ECLI:NL:PHR:2026:810

ECLI:NL:PHR:2026:810

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 25/00027
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Profijtontneming. Falend middel dat het hof vanwege een eerdere ontneming ten onrechte en op onbegrijpelijke wijze (slechts) € 500,- in mindering heeft gebracht op de betalingsverplichting (i.v.m. art. 36e lid 10 Sr). Conclusie strekt tot verwerping (art. 81 lid 1 RO).

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/00027 P

Zitting 8 september 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de betrokkene

1. Inleiding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden heeft bij arrest van 24 december 2024 (parketnr. 21-002330-22) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 15.310,00,- en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 14.069,00,-. Verder heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 281 dagen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

De betrokkene in deze ontnemingsprocedure is in de achterliggende strafzaak veroordeeld wegens mensenhandel. In een andere strafzaak is de betrokkene veroordeeld wegens gewoontewitwassen omdat kort gezegd sprake was van onverklaarbaar vermogen. Voor dat vermogen is een betalingsverplichting opgelegd in een met die zaak samenhangende ontnemingsprocedure. Omdat de bewezenverklaarde periode van het gewoontewitwassen voor een klein deel overlapt met de bewezenverklaarde periode van de mensenhandel, heeft het hof in de onderhavige ontnemingszaak het ontnemingsbedrag verlaagd met € 500,-. In cassatie wordt aangevoerd dat het hof in plaats van het ontnemingsbedrag te verlagen, het openbaar ministerie voor het overlappende deel niet-ontvankelijk had moeten verklaren wegens strijd met het ne bis in vexari-beginsel. Daarnaast is het cassatieberoep gericht tegen het oordeel van het hof dat bij de betalingsverplichting een bedrag van € 500,- in mindering moet worden gebracht.

Deze conclusie houdt in dat het middel faalt.

3. Het middel

Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat vanwege een eerdere ontneming het huidige ontnemingsbedrag dient te worden verlaagd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de stellers van het middel wordt de betrokkene twee keer aangesproken voor een bedrag dat op hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft en zou het openbaar ministerie voor het overlappende deel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard op grond van het ne bis in vexari-beginsel. De tweede deelklacht verzet zich tegen het oordeel van het hof dat, gelet op die eerdere ontneming, een bedrag van € 500,- in mindering moet worden gebracht. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn althans − in het licht van het verweer van de verdediging − ontoereikend gemotiveerd.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de raadsman van de betrokkene het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities. Deze houden voor zover van belang het volgende in:

“De primaire reden voor het instellen van het hoger beroep is evenwel gelegen in het feit dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met een eerdere aan client opgelegde ontnemingsmaatregel.

Volgens de rechtbank ziet artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht op de vervolging voor strafbare feiten en is dat niet onverkort van toepassing op ontnemingsbeslissingen. Bij de oplegging van een ontnemingsmaatregel dient ingevolge artikel 36 e lid 10 Sr wel rekening gehouden te worden met uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Volgens de rechtbank is niet elke eerder opgelegde ontnemingsmaatregel daarbij relevant. In het licht van het ne bis in idem-beginsel dient voorkomen te worden dat de veroordeelde tot tweemaal toe strafrechtelijk wordt aangesproken voor een bedrag dat op één en hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft. In zoverre heeft de rechtbank gelijk. Gek genoeg is beslissing van de rechtbank echter in strijd met dit uitgangspunt.

In de beslissing in de ontnemingszaak van 13 juli 2021 in de zaak met parketnummer 18/083118-21 overweegt de rechtbank dat het bedrag ter grootte van € 16.538,00, dat door client is witgewassen, hem ook daadwerkelijk tot voordeel heeft gestrekt. Het geld is omgezet in (onder andere) een aanzienlijke hoeveelheid merkkleding, -schoenen en tassen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel in die zaak is uiteindelijk vastgesteld op een bedrag ter grootte van € 12.370,00 (bijlage 1). Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld, zodat deze onherroepelijk is.

In het vonnis in de samenhangende strafzaak (parketnummer 18/083118-21), dat ook op 13 juli 2021 is gewezen, overweegt de rechtbank dat op geen enkele wijze vast is komen te staan dat het bedrag van € 16.538,00 een legale herkomst heeft. In dat vonnis staat echter ook dat rechtbank geen concreet gronddelict heeft kunnen vaststellen. Het bedrag kon in ieder geval niet afkomstig zijn van de uitkeringsfraude waarvoor client is veroordeeld, aangezien hij onder bewind stond en per week € 50 leefgeld kreeg. Bovendien kon het geld niet afkomstig zijn van de handel in drugs, aangezien client daarvan is vrijgesproken (bijlage 2). Ook dit vonnis is onherroepelijk.

Het bedrag van € 16.538,00 heeft client volgens de rechtbank in de periode van 1 januari 2018 tot en met 29 maart 2021 verdiend middels gewoontewitwassen. In onderhavige zaak is client veroordeeld voor mensenhandel in de periode van 6 februari 2021 tot en met 29 maart 2021. De pleegperiodes van de zaak die vandaag aan de orde is en de zaak waarin cliënt is veroordeeld voor gewoontewitwassen overlappen elkaar dus.

Het verband tussen beide zaken gaat echter verder dan alleen een overlapping van pleegperiode. Beide zaken kunnen onmogelijk los van elkaar worden gezien. Zonder die witwaszaak (parketnummer 18/083118-21) zou de mensenhandelzaak (parketnummer: 18/171143-21) zeer waarschijnlijk helemaal niet aan het licht gekomen zijn. Onderzoek Dagi is namelijk aan het rollen gekomen toen client op 29 maart 2021 werd aangehouden in de witwaszaak en zijn telefoon van het balkon gooide. Dat werd gezien door de politie, waarna de telefoon in beslag werd genomen. Uit het onderzoek naar deze telefoon bleek vervolgens dat client geld verdiende aan het sekswerk van [betrokkene 1] .

Nu telefoon van client die de politie op het spoor heeft gebracht van zijn betrokkenheid bij de prostitutiewerkzaamheden van [betrokkene 1] in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 18/171143-21, zijn beide zaken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat klemt temeer daar er in de zaak met parketnummer gesteld wordt dat client, uitgerekend ook in de periode waarin [betrokkene 1] voor hem geld heeft verdiend, inkomsten had uit een op dat moment nog onbekende bron. Het is echter zonder meer aannemelijk dat het vermogen van client dat in de zaak met 18/171143-21 nog onverklaarbaar was, afkomstig was uit de prostitutiewerkzaamheden van [betrokkene 1] . Zoals gezegd, kon het volgens de rechtbank immers niet afkomstig zijn van uitkeringsfraude of drugshandel.

Hierbij merk ik op dat client op 29 juni 2021, voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak waarin is hij is veroordeeld wegens (onder andere) gewoontewitwassen, is aangehouden in onderzoek Dagi. Hij is in de tussentijd dus niet op vrije voeten geweest, vandaar dat in beide zaken de pleegperiode eindigt op 29 maart 2021. Doordat client zonder onderbreking heeft vastgezeten, is hij niet in de gelegenheid geweest om het geld dat met de prostitutie van [betrokkene 1] is verdiend te verstoppen.

Omdat de verdediging geen onderzoekswensen had in de zaak met parketnummer 18/083118-21, is die zaak op de eerste openbare zitting meteen inhoudelijk behandeld - er zijn geen pro forma zittingen geweest. Gelet op dat relatief korte tijdsbestek tussen de aanhouding van client in dat onderzoek en de inhoudelijke behandeling daarvan, heeft men de resultaten van het uitlezen van de telefoon van client niet meer kunnen gebruiken in de zaak met parketnummer 18/083118-21.

Als die zaak niet meteen inhoudelijk behandeld zou zijn, dan zou het uitbuiten van [betrokkene 1] al aan het licht zijn gekomen tijdens de loop van die strafzaak en zou dat feit ook deel uitgemaakt kunnen hebben van die zaak. In dat geval zou het geld waarvan de herkomst onbekend is gebleven wel degelijk een bekende herkomst hebben. Het gronddelict zou dan evident zijn: de uitbuiting in de zin van art. 273f Sr van [betrokkene 1] . Het wederrechtelijk voordeel van de zaken met de parketnummers 18/083118-21 en 18/171143-21 (parketnummer hoger beroep: 21/002330-22) vindt in de periode van 6 februari t/m 29 maart 2021 dus zijn oorsprong hetzelfde feit.

Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat het geld dat client heeft verdiend met de prostitutiewerkzaamheden van [betrokkene 1] (mede) ten grondslag ligt aan de ontnemingsmaatregel in de zaak met parketnummer 18/083118-21. Client wordt nu dus tot tweemaal toe strafrechtelijk aangesproken voor een bedrag dat op één en hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft. Dat is in strijd met het ne bis in idem- beginsel (Kamerstukken II, 1989/90. 21504, 3, p. 68). Het is echter ook een verdedigbaar standpunt dat hier sprake is van een dubbele vervolging, wat in strijd is met het ne bis in vexari- beginsel. Dat betekent dat het openbaar ministerie voor dat deel van de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden (T&C Strafrecht, aantekening 17 onder c bij art. 36 e Sr, zie tevens Kamerstukken II 1992/93 21504 en 22083, 53a, p. 11 & 12)

Mijn primaire standpunt luidt dat het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering tot ontneming van het wederechtelijk verkregen voordeel.

Als u het openbaar ministerie wel ontvankelijk acht, dan verzoek ik u subsidiair op grond van het tiende lid van artikel 36 e van het Wetboek van Strafrecht rekening te houden met de beslissing in de ontnemingszaak met parketnummer 18/083118-21 en het bedrag van € 12.370,00 in mindering te brengen op het in onderhavige zaak door client te betalen bedrag.”

Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2024 het volgende:

“De raadsman deelt in aanvulling op zijn pleitnota mede - zakelijk weergegeven:

Mijn cliënt zou een bedrag van ruim 800 euro contant bij zich hebben gehad. Dit zou hij hebben verdiend met de prostitutiewerkzaamheden van [betrokkene 1] . Vandaag heeft mijn cliënt verklaard dat hij dit geld heeft uitgegeven aan wiet en kleding. Er is ook veel dure kleding bij mijn cliënt thuis aangetroffen. In het voordeel van mijn cliënt ging men ervan uit dat dit nepkleding betrof en is de waarde van de kleding geschat op het vrij lage bedrag van 3.000 euro. In werkelijkheid was de waarde van de kleding een veelvoud van dit bedrag. Mijn cliënt heeft deze kleding contant betaald. Dat is de reden dat er geen banktransacties beschikbaar zijn om deze uitgaven te kunnen bevestigen.

[…]

De advocaat-generaal voert het woord tot repliek - zakelijk weergegeven:

Mijns inziens is geen sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel. Volgens artikel 36e, tiende lid, van het Wetboek van Strafrecht moet bij de oplegging van een ontnemingsmaatregel rekening worden gehouden met uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Op 13 juli 2021 is door de rechtbank Noord-Nederland vonnis gewezen waarbij betrokkene is veroordeeld voor hele andere feiten dan waar het in deze zaak om draait. Geen van die feiten heeft te maken met mensenhandel. De ontnemingsmaatregel die door de rechtbank Noord- Nederland is opgelegd, is dus niet gebaseerd op het strafbare feit mensenhandel. Het verweer van de raadsman gaat dus niet op. Dat zou anders kunnen zijn als in de bij de onderhavige ontnemingszaak behorende strafzaak ook het strafbare feit witwassen ten laste gelegd zou zijn, maar dat is niet het geval. Het openbaar ministerie is dus ontvankelijk in de ontnemingsvordering.

[…]

De raadsman voert het woord tot dupliek - zakelijk weergegeven:

Als de politie er eerder in was geslaagd om de telefoon van mijn cliënt te kraken, was het mensenhandelfeit vermoedelijk samen met het witwasfeit, het drugsfeit en de overtreding van de Participatiewet ten laste gelegd en ook tezamen behandeld door de rechtbank Noord-Nederland. In dit geval heeft de rechtbank geoordeeld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen uit het witwasfeit. Een brondelict met betrekking tot het witgewassen geldbedrag heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Volgens de rechtbank heeft mijn cliënt zich in de periode van 1 januari 2018 tot en met 29 maart 2021 schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Deze periode overlapt deels met de pleegperiode van de bewezenverklaarde mensenhandel ten opzichte van [betrokkene 1] . Gelet op de grote hoeveelheid dure kleding die bij mijn cliënt is aangetroffen en de waarde hiervan is het best aannemelijk dat hij ongeveer 10.000 euro heeft verdiend in de periode van twee maanden waarin [betrokkene 1] in de prostitutie heeft gewerkt. Het kan ook best veel meer zijn geweest. Dit bedrag zou hij dan hebben uitgegeven aan deze dure kleding. Mijn cliënt kan een duidelijk brondelict aanwijzen voor wat betreft het witgewassen geldbedrag, namelijk de strafbare seksuele uitbuiting van [betrokkene 1] . Het bedrag van ruim 800 euro cash dat mijn cliënt op zak had, was ook afkomstig uit de prostitutiewerkzaamheden van [betrokkene 1] . Mijn cliënt is intensief onderzocht door de politie. Zijn telefoon is tijdens het onderzoek gekraakt. Het enige wat hieruit naar voren is gekomen heeft betrekking op het mensenhandelfeit ten opzichte van [betrokkene 1] . Ik stel mij daarom op het standpunt dat in de onderhavige zaak wel degelijk sprake is van een ontnemingsvordering die betrekking heeft op wederrechtelijk verkregen voordeel dat al eerder ontnomen is.”

Het besteden arrest houdt voor zover van belang het volgende in:

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering vanwege een schending van het ne bis in vexari-beginsel of het ne bis in idem-beginsel. In dit verband heeft de raadsman aangevoerd dat betrokkene op 13 juli 2021 door de rechtbank Noord-Nederland is veroordeeld voor - onder meer - gewoontewitwassen, gepleegd in de periode van 1 januari 2018 tot en met 29 maart 2021. In de bijbehorende ontnemingszaak heeft diezelfde rechtbank een ontnemingsmaatregel opgelegd van € 12.730,-. Dit bedrag ziet op onverklaarbaar vermogen van betrokkene. De rechtbank heeft met betrekking tot het witgewassen geldbedrag geen brondelict kunnen vaststellen. Nu de pleegperiode van het gewoontewitwassen deels overlapt met de pleegperiode van de bewezenverklaarde mensenhandel ten opzichte van [betrokkene 1] , kan volgens de raadsman niet nogmaals een in die periode wederrechtelijk verkregen geldbedrag worden ontnomen, te meer niet nu voornoemd bedrag mogelijk is verkregen als gevolg van de strafbare seksuele uitbuiting van [betrokkene 1] .

Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat voornoemd bedrag van € 12.730,- in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu dit bedrag niet twee keer kan worden ontnomen.

[…]

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de ontnemingsvordering en overweegt het volgende. Het ne bis in idem-beginsel, waar de raadsman naar heeft verwezen, is opgenomen in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel is niet van toepassing, (reeds) omdat de vordering in deze zaak een andere is dan die ten grondslag lag aan de beslissing van de rechtbank van 13 juli 2021. Die vordering die leidde tot de uitspraak van 13 juli 2021 had betrekking op een veroordeling voor andere feiten dan in deze zaak en zag bovendien op een ruimere periode. Bij de oplegging van een ontnemingsmaatregel dient ingevolge artikel 36e, tiende lid, van het Wetboek van Strafrecht wel rekening te worden gehouden met uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar deze bepaling speelt geen rol bij de vraag of het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging. Op deze bepaling zal hieronder nader worden ingegaan bij de betalingsverplichting.

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van strijd met het ne bis in vexari-beginsel dan wel het ne bis in idem-beginsel. Het openbaar ministerie is dus ontvankelijk in de ontnemingsvordering.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 30 mei 2022 (parketnummer 18-171143-21) ter zake van medeplegen van mensenhandel ten opzichte van [betrokkene 1] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden (met aftrek van voorarrest). Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit deze bewezenverklaarde mensenhandel financieel voordeel heeft genoten.

[…]

Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan nu als volgt worden berekend:

€ 47.250,- - € 8.975,- = € 38.275,-.

Anders dan de rechtbank heeft bepaald en de advocaat-generaal heeft gevorderd, zal het hof betrokkene niet hoofdelijk aansprakelijk stellen voor het gehele bedrag, maar het wederrechtelijk verkregen voordeel verdelen onder betrokkene, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . […]

Dat betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan betrokkene is toegekomen wordt geschat op: 40% van € 38.275,- = € 15.310,-.

De verplichting tot betaling aan de Staat

In het strafvonnis van 13 juli 2021 in de zaak met parketnummer 18-083118-21 wordt vermeld dat ten aanzien van een bedrag van € 16.538,- niet is komen vast te staan dat het een legale herkomst heeft en dat dit bedrag dus middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het witwassen van dit bedrag heeft plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2018 tot en met 29 maart 2021. In de bijbehorende ontnemingszaak heeft de rechtbank Noord-Nederland een ontnemingsmaatregel van € 12.730,- aan betrokkene opgelegd. Omdat de bewezenverklaarde periode van het gewoontewitwassen voor een klein deel overlapt met de bewezenverklaarde periode van de mensenhandel ten opzichte van [betrokkene 1] waarvoor betrokkene is veroordeeld, zal het hof bij de betalingsverplichting een bedrag van € 500,- in mindering brengen op het hiervoor genoemde geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De betalingsverplichting zou dan uitkomen op een bedrag van € 14.810,-.

Omdat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, zal het hof daarnaast nog een korting van 5% toepassen op dit bedrag van € 14.810,- , zodat de verplichting tot betaling aan de Staat wordt vastgesteld op een bedrag van € 14.069,- (afgerond naar beneden).”

Voor de beoordeling van het middel is allereerst van betekenis dat op grond van art. 36e lid 10 Sr bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel rekening wordt gehouden met uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het voorschrift van art. 36e lid 10 Sr speelt een rol bij de vraag welk voordeel mag worden ontnomen. Volgens de memorie van toelichting dient deze bepaling ter voorkoming van de situatie waarin de veroordeelde tot tweemaal toe voor een bedrag dat op een en hetzelfde wederrechtelijk voordeel betrekking heeft strafrechtelijk wordt aangesproken.

Daarnaast is van belang dat het op grond van art. 511f Sv om een “schatting” van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat, waarbij geldt dat die schatting slechts kan worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. De strafvorderlijke bewijsminima zijn echter niet van toepassing. Bij de schatting van het voordeel heeft de rechter de ruimte om te abstraheren en ervaringsregels te gebruiken, nu art. 511f Sv niet voorschrijft welke methodes daarbij moeten worden gebruikt. De Hoge Raad heeft inmiddels een aantal berekeningsmethoden aanvaard, zoals de beredeneerde vermogensvergelijking, de kasopstelling en de methode van extrapolatie, voor zover zij gebaseerd zijn op wettige bewijsmiddelen en de verdediging de mogelijkheid wordt geboden aannemelijk te maken dat de berekeningen onjuist zijn.

Omdat de eerste deelklacht zonder betekenis is als de tweede deelklacht niet slaagt, vang ik aan met de bespreking van die tweede deelklacht.

De toelichting op de tweede deelklacht houdt in dat het hof heeft geoordeeld dat tussen de eerdere ontneming (naar aanleiding van de witwaszaak) en de onderhavige ontneming € 500,- overlap bestaat, dat het hof hiermee tot uitdrukking brengt dat het witwassen van criminele inkomsten “als het ware lineair” over de bewezenverklaarde witwasperiode is verlopen terwijl de stukken daarvoor geen grondslag bieden. Reeds daarom zou het oordeel onbegrijpelijk zijn. Daarnaast houdt de toelichting in dat de verdediging heeft aangevoerd dat het geld dat met de mensenhandel is verdiend grotendeels is opgegaan aan merkkleding en dat het hof − in het licht van dit verweer − nader had moeten motiveren waarom het slechts € 500,- in mindering heeft gebracht. De stellers van het middel voeren daartoe onder meer aan dat de rechtbank heeft vastgesteld dat bij de op 29 maart 2021 uitgevoerde doorzoeking merkkleding is aangetroffen die contant moet zijn betaald, dat de waarde van de merkkleding een significant gedeelte van het witgewassen bedrag vormt, dat wanneer de contant afgerekende kleding is gekocht en wat de herkomst van dat geld is geweest niet vastgesteld kon worden − enkel dat de kleding in ieder geval niet ouder is dan uit 2018 − en dat het goed zou kunnen zijn dat deze kleding is gekocht van het geld dat de betrokkene uit de mensenhandel heeft verkregen.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het aannemelijk is dat het geld dat de betrokkene heeft verdiend met de mensenhandel (mede) ten grondslag ligt aan de aan de witwaszaak verbonden ontnemingsmaatregel en dat de betrokkene dus tweemaal toe strafrechtelijk wordt aangesproken voor een bedrag dat op een en hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft. De raadsman heeft daartoe onder meer opgemerkt dat in de witwaszaak geen gronddelict is vastgesteld, dat het geld volgens de rechtbank niet afkomstig kon zijn uit de uitkeringsfraude (waarvoor de betrokkene was veroordeeld) of drugshandel (waarvoor de betrokkene was vrijgesproken) en dat de pleegperiodes van het gewoontewitwassen en de mensenhandel overlappen. Primair heeft de raadsman verzocht om niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, subsidiair dat het hof op grond van art. 36e lid 10 Sr rekening houdt met de beslissing in de witwasontnemingszaak en een bedrag van € 12.370,00 in mindering brengt. In dupliek heeft de raadsman ingebracht dat, gelet op de grote hoeveelheid dure kleding die bij de betrokkene is aangetroffen en de waarde hiervan, het “best aannemelijk” is dat de betrokkene ongeveer € 10.000,- heeft verdiend en mogelijk veel meer in de periode van twee maanden waarin de mensenhandel heeft plaatsgevonden en dat hij dat bedrag zou hebben uitgegeven aan dure kleding.

Het hof oordeelt onder het kopje “De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie” dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de ontnemingsvordering. Het hof legt daaraan ten grondslag dat het ne bis in idem-beginsel en het ne bis in vexari-beginsel niet van toepassing zijn omdat de vordering in de zaak die leidde tot de uitspraak van 13 juli 2021 betrekking had op een veroordeling voor andere feiten en zag op een ruimere periode. Het hof overweegt vervolgens dat op grond van art. 36e lid 10 Sr wel rekening dient te worden gehouden met uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde ontnemingsmaatregelen en dat deze bepaling geen rol speelt bij de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Onder het kopje “De verplichting tot betaling aan de Staat” overweegt het hof dat (in de andere strafzaak) in het strafvonnis van 13 juli 2021 wordt vermeld dat van € 16.538,- niet vast is komen te staan dat het een legale herkomst heeft, dat dit bedrag middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is, dat het witwassen heeft plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2018 tot en met 29 maart 2021 en dat in de bijbehorende ontnemingszaak een ontnemingsmaatregel van € 12.730,- is opgelegd. Het hof overweegt vervolgens dat “de bewezenverklaarde periode van het gewoontewitwassen voor een klein deel overlapt met de bewezenverklaarde periode van de mensenhandel” en dat het hof daarom bij de betalingsverplichting in de onderhavige zaak een bedrag van € 500,- in mindering brengt.

Gelet op het onder 3.5 en 3.6 vooropgestelde en gezien het verweer van de verdediging acht ik het oordeel van het hof dat € 500,- in mindering wordt gebracht op de betalingsverplichting niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Daartoe neem ik het volgende in aanmerking.

Uit het bovenstaande volgt dat het hof op de voet van art. 36e lid 10 Sr rekening heeft gehouden met de eerdere ontnemingsbeslissing naar aanleiding van de witwaszaak. In die ontnemingszaak was sprake van onverklaarbaar vermogen en is geen gronddelict vastgesteld. Daarmee heeft het hof in de onderhavige ontnemingszaak niet kunnen vaststellen waarin het onverklaarbare vermogen zijn oorsprong vindt en evenmin of en in hoeverre het daarbij (mede) om inkomsten uit mensenhandel gaat en de betrokkene (deels) tweemaal voor hetzelfde voordeel wordt aangesproken. Het hof heeft evenwel een bedrag van € 500,- op de betalingsverplichting in mindering gebracht. Ik begrijp dat als volgt.

De bewezenverklaarde periode van het witwassen is 1 januari 2018 tot en met 29 maart 2021 en bedraagt daarmee bijna 39 maanden terwijl in de daarop betrekking hebbende ontnemingszaak een betalingsverplichting van € 12.730,- is opgelegd. In de achterliggende strafzaak van de onderhavige ontnemingsprocedure is de betrokkene veroordeeld voor mensenhandel in de periode van 6 februari 2021 tot en met 29 maart 2021. Dit komt neer op een periode van ruim 7 weken. Deze 7 weken liggen geheel aan het einde van de daarnet genoemde periode van 39 maanden. Verder is van belang dat het hof in de onderhavige ontnemingszaak een rond bedrag van € 500,- in mindering heeft gebracht op de betalingsverplichting. Gelet op een en ander heeft het hof kennelijk als uitgangspunt genomen dat het voordeel evenredig over de pleegperiode van het witwassen is verkregen en dat het voordeel dat betrekking heeft op de ruim 7 weken waarin de pleegperiodes elkaar overlappen naar evenredigheid in mindering moet worden gebracht bij de onderhavige betalingsverplichting.

Bij gebrek aan aanknopingspunten voor een andere verdeling van het voordeel over de pleegperiode, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof deze schattingsmethode heeft gehanteerd en is uitgekomen op een afgerond bedrag van € 500,-. Daarbij wijs ik erop dat de verdediging geen gegevens heeft aangevoerd op grond waarvan nader kan worden bepaald wanneer, met welke feiten en precies welke bedragen wederrechtelijk zijn verkregen. Verder verdient opmerking dat de door het hof gehanteerde methode inderdaad niet uitsluit dat in de laatste 7 weken een buitenproportioneel groot deel is witgewassen, maar evengoed is er de mogelijkheid dat in de laatste zeven weken in verhouding juist zeer weinig is witwassen. Ook in dat opzicht kan de door het hof gehanteerde methode als een redelijke schatting worden aangemerkt.

Ook het verweer van de verdediging raakt niet aan de toereikendheid van de motivering. De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van dubbele ontneming. Daartoe heeft zij onder meer gewezen op de omstandigheid dat in de witwaszaak geen gronddelict is vastgesteld, dat het in die zaak aangetroffen geld volgens de rechtbank niet afkomstig kon zijn uit de uitkeringsfraude of de drugshandel en dat de pleegperiodes van het witwassen en de mensenhandel elkaar overlappen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de betrokkene in de periode van 2 maanden waarin de mensenhandel heeft plaatsgevonden ongeveer € 10.000,- of mogelijk meer heeft verdiend, dat bij de betrokkene een grote hoeveelheid merkkleding is aangetroffen en dat de betrokkene zijn inkomsten uit die periode aan de merkkleding heeft besteed. Daarbij heeft de verdediging erop gewezen dat niet is vastgesteld wanneer de contant afgerekende kleding is gekocht, maar slechts dat de kleding in elk geval niet ouder is dan uit 2018. Dit sluit echter geenszins uit dat de kleding reeds voor de pleegperiode van de mensenhandel is verkregen en zelfs wanneer dat wel het geval zou zijn, impliceert dit nog niet dat die met inkomsten uit mensenhandel is betaald. De aangevoerde omstandigheden laten weliswaar de mogelijkheid open dat het voordeel uit de mensenhandel mede ten grondslag ligt aan de ontnemingsmaatregel in de witwaszaak, maar zonder nadere concretisering bieden zij onvoldoende grond om te concluderen dat hetzelfde voordeel (deels) tweemaal wordt ontnomen. Daarbij is ook hier van belang dat het witwassen zich over een periode van bijna 39 maanden heeft uitgestrekt en dat alleen de laatste ruim 7 weken daarvan overlappen met de pleegperiode van de mensenhandel. Tegen die achtergrond mocht van de verdediging worden verlangd dat zij haar standpunt met meer concrete gegevens zou onderbouwen. De niet onderbouwde stelling dat de inkomsten uit mensenhandel aan de kleding zijn besteed en het aanvoeren van de omstandigheid dat de kleding niet ouder is dan uit 2018, is daarvoor onvoldoende. Zonder verdere onderbouwing was het hof dan ook niet gehouden tot een nadere motivering.

Gezien het voorgaande behoeft de eerste deelklacht geen behandeling.

Het middel faalt.

4. Afronding

Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand