ECLI:NL:PHR:2026:822

ECLI:NL:PHR:2026:822

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer bijlage 26/02339 PJV
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Ontvankelijkheidsbeoordeling 26/02339 PJV

Uitspraak

Nummer 26/02339 PJV

Zitting 25 augustus 2026

ONTVANKELIJKHEIDSBEOORDELING

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte

Inleiding: probleemschets

1. De rechtbank Rotterdam heeft op de zitting van 29 mei 2026 beslist het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om een prejudiciële vraag te kunnen stellen over de toepassing van artikel 314 Sv. Aanleiding daarvoor was de (gedeeltelijke) toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging. De raadsman stemde in deze zaak niet in met de directe voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting. Op 19 juni 2026 stelde de rechtbank bij tussenbeslissing aan de Hoge Raad de volgende vraag:

Dient artikel 314 lid 2 Sv, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2966, zo te worden begrepen dat het onderzoek ter terechtzitting na een wijziging van de tenlastelegging zonder meer dient te worden geschorst indien de verdachte of raadsman geen toestemming geeft het onderzoek aanstonds of na een korte onderbreking voort te zetten, of is er ruimte voor een afweging of voldaan is aan het belang van de verdediging om zich op de gewijzigde tenlastelegging te kunnen voorbereiden, zoals dat ook is genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 1935, NJ 1935, p. 1235, dan wel of zich anderszins een grond voordoet om dat aanhoudingsverzoek af te wijzen?

2. De Hoge Raad heeft de procureur-generaal in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, zoals voorzien in artikel 554 lid 1 Sv en artikel 4.4.5.1 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden. In deze ontvankelijkheidsbeoordeling bespreek ik of de gestelde vraag in aanmerking komt voor beantwoording bij prejudiciële beslissing door de Hoge Raad.

3. Artikel 553 lid 1 Sv biedt de rechter de mogelijkheid om aan de Hoge Raad een rechtsvraag te stellen “ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing”. Voor het stellen van de hier bedoelde ‘prejudiciële vraag’ bestaan − naar de letter van deze bepaling genomen − twee cumulatieve voorwaarden. In de eerste plaats is het antwoord op de vraag nodig voor de beslissing die de rechter in de betreffende procedure moet nemen. In de tweede plaats kan aan de beantwoording van de vraag bijzonder gewicht worden toegekend vanwege het met de rechtsvraag gemoeide zaaksoverstijgende belang (kortom: het antwoord is van belang voor de rechtsontwikkeling c.q. rechtsvorming). Bij de beoordeling of de vraag van de rechtbank door de Hoge Raad beantwoord moet worden, verdient dat eerste punt bijzondere aandacht. Zoals de rechtbank zelf al erkent in haar tussenbeslissing, is beantwoording van de vraag immers niet nodig voor de in de strafzaak te nemen beslissing over het wel of niet aanhouden van de zaak. De rechtbank schorste het onderzoek op de terechtzitting immers nou juist om de prejudiciële vraag te kunnen stellen.

Het beoordelingskader: het beantwoorden van prejudiciële vragen wanneer dat niet (meer) nodig is voor de beslissing(en) van de feitenrechter

Relevante bepalingen

4. Artikel 553 lid 1 Sv houdt in:

De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een betrokken procespartij de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om te beslissen en aan de beantwoording van deze vraag bijzonder gewicht kan worden toegekend, gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang.”

En artikel 555 lid 2 en 3 Sv houden in:

2. De Hoge Raad ziet af van beantwoording indien hij oordeelt dat de vraag zich niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing leent of de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen. De Hoge Raad kan zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.

3. Indien het antwoord op de vraag, nadat deze is gesteld, niet meer nodig is voor de beslissing van de rechter kan de Hoge Raad, indien hem dat geraden voorkomt, de vraag desondanks beantwoorden.

Het doel van de prejudiciële procedure

5. De regeling van de prejudiciële procedure in strafzaken is ontworpen met het oog op de rechtsvormende taak van de Hoge Raad. Het stellen en beantwoorden van prejudiciële vragen dient de rechtszekerheid en de rechtseenheid, omdat niet hoeft te worden afgewacht tot een van de procespartijen een rechtsvraag in cassatie voorlegt. Doordat sneller dan normaal antwoord op een belangrijke vraag kan worden verkregen, is de kans kleiner dat rechters in de tussentijd verschillend antwoorden op die vraag. Bij deze doelstelling past dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen de procedure breed open te stellen, omdat rechtsvragen niet alleen in de hoofdprocedure spelen. Alle rechters (onder andere rechter-commissaris, raadkamer, rechtbank, gerechtshof) kunnen in een strafrechtelijke procedure, dat wil zeggen, een procedure die onder het Wetboek van Strafvordering valt, vragen stellen.

Voorwaarden voor vragen en beantwoorden

6. Artikel 553 lid 1 Sv omschrijft de bevoegdheid van de feitenrechter om prejudiciële vragen te stellen. Zoals gezegd moet het gaan om een (rechts)vraag met zaaksoverstijgend belang waardoor de beantwoording van die vraag van bijzonder gewicht is. Deze voorwaarde ligt voor de hand gezien het doel van de regeling. De eis dat beantwoording van de vraag ‘nodig is om te beslissen’, moet volgens de memorie van toelichting voorkómen dat ‘extrajudiciële’ vragen worden gesteld, oftewel “andere vragen dan over de concrete strafzaak”. De achtergrond van die eis is gelegen in de aard van het strafproces. Het toelaten van vragen die volledig losstaan van de voorliggende strafzaak zou de deur openzetten naar allerlei mogelijk interessante, maar niet relevante rechtsvragen. Dat hoort niet thuis in het strafproces, dat nou eenmaal gericht is op berechting van de verdachte.

7. Artikel 555 lid 2 Sv bepaalt wanneer de Hoge Raad afziet van beantwoording van de vraag. Deze bepaling is in zekere zin een afspiegeling van artikel 555 lid 1 Sv. De Hoge Raad ziet af van de beantwoording van de gestelde vraag wanneer de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen of de vraag zich niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing leent. Hoewel de bepaling een zeker verplichtend karakter heeft, wilde de wetgever de Hoge Raad in dit kader uitdrukkelijk veel ruimte geven om te beoordelen of beantwoording van de vraag in een gegeven situatie wenselijk is. Bij de afweging of de vraag van voldoende gewicht is, mag de Hoge Raad bijvoorbeeld ook letten op de beschikbare capaciteit en betrekken dat prioriteit moet worden gegeven aan andere, belangrijkere vragen. In zijn eerste beslissing in een prejudiciële procedure concretiseerde de Hoge Raad het tweede criterium in een aantal subgronden. Uit die beslissing volgt dat een vraag zich onder meer niet voor beantwoording leent wanneer de vraag ‘onvoldoende verband’ heeft met de zaak; een uitvloeisel van de voorwaarde waaraan de vragende rechter moet voldoen, te weten dat beantwoording ‘nodig is om te beslissen’.

8. Artikel 555 lid 3 Sv schept vervolgens een bevoegdheid voor de Hoge Raad om een vraag te beantwoorden, ook wanneer dat niet langer nodig is voor de beslissing van de rechter. De Hoge Raad kan daarvoor aanleiding zien in het zaaksoverstijgend belang en/of het belang voor de verdere rechtsontwikkeling, zo laat de wetsgeschiedenis weten. Ook hier heeft de wetgever de Hoge Raad de nodige vrijheid willen geven door geen nadere criteria te stellen, maar de ruimte aan de Hoge Raad zelf te laten om “op basis van de voorliggende omstandigheden, tot een passende beslissing te komen.”

9. Een belangrijk kenmerk van deze bepaling is wel dat uit de tekst van de wet volgt dat deze (uitsluitend) ziet op gevallen waarin zich nadat de prejudiciële vraag is gesteld een omstandigheid voordoet die maakt dat beantwoording niet meer nodig is. De memorie van toelichting geeft een gewijzigde proceshouding van de verdachte en het overlijden van de verdachte als voorbeelden. Ook bij deze voorwaarde gaat het om het voorkómen van vragen die te weinig verband houden met de strafzaak, begrijp ik. Als de Hoge Raad op basis van artikel 555 lid 3 Sv ook vragen kan beantwoorden van rechters die ten tijde van het stellen van de vraag al weten dat beantwoording niet nodig is, dan begint de prejudiciële procedure wel erg veel te lijken op een extrajudiciële procedure.

Beantwoording van vragen over aanhouding op basis van artikel 314 lid 2 Sv, als dat niet nodig is voor beslissing van de rechter?

10. In deze zaak heeft de rechter de beslissing waarover de prejudiciële vraag gaat (wel of niet aanhouden) in feite al genomen voorafgaand aan het stellen van de vraag zelf. De wetgever heeft geen rekening gehouden met situaties als deze, waarin de aard van het onderwerp meebrengt dat in principe niet kan worden voldaan aan de eis van artikel 553 lid 1 Sv, te weten dat het antwoord op de vraag nodig is om te beslissen, en de eis van artikel 555 lid 3 Sv, te weten dat een omstandigheid ná het stellen van de vraag de beantwoording daarvan voor beslissingen van de vragende rechter overbodig maakt. Beantwoording van zo’n vraag staat op gespannen voet met de verschillende voorwaarden in de prejudiciële procedure die zien op het voorkómen van extrajudiciële vragen. De rechtbank zal het antwoord op de vraag niet meer nodig hebben, en dat wist de rechtbank al toen zij haar vraag stelde.

11. De Hoge Raad heeft echter eerder uitgemaakt dat niet altijd strikt aan die voorwaarden moet worden vastgehouden. In een beslissing van 11 februari 2025 boog de Hoge Raad zich over (de ontvankelijkheid van) een vraag van een rechter over de aftrek van voorarrest bij toewijzing van een vordering tot tenuitvoerlegging. Voorafgaand aan het stellen van de vraag had de rechter al beslist op de vordering. De Hoge Raad overwoog dat de wetgever uitdrukkelijk heeft willen afzien van de mogelijkheid extrajudiciële vragen te stellen, maar dat die beperking niet geldt voor “gevallen waarin een rechter een prejudiciële vraag met een zaaksoverstijgend belang stelt aan de Hoge Raad, waarbij die vraag op zichzelf van belang is voor de door de rechter te nemen beslissing, maar het voor de rechter vanwege de aard van de betreffende strafvorderlijke procedure en de daarin op het spel staande belangen niet goed mogelijk is de beantwoording van de vraag af te wachten.” De Hoge Raad merkte daarnaast op dat de artikelen 553, 554 en 555 Sv niet beletten dat “de Hoge Raad – in lijn met de bedoeling van de wetgever die aan de regeling van artikel 555 lid 3 Sv ten grondslag ligt – beslist om de vraag wel te beantwoorden als hem dat geraden voorkomt met het oog op de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid, en gelet op het bijzondere gewicht van de vraag in het licht van de belangen van de strafrechtspraktijk”, maar dat de Hoge Raad in zo’n geval niet verplicht is tot beantwoording van de vraag. Als ik het goed zie, ontleent de Hoge Raad de bevoegdheid om in dit soort gevallen prejudiciële vragen te beantwoorden dus niet aan artikel 555 lid 3 Sv. Ik denk dat de Hoge Raad bedoelt dat in dit soort gevallen nog wel voldoende verband is met de strafzaak en artikel 555 lid 2 Sv dus niet in de weg staat aan beantwoording daarvan.

12. Ook in deze zaak lijkt het mij in lijn met de gedachtegang die schuilgaat achter de regeling van de prejudiciële procedure indien aangenomen wordt dat beantwoording toch mogelijk is. Het belang van rechtsvorming staat bij de regeling voorop, en de wetgever heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk veel ruimte willen geven om te beoordelen of het beantwoorden van een vraag wenselijk is. De procedure is daarbij breed opgezet, om rechtsvorming ten aanzien van zoveel mogelijk facetten van het straf(proces)recht te bevorderen. Het kan dus niet de bedoeling zijn geweest om een onderwerp als dit (wel of niet aanhouden op basis van artikel 314 lid 2 Sv) bij voorbaat uit te sluiten van rechtsvorming via de prejudiciële procedure. Dat zou ook nadelige bredere consequenties kunnen hebben, bijvoorbeeld het gevolg dat de thematiek van aanhoudingsperikelen in het algemeen (voor een groot deel) buiten het bestek van de prejudiciële procedure zal vallen. Door ook in dit verband de eis te stellen dat de “vraag op zichzelf van belang is voor de door de rechter te nemen beslissing”, is bovendien verzekerd dat de vraag een voldoende verband houdt met de bewuste strafzaak, ondanks het feit dat de beslissing al is genomen. Zo ontstaat volgens mij een duidelijk omlijnde uitzondering, die de uitsluiting van extrajudiciële vragen niet wezenlijk aantast.

13. Ik kom tot deze slotsom. De Hoge Raad kan in het belang van de rechtsvorming aanleiding zien een prejudiciële vraag te beantwoorden over het wel of niet aanhouden van de zaak op grond van artikel 314 lid 2 Sv na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, maar is daartoe niet verplicht. Dat beantwoording niet nodig is voor de beslissing hierover, omdat de zaak al is aangehouden om de vraag te kunnen stellen, staat daaraan niet direct in de weg. Het zal dan in elk geval wel moeten gaan om een vraag die op zichzelf relevant was voor de beslissing die de rechter moest nemen.

De beoordeling van de prejudiciële vraag van de rechtbank

Het zaaksoverstijgende belang en gewicht van de vraag

14. Over het belang van de vraag merkt de rechtbank op dat advocaten in toenemende mate na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging geen toestemming verlenen voor de directe voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting en vervolgens verzoeken om schorsing. Als artikel 314 lid 2 Sv zo wordt uitgelegd dat het onderzoek ter terechtzitting dan nooit direct mag worden voortgezet, heeft dat aanzienlijke proceseconomische gevolgen binnen de strafrechtspleging. De rechtbank geeft het voorbeeld dat een volledige zittingsdag met bijhorende voorbereidingstijd door een meervoudige kamer verloren gaat. Soortgelijke situaties hebben zich bij de rechtbank vaker voorgedaan. Daarnaast wordt in de praktijk verschillend omgegaan met deze rechtsvraag. Er zijn ook rechters die artikel 314 lid 2 Sv ruimer uitleggen en (onder omstandigheden) afzien van schorsing van het onderzoek, ook als instemming van de verdachte ontbreekt. De rechtbank meent, zo begrijp ik, dat in de rechtspraak van de Hoge Raad geen panklaar antwoord te vinden is op deze kwestie. Daarin kan ik mij vinden.

Beantwoording van de vraag?

15. Eerder kwam ik tot de conclusie dat in een geval als dit, waarin de zaak wordt aangehouden om een prejudiciële vraag te stellen over de regels voor de beslissing de zaak al dan niet aan te houden op grond van artikel 314 lid 2 Sv, de Hoge Raad aan de regeling van de prejudiciële procedure onder omstandigheden de bevoegdheid kan ontlenen om de vraag te beantwoorden. Ik merk daarbij op dat het antwoord op de vraag op zichzelf relevant zou zijn geweest voor de kwestie waarvoor de rechtbank zich gesteld zag, namelijk het al dan niet schorsen van het onderzoek nadat de advocaat geen toestemming gaf voor het direct voortzetten daarvan. Gelet op het hiervoor omschreven zaaksoverstijgende belang, meen ik dat de Hoge Raad aanleiding kan zien om die bevoegdheid ook daadwerkelijk te gebruiken.

Slotsom

16. Deze ontvankelijkheidsbeoordeling strekt tot het in behandeling nemen van de prejudiciële vraag.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand