ECLI:NL:PHR:2026:808

ECLI:NL:PHR:2026:808

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 24/02228
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen van oplichting van woningbouwvereniging door directeur-bestuurder. Volgens AG falen de bewijsklachten. Conclusie strekt tot verwerping (art. 81.1 RO).

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02228

Zitting 15 september 2026

CONCLUSIE

P.T.C. van Kampen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 5 juni 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000220-22) – na partiële terugwijzing door de Hoge Raad – veroordeeld wegens het medeplegen van oplichting (feit 1 primair en feit 3). Het hof heeft de verdachte wegens deze feiten en het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd (feit 5), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Er bestaat samenhang met de zaken 24/02204, 24/02229 en 24/02230. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat R. Milo heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in deze zaak (nog) over gaat

De onderhavige zaak handelt over oplichting van woningbouwvereniging [A] (‘ [A] ’) en witwassen.

De zaak is voor een tweede keer in cassatie aan de orde. Eerder is de verdachte bij arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2020 (parketnr. 20-000441-18) veroordeeld wegens medeplegen van oplichting (feit 1 primair en feit 3) en het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd (feit 5), tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. De benadeelde partij werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard. Namens de verdachte werd tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

Bij uitspraak van 1 februari 2022 (rolnr. 20/03231) heeft de Hoge Raad voormelde uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen over de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten en de strafoplegging omdat, kort gezegd, een aantal feitenvaststellingen van het hof met betrekking tot het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde niet door (met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeduide) bewijsmiddelen werd geschraagd. De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar het hof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak ten aanzien daarvan en de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan en het beroep voor het overige verworpen.

Het hof heeft de zaak voor zover betrekking hebbend op feit 1 ( [a-straat] ) en feit 3 ( [b-straat] ) en de strafoplegging opnieuw inhoudelijk behandeld ter zitting van 10 april 2024 en vervolgens op 5 juni 2024 arrest gewezen. De verdachte is daarbij ter zake feit 1 primair en feit 3 opnieuw veroordeeld wegens het medeplegen van oplichting van [A] en voor alle bewezenverklaarde feiten tezamen veroordeeld tot de hierboven vermelde straf. Tegen deze uitspraak is door de verdachte beroep in cassatie ingesteld.

Het eerste middel klaagt erover dat het bewezenverklaarde inzake [a-straat] (feit 1 primair) niet uit de bewijsmiddelen volgt, althans de bewezenverklaring niet voldoende is gemotiveerd. Het tweede middel bevat eenzelfde klacht in relatie tot feit 3 ( [b-straat] ). Het derde middel klaagt erover dat met betrekking tot de feiten 1 primair en 3 het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen volgt.

Alvorens de middelen te bespreken, geef ik eerst de bewezenverklaring ter zake feit 1 primair en feit 3 weer, alsmede de bewijsoverwegingen van het hof in relatie tot deze feiten.

3. De bewijsvoering van het hof ter zake feit 1 primair en feit 3

Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat:

“1. primair (Project [a-straat] , project 3.4)

hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 23 juni 2005 tot en met 21 maart 2006 in Nederland,

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid de Woningbouw Vereniging [A] (" [A] "),

heeft bewogen tot afgifte van een goed,

te weten van een geldbedrag van euro 2.866.573.67

aan [E] B.V. en/of een ander,

hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders toen, aldaar met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk als volgt gehandeld:

verdachte en verdachtes mededaders hebben bij de aankoop en verkoop van het project [a-straat] te [plaats] een AB-BC-constructie toegepast, waarbij een grote waardesprong in euro's werd gerealiseerd, waarbij [C] B.V. voor circa euro 2.225.000,00 leverde aan [E] B.V. en [E] B.V. vervolgens doorleverde aan [A] voor euro 2.866.573,67, zulks, terwijl [medeverdachte 1] namens [A] het project [a-straat] te [plaats] ook rechtstreeks en tegen een aanzienlijk lager bedrag had kunnen kopen van het bedrijf [C] B.V./ [D] B.V.

en

[medeverdachte 1] heeft geld in privé ontvangen van [verdachte] en [medeverdachte 2]

en

[medeverdachte 1] heeft relevante informatie verzwegen jegens de Raad van Commissarissen van [A] ten aanzien van het project [a-straat] te [plaats] en het geldelijke belang van [A] en de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de prijsopdrijvende rol van medeverdachten [H] B.V. en/of [E] B.V. bij het project [a-straat] te [plaats]

en

aldus doende heeft [medeverdachte 1] zich met betrekking tot het project [a-straat] te [plaats] tegenover de Raad van Commissarissen van [A] valselijk voorgedaan als betrouwbare en integere directeur/bestuurder,

waardoor [A] werd bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag.

3. (Project " [b-straat] ”, project 3.9)

hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 in Nederland

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid de Woningbouwvereniging [A] (" [A] ")

heeft bewogen tot de middellijke en/of onmiddellijke afgifte van een goed, te weten het betalen van een bedrag van euro 262.000,00 aan [E] B.V.,

hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders toen, aldaar, met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk als volgt gehandeld:

tussen [A] , [E] B.V., [b-straat] B.V. en [B] B.V. werd een "Aanvullende samenwerkingsovereenkomst/herontwikkelings-overeenkomst [c-straat] ", gedateerd 21 november 2007, gesloten en ondertekend, waaruit financiële verplichtingen voortvloeiden voor [A]

en

tussen enerzijds [M] B.V. en anderzijds [E] B.V. werd een overeenkomst tot koop van aandelen, getekend 21 december 2007, overeengekomen, inhoudende - zakelijk weergegeven - dat [A] voornoemd de aandelen van [E] voornoemd in [F] B.V. zou overkopen voor euro 262.500,00

en

dat [A] op 21 december 2007 voornoemde euro 262.000,00 heeft betaald aan [E] B.V.,

en

[medeverdachte 1] heeft geld in privé ontvangen van hem, verdachte, en/of [medeverdachte 2]

en

[medeverdachte 1] heeft relevante informatie verzwegen jegens de Raad van Commissarissen van [A] ten aanzien van het project [b-straat] te [plaats] en het geldelijke belang van [A] en de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de rol van medeverdachte [E] B.V. bij het project [b-straat] te [plaats]

en

aldus doende heeft [medeverdachte 1] zich met betrekking tot het project [b-straat] te [plaats] tegenover de Raad van Commissarissen van [A] valselijk voorgedaan als betrouwbare en integere directeur/bestuurder,

waardoor [A] werd bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag.”

De bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 3 berust op 74 bewijsmiddelen, die in de bijlage bij het arrest zijn opgenomen. De bewijsoverwegingen van het hof met betrekking tot de beide bewezenverklaarde feiten luiden als volgt:

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1 primair en onder 3 eerste cumulatief tenlastegelegde oplichting.

Daartoe is onder meer - op gronden als nader vermeld in de pleitnota, samengevat - aangevoerd dat de stelling dat bij een of meer van de tenlastegelegde projecten sprake zou zijn geweest van prijsopdrijving iedere feitelijke grondslag ontbeert. Zo heeft zowel [medeverdachte 1] als de verdachte nadrukkelijk ontkend dat sprake is geweest van prijsopdrijving en is voor die stelling ook geen bewijs te vinden in het dossier. Voorts is onaannemelijk dat de verdachte, al dan niet in samenwerking met [medeverdachte 1] , er gedurende een periode van 8 jaren in zou zijn geslaagd zonder valsheid in geschrifte een grote woningbouwvereniging als [A] op te lichten c.q. te misleiden.

Ten aanzien van de tenlastegelegde douceurtjes heeft de raadsman erop gewezen dat het hof met betrekking tot het project ‘ [G] ’ heeft aangenomen dat sprake was van douceurtjes, welke omstandigheid ten aanzien van dat project niet in de weg heeft gestaan aan het oordeel van het eerdere hof dat in dat geval oplichting niet bewezen was.

Ten aanzien van het project [a-straat]

Ten aanzien van dit project heeft de verdediging aangevoerd dat de stelling dat de verdachte en [medeverdachte 2] c.q. [E] B.V. is/zijn tussengeschoven door [medeverdachte 1] feitelijk onjuist is. Immers werd de verdachte niet als eerste door [getuige 3] van [C] B.V./ [D] B.V. op dit project gewezen, maar hoorde hij hier al van via [B] .

Voorts is slechts sprake geweest van een volstrekt transparante doorlevering tegen een daarvoor met [A] overeengekomen bedrag dat was gebaseerd op een marktconforme prijs. Pas nadat met [A] een prijsafspraak was gemaakt, hebben de verdachte en [medeverdachte 2] c.q. [E] B.V. met [getuige 3] c.q. [C] B.V./ [D] B.V. over een prijs onderhandeld. Het verkoopresultaat is aldus aan de voorkant behaald en had, afhankelijk van de onderhandelingen tussen [getuige 3] en de verdachte en [medeverdachte 2] c.q. [E] veel hoger, maar ook veel lager kunnen zijn.

Ook de conclusie van de rechtbank en het eerdere hof dat [A] het project rechtstreeks en voor een veel lagere prijs van [C] B.V./ [D] B.V. had kunnen kopen, alsmede de overweging dat [medeverdachte 1] wist dat de aangeboden prijs voor het project veel lager was maar toch heeft ingestemd met de hogere prijs, is onbegrijpelijk en niet gebaseerd op enig deugdelijk bewijsmiddel.

Daar komt nog bij dat tussenkomst van de verdachte en [medeverdachte 2] c.q. [E] B.V. noodzakelijk was, omdat onder andere de problemen met de sanering van de grond en/of gebouwen, de gemeente en de sporthal opgelost moesten worden.

Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het hof uiterst terughoudend moet zijn met de waardering van de verklaringen van getuige [getuige 3] van [C] B.V.

[…]

Ten aanzien van het project [b-straat]

De verdachte c.s. heeft vanaf het begin van de samenwerkingsovereenkomst in 2006 tot aan de overdracht van aandelen begin december 2007 gedurende twee jaar vele inspanningen geleverd om het project tot een goed einde te brengen, hetgeen bevestiging vindt in de verklaringen van getuigen [getuige 1] van [B] en [getuige 2] van woningbouwvereniging [A] . De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, als in het ene project vaststaat dat er activiteiten zijn ontplooid en dat gegeven doorslaggevend en/of voldoende is geweest om vrij te spreken door de rechtbank en/of het eerdere hof, dit ook reeds voldoende zou moeten zijn voor een vrijspraak ten aanzien van het onderhavige project [b-straat] .

Daar komt bij dat een tweetal verwijten, te weten dat [medeverdachte 1] de raad van commissarissen niet volledig geïnformeerd zou hebben en geen melding heeft gemaakt dat de prijs van de aandelen door hem, [medeverdachte 1] , eenzijdig op een veel hoger niveau was gesteld dan eerder intern was berekend als redelijk en daarnaast dat niet is gebleken dat de ‘Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst Herontwikkeling [c-straat] ’ ter goedkeuring is voorgelegd aan de raad van commissarissen, slechts aan [medeverdachte 1] kan worden verweten en niet aan [verdachte] en [medeverdachte 2] , [E] B.V. en [H] B.V. Voorts is niet duidelijk waarop het eerdere hof het oordeel heeft gebaseerd dat niet is gebleken dat de ASOK ter goedkeuring is voorgelegd aan de raad van commissarissen terwijl dit wel had moeten gebeuren, nu de ASOK slechts een uitvloeisel is van de ‘Samenwerkingsovereenkomst Herontwikkeling [c-straat] ’ waar de raad van commissarissen wel mee akkoord was gegaan.

Ten slotte is niet duidelijk waarom het door [getuige 2] berekende bedrag voor de aandelen wél, en het door [medeverdachte 1] berekende bedrag niet als redelijk moet worden beschouwd.

Medeplegen van oplichting

In casu kan de conclusie niet worden getrokken dat sprake is geweest van een (op het tenlastegelegde oogmerk gerichte) nauwe en bewuste samenwerking en evenmin dat de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is geweest. In dat verband heeft de verdediging erop gewezen dat de verdachte [medeverdachte 1] niet privé kende, geen privécontacten met hem onderhield en dat daarvoor ook geen enkel aanknopingspunt te vinden is in het dossier. Ook voor de stelling dat tussen [medeverdachte 1] en de verdachte en/of [medeverdachte 2] afspraken zouden zijn gemaakt zijn geen aanwijzingen te vinden in het dossier. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een voor een bewezenverklaring van medeplegen voldoende intellectuele en/of materiële bijdrage van [E] B.V.

Het oordeel van het hof

Algemene bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Volgens bestendige jurisprudentie is voor oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, Sr vereist dat iemand door het aanwenden van een (of meer) oplichtingsmiddel(en), zijnde het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid of van listige kunstgrepen dan wel een samenweefsel van verdichtsels, wordt bewogen tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Daarbij dient de verdachte het oogmerk te hebben gehad om zich of een ander door het aanwenden van het (de) oplichtingsmiddel(en) wederrechtelijk te bevoordelen.

Als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Dat het bij de strafbaarstelling van oplichting gaat om gevallen waarin de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken, brengt mee dat aldus niet slechts het vertrouwen wordt beschermd van die ander tegen vermogensnadeel dat hij lijdt, maar ook meer algemeen het vertrouwen dat het publiek ten behoeve van het maatschappelijk en economisch verkeer tot op zekere hoogte mag stellen in de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen.

Met het in de wet omschrijven van specifieke oplichtingsmiddelen - het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels - is beoogd het begrip 'oplichting' nader vorm en inhoud te geven. Daarmee wordt bewerkstelligd dat niet iedere vorm van bedrog - bijvoorbeeld bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling - en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin binnen het bereik van het strafrecht wordt gebracht als misdrijf met een strafmaximum van, kort gezegd, vier jaren gevangenisstraf.

De in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde oplichtingsmiddelen hebben betrekking op gedragingen die niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden zijn. Daardoor kunnen concrete uitwerkingen van deze oplichtingsmiddelen onderling samenhang vertonen en elkaar overlappen. Er kunnen zich dus gevallen voordoen waarin hetzelfde gedrag van de verdachte meebrengt dat meerdere oplichtingsmiddelen zijn gebezigd. In zo een geval kan dit gedrag als het bezigen van meer dan één oplichtingsmiddel worden tenlastegelegd en bewezenverklaard; daarbij behoeft de strafrechter niet te kiezen uit die oplichtingsmiddelen omdat die keuze voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde niet van belang is.

In de onderhavige zaak staan, gelet op het vonnis van de rechtbank, ter zake van het tenlastegelegde feit in het bijzonder twee oplichtingsmiddelen centraal: het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen. Bij het aannemen van een valse hoedanigheid gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte, waarbij die onjuiste voorstelling van diens hoedanigheid in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Bij listige kunstgrepen gaat het in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen.

Bewegen tot bepaalde handelingen

Naast het hanteren van (een) oplichtingsmiddel(en) is voor bewezenverklaring van oplichting blijkens artikel 326, eerste lid, Sr vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt 'bewogen" tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel 'beweegt' tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot bijvoorbeeld de afgifte van enig goed als bedoeld in artikel 326, eerste lid, Sr. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van artikel 326. eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer - gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken - de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.

Ten slotte is voor bewezenverklaring van oplichting blijkens artikel 326, eerste lid, Sr vereist dat de verdachte iemand door zo een oplichtingsmiddel heeft bewogen tot de in die bepaling bedoelde handelingen met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Daarbij moet de verdachte ten minste hebben beseft dat zijn gedragingen als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich brengen dat het strafbare feit wordt begaan. Zogenoemd ‘voorwaardelijk opzet' is daarbij niet voldoende. Met andere woorden: het handelen van de verdachte moet, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebrengen dat de ander door hem zou (kunnen) worden bewogen tot bijvoorbeeld de afgifte van enig goed.

Bijzondere bewijsoverwegingen

Algemeen

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.

[medeverdachte 1] was ten tijde van de bewezenverklaarde periode, meer bepaald reeds tevoren vanaf 1 oktober 2001, aangesteld als directeur-bestuurder van woningbouwvereniging [A] (hof: hierna ook afwisselend nog genoemd 'woningbouwvereniging ’ en ' [A] '). In die functie was het zijn taak om registergoederen/vastgoedprojecten te acquireren. Aan hem was ter zake van dit acquireren door de raad van commissarissen van [A] een mandaat verleend om registergoederen te verwerven, waarbij hij van 2001 tot 2004 onbeperkt bevoegd was om dat te doen en zijn bevoegdheid om zonder voorafgaande toestemming van de raad van commissarissen namens [A] registergoederen te verwerven tussen 2004 en 2008 was begrensd tot € 4.500.000,00.

Tijdens de vergaderingen van de raad van commissarissen van [A] , die blijkens de statuten van de woningbouwvereniging als taak had toezicht te houden op de directeur, legde [medeverdachte 1] uit welke acquisities waren of zouden worden gedaan. [medeverdachte 1] informeerde de raad van commissarissen diverse malen per jaar aan de hand van een notitie waarin gegevens stonden als aantallen, stichtingskosten, locatie, start van de bouw, bouwperiode, etc. Daarbij was het volgens de statuten de taak van de directeur tijdig de voor de uitoefening van de raad van commissarissen noodzakelijke gegevens te verschaffen en was de directeur daarbij verplicht alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van de raad van commissarissen noodzakelijk of gewenst was. In de notitie ‘werkafspraken inzake verwerving/vervreemding’ d.d. 14 september 2004 staat vermeld dat de directeur de raad van commissarissen per bijeenkomst informeert over verwervingen en de condities waaronder deze tot stand komen.

[getuige 2] heeft verklaard dat de acquisitie van nieuwe projecten helemaal bij [medeverdachte 1] lag en dat hij, [medeverdachte 1] , de afspraken over de prijs maakte. Na acquisitie werd dan het managementteam (hof: MT) van [A] bij het project betrokken en werd een projectmanager aangesteld.

De verdachte en [medeverdachte 2] waren ieder bestuurder en 100% aandeelhouder van respectievelijk [H] B.V. en [I] B.V. Beiden waren tevens via de eigen vennootschappen voor 50% aandeelhouder/bestuurder van [J] B.V., welke vennootschap enig aandeelhouder en bestuurder was van [E] B.V. (hof: hierna ook genoemd [E]). Deze laatste vennootschap hield zich volgens de verklaring van wijlen [medeverdachte 2] bezig met planontwikkeling en handel in vastgoed, waarbij de verdachte en [medeverdachte 2] feitelijk de gezamenlijke bestuurders waren en er voor deze vennootschap verder geen personeel werkzaam was.

De rol van [E] B.V.

Het hof stelt voorop dat uit de gebezigde bewijsmiddelen geconcludeerd kan worden dat de verdachte uit gewoonte geldbedragen heeft toegeschoven aan [medeverdachte 1] . Die zogenoemde douceurtjes werden naar het oordeel van het hof in ieder geval gedeeltelijk uit de door [E] (en daarvoor [H] BV) op projecten gemaakte winst betaald.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft tegenover de verbalisanten van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst, Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu (hierna: ILT) verklaard dat hij vanaf het eerste project uit gewoonte geldbedragen heeft toegeschoven aan [medeverdachte 1] , dat de hoogte van die geldbedragen afhankelijk was van het resultaat van het project en dat hij bang was dat een deal met [A] niet door zou gaan als hij [medeverdachte 1] geen geldbedragen gaf. Deze verklaring heeft de verdachte spontaan, uit zichzelf en zonder enige beperking afgelegd toen hem werd gevraagd naar de reden waarom [medeverdachte 1] in het kader van het project [a-straat] [getuige 3] naar hem, verdachte, had verwezen. Dat verdachte bij het afleggen van die verklaring onder ongeoorloofde druk stond, is niet gebleken. In dat kader wijst het hof erop dat de verdachte tegenover de verbalisanten van de ILT heeft verklaard dat hij zijn geweten zuiver wilde maken. Voorts heeft de verdachte tegenover de rechter-commissaris volhard en heeft hij later tegenover het hof verklaard dat hij bij de politie (het hof begrijpt: de rechercheurs van de ILT) naar waarheid heeft verklaard.

Hoewel de verdachte zijn eerdere verklaring tegenover de ILT bij de rechter-commissaris heeft afgezwakt met betrekking tot het aantal keren dat hij de betalingen aan [medeverdachte 1] zou hebben gedaan (het betrof slechts vier of vijf keer en was geen gewoonte) en de periode heeft beperkt (uiterlijk tot 2006) waarover dat zou zijn gebeurd, acht het hof deze afzwakking niet geloofwaardig. In dat verband merkt het hof op dat de verdachte bij zijn eerdere verklaring tegenover de verbalisanten van de ILT uit zichzelf heeft verklaard over de betalingen aan [medeverdachte 1] en de achtergrond daarvan en dat hij daarbij, noch in de tijdsperiode, noch in het aantal keren, enige beperking heeft aangebracht. Gelet op die eerdere verklaring bij de ILT had het naar het oordeel van het hof meer voor de hand gelegen dat de verdachte deze beperkingen dan direct zou hebben aangebracht, nu hij ook zichzelf met deze verklaring belastte. Ook de redenen die de verdachte op heeft gegeven waarom hij gestopt zou zijn met de betalingen (zijn vrouw was het er niet mee eens, het volgen van een opleiding real estate) overtuigen het hof niet, mede bezien in combinatie met het volgens de verdachte uitblijven van enige reactie van de zijde van [medeverdachte 1] op het beweerdelijk stoppen van de betalingen, nu ook nadien de samenwerking is voortgezet. (Zoals door [verdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg is verklaard.) Dit deel van de verklaring van de verdachte staat bovendien in schril contrast met de douceurtjes in de vastgoedwereld waarover de verdachte heeft verklaard, de gegroeide gewoonte om [medeverdachte 1] onafhankelijk van het resultaat te belonen, de bij de verdachte levende angst dat de deals niet door zouden gaan als hij niet zou betalen, de vraag van [medeverdachte 1] om geld en de omstandigheid dat [E] ook in en na 2006 nog door [medeverdachte 1] werd aanvaard als contractpartij voor woningbouwvereniging [A] . Daar komt nog bij dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat aan [medeverdachte 1] geldbedragen zouden zijn betaald, past bij het in de bewijsmiddelen opgenomen overzicht van contante geldopnamen van de in Nederland bekende bankrekeningen van de verdachte en de samenloop met de ontmoetingen tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Daarbij merkt het hof op dat de verdachte in dit verband tevens heeft verklaard dat hij ook contante geldbedragen meenam uit Zwitserland, zoals het hof begrijpt uit zijn verklaring: dito ten behoeve van [medeverdachte 1] . Deze Zwitserse geldopnamen zijn niet meegenomen in het overzicht.

Voorts is het hof van oordeel dat ook de zakenpartner van de verdachte, wijlen [medeverdachte 2] , betrokken is geweest bij het toeschuiven van geldbedragen aan [medeverdachte 1] en dat zulks niet uiterlijk in 2006 is gestopt zoals [verdachte] het bij de rechter-commissaris heeft willen doen voorkomen. Daartoe wijst het hof op de verklaringen van de verdachte en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] over de intensieve en volledige samenwerking tussen beiden, het overzicht van de contante geldopnamen door beiden en hun ontmoetingen met [medeverdachte 1] . Met name de gang van zaken rond de ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 25 juli 2011 sterkt het hof in het oordeel dat ook [medeverdachte 2] nauw betrokken is geweest bij de betalingen aan [medeverdachte 1] . Zo had [medeverdachte 2] op 25 juli 2011 om 12.00 uur een afspraak met [medeverdachte 1] , op welk tijdstip [medeverdachte 2] per se over een contant geldbedrag van € 12.500,- wilde kunnen beschikken. Naar het oordeel van het hof is er geen andere reden aannemelijk geworden waarom [medeverdachte 2] op dat moment over het geld wilde kunnen beschikken anders dan dat hij dit geldbedrag - zoals gewoonlijk - aan [medeverdachte 1] wilde kunnen overhandigen. Voorts speelt bij de overtuiging van het hof een belangrijke rol dat zowel de verdachte als [medeverdachte 2] tegenover de verbalisanten van de ILT geen vragen heeft willen beantwoorden over de wetenschap van [medeverdachte 2] over het toeschuiven aan [medeverdachte 1] van de geldbedragen. Als [medeverdachte 2] inderdaad niet van de douceurtjes af had geweten dan valt niet in te zien waarom de verdachte en [medeverdachte 2] daar niet direct openheid van zaken over hebben willen geven. En ten slotte overweegt het hof nog dat aan de vrijspraak van het project [G] (feit 4) andere overwegingen ten grondslag lagen en deze niet raakten aan de conclusie dat door de verdachte en [medeverdachte 2] jarenlang aan [medeverdachte 1] (projectgerelateerd) geldbedragen zijn toegeschoven.

De positie van [medeverdachte 1] binnen woningbouw vereniging [A]

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [medeverdachte 1] binnen woningbouwvereniging [A] gedurende de bewezenverklaarde periode een sleutelpositie bekleedde, waarin hij zich mede door zijn wijze van optreden kon onttrekken aan een effectieve controle door de raad van commissarissen.

Daartoe overweegt het hof als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] een vergaande bevoegdheid had tot acquireren van registergoederen/projecten, dat hij daarbij zelf de onderhandelingen voerde en dat hij solistisch te werk ging, waardoor [A] voor voldongen feiten werd gesteld. De bij [A] werkzame projectmanagers werden pas na de acquisitie bij projecten betrokken, terwijl [medeverdachte 1] zich ook dan met de uitvoering van de projecten bleef bemoeien, in ieder geval wat betreft de keuze van architecten en aannemers. Het was de taak van [medeverdachte 1] als directeur-bestuurder om de raad van commissarissen, al dan niet achteraf, te informeren over diens acquisities. Voorts had [medeverdachte 1] een grote invloed op de agenda van de vergadering van de raad van commissarissen en was hij verantwoordelijk voor de selectie van stukken die daarbij ter sprake kwamen. Tijdens deze vergaderingen voerde [medeverdachte 1] het woord, lichtte hij geagendeerde onderwerpen toe en beantwoordde hij vragen van commissarissen. De raad van commissarissen was hierdoor afhankelijk van [medeverdachte 1] voor wat betreft de informatie die de commissarissen kregen over acquisities en lopende projecten.

Dat [medeverdachte 1] in bepaalde gevallen was gemandateerd om zelfstandig beslissingen te nemen, neemt niet weg dat hij op grond van de/het van toepassing zijnde statuten, reglement en werkafspraken was gehouden om de raad van commissarissen (al dan niet achteraf) deugdelijk en volledig te informeren. Dat woningbouwvereniging [A] mogelijk in financiële zin tevens profijt heeft gehad van het door [medeverdachte 1] gevoerde beleid, doet er niet aan af dat hij een voor hem, [medeverdachte 1] , gunstige financiële omstandigheid heeft gecreëerd waarin de raad van commissarissen door hem kennelijk onvoldoende in staat was gesteld controle te houden op [medeverdachte 1] bestuurlijk optreden.

Project [a-straat]

AB-BC-constructie project [a-straat]

Uit de gebezigde bewijsmiddelen maakt het hof het volgende op.

[C] B.V./ [D] B.V. heeft omstreeks 2004/2005 het postkantoor aan de [a-straat] te [plaats] aangekocht. De gemeente [plaats] heeft in onderhandelingen met [C] B.V./ [D] B.V. verzocht om ook het naastliggende gebied van het postkantoor met daarop een sporthal mee te nemen in de ontwikkeling van appartementen. [C] B.V./ [D] B.V. heeft vervolgens architectenbureau [K] - met welk architectenbureau gemeente [plaats] had ingestemd - een studie uit laten voeren naar de mogelijkheden op deze locatie. Omdat het project te groot werd en zij de risico's wilden delen heeft [C] B.V./ [D] B.V., in de persoon van de [getuige 3] , contact gezocht met [B] B.V. uit [plaats] .

[betrokkene 1] B.V. heeft ten behoeve van het project de sporthal kunnen kopen door te onderhandelen met het bedrijf [L] , een bedrijf waarmee [B] B.V. regelmatig zaken deed en welk bedrijf een optie had op de sporthal.

Op enig moment heeft [getuige 3] , na overleg met [B] , contact gezocht met woningbouwverenigingen in [plaats] en [plaats] . De [betrokkene 2] , directeur van woningbouwvereniging [plaats] , heeft [getuige 3] op zijn beurt doorverwezen naar woningbouwvereniging [A] waarvan [medeverdachte 1] de directeur was. [getuige 3] heeft vervolgens contact gezocht met [medeverdachte 1] en op 23 juni 2005 hadden zij, [getuige 3] en [medeverdachte 1] , een afspraak bij [medeverdachte 1] op kantoor. Daar heeft [getuige 3] het plan aan [medeverdachte 1] gepresenteerd en heeft hij gevraagd of [A] bereid was om het plan geheel of gedeeltelijk over te nemen. [medeverdachte 1] heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat hij het project geheel over wilde nemen, dat hij zijn eigen architect wilde kiezen en dat hij zelf wilde ontwikkelen. Voorts heeft [medeverdachte 1] tijdens dat gesprek het telefoonnummer van de verdachte aan [getuige 3] gegeven met de boodschap dat [getuige 3] de zaak verder moest regelen met de verdachte. Toen [getuige 3] vervolgens op 24 augustus 2005 telefonisch contact zocht met de verdachte en aangaf dat hij zijn nummer van [medeverdachte 1] had gekregen, ging de verdachte hier direct op in en was het voor [getuige 3] duidelijk dat de verdachte wist dat hij zou gaan bellen. [getuige 3] en de verdachte hebben vervolgens een afspraak gemaakt. Tijdens die afspraak heeft [getuige 3] kennis gemaakt met [medeverdachte 2] , de zakenpartner van de verdachte, die altijd aanwezig was bij de besprekingen. [getuige 3] heeft het plan, dat kant en klaar was en waar de gemeente [plaats] reeds mee had ingestemd, vervolgens gepresenteerd aan de verdachte en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] .

Nadien hebben de verdachte en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] op 8 november 2005 een bod gedaan op het project [a-straat] , welk bod op 18 november 2005 is besproken door [getuige 3] enerzijds en de verdachte en [medeverdachte 2] anderzijds. Tijdens die onderhandelingen heeft de verdachte verklaard dat er geen garantie gesteld hoefde te worden omdat woningbouwvereniging [A] garant zou staan. Dit laatste is door de verdachte als vertegenwoordiger van [H] B.V. bevestigd door de brief met daarin een korte samenvatting van de overeenkomst tot koop van het project [a-straat] van [C] B.V./ [D] B.V. voor akkoord te tekenen. De koop van de opstallen 'postkantoor' en 'sporthal' is op 9 december 2005 definitief geworden na de bevestiging van de verdachte dat aan de voorwaarden voor de aankoop was voldaan. Op 8 februari 2006 heeft [H] B.V. zich teruggetrokken als koper, voor wie [E] B.V. - die na het aangaan van de koopovereenkomst is opgericht op 22 december 2005 - als koper in de plaats is gekomen. Ten slotte heeft [E] B.V. (hof: partij B) het project [a-straat] met de opstallen 'postkantoor' en 'sporthal' op 14 maart 2006 gekocht van [C] B.V./ [D] B.V. (hof: partij A) voor een bedrag van € 2.225.000.

Eveneens op 8 november 2005 - en aldus op dezelfde dag als het bod van de verdachte en [medeverdachte 2] op het project van [getuige 3] - hebben de verdachte en [medeverdachte 2] een brief gestuurd aan [medeverdachte 1] waarin de bieding van [medeverdachte 1] ter hoogte van € 2.700.000 werd bevestigd. [medeverdachte 1] heeft deze brief als directeur van [A] voor akkoord ondertekend. Vervolgens is het project [a-straat] met opstallen 'postkantoor' en 'sporthal' op 14 maart 2006 door [E] B.V. (hof: partij B) geleverd aan woningbouwvereniging [A] (hof: partij C), waarbij na verrekening van de kosten voor acquisitie een bedrag van de rekening van [A] is afgeschreven van € 2.866.573,67.

Het hof stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat het project [a-straat] te [plaats] op 23 juni 2005 direct door [getuige 3] aan [medeverdachte 1] is aangeboden, dat [medeverdachte 1] alstoen meteen zijn interesse kenbaar heeft gemaakt en dat [medeverdachte 1] [getuige 3] op zijn beurt heeft doorgestuurd naar de verdachte om de zaken verder te regelen, zodat [medeverdachte 1] - achter de schermen en niet kenbaar voor de raad van commissarissen van [A] - invulling en uitvoering kon geven aan een AB-BC-constructie samen met verdachte en [medeverdachte 2] . Daarbij wijst het hof in het bijzonder nog op de verklaring van [getuige 4] , directeur van [B] B.V. Dit diens verklaring volgt dat [getuige 4] er, ondanks dat hij al contact had met [medeverdachte 1] in het kader van het project [b-straat] (zie feit 3), niet aan heeft gedacht om over het project [a-straat] contact op te nemen met woningbouwvereniging [A] , dat zij dat gescheiden wilden houden en dat het plan daarnaast meer bij [getuige 3] lag. Voorts heeft [medeverdachte 2] verklaard dat de heren van [C] B.V. contact hadden gezocht met [A] over het postkantoor en heeft de verdachte verklaard dat hij over het project [a-straat] werd gebeld door de heren van [C] B.V., welke verklaringen steun bieden aan hetgeen [getuige 3] hierover heeft verklaard. Anders dan de verdediging heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [getuige 3] als gebezigd voor het bewijs, nu het hof niet vermag in te zien welk belang [getuige 3] (zou kunnen) hebben bij het onjuist en niet naar waarheid verklaren over hoe een en ander is gelopen voor wat betreft zijn contacten met eerst [medeverdachte 1] en nadien verdachte en [medeverdachte 2] (en in het verlengde daarvan de vennootschappen). De belangen van de verdachten in de onderhavige strafzaak bij het ontzenuwen van diens verklaringen zijn evident, maar die pogingen slagen niet. Voor de stelling van de verdediging dat de verdachte al eerder, dus voordat [getuige 3] contact opnam met [medeverdachte 1] , in het kader van het project [b-straat] had gehoord over het project [a-straat] en dat reeds op die grond geen sprake kan zijn geweest van 'tussenschuiven' is naar het oordeel van het hof - anders dan de verklaring van de verdachte hierover - geen steun te vinden in het dossier.

Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de zogenoemde waardesprong te rechtvaardigen was.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het vorenoverwogene volgt dat [E] B.V. het project uiteindelijk van [C] B.V./ [D] B.V. heeft gekocht voor een bedrag van € 2.225.000, en het vervolgens diezelfde dag voor een bedrag van € 2.866.573,67 heeft doorverkocht aan woningbouwvereniging [A] . Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat er door de verdachte en [medeverdachte 2] dan wel in hun verlengde de vennootschappen [H] B.V. en/of [E] B.V. werkzaamheden zijn verricht die deze prijsstijging kunnen rechtvaardigen. Daarbij overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er reeds een ontwikkelstudie c.q. voorbereid plan van architectenbureau [K] lag, dat er overeenstemming was met de gemeente over de ontwikkeling van het project [a-straat] , de gemeente voorts te kennen had gegeven medewerking te zullen verlenen aan de verkoop van de sporthal en de omstandigheid dat [B] de sporthal reeds had gekocht na onderhandeling met een hen bekende partij. Er lag, kortom, al een plan gereed voor het project [a-straat] en het betrof voor verdachte, aldus verdachte, en [medeverdachte 2] louter een echt handelsproject, waar zij op ontwikkelgebied niets mee hebben gedaan. Dat zijdens de verdachten is getracht die toch stevige en duidelijke uitspraak later in de procedure teniet te doen door alsnog veronderstelde ontplooide activiteiten door [verdachte] , [medeverdachte 2] , [H] B.V. en/of [E] B.V. voor dit project te berde te brengen, activiteiten die zouden zijn ontplooid aan de voorkant, overtuigt het hof niet. Ook hetgeen [medeverdachte 2] hierover heeft verklaard, brengt het hof niet tot een ander oordeel. En bij het uitblijven van een overtuigende redengevende verklaring vermag het hof dan ook niet in te zien waarom het door de verdachte en [medeverdachte 2] aanvaarde aanbod van [getuige 3] , niet rechtstreeks door [medeverdachte 1] ten behoeve van [A] had kunnen worden aanvaard. Gelet op het voorgaande is de verklaring van [medeverdachte 1] , inhoudende dat [E] bij het project onmisbaar was omdat woningbouwvereniging [A] zelf geen ontwikkelmogelijkheden had, alles behalve aannemelijk geworden. Daarbij wijst het hof ten slotte nog op de verklaring van [getuige 2] , mede MT-lid van [A] , inhoudende dat op het moment dat [medeverdachte 1] de onderhandelingen voerde er vaak nog geen plan lag. Hieruit leidt het hof af dat het ontbreken van een plan voor [medeverdachte 1] kennelijk geen belemmering hoefde te vormen om een dergelijk project rechtstreeks van een aanbieder te kopen.

In dit kader wijst het hof er voorts op dat de verdachte tijdens het verhoor bij de ILT nog heeft verklaard dat hij, verdachte, en [medeverdachte 2] in (het hof begrijpt: bij de verwerving/acquisitie van) het project [a-straat] geen noemenswaardige werkzaamheden hebben verricht anders dan dat zij gebeld zijn door de heren van [C] B.V. (hof: [getuige 3] ). Ook ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij niet nauw bij dit project betrokken is geweest en dat er door hen geen externe kosten zijn gemaakt. Ten slotte betrekt het hof bij dit oordeel dat verdachte en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] door getuigen worden beschreven als handelaren in onroerend goed en niet als projectontwikkelaars, dat getuigen de rol van [E] in deze niet begrepen nu [A] zelf de kennis en expertise had om onroerend goed te verwerven en er ten slotte geen financieel risico bij [E] lag. Het hof concludeert dan ook dat de hoogte van de door [E] ontvangen betalingen onverklaarbaar en disproportioneel was, bezien vanuit de belangen van [A] .

Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het vorenomschreven handelen kan worden aangemerkt als 'oplichting' als bedoeld in artikel 326 Sr.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof concludeert zoals hiervoor vermeld dat het (min of meer kant en klare) project [a-straat] aanvankelijk door [getuige 3] direct aan [medeverdachte 1] is aangeboden, dat op geen enkele aannemelijke wijze is gebleken dat de rol van [E] - dat pas, nadat de koop tussen [H] B.V. en [C] B.V./ [D] B.V. begin december 2005 al rond was, is opgericht - oftewel die van verdachte en [medeverdachte 2] onmisbaar was voor het ontwikkelen van het project [a-straat] en dat [medeverdachte 1] dit project aldus, in zijn rol als directeur-bestuurder van [A] , direct van [getuige 3] had kunnen kopen. Zoals hiervoor overwogen bekleedde [medeverdachte 1] een sleutelpositie die hem in staat stelde om [E] (verdachte en [medeverdachte 2] ) bij de aankoop van het project [a-straat] een rol te geven en deze vennootschap ( [verdachte] en [medeverdachte 2] ) via een AB-BC-constructie te bevoordelen.

Nu [medeverdachte 1] op zijn beurt van meet af aan ten stelligste ontkent dat hij [E] B.V. heeft 'tussengeschoven', kan daaruit louter worden afgeleid dat [medeverdachte 1] de raad van commissarissen niet heeft geïnformeerd over dit 'tussenschuiven'. Dat dit (informeren) niet is gebeurd, spreekt naar het oordeel van het hof ook voor zich, omdat niet is gebleken van een daarvoor redengevende verklaring die de belangen van [A] dient, terwijl deze wel door de raad van commissarissen van [medeverdachte 1] zou mogen worden verlangd. Het hof kan [medeverdachte 1] daarin wel volgen, want als hij die informatie had verstrekt, had hij die raad ook over diens beweegredenen dienen te informeren. En daar gaat het hier nu net om. Dan had [medeverdachte 1] de raad van commissarissen ook moeten uitleggen/informeren waarom hij, [medeverdachte 1] , niet zelf namens [A] de onderhandelingen met [getuige 3] heeft gedaan voor het project [a-straat] - hetgeen volgens [getuige 3] zonder meer had gekund - maar [medeverdachte 1] [getuige 3] naar [verdachte] (later aldus [E] ) heeft verwezen voor het 'afregelen' hiervan. Vanuit financiële overwegingen, bezien vanuit de belangen van [A] , zou een AC-constructie immers zonder meer voor de hand hebben gelegen, temeer nu [getuige 3] ervan overtuigd is dat [A] dan goedkoper uit zou zijn geweest. [medeverdachte 1] is evenwel verre van die onderhandelingen en een dergelijke AC-constructie gebleven, naar is gebleken aldus om hem moverende financiële overwegingen.

Het hof concludeert dat [medeverdachte 1] aan de raad van commissarissen van [A] een onvolledig beeld heeft geschetst van deze acquisitie door de raad van commissarissen vooraf noch achteraf erover te informeren dat [A] het project [a-straat] ook zonder tussenkomst van [E] had kunnen verwerven. [getuige 3] had het hem immers gepresenteerd en aangeboden. Dat dit informeren vooraf niet mogelijk was, is gesteld noch gebleken. Ook achteraf heeft [medeverdachte 1] de raad van commissarissen hieromtrent niet geïnformeerd. Het kan dan ook niet anders, omdat het gezien al het hiervoor overwogene voor zich spreekt, dat deze informatie door [medeverdachte 1] is verzwegen voor de raad van commissarissen om hem moverende redenen, zijn eigen financiële belangen. Gezien zijn directeursfunctie/bestuurdersrol had het daarentegen wel op zijn weg gelegen de raad van commissarissen te informeren, in die hoedanigheid was hij immers gehouden de raad van commissarissen die informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van die raad noodzakelijk of gewenst was. Gelet op de hiermee gemoeide financiële belangen van [A] is het vanzelfsprekend dat dit vermoeden bij [medeverdachte 1] heeft bestaan, maar hij daarmee niets heeft gedaan. Het door [A] meer betaalde, de winst van [E] , is immers terechtgekomen bij verdachte, [medeverdachte 2] en op basis van de bewijsmiddelen concludeert het hof dito - via de gewoonlijke douceurtjes, gerelateerd aan de verdiensten van dit project - bij [medeverdachte 1] . Indien de raad van commissarissen was geïnformeerd, zouden zij hebben ingegrepen door minst genomen [medeverdachte 1] hieromtrent te bevragen en daaraan alsdan noodzakelijk geoordeelde gevolgen te verbinden. Immers, zoals uit de bewijsmiddelen volgt, zouden met het verschaffen van deze informatie aan de raad van commissarissen diens dagen bij [A] zijn geteld en zou dit een bom onder het project [a-straat] hebben gelegd.

[medeverdachte 1] heeft zo bij de raad van commissarissen de indruk doen/laten bestaan dat bij de aankoop van het project [a-straat] de (financiële) belangen van [A] op een zo goed mogelijke wijze werden gediend, terwijl hij ten nadele van [A] verzweeg dat hij en zijn partners in dezen - waaronder ook de verdachte - een persoonlijk financieel belang hadden bij die AB-BC-constructie. Hoewel de bewijsmiddelen op dit punt voor zich spreken, heeft [medeverdachte 1] ook het ontvangen van de douceurtjes van meet af aan stellig ontkend. Dat [medeverdachte 1] de raad van commissarissen over die douceurtjes niet heeft geïnformeerd, terwijl dit vanzelfsprekend relevant te achten informatie voor die raad betrof, spreekt dan ook voor zich.

Gelet op dit alles oordeelt het hof dat [medeverdachte 1] in een nauwe en bewuste samenwerking met onder andere de verdachte en [medeverdachte 2] alsmede aan hen gelieerde vennootschappen, met het oogmerk om zich en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het door [medeverdachte 1] aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbare en integere bestuurder/directeur door middel van de hiervoor door het hof opgesomde verschillende misleidende feitelijke handelingen rondom de aankoop van het project aan de [a-straat] te [plaats] , een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor woningbouwvereniging [A] is bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 2.866.573.67.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof dan ook buiten twijfel af dat woningbouwvereniging [A] door het aannemen van een valse hoedanigheid door [medeverdachte 1] in een nauwe en bewuste samenwerking met verdachte, [medeverdachte 2] en de vennootschappen en de door hen in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot afgifte van enig goed als bedoeld in artikel 326, eerste lid, Sr, te weten een geldbedrag van € 2.866.573,67 op de rekening van [E] B.V. Het hof wijst daarbij nog in het bijzonder op de verklaringen van de leden van de raad van commissarissen, inhoudende dat zij, als zij hadden geweten dat [medeverdachte 1] geld toegeschoven kreeg, niet akkoord zouden zijn gegaan met projecten. Zou [medeverdachte 1] de raad van commissarissen over zijn handelen wel volledig hebben geïnformeerd, dan staat naar het oordeel van het hof aldus vast dat de raad van commissarissen zou hebben ingegrepen en de aankoop van dit project niet op deze wijze zou hebben plaatsgevonden. Dat de verdachten deze handelingen hebben verricht met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, volgt eveneens uit al het vorenoverwogene. Het kan dan ook niet anders dan dat zij ten tijde van hun handelen hebben beseft dat hun gedragingen als noodzakelijk en dus door hen gewild gevolg met zich brachten dat door hun bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven werd geroepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte en/of zijn medeverdachten geen listige kunstgrepen hebben toegepast, nu het toepassen van een AB-BC-constructie als zodanig en het louter verzwijgen door [medeverdachte 1] van relevante informatie jegens de Raad van Commissarissen van [A] en in dit geval ook de combinatie van beide zoals tenlastegelegd niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. Het hof zal de verdachte daarom hiervan partieel vrijspreken.

Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen overweegt het hof ten slotte nog het volgende.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte wist dat [getuige 3] hem zou gaan bellen, hetgeen er volgens het hof op wijst dat [medeverdachte 1] en verdachte (en/of [medeverdachte 2] ) met elkaar hadden afgesproken dat [medeverdachte 1] [getuige 3] naar de verdachte door zou verwijzen. Dit ‘opzetje' maakte het mogelijk om de verkoop van het project [a-straat] via een AB-BC-constructie te kopen en verkopen. Voorts wijst het hof op de douceurtjes die door de verdachte en [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] werden toegeschoven, de afspraken die [medeverdachte 1] en de verdachte en/of [medeverdachte 2] met elkaar hadden en de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 2] waaruit blijkt - kort gezegd - dat zij binnen [E] B.V. alles samen deden. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel niet op alle onderdelen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van de verdachte aan het bewezenverklaarde naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en acht op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feit 1 primair heeft begaan.

Project [b-straat]

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof het navolgende vast.

Ter zake van het realiseren van woningen, commerciële ruimte en parkeervoorzieningen aan de [c-straat] te [plaats] zijn twee overeenkomsten gesloten tussen aanvankelijk [B] B.V. als ontwikkelaar c.q. aannemer enerzijds en woningbouwvereniging [A] en [I] B.V. als opdrachtgever anderzijds en aanvullend tussen de woningbouwvereniging, [E] B.V., [b-straat] B.V. en [B] .

Het betreft de 'Samenwerkingsovereenkomst Herontwikkeling [c-straat 1] te [plaats] ' d.d. 19 januari 2006 (hof: hierna telkens SOK) en de 'Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst herontwikkeling [c-straat] ' d.d. 21 november 2007 (hof: hierna telkens ASOK). Hierin zijn door de betrokken partijen afspraken gemaakt over de ontwikkeling van het project [b-straat] en is onder meer contractueel vastgelegd dat aan het einde van het project tussen partijen zou worden afgerekend.

Op 25 april 2007 is in het kader van de ontwikkeling van het project [b-straat] de werkmaatschappij ' [b-straat] B.V.' opgericht. De helft van de aandelen [b-straat] B.V. werd gehouden door [B] B.V. en de andere helft door [F] B.V., zijnde een houdstermaatschappij waarin [M] B.V. en medeverdachte [E] B.V. elk voor 50% aandeelhouder waren. [E] B.V. en [M] B.V. bezaten dus beide 50% van de aandelen in [F] B.V., die op haar beurt weer 50% van de aandelen in [b-straat] B.V. bezat.

Op 21 december 2007 heeft woningbouwvereniging [A] het aandelenpakket [F] B.V. gekocht van [E] B.V. voor een bedrag van € 262.000. Na levering van de aandelen zou het belang van woningbouwvereniging [A] als aandeelhouder in [b-straat] B.V. (middels [F] B.V.) van 25% naar 50% stijgen.

Onderstaand volgt een korte samenvatting van de gebeurtenissen voorafgaand aan deze aandelenverkoop.

Uit het intranet van [E] , waarop door de verdachte en zijn zakenpartner afspraken met [medeverdachte 1] werden bijgehouden, valt op te maken dat er op 19 november 2007 een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 2] tijdens die ontmoeting onder meer 'onze exit' (het hof begrijpt: van [E] B. V. ) zou gaan bespreken. Dat deze ontmoeting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden vindt bevestiging in een declaratieformulier op naam van [medeverdachte 1] dat is aangetroffen bij woningbouwvereniging [A] . Op het formulier is vermeld 'diner d.d. 19 november 2007 + [medeverdachte 2] '.

De volgende dag, op 20 november 2007, is er e-mailcorrespondentie geweest tussen de verdachte en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] , kennelijk betrekking hebbend op de verkoop van de aandelen in [F] B.V. In deze e-mailberichten zijn onder meer berekeningen gemaakt van de beoogde winstmarges voor [B] , woningbouwvereniging [A] en [E] B.V. In die e-mailberichten wordt als resultaat voor [A] telkens € 600.000 genoemd, terwijl het genoemde resultaat voor [B] en [E] varieert.

Weer een dag later, op 21 november 2007, is de ASOK ondertekend door partijen, waarbij op nadrukkelijk aandringen van [medeverdachte 1] (handmatig) een voorgecalculeerde brutomarge werd opgenomen en door de betrokken partijen werd geparafeerd. Deze brutomarge werd op € 2.100.000 vastgesteld en werd als volgt verdeeld: € 600.000 voor woningbouwvereniging [A] , € 500.000 voor [E] B.V. en € 1.000.000 voor [B] B.V. Het hof stelt vast dat de in deze verdeling genoemde marges nagenoeg gelijk zijn aan de marges die in de e-mailcorrespondentie tussen de verdachte en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] daags tevoren (in de bijlage bij dat e-mailbericht onder kolom C weergegeven) werden genoemd, te weten: € 600.000 voor [A] , € 525.000 voor [E] B.V. en € 1.050.000 voor [B] B.V.

Op 4 december 2007 heeft [medeverdachte 2] , namens [E] B.V., een brief gestuurd naar woningbouwvereniging [A] met daarin het verzoek om het winstdeel ad € 500.000 uit te betalen, hetzij als voorschot op het resultaat, dan wel door middel van aandelenoverdracht in [F] B.V. Het hof merkt op dat het door [medeverdachte 2] genoemde bedrag overeenkomt met de handgeschreven aanvulling in de ASOK .

Naar aanleiding van voornoemde brief van 4 december 2007 heeft [medeverdachte 1] aan [getuige 2] - op dat moment Hoofd Financiën bij woningbouwvereniging [A] - verzocht om aan de hand van de winstmarges de prijs voor de aandelenoverdracht te berekenen. [getuige 2] heeft vervolgens voorgesteld om voor de aandelenoverdracht € 187.500 te betalen aan [E] B.V. Uit zijn verklaring aan de ILT van 20 september 2012 blijkt dat hij van mening was dat dit bedrag naar boven kon worden gecorrigeerd op basis van daadwerkelijk behaalde resultaten, maar dat dat resultaat eerst maar eens behaald moest worden. Dit bedrag vond [medeverdachte 1] echter te laag, waarop hij het bedrag eenzijdig heeft verhoogd tot € 262.500. Op 21 december 2007 heeft woningbouwvereniging [A] de aandelen in [F] van [E] B.V. gekocht voor een bedrag van € 262.000.

Op grond van de vorenomschreven feiten en omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat de verdachte, zijn zakenpartner [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] reeds voorafgaand aan het sluiten van de ASOK de exit van [E] B.V. hebben besproken, met het kennelijke doel ten behoeve van [E] B.V. een goede prijs voor de aandelen in [F] B.V. te realiseren. De sleutelpositie van [medeverdachte 1] binnen woningbouwvereniging [A] stelde hem in staat om eenzijdig en zonder deugdelijke onderbouwing over te gaan tot de uitkoop van [E] B.V., althans die vennootschap met daarachter de verdachte en [medeverdachte 2] , een geldbedrag te doen toekomen.

[medeverdachte 1] heeft kennelijk naar aanleiding van de vorenbedoelde brief [getuige 2] de opdracht gegeven een berekening en constructie te bedenken om aan het verzoek van [E] B.V. tot overname van de aandelen gevolg te geven. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat de omstandigheid dat [medeverdachte 1] deze vergoeding eenzijdig op € 262.500 heeft gesteld terwijl [getuige 2] na een berekening tot een aanzienlijk lager bedrag was gekomen, opvallend is, nu [medeverdachte 1] uit het dossier naar voren komt als scherpe onderhandelaar bij wie een dergelijke vrijgevigheid, zonder enige nadere onderbouwing, niet past. Van een redengevende en overtuigende verklaring voor het vaststellen van een hogere vergoeding voor die aandelen in [F] B.V. ten nadele van woningbouwvereniging [A] die die vergoeding betaalde, is het hof bovendien niet gebleken. De omstandigheid dat een handelspartner waar een langlopende relatie mee bestaat ook financieel behoorlijk dient te worden bejegend spreekt voor zich, maar verklaart, noch rechtvaardigt in dezen dat een bijna 30% hoger bedrag van de totale aankoopsom voor de betreffende aandelen werd betaald. Dat percentage acht het hof in de gegeven omstandigheden zonder redengevende overtuigende uitleg, die ontbreekt, dan ook disproportioneel.

Voorts is het hof van oordeel dat de timing van de verkoop van de aandelen opvallend is, nu op het moment van de verkoop nog niet was begonnen met de bouw en woningbouwvereniging [A] wilde dat [E] B.V. betrokken bleef bij het project. Niet valt in te zien waarom in een dergelijk vroeg stadium al een hoog bedrag uitgekeerd moest worden en daarmee niet gewacht kon worden tot het moment dat het nettoresultaat bekend was, nu in de overeenkomst tot koop van aandelen - conform de suggestie van [getuige 2] - immers was opgenomen dat een eventueel hoger nettoresultaat nog verrekend zou worden met [E] B.V. Nu het andersom zo was dat, indien het nettoresultaat onverhoopt beneden het bedrag van € 262.500 zou blijven, er niet verrekend zou worden en evenmin een nabetaling plaats zou vinden, concludeert het hof dat [E] B.V. van deze aandelenoverdracht alleen maar beter kon worden terwijl daar voor [E] B.V. - anders dan voor [A] en [betrokkene 1] - geen risico meer tegenover stond.

Hoewel [E] B.V. - zo volgt uit het dossier - werkzaamheden heeft verricht voor het project [b-straat] , bestond er naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging om in een dergelijk vroeg stadium - nog voordat de bouw gestart was - en mede gelet op de economische vooruitzichten ten tijde van het tenlastegelegde (de bouwconjunctuur) niet te voorzien was dat de winst zou stijgen al tot uitbetaling van het geprognosticeerde resultaat over te gaan, te meer niet nu die uitbetaling mogelijk ten koste van onder meer woningbouwvereniging [A] zou kunnen gaan.

Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken en in aanmerking genomen dat door verdachte en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] in privé geld aan [medeverdachte 1] werd toegeschoven, komt het hof tot de conclusie dat de verdachte de uitkoop van de aandelen vooraf met zijn medeverdachten heeft geregisseerd, dat [E] B.V., met aan het roer de verdachte en [medeverdachte 2] , zichzelf met de opbrengsten daarvan hebben bevoordeeld en ook uit de verdiensten van dit project -zoals gewoon was- [medeverdachte 1] geld is toegestopt. Het hof neemt bij dat oordeel tevens in overweging dat uit het dossier niet volgt dat de ASOK ter goedkeuring is voorgelegd aan de raad van commissarissen, terwijl dit wel had moeten gebeuren, nu de ASOK viel buiten het aan [medeverdachte 1] als directeur van woningbouwvereniging [A] verleende mandaat. Immers, met de ASOK was voor [A] een financieel belang gemoeid dat de grens van het mandaat van [medeverdachte 1] , € 4.500.000, (aanzienlijk) oversteeg. Door die raad deze informatie te onthouden heeft [medeverdachte 1] een onvolledig beeld geschetst, terwijl deze informatie wezenlijk was voor voorafgaande dan wel ad hoc goedkeuring omtrent de koopovereenkomst die [A] vervolgens is aangegaan betreffende de aandelen van [E] B.V. in [F] B.V. Daar komt nog bij dat de beslissing tot de aankoop van de aandelen in [F] B.V. van [E] B.V. is genomen door [medeverdachte 1] , terwijl hij in overleg met de verdachte en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] de prijs voor de aandelen eenzijdig op een aanzienlijk hoger bedrag heeft vastgesteld dan [getuige 2] intern in het belang van [A] als redelijk had berekend. Daarbij opgeteld dat hij, [medeverdachte 1] , aldus ten nadele van [A] daar financieel zelf ook beter van werd, via de hem toegestopte douceurtjes, acht het hof het alleszins onaannemelijk dat [medeverdachte 1] de raad van commissarissen hierover heeft geïnformeerd. Te meer daar [medeverdachte 1] - naar het oordeel van het hof tegen beter weten in - betwist enig douceurtje te hebben ontvangen. Als directeur van [A] was hij evenwel verplicht de raad van commissarissen, belast met het toezicht op zijn werkzaamheden, alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van die raad noodzakelijk of gewenst was. Vanzelfsprekend gaat het hier om dergelijke informatie, waar het direct gaat om de financiële belangen van en risico voor [A] . Hij had de raad van commissarissen moeten informeren over de wijze waarop ter zake van het project [b-straat] werd onderhandeld met [E] B.V., waarbij hij die vennootschap zonder redelijk doel en ten nadele van [A] in een financieel veel gunstigere positie bracht.

Ook hier geldt dat de raad van commissarissen erop mocht vertrouwen dat de directeur van [A] die raad de juiste en volledige informatie gaf omtrent het project [b-straat] . [medeverdachte 1] was aanwezig bij de vergaderingen van de raad van commissarissen, voerde dan meestal het woord, lichtte de agendapunten toe en beantwoordde vragen. Het hof concludeert dat hoewel [medeverdachte 1] zich leek te gedragen als een betrouwbare en integere directeur/bestuurder van [A] , bestond binnen de raad van commissarissen door het onderhavige optreden van [medeverdachte 1] ten tijde van en rond de vergaderingen en met name het door hem verzwijgen van voormelde relevante informatie de onjuiste voorstelling dat hij een betrouwbare en integere directeur/bestuurder was. Ware de raad van commissarissen volledig geïnformeerd geweest, dan zou de raad hebben ingegrepen. De gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachten kunnen hiermee worden aangemerkt als het aannemen van een valse hoedanigheid. Concluderend acht het hof de onder 3 (eerste cumulatief) tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen. De bijdrage van de verdachte hieraan is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder het project [a-straat] reeds is vermeld over medeplegen in zijn algemeenheid, overweegt het hof hier nog het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en [medeverdachte 2] voorafgaand aan het sluiten van de ASOK al de exit van [E] hadden besproken en daarbij door hen (nagenoeg) dezelfde winstmarges zijn besproken als de brutomarges die een dag later op aandringen van [medeverdachte 1] handgeschreven zijn toegevoegd aan en op de ASOK . Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte 1] en [verdachte] (en/of [medeverdachte 2] ) met elkaar een plan hadden gemaakt om die exit voor [E] B.V. financieel zo gunstig mogelijk te laten verlopen, van welke exit [medeverdachte 1] op zijn beurt dan ook weer profiteerde door middel van het toeschuiven van de douceurtjes door de verdachte en [medeverdachte 2] . Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en acht op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 eerste cumulatief heeft begaan.

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 (tweede alternatief/cumulatief) tenlastegelegde medeplegen van verduistering, omdat niet is gebleken dat de verdachte en/of zijn medeverdachten zich de gelden op enig moment wederrechtelijk hebben toegeëigend in de zin van artikel 321 Sr.

Conclusie

Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 3 eerste cumulatief heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”

4. Het eerste middel

Het eerste cassatiemiddel komt met betrekking tot feit 1 primair (project [a-straat] ) met een aantal klachten op tegen het oordeel van het hof dat [A] is opgelicht, mede tegen de achtergrond van hetgeen door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht.

Het middel klaagt in de eerste plaats dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer volgt dat [A] het project ook rechtstreeks en tegen een aanzienlijk lager bedrag had kunnen verwerven.

Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom dit het geval is geweest. Die overwegingen komen er in het kort op neer dat de [getuige 3] het project [a-straat] in eerste instantie heeft aangeboden aan de [medeverdachte 1] (directeur-bestuurder van [A] ), dat [medeverdachte 1] daarbij kenbaar maakte dat hij het project in zijn geheel wilde overnemen en [getuige 3] heeft verwezen naar de verdachte en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] , vervolgens zonder bedrijfseconomische reden een aan de verdachte en [medeverdachte 2] gelieerde onderneming (eerst [H] B.V., later [E] B.V.) is tussengeschoven, waarna [A] het project voor een hoger bedrag heeft overgenomen van deze onderneming van de verdachte en [medeverdachte 2] (de AB-BC-constructie).

Welke van de feitelijke vaststellingen van het hof in dit verband niet door enig bewijsmiddel wordt geschraagd wordt in het middel niet toegelicht en vermag ik na lezing van in het bijzonder de bewijsmiddelen 8 en 43 tot en met 61 ook niet zonder meer in te zien. In zoverre is geen sprake van een stellige en duidelijke cassatieklacht. Daarvoor is immers vereist dat het cassatiemiddel aangeeft waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn.

Om diezelfde reden valt ook de klacht dat het oordeel van het hof dat sprake is geweest van oplichting niet begrijpelijk is in het licht van hetgeen door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht, niet aan te merken als een cassatieklacht. Daarvoor volstaat niet het weergeven van en enkel verwijzen naar (onderdelen) van het pleidooi in hoger beroep, zonder toe te lichten waarom de naar aanleiding daarvan gegeven overwegingen van het hof niet toereikend zijn. In het bijzonder merk ik op dat het hof in zijn arrest heeft uiteengezet waarom het hof van oordeel is dat geen sprake is geweest van werkzaamheden door de verdachte, [medeverdachte 2] en/of hun ondernemingen die de prijsstijging rechtvaardigen (p. 19 arrest hof). Het cassatiemiddel licht niet toe waar deze overwegingen – gezien wat is aangevoerd door de verdediging – te kort zouden schieten. Op gelijke voet is de niet nader toegelichte klacht dat het hof zijn oordeel nader had moeten motiveren in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd over “de mate van transparantie” te ongericht om als een stellige en duidelijke klacht in cassatie te kunnen gelden.

Verder wordt in het middel gesteld dat nadere motivering behoeft waarom de “douceurtjes” die door de verdachte en [medeverdachte 2] voor verschillende projecten aan [medeverdachte 1] werden toegeschoven redengevend zijn voor de bewezenverklaring van oplichting, nu – zo begrijp ik althans in het licht van het gelijkluidende verweer in hoger beroep – het bestaan van die douceurtjes niet in de weg heeft gestaan aan de vrijspraak voor feit 4 (oplichting bij het project [G] ) in het eerdere arrest van het hof van 5 oktober 2020. Die klacht kan niet leiden tot cassatie, reeds omdat de vrijspraak van feit 4 en de daaraan ten grondslag gelegde motivering in het eerdere arrest van het hof niet aan het oordeel van de Hoge Raad zijn onderworpen. Ten overvloede merk ik op dat de weging door het hof van het bewijsmateriaal voor oplichting met betrekking het project [G] – welke weging in dat geval in het eerdere arrest van het hof heeft geresulteerd in een vrijspraak – geenszins betekent dat binnen de weging van het bewijsmateriaal met betrekking tot het project [a-straat] de douceurtjes geen rol van betekenis hebben kunnen spelen in het bewijs voor oplichting.

Het middel faalt.

5. Het tweede middel

Het tweede cassatiemiddel komt met verschillende klachten op tegen de bewezenverklaring van oplichting met betrekking tot feit 3 (project [b-straat] ).

In de eerste plaats klaagt het middel dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat [A] – in het bijzonder door de door het hof genoemde “verschillende misleidende feitelijke handelingen” – is bewogen tot betaling van het bewezenverklaarde geldbedrag. Die conclusie zou volgens de steller van het middel enkel zijn getrokken op basis van het feit dat [medeverdachte 1] ‘douceurtjes’ kreeg van (onder meer) de verdachte, terwijl niet is vastgesteld dat die douceurtjes in het kader van project [b-straat] zijn verstrekt.

In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest van het hof. De overwegingen van het hof komen erop neer dat de ‘exit’ van [E] B.V. als aandeelhouder en de beoogde winstmarge van [E] door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (bestuurder van [E] ) zijn “geregisseerd” reeds voordat (ook met [E] ) de Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst ( ASOK ) werd gesloten en dat verder ook niet is gebleken van een “redengevende en overtuigende verklaring” waarom [A] (in de persoon van de [medeverdachte 1] ) vervolgens [E] zou uitkopen voor een bedrag van € 262.000, dat – ten nadele van [A] – (bovendien) substantieel hoger was dan het voorgerekende prijsvoorstel van het Hoofd Financiën van [A] (de [getuige 2] ) van € 187.500, gelet het vroege stadium waarin het project zich bevond en gezien de economische vooruitzichten en zonder dat er bij een tegenvallend resultaat een terugbetalingsverplichting voor [E] bestond. Het is tegen deze achtergrond dat het hof tevens betekenis heeft toegekend aan het feit dat door de verdachte (bestuurder van [E] ) “uit gewoonte” douceurtjes werden toegestopt aan [medeverdachte 1] en op grond van dit alles bewezen heeft geacht dat de prijsverhoging door [medeverdachte 1] plaatsvond om “zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen”. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Dat er (kennelijk) geen rechtstreeks bewijs is dat met betrekking tot het project [b-straat] geldbedragen aan [medeverdachte 1] zijn betaald doet daar niet aan af.

Verder stelt het middel dat de oplichting uitsluitend bestaat uit het ‘verzwijgen’ van de douceurtjes door [medeverdachte 1] richting de raad van commissarissen, terwijl dit onvoldoende is om als oplichtingsmiddel te kunnen worden aangemerkt omdat daarvoor volgens de steller van het middel een ‘handelen’ vereist is. Ook in zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. De bewezenverklaring houdt immers in dat ook ‘handelen’, zoals het sluiten van de ASOK waaruit financiële verplichtingen voortvloeiden voor [A] en het overeenkomen en betalen van de overnamesom van € 262.000, onderdeel was van het zich (in de persoon van [medeverdachte 1] ) valselijk voordoen als “betrouwbare en integere directeur/bestuurder” , welke valse hoedanigheid ertoe heeft geleid dat [A] is bewogen tot de afgifte van het geldbedrag. Verder bestaat de oplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid blijkens de bewezenverklaring inderdaad ook uit het door [medeverdachte 1] ‘verzwijgen’ jegens de raad van commissarissen van relevante informatie over het project [b-straat] te [plaats] en het geldelijke belang van [A] en de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de rol van medeverdachte [E] B.V. bij het project [b-straat] te [plaats] . Voor zover het middel berust op de stelling dat het aannemen van een valse hoedanigheid niet mede kan bestaan uit het verzwijgen van relevante informatie vindt het evenwel geen steun in het recht.

Met betrekking tot de klacht dat het in de bewijsconstructie betrekken van de douceurtjes zich niet verhoudt tot de vrijspraak van feit 4 (project [G] ) in het eerdere arrest van het hof van 5 oktober 2020, wijs ik op wat ik hiervoor onder 4.6 schreef over dezelfde klacht onder het eerste cassatiemiddel over feit 1 primair. Die klacht faalt.

Verder klaagt het middel dat het onderdeel van de bewezenverklaring “[medeverdachte 1] heeft relevante informatie verzwegen jegens de Raad van Commissarissen van [A] ten aanzien van het project [b-straat] te [plaats] en het geldelijke belang van [A] en de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de rol van medeverdachte [E] B.V. bij het project [b-straat] te [plaats]” niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Het is goed om op te merken dat in de eerste cassatieronde de gelijkluidende cassatieklacht over hetzelfde onderdeel van de bewezenverklaring door de Hoge Raad gegrond werd bevonden. Ik meen dat de klacht ditmaal moet falen. Uit de voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen van de leden van de raad van commissarissen (bewijsmiddelen 19 t/m 25) volgt dat zij niet ervan op de hoogte waren dat de [medeverdachte 1] (ten nadele van [A] ) geldbedragen (de “douceurtjes”) van de verdachte en [medeverdachte 2] ontving. Het hof heeft (mede) op grond hiervan “alleszins onaannemelijk” geacht dat [medeverdachte 1] de raad van commissarissen erover heeft geïnformeerd dat “hij in overleg met de verdachte en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] de prijs voor de aandelen eenzijdig op een aanzienlijk hoger bedrag heeft vastgesteld dan [getuige 2] intern in het belang van [A] als redelijk had berekend”, ook omdat [medeverdachte 1] steeds heeft ontkend de douceurtjes te hebben ontvangen. Dat oordeel, dat erop neerkomt dat het niet anders kan dan dat [medeverdachte 1] niet de van hem – ook op grond van de statuten, reglement en werkafspraken – verlangde openheid heeft betracht over de achtergrond van de prijs(verhoging) voor de aandelenovername en de wijze waarop die tot stand is gekomen omdat de oplichting dan aan het licht was gekomen, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarmee is het in het cassatiemiddel bestreden onderdeel van de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. In reactie op het middel merk ik nog op dat daaraan niet aan afdoet dat woningbouwvereniging [A] contractpartij was bij de Samenwerkingsovereenkomst (SOK) en de Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst ( ASOK ) en aldus (als rechtspersoon) in zoverre op de hoogte was van de eigen financiële positie en betrokkenheid van [E] . Het gaat erom wat buiten die overeenkomsten om door [medeverdachte 1] en de verdachte en [medeverdachte 2] frauduleus tot stand is gebracht en wat naar het oordeel van het hof door [medeverdachte 1] is verzwegen voor de raad van commissarissen.

Tot slot klaagt het middel over het oordeel van het hof dat, kort gezegd, er geen (bedrijfseconomische) verklaring is voor de verhoging van de overnamesom van de aandelen door [medeverdachte 1] en het (mede) daarop gebaseerde oordeel van het hof dat sprake is van oplichting. Anders dan het middel lijkt te veronderstellen, ligt in de overwegingen van het hof wel degelijk besloten dat de verhoging van overnamesom ten opzichte van de berekening van [getuige 2] – ook na een volgens [getuige 2] terechte correctie op die berekening (bewijsmiddel 70) – niet (bedrijfseconomisch) verklaarbaar is. Het middel bestrijdt de begrijpelijkheid van dit oordeel met een pagina’s lang citaat uit de pleitnota in hoger beroep, gevolgd door een pagina’s lange opsomming van overwegingen van het hof die in het licht van wat is aangevoerd nadere toelichting zouden behoeven, zonder dat daar concreet invulling aan wordt gegeven. In zoverre kwalificeert het middel niet als een stellige en duidelijke cassatieklacht.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

6. Het derde middel

Het derde middel klaagt over het door het hof in relatie tot “beide tenlastegelegde projecten” (ik begrijp: het met betrekking tot feit 1 primair en feit 3) bewezenverklaarde medeplegen.

In de toelichting op het middel wordt geklaagd over de overweging van het hof met betrekking tot het medeplegen van feit 1 primair dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte wist dat [getuige 3] hem zou gaan bellen, hetgeen er volgens het hof op wijst dat [medeverdachte 1] en de verdachte (en/of [medeverdachte 2] ) met elkaar hadden afgesproken dat [medeverdachte 1] [getuige 3] naar de verdachte zou doorverwijzen. Het hof doelt hier op de als bewijsmiddel 43 gebruikte getuigenverklaring van [getuige 3] , die inhoudt de verdachte in het telefonische gesprek tussen [getuige 3] en de verdachte “er direct op in [ging]” en daarom voor [getuige 3] wel duidelijk was dat de verdachte wist dat [getuige 3] zou gaan bellen. Ik deel niet het standpunt van de steller van het middel dat in zoverre slechts sprake is van een gissing van de getuige. Ook is de conclusie van het hof niet zonder meer tegenstrijdig met de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de verdachte zelf (bewijsmiddel 8 en 9). Die processen-verbaal houden weliswaar in dat de verdachte op de vraag of hij wist van het overleg dat [getuige 3] had met [medeverdachte 1] op 23 juni 2005 heeft geantwoord dat hij dat niet wist, maar dat strijdt niet met de conclusie van het hof dat de verdachte voorafgaand aan het daarop volgende telefoongesprek wel wist dat [getuige 3] zou gaan bellen.

Voor het overige wordt in het middel slechts gesteld dat de motivering van het hof van het medeplegen door de verdachte ontoereikend is in het licht van hetgeen bij pleidooi is aangevoerd door de raadsman. Waarom en op welke onderdelen het zou schorten aan de overwegingen van het hof tegen de achtergrond van het verweer wordt in het middel evenwel niet toegelicht. Ook in zoverre is geen sprake van een stellige en duidelijke klacht in cassatie.

Het middel faalt.

7. Conclusie

De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaren nadat op 11 juni 2024 beroep in cassatie is ingesteld. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf dient te leiden. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand