ECLI:NL:PHR:2026:805

ECLI:NL:PHR:2026:805

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer 26/00938
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie A-G. Herziening. Drievoudige moord in Scheveningse Bosjes en op de Brunssummerheide in 2019. Art. 289 Sr; art. 39 Sr (oud). Door de verdediging zijn drie gronden voor herziening voorgesteld die betrekking hebben op de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid van de aanvrager ten tijde van de bewezen verklaarde delicten. De eerste grond betreft het resultaat van de tuchtprocedure die is ingesteld tegen rapporteurs van een pro Justitia-rapportage die mede ten grondslag lag aan de veroordeling van de aanvrager. De tweede grond betreft een (aanvullend) deskundigenrapport. De derde grond ziet op een ongecensureerde afsluitbrief van de IGJ die is gericht aan de GGZ-instelling waar de aanvrager destijds verbleef. De door de verdediging gepresenteerde gronden voor herziening kunnen niet als nova worden aangemerkt. Conclusie strekt tot afwijzing van de herzieningsaanvraag.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/00938 H

Zitting 25 augustus 2026

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[aanvrager] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de aanvrager

1. Inleiding

Op 17 maart 2022 is de aanvrager van deze herziening door het gerechtshof ’sHertogenbosch voor het plegen van drie moorden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren. Daarnaast heeft het hof gelast dat de aanvrager ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Verder heeft het hof beslist op vorderingen van de benadeelde partijen en daarbij passende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Deze veroordeling (onder parketnummer 20001723-20) is sinds 17 oktober 2023 onherroepelijk. Op die dag heeft de Hoge Raad het tegen de uitspraak van het hof ingestelde cassatieberoep verworpen. Wel heeft de Hoge Raad wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM de door het hof opgelegde gevangenisstraf met twee maanden verminderd.

B.L.M. Ficq, advocaat in Amsterdam, (hierna aangeduid als “de verdediging”) heeft namens de aanvrager bij schriftuur van 18 maart 2026 een verzoek ingediend tot herziening van het arrest van 17 maart 2022. Op 21 augustus 2026, kort voor de conclusiedatum, heeft de verdediging nog stukken aan het herzieningsverzoek toegevoegd.

In de schriftuur onderscheidt de verdediging drie gronden voor herziening (‘nova’) als bedoeld in artikel 457 lid 1 sub c Sv.

De eerste grond betreft het gegeven dat het rapport van de deskundigen [deskundige 1] , psychiater, en [deskundige 2] , GZ-psycholoog, (hierna ook: ‘rapport 3’), dat mede ten grondslag lag aan de veroordeling, na het onherroepelijk worden van de uitspraak van het hof, door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna ook: CTG) – in de woorden van de verdediging – “kwalitatief als onvoldoende [is] beoordeeld”. Aan de rapporteurs is een berisping opgelegd. Doordat het Openbaar Ministerie en het Hof zich volgens de verdediging “sterk [hebben] laten beïnvloeden” door zowel de inhoud van het rapport als de nadere uitlatingen van de betreffende deskundigen ter zitting, heeft het “gediskwalificeerde” rapport “een bepalende en doorslaggevende rol gespeeld bij de vraag naar de toepassing van art. 39 Sr”. “Zonder het rapport 3 zou de kans reëel zijn geweest (…) dat de conclusies van de rapporten 1 en 2 [A-G: met de strekking “volledig ontoerekeningsvatbaar”] zouden hebben geleid tot toepassing van art. 39 Sr en zou [de aanvrager] zijn ontslagen van alle rechtsvervolging.”

De tweede grond is een nieuw (aanvullend) deskundigenrapport. Na de uitspraak van het CTG heeft [deskundige 3] , psychiater en hoogleraar Psychiatrie aan het Universitair Medisch Centrum Groningen, een (aanvullende) rapportage opgemaakt over de geestelijke gezondheid van de aanvrager ten tijde van de gepleegde feiten. Het rapport heeft een strekking die overeenkomt met het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC; rapport 1) waarover de rechtbank beschikte) en het in de fase van het hoger beroep op verzoek van de verdediging opgemaakte deskundigenrapport (rapport 2). In de herzieningsaanvraag wordt gesteld dat indien het hof dit rapport van [deskundige 3] zou hebben gekend en deze deskundige aanvullend zou hebben gehoord, “hoogstwaarschijnlijk” tot een ander oordeel over de toerekenbaarheid van de aanvrager zou zijn gekomen.

De derde grond betreft een recent beschikbaar gekomen “niet gelakte” afsluitbrief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna ook: IGJ), gericht aan de GGZ-instelling Mondriaan. Uit deze ongecensureerde brief zou blijken dat de GGZinstelling de psychotische verschijnselen van de aanvrager zou hebben onderschat, welke vaststelling van waarde zou zijn bij de beantwoording van de vraag of en in welke mate de voorgeschreven medicatie, dexamfetamine, een ‘trigger’ kan zijn geweest voor de psychose bij aanvrager ten tijde van het plegen van de delicten. Volgens de verdediging zou het hof “naar aanleiding van deze afsluitbrief naar alle waarschijnlijkheid hebben bevolen tot nader onderzoek, met name met betrekking tot de vaststellingen dat de behandelaren van de GGZinstelling achteraf hebben aangegeven dat ze zich mogelijk hebben laten misleiden door de ontkenning door [aanvrager] dat hij psychotisch was. Dit, in combinatie met de richtlijn die aanbeveelt om deze medicatie te staken als er sprake is van psychotische symptomen, is van betekenis: deze medicatie (dexamfetamine) jaagt psychoses immers aan. (…) Het staken van de medicatie vond echter pas plaats na de door [aanvrager] gepleegde drie delicten,” aldus de verdediging.

Voor een goed begrip van de aan de herzieningsaanvraag ten grondslag gelegde gronden schets ik hierna eerst het verloop van de zaak (randnummer 2). Na een beschrijving van het voor herziening geldende juridisch kader (randnummer 3) worden de voorgestelde gronden voor herziening besproken en beoordeeld (randnummers 4, 5 en 6).

Ik maak er nu reeds melding van dat deze conclusie strekt tot afwijzing van de herzieningsaanvraag.

2. Het verloop van de zaak

Op 4 mei 2019 heeft de aanvrager in de Scheveningse Bosjes in Den Haag [slachtoffer 1] met messteken van het leven beroofd. Drie dagen later, op 7 mei 2019, heeft hij op de Brunssummerheide, eveneens met messteken, [slachtoffer 2] en de [slachtoffer 3] gedood. In de strafrechtelijke procedure is niet bestreden dat de aanvrager de drie slachtoffers om het leven heeft gebracht. Wel is er verweer gevoerd over het handelen “met voorbedachten rade”, de ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de mate van toerekeningsvatbaarheid.

In eerste aanleg was er over de geestestoestand en de toerekeningsvatbaarheid van de aanvrager één pro Justitia-rapport beschikbaar. In dit rapport (van het Pieter Baan Centrum, ‘rapport 1’) concluderen de rapporteurs ( [deskundige 4] en [deskundige 5] ) dat er ten tijde van het plegen van de feiten sprake was van ernstige psychotische ontregeling en zij adviseren de aanvrager “volledig ontoerekeningsvatbaar” te verklaren. Dat advies is door de rechtbank Limburg niet overgenomen. Zij acht de aanvrager verminderd toerekeningsvatbaar en heeft hem op 30 juli 2020 voor het plegen van drie moorden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gelast en beslissingen genomen op vorderingen van de benadeelde partijen.

In hoger beroep waren er drie pro Justitiarapporten voorhanden. Naast het eerste, zojuist genoemde, rapport (rapport 1) was er op verzoek van de verdediging een tweede rapport opgemaakt (van rapporteurs [deskundige 6] en [deskundige 7] , rapport 2). Beide rapporten komen sterk met elkaar overeen. Ook het tweede rapport mondt uit in het advies de aanvrager volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. De rapporteurs van het derde, op verzoek van het hof opgestelde rapport (van rapporteurs [deskundige 1] en [deskundige 2] , ‘rapport 3’) hebben het antwoord op de vraag of de aanvrager ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten, indien bewezen, psychotisch gedecompenseerd was, opengelaten en hebben geen antwoord kunnen geven op de vraag naar de (mate van) toerekening. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de aanvrager op 17 maart 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren (met aftrek van voorarrest) en tbs met dwangverpleging opgelegd, alsook beslist op vorderingen van de benadeelde partijen. Evenals de rechtbank heeft het hof geoordeeld dat de feiten in verminderde mate aan de aanvrager kunnen worden toegerekend.

De Hoge Raad heeft het tegen het arrest van het hof ingestelde cassatieberoep bij arrest van 17 oktober 2023 verworpen en wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, de opgelegde gevangenisstraf verminderd en wel in die zin dat deze 21 jaren en 10 maanden beloopt.

Na het onherroepelijk worden van het arrest heeft de aanvrager een tuchtrechtelijke klacht ingediend tegen de rapporteurs van de derde in deze zaak opgemaakte pro Justitiarapportage, mede op basis waarvan het hof tot een veroordeling is gekomen. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) te ’s-Hertogenbosch heeft bij beslissingen van 29 mei 2024 in de zaak van psychiater [deskundige 1] drie klachtonderdelen deels gegrond verklaard en in de zaak van GZ-psycholoog [deskundige 2] twee klachtonderdelen deels gegrond verklaard. Aan beide rapporteurs is de maatregel van berisping opgelegd. De rapporteurs hebben beroep ingesteld tegen die beslissing. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) heeft bij beslissingen van 23 april 2023 opnieuw recht gedaan en in de zaak van psychiater [deskundige 1] twee van de drie eerdergenoemde klachtonderdelen alsnog ongegrond verklaard en in de zaak van GZpsycholoog [deskundige 2] één van de twee klachtonderdelen alsnog ongegrond verklaard. Daarmee is in beide zaken de (ten dele) gegrondheid van één klachtonderdeel in stand gebleven. Omdat in het betreffende rapport “op onvoldoende inzichtelijke en consistente wijze [is] uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen” en “het rapport daarmee niet [voldoet] aan de eisen die het Centraal Tuchtcollege volgens vaste rechtspraak aan een rapportage stelt”, bleef de maatregel van berisping voor beide rapporteurs gehandhaafd.

De beslissingen van het CTG zijn mede de aanleiding geweest om namens de aanvrager een verzoek tot herziening te doen. Door het aanwenden van dit buitengewone rechtsmiddel wordt het arrest van het hof van 17 maart 2022 bestreden, in het bijzonder met betrekking tot het oordeel over de mate van toerekenbaarheid, dan wel de verwerping van het beroep op ontoerekeningsvatbaarheid als bedoeld in art. 39 Sr.

Het hof heeft in het bestreden arrest met betrekking tot de strafbaarheid van de aanvrager het volgende overwogen:

“3 Strafbaarheid van de verdachte

Inleiding

Nu het hof de drie tenlastegelegde moorden bewezen en strafbaar acht, is de volgende vraag of die moorden in strafrechtelijke zin aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Juridisch kader

In het Nederlandse strafrecht is het uitgangspunt dat elke dader verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door hem of haar gepleegde strafbare feit. Een strafbaar feit kan daarom in beginsel aan de verdachte worden toegerekend. Daarop is echter een uitzondering. In artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat tot 1 januari 2020 luidde, is bepaald dat niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend. Het gaat bij ontoerekenbaarheid om een exceptie, een uitzondering op het uitgangspunt dat iemand die zich schuldig maakt aan een strafbaar feit daarvoor kan worden gestraft. Een dergelijke uitzondering kan niet licht worden aanvaard. Indien en voor zover aan een verdachte zijn daden verminderd zijn aan te rekenen, zal dit bij de strafoplegging als strafverminderende omstandigheid gelden.

De vraag naar de toerekenbaarheid is bovendien een juridische vraag. Het gaat om het vaststellen van een strafuitsluitingsgrond en de vaststelling of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, is een juridisch oordeel dat voorbehouden is aan de strafrechter. Dat laat onverlet dat de strafrechter bij de beantwoording van die vraag gebruik kan maken van adviezen van gedragsdeskundigen. De strafrechter heeft echter een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. Aan de strafrechter komt derhalve een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het waarderen van de adviezen en het maken van een selectie uit die adviezen.

Om ontoerekeningsvatbaarheid aan te kunnen nemen moet voldaan worden aan drie vereisten. Er moet in de eerste plaats sprake zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. In de tweede plaats moet er een causaal verband bestaan tussen deze stoornis of gebrekkige ontwikkeling en het tenlastegelegde delict. Ten slotte moet deze ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling zodanig zijn dat zij aan toerekening van het strafbare feit aan de dader in de weg staan.

Wat die laatste eis betreft, stelt het hof vast dat artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht niet meer doet dan straffeloosheid garanderen voor degene aan wie het strafbaar feit vanwege een psychische stoornis niet kan worden toegerekend. In welke gevallen en volgens welke criteria die toerekening achterwege kan blijven is ongewis. Nochtans leidt het hof uit de doctrine en de rechtspraak af dat daarvoor als beoordelingsstandaard gehanteerd kan worden of de verdachte door een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling de strekking, de wettelijke en morele ongeoorloofdheid en/of context van zijn gedraging(en) niet heeft (kunnen) begrijpen, dan wel niet in staat was om overeenkomstig dat begrip zijn wil te vormen. Deze beoordelingsstandaard behelst aldus een cognitief en een volitief element. Het cognitieve onderdeel ziet op het ontbreken van een bepaald begrip van de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van de handeling respectievelijk van de handeling op zichzelf of de context ervan, terwijl het volitieve element betrekking heeft op een aangetaste wilsfunctie. Alleen als de stoornis van de verdachte tot gevolg heeft dat hij de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van het feit niet kan begrijpen of, als hij die wederrechtelijkheid en die morele ongeoorloofdheid wél begrijpt maar niet in overeenstemming met dat besef kan handelen, kan ontoerekeningsvatbaarheid aan de orde zijn.

In deze zaak zijn drie rapporten opgemaakt over de geestvermogens van de verdachte: het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van de deskundigen [deskundige 5] , psychiater, en [deskundige 4] , GZ-psycholoog, een op verzoek van de verdediging door de deskundigen [deskundige 6] , psychiater, en [deskundige 7] , GZ-psycholoog, opgemaakt rapport en een in opdracht van (de raadsheer-commissaris van) het hof opgemaakt rapport van de deskundigen [deskundige 1] , psychiater, en [deskundige 2] , GZ-psycholoog. De deskundigen [deskundige 5] , [deskundige 4] , [deskundige 1] en [deskundige 2] zijn daarnaast ter terechtzitting in hoger beroep, in elkaars bijzijn, gehoord.

Het hof zal hierna eerst kort ingaan op de bevindingen en conclusies van de deskundigen. Daarna zal het hof de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging weergeven, om die vervolgens te beoordelen in het licht van het voorgaande.

Advies van de deskundigen

Het PBC-rapport van de deskundigen [deskundige 5] en [deskundige 4] d.d. 4 december 2019

Op de vraag of de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en zo ja, hoe dat in diagnostische zin is te omschrijven, hebben de deskundigen – samengevat – het volgende geantwoord:

Op de vraag of er sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens stellen de deskundigen dat er sprake is geweest van een ernstige psychotische ontregeling, met een lange aanloop en meerdere ernstige decompensaties in het beloop. De psychotische ontregeling van de verdachte kenmerkte zich niet door desorganisatie (bijvoorbeeld het uiten van wartaal), maar door paranoïde waanvorming, hallucinaties en catatonie. Binnen de door de verdachte ervaren waan, diende hij codes te ontcijferen en uiteindelijk opdrachten te vervullen, ter voorkoming van ernstige consequenties voor zijn familie, zo heeft de verdachte later, als de ernst van de psychose afneemt, te kennen gegeven. De inhoud van de waan en van de psychotische belevingen kenmerkt zich dan ook door betrekking-, achtervolgings-, beïnvloedings- en grootheidsideeën.

De langdurige en ernstige psychotische ontregeling past vermoedelijk binnen het kader van een chronische psychotische stoornis, zoals schizofrenie. Gezien de stemmingscomponent (gelet op de huidige depressie en de burn-out klachten voorafgaand aan de psychotische ontregeling vanaf de zomer van 2018) kan ook gedacht worden aan een schizo-affectieve stoornis. Tot slot dient de mogelijkheid van een psychotische depressie niet uitgesloten te worden, hoewel het beeld op basis van de huidige presentatie en beloop meer past bij schizofrenie. De toekomst moet hier nog duidelijkheid in verschaffen.

Forensisch is de precieze diagnose echter ook niet relevant, omdat het geven van de juiste benaming aan verdachtes toestandsbeeld vooral van belang is voor de noodzakelijke behandeling die opgestart moet worden en niet voor het begrijpen van het handelen. Het doet namelijk niets af aan het beschreven toestandsbeeld.

Met betrekking tot de vraag of de ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten aanwezig was, hebben de deskundigen het volgende geconcludeerd:

In de dagen voorafgaand aan en ten tijde van de tenlastegelegde feiten was betrokkene ernstig psychotisch ontregeld.

De deskundigen beantwoorden de vraag of de ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens de gedragskeuzen van de verdachte, dan wel zijn gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde, beïnvloedde met ‘ja’ en motiveren dat als volgt:

Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was er bij betrokkene sprake van een gedecompenseerd psychotisch toestandsbeeld, dat zich kenmerkte door ernstige realiteitstoetsingsproblematiek in de vorm van een uitgebreid waansysteem, leidend tot hevige paranoïde angsten en daarnaast verhoogde associativiteit en hallucinaties. Eenmaal eerder kwam betrokkene tot een ernstig agressieve daad. Dit betreft zijn suïcidepoging. De handelingen destijds hielden verband met de ernstige psychotische ontregeling. De wijze waarop betrokkene over de tenlastegelegde feiten spreekt, de wijze waarop hij zich opstelt tijdens de eerste en latere verhoren, informatie van referenten en het huidige beeld van betrokkene, leidt ertoe dat de deskundigen een direct verband zien tussen de psychotische ontregeling en de inhoud van de daarmee gepaard gaande wanen en angsten en de tenlastegelegde feiten. De ernstige realiteitstoetsingsproblematiek leidde bij betrokkene tot hevige angst en het niet kunnen plaatsen van de aard van zijn handelingen binnen een reëel perspectief. Het ontbrak betrokkene daarnaast aan mogelijkheden tot reële bezinning of reflectie, samenhangend met deze psychotische ontregeling. Betrokkene was met andere woorden overgeleverd aan de gevolgen van de ernstige psychische ontregeling. Om die reden wordt geadviseerd betrokkene de hem tenlastegelegde feiten niet toe te rekenen.

Het Pro Justitia-rapport van de deskundigen [deskundige 6] en [deskundige 7] d.d. 24 juni 2021

Op de vraag of de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en zo ja, hoe dat in diagnostische zin is te omschrijven, hebben de deskundigen – samengevat – het volgende geantwoord:

Op grond van het gehele onderzoek concluderen de deskundigen dat betrokkene in classificerende zin lijdt aan de stoornis schizofrenie. Schizofrenie is een chronische stoornis die in de eerste plaats gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van psychotische episodes, die bij betrokkene hebben geleid tot sterk op de voorgrond staande paranoïde betrekkings- en beïnvloedingswanen, en daarnaast enige desorganisatie van denken en gedrag, kortdurende visuele hallucinaties en mogelijk ook akoestische hallucinaties. Daarbij was bovendien sprake van episodes van katatonie. Daarnaast is bij schizofrenie sprake van negatieve symptoomclusters. Bij betrokkene uit zich dat onder andere in affectieve vervlakking en initiatiefverlies. Deze negatieve symptomen gingen aan het volledig tot uiting komen van de psychotische stoornis vooraf, en zijn daarna in wisselende mate blijven spelen. Schizofrenie leidt bovendien tot een ernstig verval in functioneren op verschillende levensgebieden, zoals bij betrokkene evident het geval is. De diagnose schizofrenie werd door het PBC eind 2019 reeds overwogen. Differentiaal diagnostische overwegingen waren destijds een schizoaffectieve stoornis en een ernstige depressie met psychotische kenmerken. Deze diagnoses worden door de deskundigen verworpen op basis van zowel de inhoud van de bij betrokkene vastgestelde ziekteverschijnselen, als de ernst en het beloop ervan. De ten tijde van het PBC-onderzoek aanwezige depressieve stoornis is thans niet langer actueel. Ook de stoornis in cannabisgebruik is inmiddels geruime tijd in remissie. Deze stoornis heeft echter wel in (matig) ernstige mate gespeeld en kan zoals reeds betoogd in het geval van betrokkene niet los worden gezien van de diagnose schizofrenie.

Met betrekking tot de vraag of de ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten aanwezig was, hebben de deskundigen het volgende geconcludeerd:

Ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten was sprake van een floride psychotisch toestandsbeeld in het kader van de stoornis schizofrenie. Ook de stoornis in cannabisgebruik was actueel. Op het moment van de feiten was van een depressieve stoornis geen sprake, deze is pas later, in de loop van 2019, gaan spelen.

De deskundigen beantwoorden de vraag of de ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens de gedragskeuzen van de verdachte, dan wel zijn gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde, beïnvloedde met ‘ja’ en motiveren dat als volgt:

Bij betrokkene was ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake van een floride psychotisch toestandsbeeld, in het kader van de stoornis schizofrenie, met als gevaarlijke kern een paranoïde waansysteem met complotwanen en betrekkings- en beïnvloedingswanen. Betrokkene was er sinds medio 2018 in toenemende mate van overtuigd dat er een parallelle wereld was die bestuurd werd door psychopaten en waarvan hij het bestaan niet mocht onthullen, omdat dit tot ernstige consequenties voor zijn naasten zou leiden. Als zijn oom eind april 2019 overlijdt ziet betrokkene dit als de ultieme aanwijzing dat hij mensen moet doden om te voorkomen dat bijvoorbeeld zijn moeder ernstig gevaar zal lopen. In de periode voorafgaand aan en ten tijde van het tenlastegelegde wordt betrokkene volledig beheerst door deze waan. Op basis van onderhavig onderzoek kan worden gesteld dat betrokkenes denken, voelen en daarmee ook zijn handelen in de dagen voorafgaand aan het tenlastegelegde, en ten tijde van de tenlastegelegde feiten, volledig werden ingegeven, gekleurd en bepaald door de waandenkbeelden.

Dit leidt tot het advies om betrokkene de tenlastegelegde feiten in het geheel niet toe te rekenen.

Het Pro Justitia-rapport van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] d.d. 13 januari 2022

Op de vraag of de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en zo ja, hoe dat in diagnostische zin is te omschrijven, hebben de deskundigen – samengevat – het volgende geantwoord:

De deskundigen hebben, met de informatie die zij op dit moment tot hun beschikking hebben, onvoldoende reden om te kunnen spreken van welomschreven psychopathologie bij betrokkene. Zij hebben in elk geval geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van de ziekte schizofrenie. Daarnaast is er naar de letter van de DSM-5, voor zover de kennis van de deskundigen op dit moment reikt, geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis. De deskundigen kwalificeren betrokkenes intra- en interpersoonlijke functioneren echter wel als gemankeerd. De deskundigen sluiten niet uit dat er in de toekomst, wanneer er mogelijk meer informatie over betrokkenes functioneren beschikbaar is, wel tot het bestaan van persoonlijkheidspathologie besloten kan worden.

Met betrekking tot de vraag of de ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten aanwezig was, hebben de deskundigen het volgende geconcludeerd:

Het antwoord op de vraag of betrokkene ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten, indien bewezen, psychotisch gedecompenseerd was, wordt door de deskundigen open gelaten. Mocht dat naar de mening van het hof wel het geval zijn geweest, dan heeft die psychose naar de mening van de deskundigen eerder het karakter gehad van een middelen geïnduceerde psychose dan van een schizofrene psychose. Betrokkenes gemankeerde persoonlijkheid is van structurele aard en was derhalve ook aanwezig ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten, indien bewezen.

De deskundigen beantwoorden de vraag of de ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens de gedragskeuzen van de verdachte, dan wel zijn gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde, beïnvloedde als volgt:

Omdat de deskundigen het antwoord op de vraag naar het al dan niet psychotisch geweest zijn van betrokkene in de periode rondom de tenlastegelegde feiten open laten, is het leggen van een verband tussen een eventuele psychose en de tenlastegelegde feiten in beginsel niet aan de orde. Mocht betrokkene naar het uiteindelijke oordeel van het hof in genoemde periode wel degelijk psychotisch zijn geweest, dan willen de deskundigen hier opmerken dat zij zich van betrokkenes binnenwereld op dat moment onvoldoende beeld hebben kunnen vormen om op basis daarvan betekenisvolle uitspraken te kunnen doen over het al dan niet door die psychose ingeperkt zijn geweest van betrokkenes wilsvrijheid.

Van de manier waarop betrokkenes gemankeerde persoonlijkheid - mocht deze op dit moment in juridische zin wel kwalificeren als psychische stoornis - in de tenlastegelegde feiten zou kunnen hebben doorgewerkt, hebben de deskundigen zich onvoldoende beeld kunnen vormen. Betrokkene heeft zich op dit punt onvoldoende laten onderzoeken.

De vierde vraag wordt, gelet op de beantwoording van de derde vraag, door de deskundigen niet beantwoord.

Ter terechtzitting in hoger beroep is de deskundigen gevraagd – onder de aanname dat sprake is geweest van een verdovende middelen geïnduceerde psychose – of er voor de verdachte binnen die psychotische ontregeling ruimte was voor het besef van de ongeoorloofdheid van diens, handelen en of de verdachte binnen die situatie keuzevrijheid had en zo ja, in welke mate. De [deskundige 1] heeft daarop naar voren gebracht dat hij die vraag niet kan beantwoorden, nu [deskundige 2] en hij zich geen adequaat beeld hebben kunnen vormen over wat er in het hoofd van de verdachte omging. Toen de [deskundige 1] werd gevraagd of hij hierover iets in algemene zin kon zeggen, antwoordde hij dat het afhangt van het soort middel dat is gebruikt en dat het niet zo hoeft te zijn dat de persoon helemaal in een andere wereld zit.

De [deskundige 1] heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat een persoon in een psychose de keuze kan maken om een bepaald persoon niet als slachtoffer te kiezen, maar voor empathie is geen ruimte meer.

Het standpunt van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben zich – op de gronden als uiteengezet in het schriftelijk requisitoir – op het standpunt gesteld dat de verdachte (in juridische zin) ten tijde van het begaan van de strafbare feiten lijdend was aan een ziekelijke, onbenoemde stoornis van de geestvermogens en/of een gebrekkige ontwikkeling. Zij vinden het echter onaannemelijk dat door deze stoornis het gewicht van de verwijtbaarheid van verdachtes handelen in sterke mate werd gerelativeerd. Zij achten wilsvrijheid bij de verdachte rondom het plegen van de feiten aanwezig; deze was door de stoornis niet dusdanig ingeperkt dat de verdachte geen enkele wilsvrijheid had. De verdachte maakte zelf de keuze wie hij zou doden, of hij medicatie zou nemen, of hij wel of geen ‘bewijs’ zou meenemen en hoe en wanneer hij zijn slachtoffers zou maken. Het gedrag van de verdachte rondom de feiten, zoals het bewust en weloverwogen thuislaten van zijn telefoon om niet getraceerd te kunnen worden tijdens het plegen van de feiten, maken (objectief) keuzevrijheid inzichtelijk. De advocaten-generaal komen tot de conclusie dat de verdachte hooguit verminderd toerekeningsvatbaar is. De feiten kunnen daarom aan de verdachte worden toegerekend, zij het in verminderde mate, aldus de advocaten-generaal.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – op de gronden als verwoord in de pleitnota’s – betoogd dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de waanbelevingen van de verdachte lange tijd hebben bestaan en worden gestaafd door objectieve omstandigheden. Al vanaf 2018 blijkt uit WhatsApp-gesprekken dat het slecht gaat met de verdachte. Andere objectieve omstandigheden zijn te vinden in de zoekslagen en de medische gegevens; door veel verschillende gedragsdeskundigen die de verdachte zagen wordt ‘psychose’ of ‘schizofrenie’ genoemd. Daaruit blijkt eveneens dat geen sprake kan zijn van een middelen geïnduceerde psychose. De verdachte heeft cannabis gebruikt als zelfmedicatie en heeft de dexamfetamine gebruikt conform de voorgeschreven wijze. Van culpa in causa is aldus geen sprake. De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een (langer durende) ernstige psychose door de chronische ziekte schizofrenie en/of een schizoaffectieve stoornis, welke psychose mogelijk werd aangejaagd door de voorgeschreven dexamfetamine. Conform het rapport van de deskundigen [deskundige 5] en [deskundige 4] alsook van [deskundige 6] en [deskundige 7] kunnen de feiten de verdachte niet worden toegerekend en dient hij aldus te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van het hof

Vraag 1: Was er ten tijde van het begaan van de strafbare feiten sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte?

Het hof stelt op basis van de hiervoor weergegeven adviezen uit de drie rapporten vast dat de deskundigen niet komen tot een éénduidig antwoord op de vraag of er sprake is van een gebrekkig ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte en ook niet tot een gelijke classificatie van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis bij de verdachte. Het hof kan derhalve evenmin een specifieke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte vaststellen. Echter, de wet noch de jurisprudentie vereist dat de stoornis wordt geclassificeerd volgens de DSM-5 en dat deze dient te worden vastgesteld door (een) gedragskundige(n). Het hof dient vast te stellen of sprake is van een stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling in juridische zin.

Uit de drie rapporten, de verklaringen van de deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep, de overige medische stukken die zich bevinden in het dossier alsook de verklaringen van de verdachte, blijkt wél dat de verdachte iets ‘mankeert’.

De deskundigen [deskundige 5] en [deskundige 4] concluderen dat de langdurige en ernstige psychotische ontregeling van de verdachte vermoedelijk past binnen het kader van een chronische psychotische stoornis, zoals schizofrenie, maar dat er ook gedacht kan worden aan een schizoaffectieve stoornis, terwijl de mogelijkheid van een psychotische depressie niet uitgesloten dient te worden. De deskundigen [deskundige 6] en [deskundige 7] stellen vast dat ten tijde van plegen van de feiten sprake was van een floride psychotisch toestandsbeeld in het kader van de stoornis schizofrenie en een stoornis in cannabisgebruik.

De deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] hebben geen stoornis kunnen diagnosticeren, maar sluiten tezelfdertijd niet uit dat er in de toekomst wel tot het bestaan van persoonlijkheidspathologie besloten kan worden. Op grond van het door hen opgemaakte rapport kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten niet aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens leed, maar slechts dat de deskundigen deze stoornis niet hebben kunnen vaststellen. Zij kunnen ook niet uitsluiten dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten hieraan wel leed. Wel komen zij tot de conclusie dat er sprake is van een gemankeerde persoonlijkheid.

Het hof komt op basis van drie rapportages, in onderling verband en samenhang bezien, aldus tot de vaststelling dat de verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

Vraag 2: Zo ja, is causaal verband tussen de stoornis en het strafbare feit voldoende aannemelijk?

De deskundigen [deskundige 5] en [deskundige 4] zien een direct verband tussen de psychotische ontregeling en de tenlastegelegde feiten. De deskundigen [deskundige 6] en [deskundige 7] stellen dat het handelen van de verdachte volledig werd ingegeven, ingekleurd en bepaald door de waandenkbeelden die voortkwamen uit de door hen vastgestelde stoornis. De deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] kunnen omtrent het causale verband geen uitspraak doen, nu zij zich daarover een onvoldoende beeld hebben kunnen vormen.

Het betreft een verdachte die getuige zijn levensloop nog niet eerder in zijn leven agressief is geweest, met uitzondering van de zelfmoordpoging in november 2018, die volgens de deskundigen [deskundige 5] en [deskundige 4] tevens verband hield met zijn psychotische ontregeling. De verdachte kreeg – naar eigen zeggen – opdracht om te doden en heeft hier vervolgens naar gehandeld. De feiten staan daarmee in direct verband met de ten tijde van de tenlastegelegde feiten aanwezige stoornis. Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het causale verband tussen de stoornis en de strafbare feiten voldoende aannemelijk is.

Vraag 3: Zo ja, welk oordeel moet – gelet op de eerste twee vragen en gelet op alle omstandigheden van de casus – over de toerekening worden gegeven?

De deskundigen [deskundige 5] en [deskundige 4] alsook de deskundigen [deskundige 6] en [deskundige 7] hebben geconcludeerd de tenlastegelegde feiten in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen. De deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] konden hieromtrent geen advies geven.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft hiervoor onder het kopje ‘Juridisch kader’ al overwogen dat één van de eisen om ontoerekeningsvatbaarheid aan te kunnen nemen de vaststelling eist dat de ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling zodanig is dat zij aan toerekening van het strafbare feit aan de dader in de weg staan. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat daarvoor als beoordelingsstandaard gehanteerd kan worden of de verdachte door een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling de strekking, de wettelijke en de morele ongeoorloofdheid en/of context van zijn gedraging(en) niet heeft (kunnen) begrijpen, dan wel niet in staat was om overeenkomstig dat begrip zijn wil te vormen. Alleen als de stoornis van de verdachte tot gevolg heeft dat hij de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van het feit niet kan begrijpen of, als hij die wederrechtelijkheid en die morele ongeoorloofdheid wel begrijpt maar niet in overeenstemming met dat besef kan handelen, kan ontoerekeningsvatbaarheid aan de orde zijn. Deze beoordelingsstandaard behelst zoals reeds gezegd een cognitief en een volitief of wilselement.

Het hof duidt dit nader als volgt. In het cognitieve element wordt onderscheid gemaakt tussen ‘begrijpen’ en ‘kunnen begrijpen’, terwijl bij de aard van het handelen zowel de kwalificatie ‘ongeoorloofd’ als ‘onrechtmatig’ voorkomt. Het ‘handelings-element’ wordt ook wel als ‘wilselement’ aangeduid. In de kern gaat het echter steeds om een beperking van de verdachte in diens ‘inschattingsvermogen’ en ‘sturingsvermogen’ in relatie tot het delictgedrag. Het komt er eigenlijk op neer dat de rechtvaardiging voor het niet of in mindere mate verantwoordelijk houden van de verdachte voor zijn gedrag is gelegen in (de mate van diens) onvermogen zijn begrip en wil te kunnen vormen, ongeacht de oorzaak daarvan. Het cognitieve en/of volitieve onvermogen van de verdachte vormt daarvan de kern. In feite is hetgeen wat uiteindelijk voor de beantwoording van de vraag naar (de mate van) het toerekenen het meest relevant is, niet zozeer de stoornis an sich, maar de (mate van) dysfunctie van de verdachte en meer in het bijzonder (de mate van) diens onvermogen.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken dat de verdachte zich alles van de periode tijdens de bewezenverklaarde feiten herinnert en dat hij zich ten tijde van het tenlastegelegde ook zeer bewust was van de wederrechtelijkheid van zijn handelen. Hij wist dat hij geen mensen mocht doden en zijn begrip van de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen was in die zin niet verstoord. Dat de verdachte er van overtuigd was dat hij die personen moest vermoorden, omdat zijn familie anders zou worden uitgemoord, doet daar niet aan af. De verdachte heeft onder meer verklaard dat hij eerst moed moest verzamelen alvorens hij aan de opdracht om te doden kon voldoen, hij telkens erg van streek was na het doden, hij het gruwelijk vond om te doen en het ook niet wilde doen en dat hij na het doden van binnen keihard aan het huilen was. Uit voornoemde onderdelen uit de verklaring van de verdachte is naar het oordeel van het hof gebleken dat hij over voldoende capaciteit beschikte om de betekenis van zijn gedragingen te beseffen.

Ook op basis van de inhoud van de gedragskundige rapporten kan worden vastgesteld dat de verdachte niet volledig verstoken was van het vermogen om zijn begrip en wil te kunnen vormen. Zo heeft de verdachte ter gelegenheid van het onderzoek door het Pieter Baan Centrum blijkens het daarvan opgemaakte rapport onder meer de volgende verklaring ten overstaan van de deskundigen afgelegd:

‘Gesprek met betrokkene over de ten laste gelegde feiten

"Die vrijdag kwam ik tot de conclusie dat ik twee mensen moest vermoorden, omdat anders mijn familie vermoord zou worden.” (...) Hij is de ochtend van 4 mei naar Den Haag gegaan met de trein. Hij is in zijn appartement een keukenmes gaan pakken. Hij had bedacht dat hij iemand zou gaan doden en ook hoe hij dit zou gaan doen. Hij had ook bedacht dat hij één persoon zou doden en daarna zichzelf zodat hij op die manier zijn familie kon redden. In de trein voelde hij zich “somber en leeg”. (...) Onderweg zag hij codes in de treintijden en de bordjes. De boodschap was steeds “dat het er absoluut twee moesten zijn. (...)”

Hij had al van tevoren bedacht dat hij naar het Scheveningse bos zou gaan om “het” te doen.

Hij is dan ook, nadat hij in zijn appartement was geweest “door het bos gaan dolen”. Zijn telefoon heeft hij thuis gelaten omdat er GPS in zit. Omdat hij het echt niet wilde doen, heeft hij naar eigen zeggen “heel vaak en heel lang geaarzeld”. Hij ging desalniettemin door met zijn ‘missie’. “Het moest iemand zijn die alleen was en er moest niemand in de buurt zijn.” Toen zag hij iemand alleen lopen, trok het mes “en ik begon te hakken”. Volgens betrokkene hebben de vrouw en hij geen woorden gewisseld: hij heeft haar direct dood gestoken. (...)

Hij heeft haar pink afgesneden want hij wist niet of hij bewijs mee moest nemen. Deze heeft hij later weggegooid. Hij was “helemaal van streek". Hij was meer bang en verdrietig dan boos. Hij wilde het niet nog eens doen, ook al was dat wel de opdracht. “Ik dacht: als er een nummer twee komt, ben ik dat zelf.”

(...)

De volgende dag ging hij terug naar [plaats] . (...) Hij voelde zich niet goed maar zag op dat moment geen boodschappen meer. Hij dacht dus dat men akkoord was gegaan met zijn invulling van de opdracht. Dit duurde twee dagen, tot maandagavond 6 mei. (...) Hij dacht dat de boodschap die hij op dat moment kreeg, betekende dat zijn moeder eraan zou gaan”. Vanaf dat moment begon hij alles wat op tv gezegd werd persoonlijk op te vatten. Hij hoorde dat er dit keer wel echt twee mensen gedood moesten worden om zijn familie te redden. Hij heeft geslapen en de volgende dag heeft hij tegen het einde van de ochtend de keuze gemaakt om “het” te doen, waarmee hij bedoelt dat hij de opdracht twee mensen te doden alsnog zou volbrengen. “Ik heb een mes gepakt en ben naar de Brunssummerheide gegaan. (...) "Betrokkene heeft een tijdje (hoe lang weet hij niet meer) rondgelopen op de Brunssummerheide, op zoek naar slachtoffers. Hij herinnert zich de beschrijving van een getuige, een jonge vrouw die merkte dat hij haar achterna liep tot ze bij een open vlakte kwam en omkeerde. Hij zegt hierover: “Ik zag haar en ik kon het niet. Misschien omdat ze te jong was ofzo." De volgende persoon werd “het”. Het was een vrouw. “Ik rende op haar af om haar te steken zo snel als ik kon, zo vaak als ik kon.” Hij ging er meteen vandoor via een nabij gelegen bospad. Niet veel later kwam hij een man tegen, met een hond. Hij is ook direct op deze man afgegaan. De man verzette zich hevig (...). Nadat hij de man dood had achtergelaten, heeft hij nog even op de hei rondgelopen. (...)’

Het hof citeert uit het door de deskundigen [deskundige 6] en [deskundige 7] opgemaakte rapport de volgende verklaring van de verdachte:

‘Houding ten opzichte van het ten laste gelegde

Onderstaande is een combinatie van het uitgebreide stuk dat betrokkene zelf schreef over de periode 2014 tot aan de ten laste gelegde feiten (schuingedrukt), en de gesprekken die ondergetekenden daarover met hem voerden.

(...)

“In de dagen hier op begon ik verborgen berichten te zien in nummerplaten en tijden van de klok. Toen ik door de Albert Heijn liep zag ik de Moederdag advertenties, dreigementen dacht ik. Ik begon te denken dat nieuwsberichten in metafoor over mij gingen. Het getal 2 kwam steeds terug. Er moest iets met het getal 2 zijn. Ik besefte dat ik 2 mensen zou moeten vermoorden voor mijn afspraak met [betrokkene 1] . Ik besefte dat het 2 vreemden zou zijn of mijn moeder en waarschijnlijk ik zelf.”

Hij vult aan: “Toen wist ik: dit gaat niet ophouden totdat ik doe wat er van me gevraagd wordt.”

“Toen kwam zaterdag 4 mei. Ik had dagenlang amper geslapen. Die ochtend was ik heel gespannen. Mijn tijd was bijna op. Ik nam de trein naar Den Haag. Eenmaal aangekomen op mijn appartement pakte ik een mes en maakte ik mijn weg naar de Scheveningse bosjes. Uiteindelijk had ik genoeg moed verzameld om het te doen. Ik rende op een voorbijganger en hakte tot ze dood was. Plots ging ik dubbel zien en zag ik een groene/paarse gloed. Ik raakte in een adrenaline rush. Ik verschool me in de bosjes en dacht ‘ik kan niet meer’. Ik heb nog een lange tijd door het bos gelopen, twijfelend of ik door zou zetten, maar ik kon het niet. In mijn jaszak zat een afgehakte pink die ik had meegenomen als bewijs. Ik besloot deze weg te gooien en verliet het bos. Ik besefte dat ik gefaald had. Op de terugweg zag ik overal boodschappen in verkeersbordjes en kentekens. Ik probeerde dit te negeren.” (...)

Betrokkene kan niet precies terughalen wanneer hij dacht dat hij niet nog een persoon kon doden. “Misschien had ik het van tevoren al bedacht? Ik wist in ieder geval daarna heel zeker dat er geen tweede zou volgen. Dat was het, ik ben er klaar mee. Ik doe het niet nog een keer. Het was echt verschrikkelijk om te doen, echt too much. Ik kan het niet beschrijven.” Op de vraag waarom hij de pink afsneed en meenam antwoordt hij: “Als bewijs. In een opwelling. Maar ik vond het steeds vreselijker. Ik dacht: ik heb geen bewijs nodig, het systeem weet en ziet toch alles. Daarom heb ik hem weggegooid.”

(…)

“Maandagavond 6 mei was een hele surreële avond. Alle krantenartikelen gingen over mij en het was alsof de televisie met mij praatte. Ik dacht dat werd gezegd dat mijn moeder dood zou gaan, (...) De televisie reageerde hierop en maakte mij duidelijk dat dit goed was. Opgelucht trok ik mij terug op mijn kamer en ging ik op mijn laptop. Ik zag allemaal Moederdag advertenties en besefte dat mijn moeders leven nog steeds bedreigd werd, en dat mijn opdracht nog steeds gefaald was. Ik besefte dat ik het snel overnieuw moest doen.”

(...)

Als hij niet zou ingrijpen, als hij niet twee mensen zou doden, dan zou zijn moeder het slachtoffer worden. Op de vraag waarom hij, nu hij al een vrouw gedood had, nog twéé mensen zou moeten doden heeft betrokkene geen antwoord. “Dat weet ik echt niet. Ik was alleen maar bezig met twee.” Hij vertelt hoe gruwelijk hij het vond om opnieuw te “moeten” doden, zeker na de eerdere ervaring. “Ik wilde niet, ik durfde niet, alles was met de grootste tegenzin. (…)” (…)

“De volgende ochtend pakte ik een keukenmes en maakte ik mijn weg naar de Brunssummerheide. Onderweg luisterde ik naar agressieve metal om mijzelf op te fokken. Eenmaal op de locatie liep ik een poos rond om moed te verzamelen.”

Hij vertelt desgevraagd dat hij op de heide eerst “een meid van ongeveer mijn leeftijd” tegenkwam. “Dat kon ik niet.” Hij kan hier nauwelijks op reflecteren. “Kennelijk kon ik wel beslissen wie wel en wie niet.” (...)

“Toen ik eenmaal iemand op het oog had rende ik op haar af en hakte ik op haar in tot ze dood was. Ik voelde mij vreselijk, het is echt een heel naar gevoel. Enige tijd later kwam ik de volgende persoon tegen. Toen ik klaar was met de opdracht was ik in een soort van trance. Ik liep lange tijd doelloos over de heide.

En het rapport van [deskundige 1] en [deskundige 2] houdt als verklaring van de verdachte onder meer het volgende in:

‘Psychologisch onderzoek

(…)

Houding ten opzichte van de ten laste gelegde feiten

Aanloop naar de ten laste gelegde feiten

(...) Ten aanzien van de overtuiging dat hij twee mensen moest ombrengen vertelt hij het volgende. ‘Dat idee kwam bij mij binnen. Het is niet zo dat ik een stem heb gehoord. Ik had wel veel twijfel; ik wist het pas echt zeker dat ik het moest doen, toen ik in de trein zat naar Den Haag’. Gevraagd naar waaruit betrokkene dan precies afleidde dat hij twee mensen om het leven moest brengen, geeft hij aan dat hij gefixeerd was op het getal 2, dat hij bovengemiddeld vaak zag op nummerborden of andere zaken, waardoor hij dacht dat het geen toeval kon zijn. ‘Ook de tijden van de klok communiceerden met mij. (...) Het was een geheel aan hints dat ik kreeg waar ik uit opmaakte dat ik twee mensen moest doodmaken’. (...) Als ik geen gehoor zou geven aan de opdracht zou in eerste instantie mijn moeder vermoord worden, daarna andere familieleden en tot slot zou ik zelf vermoord worden’. (...) Het was noodzakelijk om het te doen. Ik heb wel heel vaak gedacht, doe het nu maar', want je maakt het alleen maar erger. Het was bedoeld om erger te voorkomen’.

Ten aanzien van het eerste ten laste gelegde feit

Voorafgaand aan de eerste doding zegt betrokkene dat hij gekozen had voor een mes als moordwapen, omdat hij niets beters wist te verzinnen. ‘Een pistool zou makkelijker geweest zijn, maar die had ik niet tot mijn beschikking. Een mes is alleen wel heel gewelddadig’. Besproken wordt of hij bij de keuze van de wijze waarop hij de moorden zou plegen het gevaar voor zijn eigen leven in beschouwing heeft genomen. Hij verklaart hierover dat hij zich bewust was van de risico’s, maar dat zijn eigen leven hierin geen rol speelde. ‘Ik was helemaal klaar met het leven. Het ging mij er alleen om dat mijn familie niet uitgemoord zou worden en dat ik niet dagenlang gemarteld zou worden’. Alvorens op pad te gaan naar de Scheveningse Bosjes, heeft hij enkele maatregelen getroffen om niet gepakt te worden. Betrokkene vertelt hierover: ‘Binnen het systeem was het zo dat een misdaad begaan als een heel grote deugd werd gezien, maar gepakt worden, was binnen het systeem een zonde. Je moest dus een dekmantel hebben. Dat is de reden dat ik mijn telefoon had thuisgelaten, want dan kon ik altijd zeggen dat ik op dat moment thuis was’. Over de keuze voor de Scheveningse Bosjes als locatie waar hij iemand zou gaan neersteken, vertelt hij dat hij er vaak kwam en het gebied goed kende. ‘Er lopen vaak mensen alleen te wandelen. Soms zie je iemand en dan weer een tijd helemaal niemand. Dat was dus een goede plek om het te doen. Ik heb in totaal een paar uur daar rondgedwaald. Zeker een uur ervoor en erna ook nog wel een uur’. Over zijn gemoedstoestand het uur voor de moord vertelt hij dat hij worstelde met het vinden van de moed om de opdracht ook daadwerkelijk te volbrengen. ‘Ik wilde het niet doen. Ik moest een knop omzetten van “oké, heel koelbloedig, geen medelijden hebben”. Ik zei tegen mezelf: “probeer mensen als een ding te zien, niet als een levend wezen, doe alsof je in een computerspel zit, daar heb je het zo vaak in gedaan. Met die gedachte lukt het uiteindelijk wel’’. Betrokkene vertelt dat op een gegeven moment bij een bosje, een mevrouw op een fiets voorbijkwam. ‘Ik keek om me heen en toen ik niemand zag, heb ik haar van achteren gestoken. Ik heb haar en die mevrouw op de Brunssummerheide niet in het gezicht gezien, dat hielp om het makkelijker te maken om het te doen. Ze viel, ze schreeuwde. En ik bleef maar steken totdat ze niet meer bewoog’. Betrokkene had aanvankelijk het plan opgevat om de vinger van het slachtoffer af te snijden om die avond aan […] te laten zien. Hiertoe sneed hij haar pink af en liep er een tijdje mee rond. Later zou hij hebben doorgekregen dat het systeem hem kon horen en zien en dat ze zijn gedachten konden lezen, waardoor de pink als ‘bewijsmateriaal’ niet meer nodig was. Gevraagd naar of het moeilijk was om de pink af te snijden, vraagt hij of rapporteur doelt op het feitelijk verminken of op hoe dit mentaal gezien voor hem was. Wanneer rapporteur aangeeft beide aspecten te bedoelen, zegt hij: ‘Mentaal was wel moeilijk, maar het was niet moeilijk om het eraf te snijden, dat ging heel goed. Daarna heb ik de pink weggegooid’. (...) Na de eerste doding zou betrokkene nog een tijd lang daar hebben rondgedwaald. Tot een tweede doding is het die dag niet gekomen. ‘Ik was in een trance in mezelf gekeerd. Dat ik daar misschien weg moest, kwam niet in me op. Ik kon me er evenwel niet toe zetten om nog iemand te vermoorden. Ik dacht, “dan nemen ze mij maar”. (...)

Tussen het eerste ten laste gelegde feit en de feiten 2 en 3

(...)

Betrokkene vertelt dat hij de dag erna naar [plaats] is gereisd. (...) Op 6 mei 2019 's avonds, toen hij bij zijn ouders op de bank tv aan het kijken was, zag hij een tv-programma dat in metaforen met hem sprak. ‘Toen opende ik een website en daarop waren allemaal moederdag advertenties te zien. Die zag ik als een persoonlijke bedreiging naar mij. Toen wist ik, ik moet nog een keer en deze keer moeten het er twee zijn. Deze keer was het menens. (...)’

Ten aanzien van de feiten 2 en 3

Over de gebeurtenissen op 7 mei 2019 vertelt betrokkene het volgende. ‘Ik ben overdag naar de Brunsummerheide gegaan. Ik moest mezelf er wel toe aanzetten om het te doen. Ik had een iPad met heavy metal muziek om zoveel mogelijk agressie op te wekken. Ik heb toen eerst weer een poos daar rondgelopen, ben best wat mensen gepasseerd zonder wat te doen. Op een gegeven moment kwam ik een mevrouw tegen en toen nam ik mezelf voor “niet denken maar gewoon doen.” Geen van de vrouwen heb ik van voren in hun gezicht gezien, dat maakt het ook makkelijker om het te doen. (...) Gevraagd naar of het volgende slachtoffer bewust een man was, omdat hij twee mensen om het leven moest brengen en of zij wellicht ook van beide geslachten moesten zijn, zegt hij dat dit totaal geen verschil maakte. ‘Geslacht of afkomst maakte totaal niet uit. Daar keek ik totaal niet naar. Ook leeftijd zou geen rol van betekenis hebben gespeeld. ‘Leeftijd maakte voor het systeem niet uit, maar ik had er wel meer moeite mee om een jonger iemand te doden. Als je één keer een gevoel van medelijden voelt, dan lukt het niet meer’. De man heeft zich tijdens de aanval tegen betrokkene heftig verzet. (...)

Psychiatrisch onderzoek

(...)

Speciële psychiatrische anamnese, inclusief het tenlastegelegde

(…)

Een dag later, op vrijdag 3 mei 2019 - een dag nadien zou betrokkene zijn eerste slachtoffer maken, indien bewezen -, werd hem uit hetgeen via klokken en nummerborden tot hem kwam, duidelijk dat het systeem wilde dat hij twee mensen om het leven zou brengen. Zou hij dat niet doen, dan zouden zijn ouders sterven. Betrokkene wilde het niet, maar het moest. Hij toog op zaterdagochtend 4 mei 2019 met de trein naar Den Haag, omdat hij dacht dat het daar moest gaan gebeuren. Die avond zou hij thuis in Den Haag […] op bezoek krijgen, eveneens ontwaakt, die dan zou beoordelen of hij al dan niet aan de opdracht voldaan had. Betrokkene zegt dat hij te voet van het station naar zijn woning is gelopen en daarna ook weer te voet naar de Scheveningse Bosjes. Hij heeft die dag niet in een bus gezeten. Betrokkene zegt dat het hem met veel moeite lukte om zichzelf zover te krijgen dat hij een oudere vrouw om het leven bracht, en wel met een mes. Het mes was niet verplicht. Betrokkene was vrij in de keuze van zijn middelen. (...)

Betrokkene zegt dat het hem na het om het leven brengen van de 56-jarige vrouw niet meer lukte om nog een tweede slachtoffer te maken. ‘Ik kon het echt niet meer.’ Betrokkene spreekt over ‘een eigen moraal die je dan tegenhoudt’, in weerwil van de moraal die het systeem hem, met kracht, probeerde op te leggen. ‘Het mechanisme dat iets je tegen staat – bv. iemand met een mes steken, of jezelf slaan –, zit veel dieper dan een logische redenering. Je emoties kan het niet schelen wat logisch is. Je brein wil dan toch iets anders.’

(...) Het systeem hield zich daarna enkele dagen koest, tot de avond van 6 mei 2019. Betrokkene zat bij zijn ouders thuis op de bank en had plotseling het idee dat de tv met hem communiceerde dat er deze keer toch echt twee mensen vermoord moesten worden. De dag daarna bracht hij op de Brunssummerheide inderdaad twee mensen met messteken om het leven. Deze keer was het nog moeilijker dan in Den Haag. Op de heide liep hij eerst een aantal mensen voorbij. Betrokkene noemt een grote brede man met een herdershond. ‘Bij hem had ik geen kans.’ Daarna zag hij een meisje van zijn eigen leeftijd. ‘Ik kreeg het niet over mijn hart. Ik wilde die persoon geen kwaad doen.’ Een ouder iemand, iemand van boven de 50, was een betere optie. ‘Toen ik op een gegeven moment die vrouw zag, zette ik een knop om. Ik mocht niet meer twijfelen.’ Daarna stak hij ook nog een oudere man neer.’

Het hof stelt op grond van de hierboven weergegeven inhoud van de gedragskundige rapporten vast dat de verdachte voor, tijdens en na de delicten de strekking, de wettelijke en de morele ongeoorloofdheid en de context van zijn gedragingen in ieder geval tot op zekere hoogte heeft kunnen begrijpen en ook tot op zekere hoogte in staat was om overeenkomstig dat begrip zijn wil te vormen. De verdachte verkeerde dus niet in het volledige onvermogen om in overeenstemming van het nog bij hem levende begrip van de morele ongeoorloofdheid en wederrechtelijkheid van de bewezenverklaarde feiten te handelen en hij was evenmin volledig verstoken van zijn vermogens om krachtens dat inzicht zijn wil te bepalen.

Deze omstandigheden maken het dat het hof het advies van de deskundigen [deskundige 5] en [deskundige 4] alsook deskundigen [deskundige 6] en [deskundige 7] , om de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te achten, niet zal volgen.

Verweren van de verdediging

Nu het hof niet komt tot een classificatie van de stoornis van de verdachte, laat het hof in het midden of de eventuele psychose waarin de verdachte verkeerde het gevolg was van schizofrenie, een schizoaffectieve stoornis dan wel van een andere aanwezige stoornis of dat sprake was van een (verdovende) middelen geïnduceerde psychose. Het hof gaat daarom niet verder in op het al dan niet verkeerd innemen van de voorgeschreven medicatie door de verdachte, het drugsgebruik van de verdachte en de geloofwaardigheid van diens verklaringen omtrent zijn middelen- en/of medicijngebruik. Gelet daarop behoeft het verweer van de verdediging omtrent de culpa in causa ook geen bespreking.

Het hof gaat, zoals hierboven uiteengezet, uit van een stoornis ten tijde van de gepleegde feiten. Of alle verklaringen over systemen, gedachten en opdrachten die zich als gevolg van de stoornis volgens de verdachte in de daarvóór liggende periode (tot ver vóór de gepleegde strafbare feiten) overeenkomstig zijn met hetgeen de verdachte zich daadwerkelijk herinnert of een latere invulling zijn of een verhaal om zijn daden te disculperen, kan het hof niet beoordelen.

Conclusie

9Het hof concludeert dat het gedrag van de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten weliswaar in overwegende mate, doch niet volledig, werd bepaald door zijn ziekelijke stoornis. Op basis van de beschikbare informatie gaat het hof ervan uit dat de verdachte ten tijde van de feiten in enige mate in staat was een afweging te maken en dat hij voldoende in staat was om in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid en morele ongeoorloofdheid van de feiten te handelen. Gelet hierop kan van volledige ontoerekeningsvatbaarheid geen sprake zijn.

Het beroep van de verdediging op artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht wordt dus verworpen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof, met de rechtbank, tot het oordeel dat de feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Die conclusie heeft tot gevolg dat de verdachte wel strafbaar is, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid volledig uitsluiten.

Voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om de deskundigen [deskundige 6] en [deskundige 7] als deskundigen te horen, indien het hof niet meegaat in het standpunt van de verdediging dat sprake is van zelfmedicatie door cannabis te gebruiken. Blijkens de pleitnota van mr. [betrokkene 2] ter terechtzitting van 14 februari 2022, paragraaf 17, begrijpt het hof dat de verdediging voornoemde deskundigen wil vragen hoe nauw het verband is tussen schizofrenie en cannabisgebruik.

De verdediging heeft daarnaast verzocht, indien het hof twijfelt of de verdachte zich aan zijn behandeladvies met betrekking tot de dexamfetamine heeft gehouden, om psychiater [deskundige 8] , verpleegkundige [deskundige 9] , psycholoog [deskundige 10] en psychiater [deskundige 11] als getuigen horen, teneinde de misverstanden omtrent het gebruik van dexamfetamine uit de wereld te helpen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Nog daargelaten de omstandigheid dat de voorwaarden waar het verzoek aan was verbonden niet zijn vervuld, uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, vloeit voort dat het drugs- en medicijngebruik van de verdachte geen rol heeft gespeeld bij ’s hofs oordeel dat sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en zijn oordeel dat de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar is te achten. Nu de beantwoording van de bij de verdediging levende vragen aan de verzochte deskundigen niet relevant is te achten voor enige in het licht van de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing, acht het hof het niet noodzakelijk om de voornoemde personen als deskundigen of getuigen te horen. Het verzoek wordt dus afgewezen.”

In cassatie is onder meer geklaagd over het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde feiten (gedeeltelijk) aan de aanvrager kunnen worden toegerekend. De Hoge Raad heeft hierover in zijn arrest van 17 oktober 2023 het volgende overwogen:

Aan de beoordeling van de cassatiemiddelen voorafgaande beschouwing

Aan een verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit sprake was van – kort gezegd – een psychische stoornis, kan onder omstandigheden een beroep toekomen op de in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) omschreven strafuitsluitingsgrond. De Hoge Raad ziet in de conclusie van de procureur-generaal in deze zaak aanleiding om nader in te gaan op enkele onderdelen van het daarbij te hanteren beoordelingskader, in het bijzonder met betrekking tot de ontoerekenbaarheid als bedoeld in artikel 39 Sr.

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

- Artikel 37a leden 1 en 3 Sr:

“1. Indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechter gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld indien hij tot het oordeel komt dat:

1°. bij de verdachte tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond; en

2°. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel behoort tot een van de misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet.

3. Ten behoeve van het oordeel, bedoeld in het eerste lid, doet de rechter een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de betrokkene hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk te zijn uitgebracht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over dit advies.”

- Artikel 39 Sr zoals dat luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten:

“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend.”

- Artikel 39 Sr luidt sinds de inwerkingtreding van de wet van 24 januari 2018, houdende regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, Stb. 2018, 37) op 1 januari 2020:

“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.”

- Artikel 289 Sr:

“Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Het is aan de feitenrechter om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit een psychische stoornis als bedoeld in artikel 37a Sr en artikel 39 Sr bestond. De rechter heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. De vaststelling dat sprake is van zo’n psychische stoornis, is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. over artikel 37a Sr HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1311.)

In zijn arrest van 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5355 heeft de Hoge Raad verder geoordeeld dat geen rechtsregel meebrengt dat alleen een stoornis die is omschreven in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (hierna: DSM) kan worden aangemerkt als een “gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens” zoals bedoeld in artikel 37a lid 1 Sr. De Hoge Raad heeft in dat arrest bovendien opgemerkt dat de enkele omstandigheid dat een stoornis wel als zodanig wordt aangeduid in de DSM, evenmin betekent dat de rechter tot het oordeel moet komen dat sprake is van zo’n gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis. Deze uitgangspunten zijn ook van toepassing ten aanzien van de psychische stoornis als bedoeld in artikel 39 Sr.

De feitenrechter kan op grond van artikel 39 Sr beslissen dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.

Gedragingen van de verdachte die aan het optreden van de in artikel 39 Sr bedoelde stoornis zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het oordeel dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend in de zin van deze bepaling, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn als het optreden van de stoornis aan de verdachte zelf te wijten is geweest omdat hij verdovende middelen heeft gebruikt. (Vgl. HR 9 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0902 en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797.)

Het oordeel van de Hoge Raad

Het hof heeft naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting en mede op basis van drie gedragskundige rapportages, in onderling verband en samenhang bezien, geoordeeld dat de verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten leed aan een psychische stoornis, zonder dat het daarbij een specifieke stoornis heeft vastgesteld. In dat verband heeft het hof verder geoordeeld dat “de wet noch de jurisprudentie vereist dat de stoornis wordt geclassificeerd volgens de DSM-5 en dat deze dient te worden vastgesteld door (een) gedragskundige(n)” en dat het hof moet vaststellen “of sprake is van een stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling in juridische zin”. Deze oordelen getuigen, gelet op wat onder 5.4.2 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het derde en het vierde cassatiemiddel berusten op de opvatting dat het hof vaststellingen had moeten doen over de precieze aard van de bij de verdachte vastgestelde stoornis, falen zij dus omdat die opvatting in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht.

Het hof heeft vastgesteld dat de tenlastegelegde feiten in direct verband staan met de ten tijde van die feiten bij de verdachte aanwezige stoornis. Met betrekking tot de vraag of de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft het blijkens zijn onder 3.3 weergegeven overwegingen acht geslagen op wat daarover is aangevoerd door de vertegenwoordigers van het openbaar ministerie en door de verdediging. Verder heeft het hof onder ogen gezien dat over deze vraag in twee gedragskundige rapportages als advies van de betreffende deskundigen naar voren is gebracht dat de feiten (in het geheel) niet aan de verdachte zouden moeten worden toegerekend. Het hof heeft daarnaast op basis van zowel die gedragskundige rapportages, als van een derde gedragskundige rapportage en van in die rapportages weergegeven (door het hof geciteerde) eigen verklaringen van de verdachte overwogen dat de verdachte voor, tijdens en na de tenlastegelegde feiten “de strekking, de wettelijke en de morele ongeoorloofdheid en de context van zijn gedragingen in ieder geval tot op zekere hoogte heeft kunnen begrijpen en ook tot op zekere hoogte in staat was om overeenkomstig dat begrip zijn wil te vormen”. In dat verband heeft het hof ook vastgesteld dat de verdachte bij het begaan van de feiten telkens keuzes heeft gemaakt ten aanzien van de persoon van het beoogde slachtoffer en het moment van handelen. Op basis hiervan heeft het hof vastgesteld dat de verdachte niet verkeerde “in het volledige onvermogen om in overeenstemming van het nog bij hem levende begrip van de morele ongeoorloofdheid en wederrechtelijkheid van de bewezenverklaarde feiten te handelen en [dat] hij evenmin volledig verstoken [was] van zijn vermogens om krachtens dat inzicht zijn wil te bepalen”.

Mede op grond van dit alles heeft het hof geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten in enige mate in staat was een afweging te maken en voldoende in staat was om de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen te begrijpen en overeenkomstig dat begrip te handelen. Verder heeft het hof geoordeeld dat het handelen van de verdachte weliswaar in overwegende mate, maar niet volledig werd bepaald door zijn stoornis en dat gelet hierop de feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Dat oordeel getuigt, gelet op wat onder 5.4.1 en 5.5 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats.

Voor zover de cassatiemiddelen hierover klagen, falen ze.”

3. Het juridisch kader

De aanvraag tot herziening is gegrond op art. 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang:

“1. Op aanvraag van de procureur-generaal of van de gewezen verdachte te wiens aanzien een vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, kan de Hoge Raad ten voordele van de gewezen verdachte een uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling herzien:

a. (…);

b. (…);

c. indien er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.”

Uitgangspunt van het wettelijk stelsel is dat een veroordeling die door de Nederlandse strafrechter is uitgesproken, na het verstrijken van de termijnen voor het instellen van gewone rechtsmiddelen en eventueel na het daadwerkelijk benut zijn van die rechtsmiddelen, onherroepelijk wordt. Slechts onder bijzondere omstandigheden is daarna een inbreuk op die onherroepelijkheid mogelijk, namelijk als een aanvraag tot herziening van zo’n veroordelende uitspraak wordt ingediend en door de Hoge Raad gegrond wordt bevonden. Herziening is volgens de wet een buitengewoon rechtsmiddel.

Een van de gronden voor herziening kan, zoals ook in deze zaak centraal staat, een nieuw ‘gegeven’ (een zogenoemd novum) zijn. In art. 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv in combinatie met art. 460 lid 2 Sv is dit zo tot uitdrukking gebracht dat als grondslag voor een herziening slechts kan dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak tot een andere uitkomst zou hebben geleid, namelijk geen veroordeling, maar een vrijspraak, een ontslag van alle rechtsvervolging, de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie of de toepassing van een minder zware strafbepaling. Uit randnr. 1.3 blijkt dat de verdediging in de onderhavige zaak drie gegevens als een novum aan de herzieningsaanvraag ten grondslag heeft gelegd, te weten;

1. een uitspraak van het CTG;

2. een deskundigenrapport van [deskundige 3] ;

3. een ongecensureerde afsluitbrief van de IGJ.

Vanaf 1921 werd in art. 457 Sv het voor herziening vereiste novum omschreven als “eenige omstandigheid” die – kort gezegd – ernstige twijfel oproept over de veroordeling. Het (oude) begrip “omstandigheid” placht de Hoge Raad te verstaan als een omstandigheid van feitelijke aard. Sinds de wetswijziging van 1 oktober 2012 is de uitdrukking “eenige omstandigheid” vervangen door “een gegeven”. Voortaan zou het novum (“gegeven”) kunnen bestaan uit een omstandigheid van feitelijke aard (art. 457 (oud) Sv) én een gewijzigd inzicht in de uitleg van de feiten (art. 457 (nieuw) Sv). Onder het verruimde begrip “gegeven” begrijpt de Hoge Raad naast de van oudsher bekende “omstandigheid van feitelijke aard” alleen een nieuw of gewijzigd deskundigenoordeel. Een (nieuw) inzicht van juridische aard, zoals wijziging van rechtspraak of achteraf aan het licht gekomen procedurele fouten, leveren geen novum op.

De aard van het buitengewone rechtsmiddel van herziening brengt met zich dat de aangevoerde grond voor herziening niet al bij de eerdere berechting mag zijn gebleken. In dat geval is namelijk sprake van een gegeven dat de rechter die de veroordeling uitsprak, in zijn oordeel heeft kunnen betrekken. Uitgangspunt is de stand van zaken zoals de rechter die de aangevallen uitspraak deed, kende of geacht wordt te hebben gekend. Het nieuwe gegeven moet wel betrekking hebben op een omstandigheid die zich heeft voorgedaan of al bestond voor het wijzen van de einduitspraak waarvan herziening wordt aangevraagd. Dat uitgangspunt verhindert niet dat in herziening beroep wordt gedaan op latere getuigenverklaringen of een gewijzigd deskundigeninzicht die alsnog een ander licht werpen op de destijds bekende stand van zaken. Vertrekpunt zijn namelijk de feiten en omstandigheden voor en ten tijde van de berechting. Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of de rechter ook tot zijn beslissing zou zijn gekomen als hij op de hoogte zou zijn geweest van het nieuwe gegeven.

In herziening wordt voorondersteld dat de rechter bij het onderzoek op de terechtzitting bekend was met alle gegevens die zich bevinden in het strafdossier dat aan de veroordeling ten grondslag ligt. Dat geldt dus ook voor stukken die niet zijn vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting en/of de uitspraak. Die niet-vermelding, bijvoorbeeld omdat de veroordeling niet steunde op de inhoud van het desbetreffende stuk, betekent immers niet dat de rechter er geen kennis van heeft genomen. De vooronderstelde bekendheid van de rechter geldt niet alleen voor alles wat rechtstreeks uit het dossier is te putten, maar ook voor wat al deducerend en combinerend kan worden afgeleid uit de stukken van het dossier.

De eis dat het gegeven ‘nieuw’ is – wil het als novum kunnen worden aangemerkt – wordt ook gesteld aan een deskundigeninzicht. Naarmate voor de waardering van de portee van het bewijsmateriaal meer specialistische kennis is vereist, zal sneller kunnen worden aangenomen dat de rechter bij het onderzoek ter terechtzitting onbekend is geweest met een deskundige interpretatie van het onderzoeksmateriaal die niet bij wijze van deskundigenrapportage of verklaring van een deskundige ter terechtzitting deel uitmaakt van de processtukken. Het deskundigeninzicht kan in zo’n geval een nieuw licht op de zaak werpen en is in potentie een novum. Deskundigeninzichten die erop neerkomen dat de bij het hof reeds bekende onzekerheden van forensisch bewijs extra worden belicht, kunnen echter niet als novum worden aangemerkt als zij niet op nieuwe feiten zijn gebaseerd en evenmin duiden op een eerst achteraf blijkende evidente onjuistheid van het deskundigenoordeel waar de rechter in laatste ressort zich in belangrijke mate op heeft gebaseerd.

De vooronderstelling dat de rechter mag worden geacht bij het onderzoek ter terechtzitting bekend te zijn geweest met de gegevens die kunnen worden verkregen uit de voorhanden resultaten van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek moet alleen wijken bij sterke aanwijzingen van het tegendeel. Zo zal een interpretatie van feitenmateriaal die voor de hand ligt en die in principe door iedere leek kan worden aangereikt, niet gelden als een novum. Aangenomen mag worden dat de rechter zelf ook wel op die interpretatie was gekomen. Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat de rechter niet bekend was met bepaalde feiten uit het dossier.

Behalve dat het gegeven ‘nieuw’ moet zijn, moet het ook het ‘ernstige vermoeden’ wekken dat de veroordeling onjuist is. Onvoldoende voor het aannemen van het in art. 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv bedoelde ernstige vermoeden is dat het aangevoerde ‘mogelijk’ zou hebben geleid tot vrijspraak, ontslag van alle rechtsvervolging etc. Art. 457 Sv is in dat opzicht strikter. Het eist immers dat door het nieuwe gegeven het ‘ernstige vermoeden’ moet ontstaan dat de rechter de aanvrager zou hebben vrijgesproken, ontslagen van alle rechtsvervolging etc. als hij destijds met dat novum bekend was geweest. Het novum moet relevant en van voldoende gewicht zijn om herziening te rechtvaardigen. Het nieuwe gegeven moet de veroordeling, als het ware, op losse schroeven zetten. Niet is vereist dat het nieuwe gegeven de onschuld van de veroordeelde waarschijnlijk maakt. Het bewijs van het tegendeel van schuld is niet noodzakelijk. Voldoende is dat over de schuld van de aanvrager alsnog ernstige twijfel ontstaat. Het ‘ernstige vermoeden’ dat het novum tot herziening leidt ligt tussen de te strenge voorwaarde dat er zekerheid moet zijn dat de aanvrager in het onderhavige geval alsnog zal worden vrijgesproken, ontslagen van alle rechtsvervolging etc. en de te lichte conditie dat er een mogelijkheid is dat die vrijspraak, ontslag van alle rechtsvervolging etc. alsnog zal worden gegeven.

Bij de beantwoording van de vraag of een in een herzieningsaanvraag aangeduid nieuw gegeven het in art. 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv bedoelde ernstige vermoeden wekt, moet de gehele bewijsvoering van de rechter worden betrokken. Het gaat er daarbij om of het nieuwe gegeven, in het licht van enerzijds wat is aangevoerd in de herzieningsaanvraag en anderzijds de door de rechter gebruikte bewijsmiddelen en (eventuele) nadere (bewijs)overwegingen, dat ernstige vermoeden wekt.

Op grond van art. 460 lid 2 Sv moet de herzieningsaanvraag de gronden vermelden waarop deze berust, met bijvoeging van de bescheiden waaruit van die gronden kan blijken. Het is, ook gelet op het bijzondere karakter van het buitengewone rechtsmiddel van herziening, de aanvrager die tot op zekere hoogte aannemelijk moet maken dat en waarom de eerder oordelende rechter tot een van de in art. 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv genoemde beslissingen zou zijn gekomen als hij ten tijde van de behandeling van de strafzaak op de hoogte was geweest van wat in de herzieningsaanvraag naar voren is gebracht.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2412, NJ 2017/206, m.nt. J.M. Reijntjes, in dit kader het volgende vooropgesteld:

“Naar luid van art. 460, tweede lid, Sv dient de aanvraag de gronden te vermelden waarop deze berust. De aanvraag zal dus naar behoren gemotiveerd dienen te zijn. Dat vindt bevestiging in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot het huidige art. 460 Sv heeft geleid (Kamerstukken II, 2008-2009, 32 045, nr. 3, p. 32).

Hieruit - bezien in samenhang met de omstandigheid dat ingevolge art. 460 Sv de indiening van herzieningsaanvragen is voorbehouden aan rechtsgeleerde raadslieden en de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad - volgt dat uitsluitend een herzieningsaanvraag welke aan deze motiveringseis voldoet, in behandeling kan worden genomen.

Een aanvraag die daaraan niet beantwoordt, is niet een aanvraag als in de wet bedoeld en moet daarom buiten behandeling blijven. Dat betekent dat ingeval een op art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv steunende aanvraag een beroep doet op een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling,

a. de aanvraag een nauwkeurige omschrijving dient te behelzen van bedoeld gegeven (hierna: het novum), en dat dus niet kan worden volstaan met een verwijzing naar bijgevoegde bescheiden waaruit zo een novum zou moeten blijken;

b. de aanvraag de redenen moet vermelden waarom het novum tot één van de genoemde beslissingen zou hebben kunnen leiden;

c. de aanvraag, indien deze ertoe strekt de bewijsvoering aan te tasten, met voldoende precisie dient uiteen te zetten

(i) waarom welk onderdeel van de bij de aanvraag gevoegde bescheiden leidt tot ernstige twijfel aan de juistheid van een nauwkeurig aangeduid gedeelte van de bewijsvoering, en

(ii) waarom dat leidt tot het ernstige vermoeden dat het onderzoek van de zaak destijds zou hebben geleid tot een vrijspraak.

Slechts indien de aanvraag aan deze eisen voldoet, is de Hoge Raad in staat de gegrondheid ervan adequaat te beoordelen (vgl. HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:922, NJ 2014/353).”

Bij de beoordeling van een herzieningsaanvraag is verder nog het volgende van belang. Mede op grond van de geschiedenis van de totstandkoming van het huidige art. 457 Sv moet worden aangenomen dat een nieuw (en/of gewijzigd) deskundigeninzicht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting niet bekend was, en daardoor grond kan zijn voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak, als

- de betreffende kwestie tijdens de strafprocedure nog niet aan het oordeel van een deskundige was voorgelegd, dan wel

- in de betreffende strafzaak al wel onderzoek was verricht door een deskundige, maar deze deskundige naderhand tot een ander oordeel is gekomen, dan wel sprake is van een nieuwe deskundige die ofwel vanuit een ander vakgebied ofwel op grond van andere onderzoeksmethoden tot nieuwe conclusies komt, dan wel

- een nieuwe deskundige op grond van dezelfde feiten tot andere inzichten komt doordat het eerdere deskundigenoordeel is gebaseerd op onjuiste of onvolledige feitelijke veronderstellingen of doordat er nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen zijn op het betreffende vakgebied.

(Vgl. Kamerstukken II 2008/09, 32045, nr. 3, p. 10.)

Voor het oordeel of een deskundigeninzicht kan worden aangemerkt als zo’n gegeven, is het van belang dat de herzieningsaanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport zodanige informatie bevat dat de inhoud van dit inzicht en de nieuwheid daarvan op waarde kunnen worden geschat. De Hoge Raad heeft een aantal onderwerpen benoemd die hiervoor van betekenis zijn. Het gaat daarbij onder meer om het volgende. Allereerst moet de in de herzieningsaanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport opgenomen informatie betrekking hebben op de kennis en ervaring van de deskundige op het betreffende vakgebied. Verder is de onderbouwing van de nieuwheid van het inzicht van de deskundige van belang. Die onderbouwing moet daarbij betrekking hebben op de vraag in hoeverre het inzicht van de deskundige steunt op hetzij (a) ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting nog onbekende wetenschappelijke ontdekkingen of inzichten, hetzij (b) een beoordeling van ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting nog onbekende feiten of omstandigheden, hetzij (c) een ander deskundig oordeel over de weging en betekenis van ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting al bestaande wetenschappelijke inzichten, toegepast op ten tijde van dat onderzoek op de terechtzitting al bekende feiten en omstandigheden. Bovendien moet de onderbouwing betrekking hebben op de vraag hoe het inzicht van de deskundige zich verhoudt tot eerdere inzichten van diezelfde en/of andere deskundigen zoals die uit het aan de uitspraak ten grondslag liggende dossier naar voren komen.

Bij de beantwoording van de vraag of het betreffende deskundigeninzicht het ernstige vermoeden als bedoeld in art. 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv wekt, moet de gehele bewijsvoering van de rechter worden betrokken. Het gaat er dus om of het deskundigeninzicht, in het licht van enerzijds wat is aangevoerd in de herzieningsaanvraag en wat is gebleken over de onder randnr. 3.14 genoemde onderwerpen en anderzijds de door de rechter gebruikte bewijsmiddelen en (eventuele) nadere (bewijs)overwegingen, dat ernstige vermoeden wekt. De enkele omstandigheid dat een deskundige het bewijs anders weegt dan de rechter heeft gedaan, is niet voldoende om het voor herziening vereiste ernstige vermoeden te wekken.

4. De eerste voorgestelde grond voor herziening: de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

In deze paragraaf ga ik nader in op door de verdediging als novum gepresenteerde uitspraak van het CTG. Gelet op het hiervoor geschetste kader bespreek ik de vraag of dit gegeven nieuw is en zo ja, of het gegeven van voldoende gewicht is om het ernstige vermoeden te wekken dat de rechter de aanvrager zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging als hij destijds met dit gegeven bekend was geweest. In de vijfde en zesde paragraaf van deze conclusie doe ik datzelfde met de tweede en de derde door de verdediging voorgestelde gronden voor herziening, te weten het (aanvullend) deskundigenrapport van [deskundige 3] en de ongecensureerde afsluitbrief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, gericht aan de GGZ-instelling Mondriaan.

Hiervoor is onder randnummer 2.3 beschreven dat het hof ’s-Hertogenbosch bij de behandeling van de strafzaak in hoger beroep de beschikking had over drie rapportages over de geestelijke gezondheid van de aanvrager: het in eerste aanleg ook al beschikbare rapport van het Pieter Baan Centrum (rapport 1) en twee in de hoger beroepsfase opgestelde rapportages, waarvan een op verzoek van de verdediging (rapport 2) en een op verzoek van het hof (rapport 3). Onder randnummer 2.5 is vermeld dat na het onherroepelijk worden van de uitspraak in de strafzaak een tuchtprocedure heeft plaatsgehad tegen de deskundigen die rapport 3 hadden opgesteld. Zij zijn door het CTG (in navolging van het RTG) berispt. Volgens het CTG is het klachtonderdeel 2b deels gegrond, wat in de kern inhoudt dat de rapporteurs niet op inzichtelijke en consistente wijze hebben uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen en dat het rapport om die reden niet voldoet aan de eisen die het CTG aan een rapportage stelt. De verdediging huldigt naar aanleiding van dit oordeel van de CTG de opvatting dat rapport 3 is “gediskwalificeerd” en als “onbruikbaar (…) als grondslag voor juridische oordeelsvorming” en (dus) als “weg(ge)vallen” dient te worden beschouwd. Volgens de verdediging is het betreffende rapport “aantoonbaar van zeer grote betekenis (…) geweest voor de vragen die leefden bij het hof over de toerekeningsvatbaarheid van [aanvrager]”. Door het “wegvallen” van het rapport zou het ernstige vermoeden zijn ontstaan dat het hof een ander oordeel zou hebben gehad over de toerekenbaarheid van de aanvrager en de aanvrager zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging. “Beide andere pro Justitia-rapporten concludeerden immers tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid van [aanvrager]; deze deskundigenadviezen staan recht overeind.”

In de uitwerking van het gepresenteerde novum benadrukt de verdediging dat:

- de bevindingen in rapport 3 met betrekking tot het al dan niet door de aanvrager hebben gehandeld onder (volledige) invloed van een psychose volgens het hof tegenover de bevindingen en conclusies in de rapporten 1 en 2 staan;

- het hof zich heeft laten beïnvloeden door (de rapporteurs van) rapport 3, zowel voor wat betreft de inhoud van het rapport zelf als de nadere uitlatingen van de ter terechtzitting verschenen en ondervraagde rapporteurs;

- het oordeel van de rapporteurs van rapport 3 over het veroordelend vonnis van de rechtbank in de strafzaak “van mogelijke invloed” is geweest op het oordeel van het hof over de mate van toerekeningsvatbaarheid;

- het hof ook is beïnvloed door de standpunten van het Openbaar Ministerie welke in hoge mate zouden zijn gestoeld op de inhoud van rapport 3;

- het CTG het rapport “kwalitatief als onvoldoende” heeft beoordeeld, terwijl het rapport “een bepalende en doorslaggevende rol” heeft gespeeld bij de vraag naar de toepassing van art. 39 Sr;

- zonder rapport 3 de kans “reëel” zou zijn geweest dat de conclusies van de rapporten 1 en 2 (kort gezegd: volledig ontoerekeningsvatbaar) zouden hebben geleid tot toepassing van art. 39 Sr, wat een ontslag van alle rechtsvervolging van de aanvrager zou hebben meegebracht.

De uitspraak in de tuchtprocedure kan worden aangemerkt als een nieuw gegeven. Het is een oordeel van een gezaghebbende autoriteit over de – gebrekkige – wijze waarop in rapport 3 de conclusies zijn onderbouwd. Dat oordeel is uitgesproken na het onherroepelijk worden van het bestreden arrest. Het gegeven waarop de herzieningsaanvraag steunt was bij het onderzoek op de terechtzitting niet bekend bij het hof dat de veroordeling heeft uitgesproken.

De vervolgvraag is of dit nieuwe gegeven het ernstige vermoeden wekt dat de rechter, indien hij ervan op de hoogte zou zijn geweest, een ontslag van alle rechtsvervolging zou hebben uitgesproken. Voor de beantwoording van die vraag is relevant wat het CTG (in navolging van het RTG) met betrekking tot de (deels) gegronde klacht heeft geoordeeld, welke conclusie daaraan kan worden verbonden en hoe een en ander zijn doorwerking in de strafzaak zou kunnen hebben gehad c.q. heeft.

Het klachtonderdeel 2b dat door het RTG (deels) gegrond is verklaard betreft het verwijt van de klager – zijnde de aanvrager van de herziening – aan de rapporteurs van rapport 3 dat zij niet op inzichtelijke wijze uiteen hebben gezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. Het RTG heeft in dit kader (in de zaak van de psychiater, maar gelijkluidend in de zaak van de GZ-psycholoog) het volgende overwogen:

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

De vraag is of de psychiater met zijn beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden, waaronder de gedragscode van de NRGD en de Richtlijn psychiatrisch onderzoek en rapportage in strafzaken (2012) van de NVvP (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie). Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Daarnaast zijn er eisen die volgens vaste jurisprudentie aan een rapportage worden gesteld:

1) Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2) Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3) In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4) Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5) De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college toetst ten volle of het onderzoek door de psychiater uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de psychiater in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. Het college toetst uitdrukkelijk niet of de psychiater tot de conclusie had moeten komen dat sprake was van een psychose bij klager. Het is immers niet aan het college om tot een dergelijke beoordeling te komen.

(…)

Klachtonderdeel 2b: geen inzichtelijke en consistente uiteenzetting

Volgens klager zijn diverse aannames in het rapport onvoldoende onderbouwd en lijken de psychiater en de mederapporteur te suggereren dat klager niet de waarheid spreekt. De diagnostische conclusies, zoals borderline/tekortschieten affect- en agressieregulatie zijn onvoldoende onderbouwd en het persoonlijkheidsonderzoek is onvoldoende en ondeugdelijk. De rapporteurs geven geen advies, maar trekken wel allerlei conclusies. De rapporteurs lijken van de onjuiste taakopvatting uit te gaan dat zij onomstotelijk zouden moeten vaststellen dat wel of niet sprake was geweest van een psychiatrische stoornis. Het gaat er echter om of kan worden aangegeven of de aanwezigheid van een stoornis aannemelijk is. In het rapport worden tal van aanwijzingen gevonden voor het wél bestaan hebben van een psychose. De rapporteurs hebben deze aanwijzingen genegeerd en hebben niet uitgelegd waarom ze die genegeerd hebben. Er is selectief gebruik gemaakt van de beschikbare informatie. Zij hadden duidelijk moeten maken waarom alle opgesomde indicaties voor het aannemelijk zijn van een (gemaskeerde) psychose voor hen niet als betrouwbaar en indicatief voor een psychose zijn gezien.

De psychiater heeft de stellingen van klager gemotiveerd betwist. Hij stelt dat in het rapport op heldere en inzichtelijke wijze is weergegeven welke bronnen zijn gebruikt, wat de interpretatie van die bronnen is geweest en dat hij en zijn mederapporteur in redelijkheid tot hun conclusies konden komen. Hij heeft betwist dat selectief gebruik is gemaakt van de beschikbare bronnen. De psychiater en de mederapporteur zijn gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om te komen tot de beoordeling dat klager ten tijde van het plegen van de delicten psychotisch was. Omdat zij evenwel een psychotische ontregeling ook niet konden uitsluiten, hebben zij het antwoord op de vraag of klager psychotisch was, opengelaten. Zij hebben daarom ook geen uitspraken gedaan over het verband tussen een eventuele psychose en het tenlastegelegde. Deze conclusie is gebaseerd op uitgebreid onderzoek naar klager, zijn biografie, psychiatrische voorgeschiedenis, dossierstukken, eigen onderzoeken van beide rapporteurs en een multidisciplinaire forensisch gedragskundige beschouwing. Zij hebben hun bevindingen en beschouwingen uitgebreid en met verwijzingen naar de bronnen uitgewerkt. Zij hebben daarbij ook de bevindingen van de onderzoekers in het PBC-rapport en de contra-expertise in aanmerking genomen.

(…)

Klager spreekt in de stukken regelmatig over een advies, waarmee hij lijkt te doelen op een medisch advies voor behandeling. Het college stelt voorop dat de opdracht aan de psychiater en de mederapporteur weliswaar het uitbrengen van een advies betreft, maar dat dit advies gaat over de toerekenbaarheid en de mogelijke interventies om het recidivegevaar te beperken. Er is geen sprake van het geven van een medisch behandelingsadvies. Het college stelt vast dat het rapport niet volgens het gebruikelijke, door het NIFP aanbevolen format is opgebouwd. Het format geeft een vorm voor een objectieve en logische opbouw van het rapport. Door het niet gebruiken van het format hebben de psychiater en de mederapporteur naar het oordeel van het college de inzichtelijkheid van hun argumentatie en conclusies verminderd. Dit geldt naar het oordeel van het college ook voor het onvoldoende onderscheid tussen de differentiaal diagnostische overwegingen en de forensische beschouwing. Door het niet gebruiken van het format hebben de psychiater en de mederapporteur dus wel het risico genomen dat de inzichtelijkheid en interne consistentie van de rapportage verminderd zou worden en dat er mogelijk ongerijmdheden zouden kunnen bestaan. Zo wordt mogelijk ook met de in het begin genoemde opmerking “die aanwijzingen zijn door de rapporteurs niet gevonden” de schijn van vooringenomenheid gewekt.

Voor de beoordeling van de deugdelijkheid van de rapportage geldt anderszins dat het, anders dan de psychiater heeft aangevoerd, niet noodzakelijk is dat klager exact moet aangegeven op welke onderdelen de rapportage niet consistent en logisch zou zijn. Immers, door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) is geoordeeld dat het college ten volle moet toetsen of het onderzoek door de psychiater uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Dat neemt niet weg dat klager op zijn minst in algemene zin moet onderbouwen waarom de rapportage volgens hem niet zorgvuldig of vakkundig zou zijn.

Het college begrijpt uit al hetgeen door klager is aangevoerd dat de psychiater onvoldoende heeft onderbouwd in het rapport dat:

1) er geen noodzaak was om meer referenten te horen terwijl daarvoor wel aanleiding was;

2) waarom de aanwijzingen die leiden tot de conclusie dat er mogelijk wel sprake was van een psychose terzijde konden worden gesteld;

3) waarom het onderzoek naar middelengebruik heeft kunnen leiden tot de conclusie dat van gebruik sprake was;

4) waarom de zelfmoordpoging kon worden gebagatelliseerd;

5) waarom klager blijkens de afgenomen testen betrouwbare informatie gaf en niet geneigd is tot leugens, maar de psychiater hem niettemin niet geloofde;

6) waarom de conclusie volgens de psychiater kan zijn dat klager mogelijk willens en wetens drie personen heeft gedood, en

7) waarom enerzijds geen conclusies zouden kunnen worden getrokken over een persoonlijkheidsstoornis maar anderzijds wel een differentiaaldiagnose borderline dan wel agressieregulatieproblematiek wordt genoemd.

Het college is van oordeel dat de psychiater kon volstaan met het raadplegen van de enkele referent. De afwegingen die zijn gemaakt om ouders en/of overige familie en/of vrienden niet meer te bevragen, waren volgens de psychiater de volgende. Zij hadden al in een eerder stadium diverse verklaringen afgelegd en er waren, vanwege alle publiciteit en de uitspraak van de rechtbank, twijfels over het nut en de noodzaak om hen opnieuw te bevragen. Er was al veel collaterale informatie beschikbaar. De psychiater hoefde dit ook niet uitdrukkelijk op te nemen in de rapportage omdat de psychiater vrij is in de afweging of al dan niet informatie aan referenten wordt gevraagd. Dat de rapporteurs die eerder al een rapportage hadden opgemaakt voor de rechtbank, niet zijn bevraagd omdat dit niet gebruikelijk is, is juist en ook daarin heeft de psychiater correct gehandeld.

Het college kan uit het rapport echter niet opmaken op grond van welke informatie de psychiater is gekomen tot de conclusie dat de mogelijkheid van een psychose terzijde kon worden geschoven. Vast staat dat in de stukken die aan de psychiater ter beschikking zijn gesteld in ieder geval opmerkingen zijn gemaakt dat er mogelijk sprake was van een psychose. Ook blijkt uit de stukken, in het bijzonder uit de PPC-voortgangsrapportage waarin het gedrag van klager kort na de dodelijke incidenten uitgebreid wordt beschreven, dat deze beschrijvingen elementen bevatten die kunnen wijzen op een psychose. In het rapport van de psychiater en de mederapporteur worden de conclusies van de behandelend psychiater, de behandelend psychologen en de waarnemingen van de verpleegkundigen over het gedrag van klager tijdens zijn verblijf in het PPC wel genoemd, maar deze zijn zonder een navolgbare onderbouwing terzijde gesteld. Weliswaar worden tegenargumenten min of meer genoemd, maar onduidelijk blijft welke argumenten nu eigenlijk voor en welke argumenten tegen deze mogelijkheid pleiten. De weergave zoals in het rapport is opgenomen is in het licht van de gedragscode van de NRGD niet begrijpelijk. Volgens deze gedragscode moet immers sprake zijn van een nauwgezette weergave. Daaronder wordt ook verstaan dat nauwgezet wordt weergegeven welke voors en tegens er zijn voor een bepaalde beoordeling. Hoewel het college vaststelt dat de psychiater wel onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van hetgeen in de stukken staat, heeft de psychiater niet op inzichtelijke wijze onderbouwd waarom uiteindelijk deze gegevens, die de mogelijkheid van het bestaan van een psychose niet uitsluiten, niettemin terzijde konden worden geschoven. Ook ten aanzien van de overwegingen met betrekking tot de persoonlijkheid van klager ontbreekt de nadere onderbouwing met een hetero-anamnese of de uitkomsten van het testonderzoek. Onvoldoende duidelijk is of differentiaal diagnostisch is overwogen of bij onderzochte sprake is van een ontwikkelingsstoornis anders dan ADHD. In zoverre is het rapport dan ook niet voldoende inzichtelijk.

Het college stelt ook vast dat de psychiater in het rapport wel opmerkt dat hij en zijn mederapporteur de mening zijn toegedaan dat het aannemelijk is dat klager in de periode rond de tijd dat de delicten werden gepleegd, ander gedrag heeft vertoond en er mentaal anders aan toe was dan voor of na deze periode. Vervolgens wordt ook de vraag gesteld wat er met klager aan de hand was in die periode. De psychiater vraagt zich niet met zoveel woorden af of klager toen psychotisch was. De conclusie van de psychiater en de mederapporteur dat zij daarvan niet zonder meer overtuigd zijn, is naar het oordeel van het college niet inzichtelijk en navolgbaar. Uiteindelijk benoemen de psychiater en de mederapporteur namelijk als tegenargument enkel de politieverhoren die hebben plaatsgevonden en die de psychiater nadien op video heeft bekeken. De reden waarom deze verhoren kunnen leiden tot het niet hebben van de overtuiging dat mogelijk sprake was van een psychose, wordt echter niet toegelicht. Ook de opmerking dat de buschauffeur – die klager op de dag van de gepleegde delicten heeft gezien en beschrijft hoe klager overkwam – zich mogelijk heeft vergist, is niet navolgbaar. De verklaring van de buschauffeur is immers in een proces-verbaal opgetekend en geeft juist weer welk gedrag klager vertoonde. In welke zin de buschauffeur zich dan toch zou hebben vergist, is zonder een toelichting onbegrijpelijk. In het licht van opmerkingen in de voortgangsrapportage van het PPC over het gedrag van klager had de argumentatie voor en tegen het bestaan van een psychose meer en uitgebreid gelijkelijk moeten worden behandeld en inzichtelijk moeten worden gemaakt. Er was immers sprake van waarnemingen van anderen die klager hadden gezien rondom de momenten waarop hij de delicten heeft gepleegd en daarna door de politie zijn gehoord.

Ook de overwegingen met betrekking tot de vraag of er sprake was van middelengebruik zijn niet inzichtelijk en consistent wanneer deze worden afgezet tegen het onderzoek dat is gedaan door de toxicoloog. Het had van de psychiater verwacht mogen worden dat hij uitgebreider had stilgestaan bij zijn overwegingen en deze duidelijker in het rapport had benoemd. Dat de psychiater heeft aangegeven dat klager zou kunnen simuleren, is niet goed te volgen. De testresultaten laten immers een lage score zien op het gebied van simulatie/onbetrouwbaarheid en sociale wenselijkheid. Waarom de psychiater niettemin tot te conclusie komt dat klager zou kunnen simuleren, wordt niet ondersteund door de testresultaten en is bij gebreke van een verdere toelichting onduidelijk en niet inzichtelijk.

Er zijn door de psychiater differentiaal diagnostische overwegingen naar voren gebracht in een aantal psychopathologische domeinen. Deze overwegingen hebben niet geleid tot het stellen van een diagnose, behoudens de conclusie dat sprake is van een gemankeerde persoonlijkheid. Dit is geen gebruikelijke diagnostische formulering en er worden desondanks vergaande uitspraken gedaan over de persoonlijkheid van klager, waaronder de opmerking dat klager ook willens en wetens drie mensen kan hebben vermoord. Dit is een onvoldoende onderbouwing van deze uitspraken ook in het licht van de constatering van de psychiater en mederapporteur dat zij geen zicht kregen op klagers binnenwereld.

Het college is van oordeel dat de psychiater in het rapport de suïcidepoging van klager niet heeft gebagatelliseerd, doch slechts feitelijk heeft gewezen op een suïcidepoging. Klager heeft nader toegelicht dat de psychiater tijdens een zitting van het hof de opmerking zou hebben gemaakt er niet zeker van te zijn dat het om een echte suïcidepoging ging. Omdat dit klachtonderdeel ziet op de inhoud van de rapportage, valt hetgeen de psychiater wel of niet heeft opgemerkt tijdens die zitting, niet onder de beoordeling van de rapportage, zodat daaraan wordt voorbijgegaan.

Klager heeft ten slotte in algemene zin – zo heeft het college de onderbouwing begrepen – opgemerkt dat hij de indruk had dat sprake was van een doelredenering. Zo is al op een van de eerste pagina’s een conclusie weergegeven waar het rapport in de overige pagina’s naartoe redeneert. Het betreft de opmerking die als volgt luidt: “Tegen de achtergrond van de aanvullende vraagstelling zijn de meer dan 6000 pagina’s dossier met name bestudeerd met in het achterhoofd de vraag in hoeverre er in dat dossier duidelijke aanwijzingen te vinden zijn voor de door het Pieter Baan Centrum, en later ook in de in opdracht van de verdediging opgestelde contra-expertise verdedigde stelling dat betrokkene niet alleen ten tijde van het plegen van alle drie de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, maar ook in het jaar daaraan voorafgaand in een paranoïed-psychotische toestand verkeerde. Om die vraag hier meteen ook maar te beantwoorden: die aanwijzingen zijn door rapporteurs niet gevonden.” Het college is van oordeel dat juist is dat deze opmerking aan het begin van de rapportage niet los gezien kan worden van de overwegingen die de psychiater en de mederapporteur nadien hebben weergegeven. Echter, anders dan door klager is opgemerkt, is het college van oordeel dat van een doelredenering geen sprake is.

Al het voorgaande in overweging nemende, is het college van oordeel dat klachtonderdeel 2b deels gegrond is nu op een aantal punten het rapport niet dan wel onvoldoende inzichtelijk en consistent is, echter op andere, door klager genoemde punten, wel.”

Het CTG heeft geoordeeld dat het RTG het klachtonderdeel 2b terecht gedeeltelijk gegrond heeft verklaard. In dat kader is het volgende overwogen:

Klachtonderdeel 2b

In dit klachtonderdeel verwijt klager de psychiater dat hij (en de mederapporteur) niet op inzichtelijke en consistente wijze uiteen heeft/hebben gezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen.

Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het door de psychiater en de mederapporteur over klager uitgebrachte rapport niet voldoet aan criterium 3 (onder 3.5. [Toevoeging A-G: daar staat: “In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen”.]) Het (omvangrijke) rapport is onvoldoende inzichtelijk en weinig gestructureerd van opzet wat de consistentie niet ten goede komt. Het rapport vraagt veel zoek- en bladerwerk van de lezer. De multidisciplinaire forensisch gedragskundige beschouwing in paragraaf 5 van het rapport vloeit niet steeds logisch en navolgbaar voort uit de voorafgaande verslaglegging en wordt onvoldoende uitgelegd en onderbouwd. De onderbouwing van de bevindingen moet vaak in andere delen van het rapport worden gezocht. Daarnaast worden theoretische beschouwingen niet altijd gekoppeld aan onderzoeksbevindingen.

Zo schrijven de rapporteurs op pagina 104: “Last but not least hebben de rapporteurs zelf die politieverhoren bekeken die in genoemde periode hebben plaatsgevonden (een op 9 mei 2019 en twee op 12 mei 2019) en betrokkene maakte op hen allerminst de indruk dat hij op dat moment psychotisch was.” Voor de onderbouwing van die bevindingen moet worden teruggebladerd naar pagina 27 en 28 van het rapport.

Verder is op pagina 109 een theoretische beschouwing opgenomen over een borderline persoonlijkheidsorganisatie die vervolgens onvoldoende wordt gekoppeld aan de bevindingen ten aanzien van betrokkene.

Op pagina 110 staat: “De onafgestemdheid die betrokkene met enige regelmaat in de onderzoeksgesprekken ten toon spreidt doet oppervlakkig beschouwd wat autistiform aan, maar is door rapporteurs uiteindelijk niet geëvalueerd in termen van ontwikkelingsproblematiek in engere zin (bv. als een autismespectrumstoornis).” Waarom rapporteurs die mening zijn toegedaan staat niet vermeld.

Het Centraal Tuchtcollege deelt het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de argumentatie voor en tegen de aanwezigheid van een psychotisch toestandsbeeld uitgebreider en nauwgezet had moeten worden behandeld en zo inzichtelijk had moeten worden gemaakt. Het rapport schiet in dit opzicht tekort.

Ook de overwegingen met betrekking tot de vraag of er sprake was van middelengebruik zijn niet inzichtelijk en consistent wanneer deze worden afgezet tegen het onderzoek dat is gedaan door de toxicoloog.

Het had van de psychiater en de mederapporteur verwacht mogen worden dat zij de inzichtelijkheid en consistentie van het rapport beter hadden bewaakt en strakker hadden verwoord welke waarde zij aan hun onderzoeksbevindingen toekenden. De onderbouwing van de bevindingen is daardoor niet adequaat. Hiervan kan de psychiater een ernstig tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Evenals het Regionaal Tuchtcollege acht het Centraal Tuchtcollege de klacht in zoverre gegrond.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat ook de beantwoording van de vraagstelling in paragraaf 6 van het rapport op sommige punten strakker had gekund.

Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege van oordeel is dat het Regionaal Tuchtcollege klachtonderdeel 2b terecht gedeeltelijk gegrond heeft verklaard.”

Van belang is dat het CTG, net als het RTG, niet toetst of de rapporteurs op basis van het verrichte onderzoek tot de conclusie hadden moeten komen dat de aanvrager voorafgaand en/of ten tijde van het tenlastegelegde psychotisch gedecompenseerd was. Getoetst wordt ‘enkel’ of de rapporteurs in redelijkheid tot de door hun getrokken conclusie hebben kunnen komen.

Uit het resultaat van de tuchtprocedure kan niet de conclusie worden getrokken dat door de aan rapport 3 klevende gebreken, het ervoor zou moeten worden gehouden dat de enige juiste vaststelling van de stoornis in de strafzaak de diagnose zou zijn die uit rapport 1 en/of rapport 2 volgt (omdat deze deskundigenrapporten – in de woorden van de verdediging – (wel) “recht overeind” staan).

De conclusie die uiteraard wel kan worden getrokken is datgene wat het CTG “opnieuw rechtdoende” heeft beslist. Blijkens de motivering van de maatregeloplegging van het CTG is in het rapport: “op onvoldoende inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. Het rapport voldoet daarmee niet aan de eisen die het Centraal Tuchtcollege volgens vaste rechtspraak aan een rapportage stelt. Het Centraal Tuchtcollege is – alles afwegende – evenals het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de [rapporteur(s)] hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat de maatregel van berisping in dit geval passend is.”

De vraag rijst of deze conclusie van het CTG van betekenis is voor de juistheid van de door het hof gedane uitspraak in het bestreden arrest. Beter gezegd: wordt hierdoor het ernstige vermoeden gewekt dat dit nieuwe gegeven zou hebben geleid tot een ontslag van alle rechtsvervolging, indien de rechter hiermee bekend zou zijn geweest? Voor de beantwoording van die vraag ga ik eerst in op de wijze waarop het hof het beroep op ontoerekeningsvatbaarheid heeft beoordeeld, alsmede wat daaraan ten grondslag is gelegd. Vervolgens ga ik na in hoeverre de uitspraak van het CTG het oordeel van het hof zou doen wankelen, in die zin dat het voorgestelde novum een grond voor herziening kan opleveren.

Het hof heeft in het kader van de beoordeling van het beroep op de schulduitsluitingsgrond ontoerekeningsvatbaarheid (art. 39 Sr (oud)), zoals weergegeven onder randnummer 2.7, een stramien gevolgd waarbij de volgende vragen zijn gesteld en beantwoord.- 1. Was er ten tijde van het begaan van de strafbare feiten sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte?

- 2. Zo ja, is een causaal verband tussen de stoornis en het strafbare feit voldoende aannemelijk;

- 3. Zo ja, welk oordeel moet – gelet op de eerste twee vragen en gelet op alle omstandigheden van de casus – over de toerekening worden gegeven?

Het daaruit voortgekomen oordeel van het hof getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Met het arrest van het hof – uiteraard bezien in samenhang met het arrest van de Hoge Raad – moet het ervoor worden gehouden dat het aan de feitenrechter is om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het begaan van het ten laste gelegde feit een psychische stoornis bestond. Dat is een feitelijke vaststelling waarvoor de rechter een eigen verantwoordelijkheid draagt en waarbij hij niet is gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. Tevens is er geen rechtsregel die meebrengt dat alleen een stoornis die is omschreven in DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) kan worden aangemerkt als een ‘gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens’. De rechter mag volstaan met de enkele vaststelling dát er sprake is van een stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens als bedoeld in art. 39 Sr (oud); het hof is er rechtens niet toe gehouden vaststellingen te doen over de precieze aard van de vastgestelde stoornis.

Anders dan de verdediging doet voorkomen staat een rechter niet voor een “keuze” tussen conclusies volgend uit beschikbare pro Justitia-rapportages (die al dan niet “tegenover” elkaar staan). Het gaat om een zelfstandig oordeel, waarbij de rechter wordt geïnformeerd en geadviseerd door deskundigen, maar uiteindelijk, als het gaat om de toerekenbaarheid, zelf een feitelijke vaststelling doet en naar aanleiding daarvan een juridisch oordeel velt.

In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dát de verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Het hof heeft in dit kader volstaan met de vaststelling dat de verdachte iets ‘mankeert’ en heeft zich hierbij gebaseerd op de drie deskundigenrapportages. - In rapport 1 was de diagnose: “een psychotisch toestandsbeeld, dat zich kenmerkte door ernstige realiteitstoetsingsproblematiek in de vorm van een uitgebreid waansysteem, leidend tot hevige paranoïde angsten en daarnaast verhoogde associativiteit en hallucinaties” en “langdurige en ernstige psychische ontregeling [die] vermoedelijk [past] binnen het kader van een chronische psychotische stoornis, zoals schizofrenie” (wat als zodanig niet door de deskundigen is vastgesteld) maar er kan ook “gedacht worden aan een schizoaffectieve stoornis”.- In rapport 2 wordt gesproken over een “floride psychotisch toestandsbeeld, in het kader van de stoornis schizofrenie, met als gevaarlijke kern een paranoïde waansysteem met complotwanen en betrekkings- en beïnvloedingswanen”. “Ook de stoornis door cannabisgebruik was actueel.”- De rapporteurs van rapport 3 hebben (buiten een ‘gemankeerde persoonlijkheid’) geen (specifieke) stoornis kunnen vaststellen, wat volgens het hof niet de conclusie met zich brengt dat er geen sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.Naast het feit dat rapport 3 afwijkt van de eerste twee rapporten voor wat betreft het aangeven van een specifieke duiding met betrekking tot de vastgestelde stoornis, wijken rapport 1 en 2 onderling ook in geringe(re), maar toch enige mate van elkaar af.

Het hof heeft (volgens de Hoge Raad: zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting) geoordeeld dat er sprake was van een stoornis, zonder daaraan een specifieke classificatie te geven. Het hof kiest voor een algemene omschrijving (een paraplubegrip), dat mede kan omvatten een psychotisch toestandsbeeld. Het hof heeft dat ook mogen doen en was, als gezegd, er niet toe gehouden de stoornis als zodanig te benoemen. Als de rechter op de hoogte was geweest van de conclusie van het CTG, was het oordeel van het hof ten aanzien van de eerste in verband met art. 39 Sr te beantwoorden vraag, niet op losse schroeven komen te staan.

Met betrekking tot het antwoord van het hof op de tweede in het kader van art. 39 Sr te beantwoorden vraag – de vraag naar de aannemelijkheid van een causaal verband tussen de aanwezigheid van een stoornis en het strafbare feit – kan ik kort zijn. Dat verband is aanwezig geacht, zelfs ondanks het gegeven dat in rapport 3 hierover geen uitspraak is gedaan, omdat de deskundigen zich hierover een onvoldoende beeld hebben kunnen vormen. Hieruit volgt dat als de rechter op de hoogte was geweest van de conclusie van de CTG over rapport 3, die conclusie geen invloed zou hebben gehad op het oordeel van het hof.

Dan rest nog de vraag: zou het resultaat van de tuchtprocedure – alsmede het (volgens de verdediging: daardoor) niet specifiek als psychose aanduiden van de stoornis van de aanvrager – ware de rechter hiermee bekend, van invloed zijn geweest op de vraag aangaande de toerekenbaarheid, de derde vraag die het hof zich stelde in het kader van art. 39 Sr?

Anders dan de eerste twee vragen is deze vraag primair normatief van aard. Het op feitelijke vaststellingen te baseren oordeel over de toerekenbaarheid ligt primair in handen van de rechter. In dit kader wordt gekeken naar alle facetten die zien op (on)toerekenbaarheid. In meer specifieke zin gaat het dan om de beslissing “dat het feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit”.

Als gezegd, heeft het hof in zijn algemeenheid vastgesteld dát sprake is van een stoornis als bedoeld in art. 39 Sr. Hieronder kan ook een meer specifieke stoornis, zoals een uit de rapporten 1 en 2 volgend psychotisch toestandsbeeld, worden begrepen. Ook bij die meer algemene benadering is er ruimte voor het doen van feitelijke vaststellingen die ertoe kunnen leiden dat aan een verdachte (niettemin) een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het is immers niet zo dat het leiden aan een psychose iemand per definitie vrijwaart van toerekenbaarheid en strafbaarheid. Het hof overwoog ook – ik herhaal: “Het komt er eigenlijk op neer dat de rechtvaardiging voor het niet of in mindere mate verantwoordelijk houden van de verdachte voor zijn gedrag is gelegen in (de mate van diens) onvermogen zijn begrip en wil te kunnen vormen, ongeacht de oorzaak daarvan. (…) In feite is hetgeen wat uiteindelijk voor de beantwoording van de vraag naar (de mate van) het toerekenen het meest relevant is, niet zozeer de stoornis an sich, maar de (mate van) dysfunctie van de verdachte en meer in het bijzonder (de mate van) diens onvermogen.” En in het verlengde hiervan: er zijn ook mensen, leidend aan (bijvoorbeeld) een psychose, die in weerwil van een waan geen gevolg geven aan een drang of ‘opdracht’ c.q. geen strafbare feiten plegen.

Het hof heeft de beantwoording van de derde in het kader van art. 39 Sr te beantwoorden vraag gestoeld op niet alleen het derde rapport, maar ook op de eerste twee rapporten, alsmede het verhandelde ter terechtzitting en de verklaringen van de aanvrager.

Met betrekking tot het bewust zijn van de wederrechtelijkheid van het handelen stelt het hof vast dat “uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken dat de verdachte zich alles van de periode tijdens de bewezenverklaarde feiten herinnert en dat hij zich ten tijde van het tenlastegelegde ook zeer bewust was van de wederrechtelijkheid van zijn handelen.” Volgens het hof “wist [hij] dat hij geen mensen mocht doden en zijn begrip van de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen was in die zin niet verstoord”. Het hof hecht daarbij belang aan de omstandigheden dat hij eerst moed moest verzamelen voor het doden, hij telkens erg van streek was na het doden, hij het ‘gruwelijk’ vond om te doen, hij het niet wilde doen en dat hij na het doden van binnen ‘keihard aan het huilen’ was.

Met betrekking tot het al dan niet in staat zijn in overeenstemming te handelen met het begrip van de wederrechtelijkheid stelt het hof, na een weergave van de verklaringen van de verdachte uit de drie rapporten, vast dat “de verdachte voor, tijdens en na de delicten in ieder geval tot op zekere hoogte heeft kunnen begrijpen en ook tot op zekere hoogte in staat was om overeenkomstig dat begrip zijn wil te vormen”. Volgens het hof verkeerde de aanvrager “dus niet in het volledige onvermogen om in overeenstemming van het nog bij hem levende begrip van de morele ongeoorloofdheid en wederrechtelijkheid van de bewezenverklaarde feiten te handelen en hij was evenmin volledig verstoken van zijn vermogens om krachtens dat inzicht zijn wil te bepalen”. Het hof maakt daarbij niet expliciet welke exacte omstandigheden tot die gevolgtrekking leiden. De Hoge Raad acht in dit kader relevant “dat de verdachte bij het begaan van de feiten telkens keuzes heeft gemaakt ten aanzien van de persoon van het beoogde slachtoffer en het moment van handelen”. M.i. is ook c.q. met name relevant de keuze van de aanvrager om na het doden van het eerste slachtoffer op 4 mei in de Scheveningse Bosjes niet nog een tweede persoon te doden, ondanks de ‘opdracht’ van ‘het Systeem’. Het gaat immers niet zozeer om de vraag of hij nog enige vrijheid had om te bepalen wie hij ging vermoorden of waar hij iemand ging vermoorden, als wel om de vraag of hij überhaupt de keuzevrijheid (ondanks ‘het Systeem’) had om niet iemand te vermoorden. Aanwijzingen daarvoor kunnen worden gevonden in de door het hof aangehaalde passages uit alle drie de rapporten: - “Hij was “helemaal van streek”. Hij was meer bang en verdrietig dan boos. Hij wilde het niet nog eens doen, ook al was dat wel de opdracht. “Ik dacht: als er een nummer twee komt, ben ik dat zelf.” (…)” (rapport 1); - “Betrokkene kan niet precies terughalen wanneer hij dacht dat hij niet nog een persoon kon doden. “Misschien had ik het van tevoren al bedacht? Ik wist in ieder geval daarna heel zeker dat er geen tweede zou volgen. Dat was het, ik ben er klaar mee. Ik doe het niet nog een keer. Het was echt verschrikkelijk om te doen, echt too much. Ik kan het niet beschrijven.” (…)” (rapport 2); - “Betrokkene zegt dat het hem na het om het leven brengen van de 56-jarige vrouw niet meer lukte om nog een tweede slachtoffer te maken. ‘Ik kon het echt niet meer.’ Betrokkene spreekt over ‘een eigen moraal die ja dan tegenhoudt’, in weerwil van de moraal die het systeem hem, met kracht, probeerde op te leggen. ‘Het mechanisme dat iets je tegen staat – bv. iemand met een mes steken, of jezelf slaan –, zit veel dieper dan een logische redenering. Je emoties kan het niet schelen wat logisch is. Je brein wil dan toch iets anders.’ (…)” (rapport 3).

Terug naar de te beantwoorden vraag in het kader van de herziening. Zou het resultaat van de tuchtprocedure – alsmede het (volgens de verdediging: daardoor) niet specifiek als psychose aanduiden van de stoornis van de aanvrager – ware de rechter hiermee bekend, van invloed zijn geweest op de vraag aangaande de toerekenbaarheid, de derde vraag die het hof zich stelde in het kader van art. 39 Sr?

Tegen de achtergrond van het feit dat volgens de Hoge Raad het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is, zie ik met betrekking tot de beoordeling van het verzoek tot herziening geen reden om te veronderstellen dat de inhoud van de door het hof geciteerde passages uit de drie rapporten niet geschikt kan zijn als grondslag voor het oordeel dat de feitelijke omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op ontoerekeningsvatbaarheid. Het niet aanmerken van de stoornis als een psychose, terwijl die mogelijkheid wel bestond als de rechter de beschikbare rapporten 1 en 2 zou hebben gevolgd, doet daar niet aan af. De rechter is daar niet toe gehouden. Wat er verder ook zij van de waarde die het hof aan rapport 3 heeft toegekend, ook zonder dat rapport kan uit het beschikbare materiaal, de overige rapportages en de processen-verbaal van de terechtzittingen – waaruit onder meer blijkt van het niet in het volledige onvermogen verkeren om in overeenstemming van het nog bij de aanvrager levende begrip van de morele ongeoorloofdheid en wederrechtelijkheid van de bewezen verklaarde feiten te handelen en het evenmin volledig verstoken zijn van zijn vermogens om krachtens dat inzicht zijn wil te bepalen – redelijkerwijs worden afgeleid dat de bewezen verklaarde feiten aan de aanvrager (gedeeltelijk) kunnen worden toegerekend. Daarbij breng ik in herinnering dat- het hof ook uit de rapporten 1 en 2 heeft geput voor de beantwoording van de vraag of aan de aanvrager een geslaagd beroep op ontoerekeningsvatbaarheid toekomt; - het hof daarbij geïnformeerd was over de kwestie in hoeverre in een waan nog wilsvrijheid was en empathie mogelijk was; - in eerste aanleg de rechtbank – waarnaar het hof expliciet verwijst – bij haar uitspraak alleen rapport 1 (met kort gezegd de diagnose “psychotisch toestandsbeeld” en de strekking “ontoerekeningsvatbaarheid”) tot haar beschikking had en tot een veroordeling kwam. Tegen deze achtergrond volg ik de verdediging niet dat rapport 3 – waaronder mede wordt begrepen het (op uitnodiging daartoe gegeven) oordeel van de rapporteurs over het veroordelend vonnis van de rechtbank – “een bepalende en doorslaggevende rol heeft gespeeld” en dat “zonder het rapport 3 de kans reëel [AG: mijn onderstreping] [zou] zijn geweest dat de conclusies van de rapporten 1 en 2 zouden hebben geleid tot toepassing van art. 39 Sr en aanvrager zou zijn ontslagen van alle rechtsvervolging. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie in het requisitoir en/of het hof bij de vraagstelling op het onderzoek ter terechtzitting aansluiting kan hebben gezocht bij onderdelen uit rapport 3 doet daar niet aan af.

Ten overvloede zij hier nog benadrukt dat klachten over rechtsoordelen en/of de al dan niet aanwezige noodzaak van het op elkaar aansluiten van het psychiatrische/gedragskundige en het juridische begrippen- of beoordelingskader, zich niet lenen voor beoordeling in het kader van het bijzondere rechtsmiddel herziening.

Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat het resultaat van de tuchtprocedure tegen de rapporteurs van rapport 3 bepaald niet een ernstig vermoeden oplevert dat de rechter, indien hij daarmee bekend was geweest, de aanvrager zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging.

5. De tweede voorgestelde grond voor herziening: het aanvullend deskundigenrapport van [deskundige 3]

, psychiater en hoogleraar Psychiatrie bij het Universitair Medisch Centrum Groningen, heeft na een gesprek met de moeder van de aanvrager en met de verdediging zijn hulp aangeboden bij het verzoek tot herziening. Hij heeft een deskundigenrapport opgesteld waarin hij (na een verantwoording) ingaat op drie vraagpunten: 1. in hoeverre sprake is geweest van een psychose ten tijde van de bewezen verklaarde feiten (met daarbij ook aandacht voor de rol van drugsgebruik door de aanvrager en de inname van het medicijn dexamfetamine, alsmede voor de oorzaken van twijfel over de aanwezigheid van een psychose), 2. of er een causaal verband bestaat tussen de stoornis en het delict, en 3. in hoeverre er sprake is geweest van vrijheid van handelen. Het rapport wordt afgesloten met de volgende conclusie:

“ [aanvrager] had een psychotische episode van zomer 2018 tot en met juni/augustus 2019, fluctuerend van ernst. Deze symptomen gingen gepaard met veranderingen in functioneren, emoties en gedrag. Het opvlammen van de psychose (door stress, drugs en/of dexamfetamine) heeft geleid tot een ernstige suïcidepoging in november 2019 en tot de drie moorden in mei 2019. Er is een duidelijk oorzakelijk verband tussen de psychose en de delicten, die bovendien op geen enkele andere manier te verklaren zijn. Ten tijde van de delicten begreep [aanvrager] weliswaar dat moord wederrechtelijk is, maar was hij door zijn psychotische overtuigingen over het allesbepalende Systeem niet in staat hiernaar te handelen.

Zijn planning en de keuzes die hij maakte in methode, locatie en slachtoffers zijn hiermee psychiatrisch volstrekt niet in tegenspraak, omdat een psychose handelen weliswaar dwingend kan bepalen, maar tegelijk ruimte kan laten voor nadenken en plannen.”

De verdediging meent dat dit rapport als een nieuw gegeven dient te worden aangemerkt “vanwege het negatieve oordeel van de tuchtcolleges over de inhoudelijke kwaliteit van het rapport 3. Zonder het negatieve oordeel over de kwaliteit van het rapport 3 zou het nieuwe rapport van mindere betekenis zijn geweest. Dit in verband met de beperkingen die samenhangen met de vrijheid van de feitenrechter in zijn oordeelsvorming over de toerekenbaarheid”. Verder is de verdediging de opvatting toegedaan dat indien het hof dit rapport zou hebben gekend, deze deskundige aanvullend zou zijn gehoord en het hof hoogstwaarschijnlijk tot een ander oordeel over de toerekenbaarheid zou zijn gekomen.

Voor zover de verdediging met het onderhavige rapport, als nieuw deskundigenoordeel, heeft beoogd te betogen dat het hof het recht (i.c. art. 39 Sr) onjuist heeft toegepast, zij opgemerkt dat daarvoor in de herzieningsprocedure geen plaats is. Tegen een onjuiste toepassing van het recht dient immers te worden gewaakt door het instellen van het (gewone) beroep in cassatie of door de aanwending van het buitengewone rechtsmiddel van cassatie in het belang der wet.

Met betrekking tot de vraag of het onderhavige rapport, als nieuw deskundigenoordeel, een nieuw gegeven oplevert dat het ernstige vermoeden wekt dat de rechter, ware hij bekend met het gegeven, een ontslag van alle rechtsvervolging zou hebben uitgesproken, zij het volgende opgemerkt. Niet elk nieuw advies van een deskundige levert een novum op. Naast de onder randnummer 3.13 opgesomde voorwaarden heeft te gelden dat de enkele omstandigheid dat een deskundige het voorhanden zijnde (bewijs)materiaal anders weegt dan de rechter heeft gedaan, niet voldoende is om het voor herziening vereiste ‘ernstige vermoeden’ te wekken. Hoewel het rapport van [deskundige 3] op zichzelf van later datum is dan het arrest van het hof kan – ook al betreft het in strikte zin een gegeven dat de rechter niet bekend was c.q. kon zijn – m.i. niet worden gesproken van een nieuw gegeven dat het ernstige vermoeden wekt dat de veroordeling onjuist is. De bevindingen en conclusies van [deskundige 3] komen, gelet op het voorgaande, in de kern neer op de inhoud van de rapporten 1 en 2, alsmede van het besprokene ter terechtzitting, welke inhoud de rechter ten tijde van de besluitvorming en de uitspraak bekend was. In zoverre is de essentie van het rapport niet nieuw. Immers: ook op het onderzoek ter terechtzitting is gesproken over (en is door de rapporteurs van rapport 1 verklaard over) onder meer a) de kwestie in hoeverre door de hulpverlening in een eerder stadium niets is opgemerkt over het psychotisch zijn van de aanvrager, b) het niet naar waarheid verklaren door de aanvrager tijdens politieverhoren en c) het niet (kunnen) vaststellen van een psychose door de rapporteurs van rapport 3 en d) de mogelijkheid om na te denken, te plannen, afwegingen te maken en empathie te hebben in een waan c.q. tijdens een psychotische episode. De opvatting van de verdediging dat “indien het hof dit rapport zou hebben gekend, deze deskundige aanvullend zou hebben gehoord” en “hoogstwaarschijnlijk tot een ander oordeel” over de toerekenbaarheid van de aanvrager zou zijn gekomen, deel ik om die reden niet.

Het gegeven is, gelet op het voorgaande en tegen de achtergrond van al het beschikbare materiaal, niet van voldoende gewicht om het ernstige vermoeden te doen ontstaan dat de rechter, ware hij bekend met het gegeven, een ontslag van alle rechtsvervolging zou hebben uitgesproken – ook niet in samenhang bezien met de eerste aangevoerde grond voor herziening. Daarmee is het geen novum in de zin van de wet.

6. De derde voorgestelde grond voor herziening: de ongecensureerde afsluitbrief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

Blijkens de aanvraag is de verdediging tijdens het opmaken van het herzieningsverzoek in het bezit gesteld van de zogenoemde “niet gelakte” versie van de afsluitbrief van de IGJ die is gericht aan GGZ-instelling Mondriaan. Deze afsluitbrief heeft betrekking op de rapportage van een onderzoek dat de IGJ heeft ingesteld, de reflectie daarop en de nadien aangebrachte aanvullingen, naar aanleiding van een melding dat de aanvrager zich op 8 mei 2019 had onttrokken aan de verpleging, door sabotage van een rookmelder. Enkele van de in de onderzoeksrapportage gedane vaststellingen zijn door de verdediging van belang geacht voor de in het herzieningsverzoek gehuldigde opvatting dat het hof in de strafzaak “naar alle waarschijnlijkheid” zou hebben bevolen tot nader onderzoek, in het bijzonder met betrekking tot de vaststellingen dat de behandelaren van de GGZ-instelling achteraf hebben aangegeven dat ze zich mogelijk hebben laten misleiden door de ontkenning door de aanvrager dat hij psychotisch was.

Bij deze voorgestelde grond voor herziening dringt zich de vraag op of hetgeen hierover wordt aangevoerd voldoet aan de in art. 460 lid 2 Sv geldende eisen. M.i. wordt niet met voldoende precisie uiteengezet waarom het gestelde tot herziening moet leiden (zoals hiervoor onder randnummers 3.11 en 3.12 bedoeld). Gesteld wordt dat de afsluitbrief van de IGJ, gericht aan de GGZ-instelling Mondriaan “veel onbeantwoorde vragen op[levert] die door het hof, het Openbaar Ministerie en de verdediging ten tijde van de behandeling in hoger beroep, nader onderzocht hadden moeten (kunnen) worden” en dat een en ander “van waarde is in verband met de vraag die bij het hof voorlag of en in welke mate de door Mondriaan voorgeschreven medicatie de ‘trigger’ kan zijn geweest voor de vraag of en in welke mate [aanvrager] (volledig of in enige mate) psychotisch was ten tijde van het plegen van de delicten”. Hierin lees ik geen (voldoende precieze) uiteenzetting over de vraag (i) waarom welk onderdeel van de bij de aanvraag gevoegde bescheiden leidt tot ernstige twijfel aan de juistheid van een nauwkeurig aangeduide vaststelling van het hof, en (ii) waarom dat leidt tot het ernstige vermoeden dat het onderzoek van de zaak destijds zou hebben geleid tot een ontslag van alle rechtsvervolging.

Voor zover reeds om deze reden de “niet gelakte” afsluitbrief niet als grond voor een herziening kan gelden, zij nog het volgende opgemerkt.

In het bestreden arrest heeft het hof uiteengezet dat het niet tot een classificatie van de stoornis van de aanvrager is gekomen. Het hof heeft in het midden gelaten of de eventuele psychose waarin de aanvrager verkeerde het gevolg was van schizofrenie, een schizoaffectieve stoornis dan wel een andere aanwezige stoornis of dat sprake was van een door (verdovende) middelen geïnduceerde psychose. Het hof hoefde volgens het arrest van de Hoge Raad ook niet tot een classificatie te komen en hoefde ook niet verder in te gaan op het al dan niet verkeerd innemen van voorgeschreven medicatie door de aanvrager, het drugsgebruik van de aanvrager en de geloofwaardigheid van diens verklaringen omtrent zijn middelen- en/of medicijngebruik.

Voor de beantwoording van de derde vraag van art. 350 Sv heeft het hof dus mogen volstaan met de vaststelling dat de verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat het causale verband tussen de stoornis en de strafbare feiten voldoende aannemelijk is, waarna het tot een oordeel komt over de toerekening. De “niet gelakte” afsluitbrief van de IGJ, die betrekking heeft op de rapportage die is opgesteld naar aanleiding van een calamiteit op 8 mei 2019, biedt m.i. onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat het oordeel van het hof met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten op losse schroeven komt te staan.

Daar komt bij dat het hof het door de verdediging in hoger beroep gedane verzoek “om psychiater [deskundige 8] , verpleegkundige [deskundige 9] , psycholoog [deskundige 10] en psychiater [deskundige 11] als getuigen te horen, teneinde de misverstanden omtrent het gebruik van dexamfetamine uit de wereld te helpen” heeft afgewezen en in dat kader heeft overwogen dat “medicijngebruik van de verdachte geen rol heeft gespeeld bij ’s hofs (…) oordeel dat de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar is te achten. Nu de beantwoording van de bij de verdediging levende vragen aan de verzochte deskundigen niet relevant is te achten voor enige in het licht van de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing, acht het hof het niet noodzakelijk om de voornoemde personen als deskundigen of getuigen te horen.” Ook gelet op het feit dat het hof over informatie beschikte – volgend uit de verklaringen van de rapporteurs van het eerste pro Justitia-rapport ( [deskundige 4] en [deskundige 5] ) tijdens het onderzoek ter terechtzitting – over de rol van dexamfetamine bij de inkleuring van de ontregeling bij de aanvrager en de mate waarin dexamfetamine de oorzaak van een psychotisch proces kan zijn geweest – zie ik niet in wat “nader onderzocht [had] moeten (kunnen) worden” en op welke wijze dat “van waarde is in verband met de vraag die bij het hof voorlag of en in welke mate de door Mondriaan voorgeschreven medicatie de ‘trigger’ kan zijn geweest voor de vraag of en in welke mate [aanvrager] (volledig of in enige mate) psychotisch was ten tijde van het plegen van de delicten”.

Dat brengt mij tot de conclusie dat in het derde als novum gepresenteerde gegeven geen grond voor herziening kan worden ontwaard.

7. Slotsom

De door de verdediging gepresenteerde gronden voor herziening kunnen niet als nova worden aangemerkt. De door de verdediging op 21 augustus 2026 aangeleverde stukken (een brief en een kopie van een tuchtklacht tegen de psychiater die de aanvrager destijds behandelde) werpen geen ander licht op de zaak.

Aangezien gronden voor herziening ontbreken, strekt deze conclusie tot afwijzing van de herzieningsaanvraag.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand