PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04239 H
Zitting 20 januari 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[aanvrager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de aanvrager.
1. Inleiding
Bij verzoekschrift van 21 november 2025 heeft mr. J. Vermaat, advocaat in Rotterdam, namens de aanvrager de herziening verzocht van de te diens laste uitgesproken veroordeling bij vonnis van 15 mei 2023 door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht (parketnr. 03-059382-23).
Met dit vonnis is de aanvrager wegens 1. primair "overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet’", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Uit de informatie die de Hoge Raad heeft opgevraagd bij de rechtbank Limburg volgt dat tegen dit vonnis geen rechtsmiddel meer openstaat. Volgens een door de aanvrager overgelegde detentieverklaring heeft hij de opgelegde gevangenisstraf ondergaan van 2 tot 30 september 2025.
2. De stelling waarop de aanvraag berust
Als grond voor herziening wordt aangevoerd dat niet de aanvrager, maar een andere persoon genaamd [aanvrager] , geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] het strafbare feit heeft gepleegd waarvoor de aanvrager is veroordeeld. Er zou dus sprake zijn van een persoonsverwisseling.
3. De onderbouwing van de herzieningsaanvraag
De herzieningsaanvraag en de daarbij gevoegde stukken houden, in onderlinge samenhang bezien, het volgende in.
Het bij de aanvraag gevoegde proces-verbaal (bijlage 3, p. 3-8) beschrijft, kort gezegd, hoe twee in een politieauto surveillerende verbalisanten op 28 augustus 2022 rond 11:18 uur een zwarte Volkswagen Golf tegenkomen met een Brits kenteken en daarin drie personen. Als de bestuurder van die Golf de politieauto ziet, rijdt hij met hoge snelheid weg. De bestuurder negeert een stopteken en de politie zet de achtervolging in. Tijdens de rit vertoont de bestuurder gevaarlijk rijgedrag. Uiteindelijk weet de politie de Golf klem te rijden. De inzittenden slaan op de vlucht, maar de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] weten de persoon staande te houden die aan de bestuurderszijde (in dit geval de rechterkant van de auto) was uitgestapt. Deze bestuurder wordt door hen beschreven als een in het zwart geklede, flinke jongen met rood haar. De gegevens die zij van deze persoon als eerste vastleggen zijn: [aanvrager] , geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] en wonende in [plaats] (VK).
In het politiedossier (bijlage 3, 3e en 4e ongenummerde blad) bevindt zich een ID Staat van 28 augustus 2022 13:24 uur. Daarin staan de gegevens vermeld van [aanvrager] , geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] . Onderdeel van die ID Staat is een foto van een jongen met rood haar die een zwart T-shirt aan heeft met een gouden band op de schouders. Deze persoon vertoont gelijkenis met de persoon op de afbeelding van een pagina uit een Brits paspoort die ook onderdeel is van de ID Staat. Dat paspoort vermeldt als houder [aanvrager] geboren in [geboorteplaats] . De aanvrager wijst er verder op dat in een foto van de achtervolgde zwarte auto op p. 7 van het proces-verbaal van politie (bijlage 3) een persoon is weerspiegeld in het raam van die auto met een gezicht en kleding die gelijkenis vertoont met de persoon op de foto van de ID Staat.
De aanvrager, dus [aanvrager] geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] , is echter door de politie, en kennelijk ook door het openbaar ministerie en de rechtbank, als de verdachte geregistreerd. De dagvaarding voor de zitting van de rechtbank is gesteld op de naam, geboortedatum en -plaats van de aanvrager (maar verzonden naar [plaats] , het adres van [aanvrager] geboren in [geboorteplaats] ; bijlage 2). Ook het bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank vermeldt deze gegevens (bijlage 1). Dit vonnis is op 24 september 2024 uitgereikt aan de aanvrager (bijlage 4).
Dat bij die veroordeling inderdaad sprake is van de gestelde persoonsverwisseling tussen de werkelijke verdachte en de aanvrager, wordt onderbouwd met een aantal stukken die dateren van na het onderzoek op de terechtzitting van de rechtbank.
Ten eerste is bij de aanvraag een Informatiestaat SKDB-persoon van 3 oktober 2024 gevoegd van een persoon met de naam, geboortedatum en -plaats van de aanvrager. Deze Informatiestaat is voorzien van een foto van deze persoon en van diens paspoort (bijlage 6). Bij een vergelijking van de hier afgebeelde persoon met de onder 3.3 genoemde foto’s op de ID Staat van de bestuurder van de auto, lijkt het niet te gaan om dezelfde persoon.
Ten tweede is er een proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] van 5 november 2025 (bijlage 7). Dat zijn de verbalisanten die ook de bestuurder van de zwarte Golf hebben staande gehouden. Zij relateren dat de aanvrager abusievelijk onterecht aan deze zaak is gekoppeld. De bestuurder was in werkelijkheid de persoon van de hiervoor onder 3.3. genoemde ID Staat. De verbalisanten vermoeden dat de verwisseling het gevolg is van het gebruik van een afkorting waarmee in de politiesystemen een bepaalde persoon wordt aangeduid, een zogenoemde KENO. Deze afkorting bestaat uit de eerste vier letters van de achternaam, de eerste letter van de voornaam en het geboortejaar. Dat levert voor zowel de aanvrager als de bestuurder ‘ […] ’ op.
Dit proces-verbaal van de verbalisanten en de aanvraag tot herziening wordt ondersteund door een brief van de hoofdofficier van het arrondissementsparket Limburg van 21 november 2025 (bijlage 8). Volgens de hoofdofficier is de aanvrager onterecht geregistreerd als de verdachte in deze zaak.
4. Conclusie
De hierboven onder 2 vermelde stelling dat er sprake is van persoonsverwisseling kan in het licht van de onder 3 vermelde argumenten worden beschouwd als een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de gewezen verdachte (art. 457 lid 1, onder c, Sv). Ik acht de herzieningsaanvraag dus gegrond.
Deze conclusie strekt tot gegrondverklaring van de herzieningsaanvraag en tot verwijzing van de zaak naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als is voorzien in artikel 472 lid 2 Sv.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG