.

Oplichting (bewezenverklaring) € 202.500,00

Verduistering (bewezenverklaring) € 477.500,00 +

€ 680.000,00

Kosten € 319.249,24 -/-

Verschil (wederrechtelijk voordeel) € 360.750,76

Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt: € 360.750,76.

Bespreking van het middel

Voor de bespreking van het middel is het volgende van belang. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en, zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met dergelijke kosten. De rechter is in het algemeen niet verplicht om de beslissing daarover te motiveren. Dat is anders als namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de betreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden afgetrokken. Dan moet de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als dergelijke kosten kunnen gelden maar dat zij – al dan niet gedeeltelijk – voor rekening van de betrokkene moeten blijven.

Deze motiveringsplicht berust op art. 359 lid 2 tweede volzin Sv dat ingevolge art. 511e lid 1 Sv en art. 511g lid 2 Sv van overeenkomstige toepassing is op de behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Op grond van art. 359 lid 2 tweede volzin Sv moet de rechter wanneer hij afwijkt van een door de betrokkene uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in het bijzonder de redenen opgeven die daartoe hebben geleid. Er bestaat alleen een responsieplicht als sprake is van een standpunt dat “duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie” ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. De mate van motivering is afhankelijk van de inhoud en de indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op elk detail van de argumentatie moet worden ingegaan. De motivering kan ook besloten liggen in de gebezigde bewijsmiddelen.

De toelichting op het middel houdt in dat ter terechtzitting in hoger beroep gemotiveerd en met specificatie van de betreffende posten het verweer is gevoerd dat het salaris van de betrokkene als directeur-grootaandeelhouder van [A] BV (hierna: [A] ) bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgetrokken. De steller van het middel verwijst in dat verband naar de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota waarin kort samengevat naar voren is gebracht dat de inspanningen die de betrokkene heeft verricht en waarvoor het salaris is uitgekeerd vanuit [A] kosten zouden zijn die zijn gemaakt om investeerders te bewegen te investeren en daarom in een rechtstreeks verband staan met de gepleegde oplichtingen en verduisteringen via de [B] -vennootschappen, en daarom moeten worden afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In het bestreden arrest is het hof afgeweken van dit standpunt, terwijl een beargumenteerde weerlegging zou ontbreken nu het hof niet tot uitdrukking heeft gebracht dat het salaris van de betrokkene niet kan gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, dan wel dat zij als zodanig kunnen gelden maar dat zij voor rekening van de veroordeelde dienen te blijven.

In het bestreden arrest overweegt het hof onder het kopje “Toerekening aan de betrokkene” dat het voordeel in eerste instantie is binnengekomen op bankrekeningen van [B] en [C] , waarna een deel daarvan is uitgegeven, is overgemaakt naar de bankrekening van [A] of bij de betrokkene terecht is gekomen, dat het gehele voordeel dat binnen de [E] -vennootschappen is behaald aan de betrokkene kan worden toegerekend en dat hij daadwerkelijk het voordeel heeft genoten. Onder het kopje “II.2 In mindering te brengen kosten” overweegt het hof dat het aanleiding ziet om de kosten die in rechtstreeks verband staan tot de voltooiing van de strafbare feiten en die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komen in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel; in casu de kosten die zijn gemaakt om investeerders te bewegen en die in een voldoende rechtstreeks verband staan met de gepleegde oplichtingen en verduisteringen. Het hof specificeert dat het gaat om uitgaven van [B] en [C] , voor zover die uitgaven in verband staan met het aantrekken en beheren van inleggelden. Het hof vervolgt dat het zich bij het bepalen van de kosten baseert op kosten die blijken uit de bankmutaties en dat het dan gaat om salariskosten, facturen/kosten, vergoeding leaseauto, beheervergoeding, betalingen aan de Belastingdienst, de couponrente van de [E] -vennootschappen tot de inval en de daadwerkelijk gemaakte kosten voor de aankoop van de grond ten behoeve van [B] en [C] .

Het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebrachte standpunt dat strekt tot aftrek van de kosten van het salaris van de betrokkene als directeur-grootaandeelhouder van [A] , kan naar mijn inzicht bezwaarlijk anders worden opgevat dan een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. Het hof in is in zijn arrest van dit standpunt afgeweken door deze salariskosten niet van het wederrechtelijk verkregen voordeel af te trekken. Hoewel het aan een uitdrukkelijke weerlegging van het standpunt ontbreekt, ligt in de overwegingen van het hof besloten dat voormelde salariskosten gemaakt door [A] niet in directe relatie staan tot de gepleegde delicten. Het hof heeft immers overwogen: “De kosten die voor aftrek in mindering komen, zijn de kosten die in rechtstreeks verband staan tot de voltooiing van de strafbare feiten en die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komen”. Direct in aansluiting daarop heeft het hof benoemd welke kosten dat zijn. Daarbij worden niet de kosten van het salaris van de betrokkene als directeur-grootaandeelhouder van [A] vermeld.

Het door de verdediging aangevoerde doet ook geen afbreuk aan de toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering, nu slechts is aangevoerd dat de betrokkene zich voor “beide projecten [heeft] ingespannen” en “werk [heeft] verricht om gronden te zoeken die aangekocht konden worden”, contacten heeft gezocht en onderhouden met gemeenten en inleggers heeft bewogen om gelden te storten. Hoewel hieruit zou kunnen blijken dat de betrokkene werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de [B] -projecten is door de verdediging onvoldoende onderbouwd dat en waarom er een directe relatie is tussen de salariskosten en het aantrekken en beheren van inleggelden en volgt hieruit niet dat de salariskosten bespaard zouden zijn geweest als de oplichtingen en verduisteringen niet zouden zijn gepleegd. Overigens merk ik op dat het hof het standpunt niet anders dan kon verwerpen. Honorering van het standpunt – dat is gebaseerd op de veronderstelling dat het betaalde salaris in een rechtstreeks verband staat met de gepleegde oplichtingen en verduisteringen – zou immers in feite erop neerkomen dat betrokkene wederrechtelijk verkregen vermogen zou mogen houden voor zover hij dat maar onder de noemer van salaris naar zich toe heeft laten vloeien.

Het middel faalt.

4. Afronding

Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand