ECLI:NL:PHR:2026:829

ECLI:NL:PHR:2026:829

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer 24/03942
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Veroordeling voor o.a. diefstal met valse sleutel (art. 311 Sr). Toegewezen bedrag vordering b.p. hoger dan bedrag in bewezenverklaring. Middel berust kennelijk op opvatting dat verdachte niet tot hogere schadevergoeding gehouden kan zijn dan het bewezen verklaarde bedrag dat hij door diefstal heeft verworven. Die opvatting is onjuist. Conclusie strekt tot verwerping.

Uitspraak

Nummer 24/03942

Zitting 1 september 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 23 oktober 2024 (parketnr. 21-001465-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wegens 1 "bedreiging met zware mishandeling", 2 “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming”, 3, 4, 5 en 6 “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats heeft verschaft door middel van valse sleutels” en 7 “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf heeft het hof bijzondere voorwaarden verbonden. Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van vijf benadeelde partijen.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. Kuipers, advocaat in Arnhem, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het cassatiemiddel

3. Het middel behelst de klacht dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de oplegging van de daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel ontoereikend zijn gemotiveerd, gelet op wat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk heeft aangevoerd.

De relevante onderdelen van de processtukken

4. Ten laste van de verdachte is onder feit 5 primair bewezen verklaard dat:

hij in de periode van 20 november 2021 tot en met 21 november 2021 te [plaats] (bij het Goudwisselkantoor en/of Mediamarkt) telkens een hoeveelheid geld te weten 8.890,- euro en 3.137,- euro en 3.498,- en 8.190,- euro die aan [benadeelde] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen hoeveelheden geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel te weten een door oplichting verkregen bankpas”.

5. In eerste aanleg heeft de benadeelde partij [benadeelde] een oningevuld schadevergoedings-formulier ingediend. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij gesteld dat zij € 30.000,- schade heeft geleden. De politierechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, maar wel een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij ter hoogte van € 23.715,- opgelegd. In hoger beroep heeft de benadeelde partij ter terechtzitting haar vordering gehandhaafd en onderbouwd door een afschrift van de ING-rekening te overleggen. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 oktober 2024 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Op vragen van de voorzitter antwoordt de benadeelde partij [benadeelde] :

U laat me weten dat u slechts een kaal formulier zonder bedragen van mij heeft ontvangen. Ik dacht dat alles wel bij de papieren zat. Ik was inderdaad aanwezig bij de zitting in eerste aanleg. Het klopt dat mijn vordering niet-ontvankelijk is verklaard wegens een gebrek aan onderbouwing. Ik heb mijn vordering inderdaad wel willen handhaven. U houdt me voor dat u het bedrag van mijn vordering niet kent. Ik wil graag wat laten zien.

De voorzitter vraagt de benadeelde partij [benadeelde] naar voren te komen. De voorzitter deelt mede:

Wat de benadeelde partij laat zien is het volgende. Een bankafschrift van een ING betaalrekening. Daarvan zijn op 21 november 2021 meerdere bedragen afgeschreven. Onder meer zie ik bedragen van € 8.190,-, € 3.498,-, € 8.890,- en drie keer € 9.000,-. Er is veel gedaan met uw rekening op 20 en 21 november. De rechtbank Groningen heeft geconstateerd dat er wel een verzoek tot schadevergoeding van uw kant is ingediend, maar zonder bedragen en zonder onderbouwing. Daarom is de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De vraag blijft waarom op de vordering geen bedragen zijn ingevuld.

De benadeelde partij [benadeelde] antwoordt:

Al de bedragen zoals u die ziet op het afschrift zijn dus de bedragen.

Op vragen van de jongste raadsheer antwoordt de benadeelde partij [benadeelde] :

Er zijn geen bedragen bij die ik zelf heb afgeschreven. U houdt me voor dat u ook een afboeking ziet staan van een klein bedrag van een derdengeldenrekening. Die is wel van mij. U houdt me voor dat dit afschrift wel bij de aangifte gevoegd was.

Op vragen van de advocaat-generaal antwoordt de benadeelde partij [benadeelde] :

Deels ben ik gecompenseerd voor de schade, maar niet het deel van de ING. In totaal was ik € 31.000,- kwijt. Het geld dat ik via ABN Amro kwijt was geraakt is vergoed, het geld dat op mijn ING-rekening stond niet. Dat is ook niet door een verzekering gedekt. Dat ging in totaal om € 26.500,-. Dat is vandaag ook het bedrag van mijn vordering.

6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 oktober 2024 heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn pleitnota het woord gevoerd. Die pleitnota houdt over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel het volgende in:

“II. Schadevergoedingsmaatregel

2) Uit de aantekening mondeling vonnis van de rechtbank Groningen volgt dat de politierechter ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] . De verdediging kan zich niet verenigen met dit oordeel, waarbij zij opgemerkt dat wij hier — anders dan dat in het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg staat uitgewerkt — bezwaren tegen hebben.

3) Immers, door een civiele vordering in te dienen zonder daarbij te voldoen aan de eisen die de wet hieraan stelt (het vorderingsformulier was niet ingevuld), onttrok deze vordering zich aan enige kritische vraagstelling aan de zijde van de verdediging. Het betrof immers een evident niet-ontvankelijke vordering nu de civiele stelplicht zoals deze geldt in deze procedure niet werd gehaald.

4) Via een onvoorziene omweg wordt de vordering alsnog het strafrecht ingetrokken middels de schadevergoedingsmaatregel, waarbij cliënt gehouden zou worden om het gehele schadebedrag te voldoen aan de staat. De verdediging acht die toepassing in deze specifieke zaak onwenselijk nu (i) door de plotselinge toepassing van de schadevergoedingsmaatregel er onvoldoende gelegenheid is geweest om de benadeelde kritisch te bevragen over het schadebedrag (in het bijzonder; wat is er precies vergoed en welke activiteiten zijn er verricht om enige vergoeding te verkrijgen).

5) Voorts (ii) achten wij toepassing van de schadevergoedingsmaatregel niet passend nu de benadeelde op geen enkele wijze kenbaar heeft gemaakt van zins te zijn om hier civiel over te gaan procederen. Het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel heeft immers enkel nut indien er een (civielrechtelijke) titel ontstaat om het geld toegewezen te krijgen. Bij het ontbreken van een dergelijke titel vervalt het geld uiteindelijk aan de staat, waarbij deze gaat fungeren als een ontneming/bijkomende straf.

6) Nu het evident is dat cliënt in deze als katvanger heeft gefungeerd — hij was verslaafd en heeft zich laten lenen om met gestolen passen transacties te verrichten - zou het gezien het voorgaande passender zijn om enige schadevergoedingsmaatregel — mocht deze worden opgelegd - in ieder geval te matigen. Een katvanger ontvangt niet de gehele buit, evenmin de helft van de buit. Een matiging tot maximaal 1/3 van de gevorderde schade lijkt ons derhalve passend.”

7. In aanvulling op de pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 oktober 2024 het volgende in:

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling op de pleitnota voert hij aan:

(…)

Dan ten aanzien van de vordering van [benadeelde] . Er is op papier weliswaar een vordering ingediend, maar die was blanco. Aan de stelplicht is niet voldaan en dat is evenmin hersteld. Ook kan geen hoger bedrag worden toegewezen dan in eerste aanleg is gedaan. Daarbij vergt toewijzing dat de schuld van verdachte in rechte vast is komen te staan. Als je de schadebedragen van feit 5 optelt kom je tot een bedrag van € 23.715,-. Nu client niet meer wordt verweten dan dat is er geen ruimte voor een hoger bedrag. Dan ga ik nu naar overweging 3 van mijn pleitnota.

Onder punt 6 van de pleitnota: Wij verzoeken de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen en zijn ook van oordeel dat er geen vordering is ingediend.

8. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het bestreden oordeel luidt als volgt:

“Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (feit 5 primair)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij heeft ter zitting in eerste aanleg toegelicht dat hij € 30.000,- aan materiële schade heeft opgelopen.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. Wel is door de politierechter een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter hoogte van € 23.715,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Door de verdediging is in hoger beroep verweer gevoerd tegen de beslissing van de politierechter om ambtshalve een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten behoeve van [benadeelde] . Volgens de verdediging betreft het een evident niet-ontvankelijke vordering nu de civiele stelplicht niet in acht is genomen.

Het hof volgt de raadsman hierin niet. Hoewel het schadevergoedingsformulier in eerste aanleg niet volledig was ingevuld, heeft de benadeelde partij ter zitting in eerste aanleg toegelicht dat hij materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 30.000,-. Ter zitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij dit bevestigd en heeft hij de gestelde geschade nader onderbouwd met een afschrift van zijn ING-rekening; een afschrift dat zich ook reeds in het dossier bevindt. Het hof stelt gezien het voorgaande vast dat voor de verdediging zowel in eerste aanleg als in hoger beroep kenbaar is geweest dat [benadeelde] een vordering tot schadevergoeding had ingediend en zij hebben hierop inhoudelijk kunnen reageren.

Uit het onderzoek ter terechtzitting, de aangifte van [benadeelde] en het door hem overgelegde rekeningafschrift is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 26.574,95. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot de dag er algehele voldoening. De suggestie dat het toe te wijzen bedrag zou moeten worden gematigd nu verdachte bij de bewezenverklaarde feiten enkel als ‘katvanger’ heeft gefungeerd, vindt geen steun in het recht en wordt daarom verworpen.

Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in de vordering niet worden ontvangen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 5 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 26.574,95 (zesentwintigduizend vijfhonderdvierenzeventig euro en vijfennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening .

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 5 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 26.574,95 (zesentwintigduizend vijfhonderdvierenzeventig euro en vijfennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 167 (honderdzevenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 november 2021.”

De bespreking van het middel

De klacht ten aanzien van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij

9. In de toelichting op het middel wordt gewezen op de door de verdediging ter terechtzitting ingenomen standpunten dat de benadeelde partij niet aan haar stelplicht heeft voldaan en, indien dat wel het geval zou zijn, het toe te wijzen bedrag niet hoger kan zijn dan € 23.715,-. Dat bedrag is de som van de onder feit 5 primair bewezen verklaarde bedragen die met de door oplichting verkregen bankpas van de rekening van [benadeelde] zijn afgeschreven. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij evenwel toegewezen tot een bedrag van € 26.574,95.

10. Vooropgesteld moet worden dat de benadeelde partij vergoeding kan vorderen voor de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden, indien tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden (artikel 51f lid 1 Sv). In het geval van vermogensdelicten kan de verdachte tot een hogere schadevergoeding gehouden zijn dan het bedrag dat hij door het bewezen verklaarde misdrijf heeft verworven. Bepalend is steeds of er voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen en de geleden schade.

11. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 oktober 2024 volgt dat de benadeelde partij haar vordering heeft onderbouwd met een afschrift van de ING-rekening, waarvan op 21 november 2021 € 26.574,95 is afgeschreven. Desgevraagd heeft de benadeelde partij gesteld dat zij op die dag zelf geen bedragen heeft afgeschreven. Het hof heeft overwogen dat de benadeelde partij, anders dan de verdediging heeft betoogd, aan haar stelplicht heeft voldaan, terwijl de verdediging de gelegenheid heeft gehad om inhoudelijk op de vordering te reageren. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat uit het onderzoek ter terechtzitting, de aangifte van [benadeelde] en het door hem overgelegde rekeningafschrift voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 5 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 26.574,95.

12. Dat oordeel acht ik, tegen de achtergrond van het in randnummer 10 vooropgestelde, niet onbegrijpelijk en is bovendien toereikend gemotiveerd. Immers, de benadeelde partij heeft haar vordering ter terechtzitting geconcretiseerd en onderbouwd met stukken, terwijl het verweer van de verdediging ten aanzien van de hoogte van de vordering berust op een opvatting die geen steun vindt in het recht. De klacht faalt derhalve.

De klacht ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

13. Daarnaast bevat het middel de klacht dat het hof, door de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, zonder toereikende motivering is afgeweken van de door de verdediging ingenomen standpunten. De verdediging heeft zich tegen de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzet met het argument dat een civielrechtelijke titel voor de schadevergoeding ontbreekt. Als het hof de maatregel niettemin zou opleggen, heeft de verdediging verzocht het bedrag te matigen, omdat de verdachte ‘slechts’ als katvanger heeft gefungeerd.

14. Nu het hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 26.574,95 aan rechtstreekse schade kon toewijzen, terwijl het nadrukkelijk heeft overwogen dat er geen aanleiding bestaat om de vordering en – naar mijn lezing – daarmee ook de corresponderende schadevergoedingsmaatregel te matigen, faalt ook de tweede klacht.

Slotsom

15. Het cassatiemiddel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand