ECLI:NL:PHR:2026:830

ECLI:NL:PHR:2026:830

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer 25/02231
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Veroordeling voor o.m. doodslag en poging tot doodslag (art. 45, 287 Sr). Falende middelen over het bewijs van het opzet t.a.v. poging tot doodslag, de verwerping van het beroep op noodweer(exces) en de toewijzing van de vordering voor affectieschade van de stiefzoon van het overleden slachtoffer (art. 6:108 lid 4 onder g BW). De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

2. Oordeel van het hof

(…)

Camerabeelden en screenshots

Het hof gaat bij de bespreking van het beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces uit van de bewegende camerabeelden, zoals deze zijn opgenomen in het dossier. Bij de beoordeling van het bewijs ter zake van feit 2 heeft het hof overwogen dat en waarom het van oordeel is dat de eigen waarnemingen van het hof voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Om dezelfde redenen kunnen de eigen waarnemingen worden gebruikt bij het beoordelen van de vraag of de aan de verweren ten grondslag gelegde feitelijke toedracht voldoende aannemelijk is geworden.

Het hof heeft meerdere screenshots van de bewegende camerabeelden gemaakt en deze screenshots opgenomen in bijlage 1 van dit arrest. Bij de feitenvaststelling zal ter illustratie verwezen worden naar deze screenshots. Screenshots met hetzelfde nummer en een verschillende letter (bijvoorbeeld 1A en 1B) tonen (nagenoeg) hetzelfde moment afkomstig van verschillende camerabeelden vanuit verschillende camerahoeken. Een doorlopende nummering (bijvoorbeeld 1, 2, 3) geeft een opeenvolgende reeks momenten weer. Vanwege de leesbaarheid van het arrest wordt het woord ‘screenshot’ niet telkens herhaald. Binnen haakjes wordt uitsluitend verwezen naar de betreffende nummer-lettercombinatie of het betreffende nummer van het moment waarop het betrekking heeft.

Feitenvaststelling

Op de camerabeelden die vanuit de [b-straat] zijn gemaakt, is te zien dat verdachte tegenover café [A] op de hoek staat met getuige [getuige 1] . Bij de ingang van café [A] staan zes mannen buiten (1A, 1B). Vervolgens loopt [benadeelde 6] , die zich op dat moment in café [A] bevindt, in één beweging naar buiten. Hij lijkt op dat moment te praten tegen één of meer personen die aan de overkant van de straat staan. Te zien is dat [benadeelde 6] gebaren maakt met zijn handen en dat hij niets in zijn handen heeft (2A, 2B). Enkele seconden later loopt ook [benadeelde 3] café [A] uit. [benadeelde 3] heeft op dat moment een bierflesje in zijn rechterhand (3A, 3B). [benadeelde 6] en [benadeelde 3] steken de [a-straat] over en lopen naar de plek waar in ieder geval verdachte en getuige [getuige 1] staan. Ze verdwijnen links buiten het beeld van de camerabeelden die vanuit de [a-straat] zijn gemaakt, maar zijn nog wel deels op de camerabeelden van de [b-straat] te zien. Op de beelden van de [b-straat] is beweging rondom verdachte te zien, maar valt niet precies te onderscheiden wat er gebeurt. Wel is te zien dat de personen in beeld rechtop staan en dat niemand naar de grond bukt om iets van de grond te pakken. Dat is zichtbaar tot ongeveer 7 seconden nadat [benadeelde 6] en [benadeelde 3] zijn overgestoken (4A, 4B, 5A, 5B). Uit de camerabeelden van de [a-straat] blijkt dat de mannen die zojuist voor café [A] stonden nog steeds op dezelfde plek staan, terwijl ze de situatie tegenover café [A] rustig bekijken. [betrokkene 1] steekt de [a-straat] over. [betrokkene 1] heeft op dat moment iets in zijn hand wat op glaswerk lijkt (6A, 6B). [betrokkene 1] blijft de hele tijd in beeld. Vervolgens is binnen tien seconden nadat [benadeelde 6] en [benadeelde 3] de [a-straat] waren overgestoken in de spiegeling van de ruiten van café [A] te zien dat verdachte in de richting van zijn auto loopt, weg van café [A] . Er loopt niemand bij hem (7, 8). In de spiegeling van de ruiten van café [A] en aansluitend rechtstreeks in beeld is te zien dat, nadat verdachte de ingang van de tattooshop is gepasseerd, [slachtoffer] uit die tattooshop komt en meteen doorloopt in de richting van café [A] (10, 12). [benadeelde 6] , [benadeelde 3] en [betrokkene 1] lopen vrijwel direct na het moment dat verdachte bij hen is weggelopen terug naar café [A] en kijken in de richting van verdachte. [benadeelde 3] heeft op dat moment nog steeds een bierflesje in zijn hand. Ook [betrokkene 1] heeft nog steeds het glaswerk in zijn hand (9, 10, 11, 12).

Tussenconclusie hof

Het hof leidt uit de camerabeelden af dat [benadeelde 6] en [benadeelde 3] en later ook [betrokkene 1] voor zeer korte duur in de buurt van verdachte zijn geweest, waarna verdachte binnen enkele seconden vrijelijk richting zijn auto is gelopen en [benadeelde 6] en [benadeelde 3] zijn teruggekeerd naar café [A] . Het hof wil van verdachte aannemen dat [benadeelde 3] hem met een vinger heeft aangeraakt tegenover café [A] . Het hof leidt evenwel uit de camerabeelden af dat geen glaswerk naar verdachte is gegooid door [benadeelde 3] en [betrokkene 1] in de periode tegenover café [A] of kort daarna. Zowel [benadeelde 3] als [betrokkene 1] hadden immers hun flesje dan wel glas nog vast toen zij weer terug naar het café liepen. Ook van de overzijde, aan de kant van café [A] , is toen geen glaswerk gegooid. Voor zover er tegenover café [A] al sprake is geweest van een aanranding van verdachtes lijf, eerbaarheid of goed door mannen van de vrijgezellengroep, was deze aanranding naar het oordeel van het hof ruimschoots voorbij op het moment dat verdachte naar zijn auto liep.

De verdediging heeft een alternatief scenario geschetst met betrekking tot de plek waar het vuurwapen is aangetroffen. Het hof acht geenszins aannemelijk geworden dat verdachte tegenover café [A] het vuurwapen van de grond heeft opgepakt, nadat iemand van de vrijgezellengroep het vuurwapen op de grond zou hebben laten vallen. Verdachte is de enige persoon die hierover heeft verklaard. Naar het oordeel van het hof is het gedrag van [benadeelde 6] en [benadeelde 3] ook niet passend bij de situatie dat zij zojuist een vuurwapen zouden zijn verloren. Op de beelden is immers geen schrikreactie van hen te zien en ook is niet waar te nemen dat zij hebben geprobeerd het vuurwapen terug te krijgen. Bovendien blijkt uit diverse verklaringen van mannen uit de vrijgezellengroep dat zij aanvankelijk dachten dat het om een alarmpistool ging. Als het om het wapen van één van hen zou gaan, zouden zij geweten hebben dat verdachte een echt vuurwapen had bemachtigd.

Vervolg feitenvaststelling

Op filmpje 2 is te zien dat verdachte naast zijn auto staat en in de richting van café [A] kijkt. De deuren van de auto zijn op dat moment dicht. Verdachte heeft in zijn rechterhand een voorwerp vast (13). Het hof gaat er, met de verdediging en de advocaat-generaal, vanuit dat verdachte hier het vuurwapen al vast had. Vervolgens opent verdachte de autodeur aan de passagierszijde (14). Op de beelden is te zien dat verdachte bij de geopende autodeur blijft staan en dat verdachte en enkele personen van de vrijgezellengroep richting elkaar aan het schreeuwen zijn en armbewegingen aan het maken zijn. De afstand tussen verdachte en de personen van de vrijgezellengroep is relatief groot (de lengte van enkele auto’s) (15, 16A, 16B). Na ongeveer 23 seconden van filmpje 2 gooit [benadeelde 3] een bierflesje richting verdachte. Dit bierflesje komt vervolgens op enige afstand voor verdachte op de grond terecht. Het bierflesje raakt verdachte niet. Op de straat is een natte plek te zien (17, 18, 19). Enkele seconden later nadert [benadeelde 5] verdachte. Op dat moment is het doorladen van een vuurwapen door verdachte te horen (20). [benadeelde 5] wijst voortdurend naar verdachte die op zijn beurt [benadeelde 5] tegen de arm duwt (21). [slachtoffer] en [benadeelde 3] voegen zich bij verdachte en [benadeelde 5] . Niemand valt verdachte aan (22).

Tussenconclusie hof

Zoals hiervoor reeds overwogen, gaat het hof er met de advocaat-generaal en de verdediging vanuit dat verdachte bij de start van filmpje 2 een vuurwapen in de hand heeft. Het hof laat in het midden hoe verdachte aan het vuurwapen is gekomen, met dien verstande dat niet aannemelijk is geworden dat hij het vuurwapen tegenover café [A] heeft verkregen. Op het moment dat verdachte bij zijn auto staat en de vrijgezellengroep nog bij café [A] (16A en 16B1), zijn inmiddels ruim 1 minuut en 9 seconden verstreken vanaf het moment dat verdachte bij de overkant van café [A] was weggelopen (7).

Het hof constateert dat verdachte alle gelegenheid heeft gehad en gekregen om de plek te verlaten om zodoende een (verdergaande) confrontatie met leden van de vrijgezellengroep te vermijden, aanvankelijk met de hem ter beschikking staande auto en later te voet. Verdachte heeft hier echter niet voor gekozen, maar heeft zich daarentegen zichtbaar bewapend en bleef zich richten tot leden van de vrijgezellengroep. Op het moment dat verdachte bij zijn auto aankwam en daar bleef staan, stonden leden van de vrijgezellengroep nog een eind van verdachte verwijderd en was van een aanranding of een ogenblikkelijk dreigend gevaar daarvoor geen sprake. Het duurde nog minimaal een halve minuut voordat [benadeelde 5] dicht bij verdachte was. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij het vuurwapen heeft doorgeladen op het moment dat [benadeelde 5] vlakbij zijn auto stond. In de tussenliggende periode is er een bierfles in de richting van verdachte gegooid. Verdachte is niet door het bierflesje geraakt. Het hof leidt uit de beelden af dat pas op dit moment voor het eerst met glaswerk in de richting van verdachte is gegooid. Het hof is van oordeel dat het gooien van het bierflesje geen noodweersituatie in het leven roept voor verdachte. Wel was er in dit stadium al sprake van een flinke animositeit tussen verdachte en leden van de vrijgezellengroep. Gelet hierop kan het tonen van een vuurwapen en het even later doorladen hiervan niet anders worden gezien dan als het gooien van olie op een al flakkerend vuur. Dat het wapenbezit inderdaad deze uitwerking van ‘olie op het vuur’ heeft gehad mag overigens blijken uit het feit dat leden van de vrijgezellengroep gestaag richting verdachte zijn gaan bewegen, onderwijl roepend: “Schieten dan, kankerlul!” en “Oprotten!”.

Vervolg feitenvaststelling

Verdachte loopt vervolgens voor zijn auto langs de straat op (23). Hij loopt in een rustig tempo achterwaarts, terwijl hij in contact blijft met leden van de vrijgezellengroep. [slachtoffer] en [benadeelde 5] lopen richting verdachte. [benadeelde 6] heeft zijn armen gespreid. Meerdere malen is het woord “Klaar!” te horen (24). Verdachte verplaatst zich via de straat naar het trottoir richting de groene container. De vrouw met de pet probeert [benadeelde 6] en [benadeelde 5] op meerdere momenten bij verdachte weg te houden (25). Verdachte blijft achter de groene container staan en is op dat moment alleen op het trottoir. De (uit)weg richting de [c-straat] is voor verdachte vrij. Verdachte kijkt weer richting de leden van de vrijgezellengroep (26). Enkele seconden later staan [benadeelde 5] , [benadeelde 3] en [slachtoffer] op het trottoir aan de linkerzijde van de groene container (27). Aan de rechterzijde van de groene container is [benadeelde 4] gaan staan. Verdachte bevindt zich op dat moment tussen een viertal personen van de vrijgezellengroep. Twee vrouwen proberen dit viertal bij verdachte weg te houden (28). Verdachte wil via de linkerzijde van de groene container weg. [slachtoffer] maakt een beweging met zijn arm naar verdachte. Verdachte en [slachtoffer] raken elkaar hierdoor aan. Verdachte lijkt door het gedrag van [slachtoffer] enigszins in zijn loop te zijn gehinderd, maar loopt wel min of meer in dezelfde lijn door (29). Verdachte weet vervolgens weg te komen en loopt, na bijna te struikelen over een geparkeerde snorfiets, in een sneller tempo enkele meters bij de leden van de vrijgezellengroep vandaan langs de muur van de panden in de [a-straat] richting de [c-straat] (30). [benadeelde 3] staat enkele meters bij verdachte vandaan en gooit glaswerk richting verdachte. Op het filmpje is te horen dat het glaswerk kapot spat. Niet is waar te nemen of verdachte door het glaswerk is geraakt (31). Verdachte heeft vervolgens wederom vrije doorgang en begeeft zich in de richting van de [c-straat] . Hij heeft niemand van de vrijgezellengroep voor zich en heeft alle ruimte om zich te onttrekken. Verdachte blijft naar de leden van de vrijgezellengroep kijken (32). [benadeelde 6] maakt een gooiende beweging met glaswerk in zijn hand. Verdachte kijkt in de richting van [benadeelde 6] en kan de gooiende beweging van [benadeelde 6] zien. Ondertussen pakt [slachtoffer] een langwerpig voorwerp op van de straat (33). Op de beelden is te zien dat het glaswerk voor verdachte op de grond valt en is te horen dat het glaswerk kapot spat.

Verdachte bukt bij de zwarte bus. Niet is waar te nemen of verdachte door glaswerk is geraakt. Verdachte staat aan de voorzijde van de zwarte bus en blijft daar vervolgens staan. Achter verdachte zijn [benadeelde 5] , [slachtoffer] , [benadeelde 3] , [benadeelde 6] en [benadeelde 4] te zien. Zij staan op redelijke afstand van verdachte. Deze leden van de vrijgezellengroep lopen in de richting van verdachte (34). Ook op dit moment is de weg richting de [c-straat] voor verdachte vrij. Verdachte springt vervolgens achter de zwarte bus vandaan en lost het eerste schot op [slachtoffer] . Op dat moment heeft [slachtoffer] het langwerpige voorwerp vast in zijn rechterhand en heft hij deze hand op. [benadeelde 4] loopt op dat moment weg van de situatie in de richting van café [A] (35). [slachtoffer] valt direct daarna op de straat (36). Terwijl verdachte zijwaarts richting de [c-straat] huppelt, lost hij achter elkaar het tweede, derde, vierde en vijfde schot in de richting van [benadeelde 3] , [benadeelde 5] , [benadeelde 2] en [benadeelde 4] . [benadeelde 6] staat op dat moment achter de zwarte bus en bevindt zich niet in het schootsveld. Verdachte rent daarna weg in de richting van de [c-straat] (37).

Conclusie hof

Verdachte is bij de groene container enkele seconden ingesloten geweest door een viertal mannen van de vrijgezellengroep. Het hof acht het begrijpelijk dat verdachte dit moment heeft ervaren als een bedreigende situatie. Verdachte heeft zich echter aan deze situatie weten te onttrekken. Toen verdachte na genoemd moment van insluiting verder wist te lopen, is hij verderop weer stil blijven staan bij de zwarte bus. Het hof is van oordeel dat verdachte op dat moment alle gelegenheid had om zich te verwijderen in de richting van de [c-straat] en dat dit van hem kon en mocht worden verwacht. Het feit dat hij toch weer is blijven staan, ditmaal bij de zwarte bus, en zich vervolgens wendt tot zijn achtervolgers onderstreept de op confrontatie gerichte houding van verdachte. Het hof overweegt dat een beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces niet kan worden aanvaard in geval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als verdediging, maar - in de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op confrontatie. Verdachte had zich meerdere keren probleemloos kunnen onttrekken, maar heeft er daarentegen voor gekozen om een provocerende houding aan te nemen door zichtbaar bewapend zich tot leden van de vrijgezellengroep te blijven richten. Ook op het moment dat verdachte de schoten loste was voor hem de weg vrij richting de [c-straat] en had hij alle gelegenheid om zich aan de situatie te onttrekken. Het hof is van oordeel dat het beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces, waarbij de verdediging centraal staat, ten aanzien van de onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde feiten daarom niet kan worden aanvaard. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging. Verdachte is dan ook strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Nadere omschrijving van het tweede middel

15. Opgekomen wordt tegen (de motivering van) de verwerping van het beroep op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces op de grond dat de verdachte zich meermaals aan de situatie kon onttrekken, maar zich provocerend heeft opgesteld. In de eerste plaats heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de verdachte de gelegenheid had zich aan de situatie te onttrekken, nu er met glaswerk in zijn richting werd gegooid en één van de mannen zich bewapende met een langwerpig voorwerp. Dit oordeel rijmt althans niet met de vaststelling dat de verdachte op (relatief) korte afstand op de naderende groep mannen heeft geschoten. In de tweede plaats is het oordeel dat de verdachte, door het tonen van het vuurwapen, olie op het vuur heeft gegooid niet begrijpelijk, omdat hij zich op deze wijze mocht verdedigen tegen de overmacht van de groep mannen.

De bespreking van het tweede middel

16. Het hof heeft het voorval in drie chronologische fasen onderscheiden en het volgende vastgesteld. In de eerste fase zijn drie mannen in de buurt van de verdachte geweest, maar heeft hij vrijelijk naar zijn auto kunnen lopen, terwijl de mannen terugkeerden naar het café. Het hof heeft niet met zoveel woorden vastgesteld dát er een noodweersituatie was, maar áls er al een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding heeft plaatsgevonden, was die aanranding volgens het hof al voorbij op het moment dat de verdachte naar zijn auto liep.

17. Nadat ruim een minuut is verstreken, vangt de tweede fase aan. In de kern heeft het hof vastgesteld dat de verdachte zich niet verder c.q. volledig heeft onttrokken, maar een op een confrontatie gerichte houding heeft aangenomen, voornamelijk door zich niet te distantiëren en zijn vuurwapen zichtbaar te tonen en door te laden. Van een (tweede) noodweersituatie is in deze fase geen sprake.

18. Vervolgens, in de derde fase, zijn [slachtoffer] en [benadeelde 5] op een rustig achteruitlopende verdachte afgekomen. De verdachte kon zich op dat moment wederom onttrekken, maar deed dat niet. Dan volgt een kort moment van insluiting door vier mannen. De verdachte is weggekomen, waarbij [slachtoffer] en de verdachte elkaar hebben aangeraakt na een armbeweging van die [slachtoffer] . [benadeelde 3] heeft daarop met glaswerk in de richting van de verdachte gegooid. Het hof lijkt in het midden te hebben gelaten of zich in de derde fase een noodweersituatie heeft voorgedaan. Wel heeft het hof vastgesteld dat de verdachte, in plaats van zich te onttrekken, naar de groep bleef kijken en zich achter een bus positioneerde. Terwijl [benadeelde 5] , [benadeelde 3] , [slachtoffer] , [benadeelde 6] en [benadeelde 4] richting de verdachte liepen, sprong de verdachte op en loste – op dat moment op slechts korte afstand verwijderd – de vijf schoten.

19. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte in de eerste, tweede en derde fase de mogelijkheid heeft gehad om zich (verder) aan de situatie(s) te onttrekken. De omstandigheid dat de mannen op een relatief korte afstand van de verdachte stonden op het moment dat hij de schoten loste, deed zich voor nadat de verdachte zich meermaals had kunnen onttrekken. Die omstandigheid staat, anders dan de stellers van het middel betogen, dan ook niet aan het oordeel dat de verdachte zich kon onttrekken in de weg. De gedragingen van de verdachte, te weten: oogcontact houden met de groep mannen, (over en weer) schreeuwen alsmede armbewegingen maken en zichtbaar een vuurwapen in de hand houden en doorladen, heeft het hof niet aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend beschouwd, omdat zij waren gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.

20. In ’s hofs overwegingen ligt verder besloten dat de gedragingen van [benadeelde 3] en [slachtoffer] in de derde fase, te weten het gooien met glaswerk en het zich bewapenen met een langwerpig voorwerp, geen (nieuwe) noodweersituatie opleveren, maar veeleer het resultaat zijn van wederzijdse spanningen die hoofdzakelijk zijn gevoed door de provocerende houding van de verdachte. Tegen deze achtergrond acht ik de verwerping van het beroep van de verdachte op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces uiteindelijk niet onbegrijpelijk.

21. Ten slotte is aangevoerd dat de verdachte zich “tegen deze overmacht” mocht verdedigen door het tonen van een vuurwapen. Ook hierin volg ik de stellers van het middel niet. Voordat de vraag of de verdachte zich op deze wijze mocht verdedigen kan worden beantwoord, zal eerst moeten worden vastgesteld dat de verdachte zich überhaupt mocht verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het hof heeft geoordeeld dat na de eerste confrontatie een eventuele ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding al was geëindigd en in de tweede fase geen (nieuwe) noodweersituatie is ontstaan. Reeds om die reden kan het tonen van het vuurwapen niet als een gerechtvaardigde verdedigingshandeling worden aangemerkt.

22. Het tweede middel faalt.

Het derde middel

23. Het derde middel is gericht tegen de beslissing op de door de benadeelde partij [benadeelde 1] gevorderde affectieschade en de oplegging van de daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel. ‘s Hofs oordeel dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezen verklaarde in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene stond, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 3 BW kan worden aangemerkt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of is zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

De vordering van de benadeelde partij en het bestreden oordeel

24. Bij de stukken bevindt zich een schadevorderingsformulier. De vordering van de benadeelde partij houdt, voor zover relevant, het volgende in:

[benadeelde 1] is de, ten tijde van het ongeval uitwonende en meerderjarige, stiefzoon van het slachtoffer. Ten aanzien van de affectieschade is relevant dat hij ten tijde van het overlijden van zijn stiefvader niet meer viel onder één van de categorieën van naasten als omschreven in art. 6:108 lid 4 sub a t/m f BW.

[benadeelde 1] meent dat hij op grond van het navolgende ten tijde van het overlijden wel in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot zijn stiefvader stond, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste moet worden aangemerkt Hij vordert vergoeding van affectieschade op grond van art. 6:108 lid 4 sub g BW, de hardheidsclausule. Hij onderbouwt het beroep op de hardheidsclausule als volgt.

Bedoeling wetgever en rechtspraak

De wetgever heeft in de Memorie van Toelichting bij de invoering van de affectieschade, voor zover hier relevant in zijn algemeenheid, het volgende overwogen.

- ‘Bij de vormgeving van het wetsvoorstel geldt voor mij als belangrijk uitgangspunt dat zo veel mogelijk vermeden moet worden dat de vaststelling van de vergoeding van affectieschade leidt tot langdurige en pijnlijke discussies over de intensiteit van het leed.'

- 'Bij de vaststelling van de omvang van de bedragen wordt voorts betekenis toegekend aan de aard van de relatie. Het is te rechtvaardigen hogere bedragen toe te kennen indien de gekwetste en de naaste echtgenoten, partners, levensgezellen, ouders en minderjarige of meerderjarige thuiswonende kinderen zijn. In deze (qezins-)gevallen mag een zodanig hechte band worden aangenomen dat voor deze naasten een hoger bedrag op zijn plaats is in vergelijking met de andere tot de kring van gerechtigden behorende naasten. Een dergelijke hogere vergoeding ligt eveneens in de rede indien een naaste een pleegkind is of een persoon die de verzorging en opvoeding van een dergelijk pleegkind op zich heeft genomen’

- 'In onderdeel g is een hardheidsclausule opgenomen die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade toekent aan een persoon die niet tot de «vaste kring» van gerechtigden behoort. Voor affectieschade komt ingevolge dit onderdeel in aanmerking een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke betrekking tot de overledene staat, dat hij als naaste in de zin van derde lid wordt aangemerkt. In de consultatie is door DLR en het Verbond gevraagd om verduidelijking van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking» Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend.'

- Onderdeel g dient echter te worden bezien in het kader van het spanningsveld tussen de wenselijkheid van een eenvoudig uitvoerbare regeling en een regeling die toch ook ruimte biedt om in sprekende gevallen naasten, die zich lastig laten vatten in specifiek te benoemen categorieën, voor vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen.

(…)

Omstandigheden van het geval

Ten tijde van het delict woonde [benadeelde 1] net twee maanden (sinds 1 mei 2023) op zichzelf. Dat betekent dat [benadeelde 1] geen beroep meer kan doen op de e-grond. Zijn affectieschadeclaim moet worden beoordeeld op basis van de hardheidsclausule.

Daarbij is een hechte affectieve relatie nodig, aldus de wetgever. Uit bovengenoemde rechtspraak kan worden afgeleid dat veel gewicht wordt toegekend aan de rol die een stiefouder heeft gehad in de opvoeding van het stiefkind

[benadeelde 1] heeft een brief geschreven over de wijze waarop [slachtoffer] in zijn leven is gekomen en de rol die hij door de jaren heen tot aan zijn overleden, in het leven van [benadeelde 1] heeft gespeeld (bijlage 9).

- In 2015 heeft [benadeelde 1] kennis gemaakt met zijn stiefvader. Nadat deze een relatie kreeg met de moeder van [benadeelde 1] , kwam hij geleidelijk aan meer in het leven van [benadeelde 1] . Op enig moment zijn moeder en stiefvader gaan samenwonen. [benadeelde 1] woonde in die tijd bij zijn moeder.

- In mei 2023 ging [benadeelde 1] voor het eerst op zichzelf wonen. Zijn stiefvader heeft hierin een grote rol gespeeld, zo zocht hij mee naar een passende woning en het op orde krijgen van financiën en een inboedel. Nadat [benadeelde 1] op zichzelf woonde was er nog veel contact via de app en ging hij in het weekend nog vaak op bezoek bij moeder en stiefvader.

- In het verleden heeft [benadeelde 1] de nodige problemen gekend (op school, psychisch, middelengebruik). Stiefvader heeft hem in die tijd geholpen om zijn financiën op orde te krijgen en een vaste baan te bemachtigen. De biologische vader van [benadeelde 1] is na zijn derde of vierde levensjaar nooit in beeld geweest. [slachtoffer] heeft die vaderrol wel vervuld, zo schrijft [benadeelde 1] .

Had [benadeelde 1] ten tijde van het incident nog bij moeder en stiefvader gewoond, dan was zijn affectieschadeclaim gegrond op de e-grond. De hechte relatie was dan gegeven. Die nauwe affectieve relatie is niet in twee maanden (na de verhuizing) verdwenen. Dat blijkt wel uit de brief die [benadeelde 1] heeft geschreven.

Er zijn daarmee voldoende concrete omstandigheden om de affectieschade op basis van de hardheidsclausule toe te wijzen. Conform besluit vordert cliënt € 17.500.

25. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 mei 2025 hebben de raadslieden van de verdachte overeenkomstig de pleitnota het woord gevoerd. Over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] houdt die pleitnota het volgende in:

De stiefzoon van client heeft een bedrag van 17.500 euro gevorderd aan affectieschade. Wij verzoeken u om ook deze vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat stiefzonen niet vallen onder één van de categorieën die aanspraak kunnen maken op affectieschade conform artikel 6:108 lid 4 sub g BW. Daar kunnen we kort over zijn. Dan is het de vraag of de hardheidsclausule van toepassing is. De onderbouwing daarvan is onze ogen te summier om aan te nemen dat er sprake is van een nauwe affectieve relatie. Uit bijlage 9 volgt dat de benadeelde in 2015 kennis heeft gemaakt met [slachtoffer] en dat hij "op enig moment" bij hen in huis kwam wonen. Wanneer dat is geweest en in hoeverre die periode dan heeft bijgedragen aan het ontstaan van een nauwe en affectieve relatie, is niet beschreven.”

26. Het bestreden oordeel houdt in:

“Vorderingen van de benadeelde partijen

(…)

2. Oordeel van het hof

[benadeelde 1] (stiefzoon van [slachtoffer] )

Immateriële schade

In artikel 6:108 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt een beperkte limitatief opgesomde kring van personen genoemd die voor vergoeding van affectieschade in aanmerking kunnen komen. Een stiefzoon maakt geen deel uit van deze limitatieve opsomming en komt dus volgens de wet niet voor affectieschade in aanmerking, tenzij de stiefzoon ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene stond, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek als naaste wordt aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g van het Burgerlijk Wetboek, de zogeheten hardheidsclausule). De benadeelde partij beroept zich op deze uitzonderingsbepaling. Voor het bewijs van het bestaan van zo’n nauwe persoonlijke betrekking moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij niet de formele, maar de feitelijke relatie beslissend is. Alle omstandigheden van het geval zijn van belang, waaronder de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.

De advocaat van de benadeelde partij heeft concreet gesteld en onderbouwd dat sprake was van een hechte affectieve relatie tussen de overledene en de stiefzoon. Het hof is, gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de verdediging het door de advocaat van de benadeelde partij getypeerde karakter van de relatie slechts in zeer beperkte mate heeft betwist, van oordeel dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij dusdanig zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g van het Burgerlijk Wetboek, zoals de wetgever deze heeft bedoeld, rechtvaardigen.

Het voorgaande betekent dat de vordering van [benadeelde 1] wordt toegewezen tot het bedrag van € 17.500,00 x 90% = € 15.750,00. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. Het hof zal het overige deel van de vordering afwijzen.

Het beoordelingskader: artikel 6:108 lid 4 onder g BW

27. De benadeelde partij is de stiefzoon van het overleden slachtoffer [slachtoffer] . Hij heeft een vergoeding van affectieschade gevorderd voor een bedrag van € 17.500,-. De vordering is gestoeld op artikel 6:108 lid 3 jo. 4 onder g BW.

28. Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW kan een naaste van een slachtoffer dat is overleden ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, aanspraak maken op vergoeding van affectieschade. De wetgever heeft de kring van personen die daarvoor in aanmerking komen beperkt willen houden. Affectieschade wordt alleen vergoed in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies. In het vierde lid is met de onder a t/m f genoemde categorieën voorzien in een opsomming van een vaste kring van personen die als naasten moeten worden beschouwd. Een persoon die niet onder één van die categorieën valt, kan met een beroep op de hardheidsclausule (onder g) de gevorderde affectieschade vergoed krijgen, indien hij ten tijde van het bewezen verklaarde feit (de ‘gebeurtenis’) in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste moet worden aangemerkt. Als voorbeelden heeft de wetgever genoemd een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen of een langdurige, hechte latrelatie. Het is aan de benadeelde partij die een beroep op de hardheidsclausule doet, om aan te tonen dat zij in een hechte en affectieve relatie tot het slachtoffer stond. Het gaat dan niet om de formele, maar de feitelijke verhouding, waarbij factoren als de intensiteit, de aard en de duur van de relatie van belang zijn.

29. De hardheidsclausule is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen. Het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2025 onderstreept dat de bepaling niet zonder meer mag worden toegepast. In die zaak had de benadeelde partij met een beroep op artikel 6:108 lid 4 onder g BW de vergoeding van de door haar geleden affectieschade gevorderd, omdat zij vanwege een zeer hechte latrelatie met het overleden slachtoffer als naaste moest worden beschouwd. De verdediging had de aan de vordering ten grondslag liggende stellingen betwist en in het bijzonder aangevoerd dat de langdurigheid en de hechtheid van de relatie onvoldoende was aangetoond en dat het ontbrak aan stukken ter onderbouwing. Het hof had vastgesteld dat de benadeelde partij een latrelatie had met het slachtoffer en dat zij “daarmee in voldoende mate [heeft] aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als naaste in de zin van artikel 6:108, lid 4 onder g BW kan worden aangemerkt”. Die beslissing hield in cassatie geen stand. De Hoge Raad oordeelde dat het hof aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer had moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden – in het bijzonder de onderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en hechtheid van de relatie – in voldoende mate zijn komen vast te staan. De enkele vaststelling dat er tussen de benadeelde partij en het overleden slachtoffer een latrelatie bestond, die op zichzelf niet was betwist, was onvoldoende voor de toepassing van de hardheidsclausule.

30. Ik wijs ten slotte nog op het recente arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2026. In die zaak deed zich het spiegelbeeldige geval voor dat de benadeelde partij, te weten de stiefvader van het overleden slachtoffer, affectieschade had gevorderd. Vergelijkbaar met de onderhavige zaak is dat de stiefzoon (het slachtoffer) geen biologische vader in zijn leven had, de stiefvader (de benadeelde partij) de vaderrol op zich had genomen en, vanaf het moment dat de stiefvader bij de moeder van het slachtoffer introk, gedurende een zekere periode een duurzaam gezinsverband had gevormd met het slachtoffer. Ten tijde van het bewezen verklaarde feit woonden het slachtoffer en de benadeelde partij niet meer in één huis. Namens de benadeelde partij werd aangevoerd dat een stiefvader onder deze omstandigheden moet worden gelijkgesteld met een biologische vader. De door het hof overgenomen beslissing van de rechtbank luidde dat de benadeelde partij terecht aanspraak kon maken op een vergoeding van affectieschade ter hoogte van het gevorderde bedrag van € 17.500,- overeenkomstig hetgeen geldt voor biologische ouders. De Hoge Raad heeft dat oordeel vernietigd en overwoog dat de rechtbank in het midden had gelaten op welke grond de affectieschade moest worden vergoed. De stiefouder wordt niet in artikel 6:108 lid 4 onder c BW genoemd, terwijl de situatie als bedoeld onder e zich ten tijde van het overlijden al geruime tijd (circa 31 jaar) niet meer voordeed. Als de vordering ten slotte op grond van de hardheidsclausule was toegewezen, had de rechtbank dan wel het hof nadere feiten moeten vaststellen over de intensiteit, aard en duur van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij.

31. Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad vloeit kort gezegd het volgende voort. De benadeelde partij die een beroep doet op artikel 6:108 lid 4 onder g BW dient zelf aan te tonen dat zij ten tijde van het overlijden met het slachtoffer een hechte en affectieve relatie had. De enkele vorm van de relatie of de enkele vaststelling dat er een relatie bestond die valt onder één van de door de wetgever genoemde voorbeelden is niet voldoende, nu de relatie feitelijk aan de hand van de aard, intensiteit en duur moet worden beoordeeld. De feitenrechter dient te beoordelen of in voldoende mate is komen vast te staan dat zich een uitzonderingsgeval voordoet en de benadeelde partij als naaste kan worden aangemerkt, waarbij rekening moet worden gehouden met indringendheid van de argumenten waarmee de vordering door de verdediging is tegengesproken.

De bespreking van het derde middel

32. In de zaak die nu voorligt is de vordering (gedeeltelijk) toegewezen. Daarbij heeft het hof blijkens zijn overwegingen het juridisch kader voor de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 onder g BW in acht genomen en onder ogen gezien dat daaraan slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing kan worden gegeven. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de advocaat van de benadeelde partij concreet heeft gesteld en onderbouwd dat sprake was van een hechte en affectieve relatie tussen [slachtoffer] en de benadeelde partij, terwijl de verdediging het door de advocaat van de benadeelde partij getypeerde karakter van de relatie slechts in zeer beperkte mate heeft betwist.

33. Hoewel het hof geen feitelijke overwegingen heeft gewijd aan de aard, duur en intensiteit van de relatie tussen de benadeelde partij en het overleden slachtoffer, heeft het hof – anders dan in de onder randnummer 29 genoemde zaak – in het licht van de wetsgeschiedenis en met eerbiediging van het uitzonderlijke karakter van artikel 6:108 lid 4 onder g BW geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat sprake was van een hechte en affectieve relatie. Tegen de achtergrond van het door mij uiteengezette beoordelingskader en in het licht van de stellingen die partijen over en weer hebben ingenomen, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat namens en door de benadeelde partij in haar vordering en de als bijlage toegevoegde brief ruimschoots uiteengezet is wat de aard, duur en intensiteit van de relatie is geweest. Ik kan het hof goed volgen in zijn oordeel dat de stellingen van de benadeelde partij niet concreet zijn betwist. Voor het vaststellen van een hechte affectieve relatie in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW kan relevant zijn dat de benadeelde partij en het slachtoffer langdurig hebben samengewoond, maar noodzakelijk is dat niet. Verder bevat het verweer van de verdediging niet veel meer dan het kale argument dat de benadeelde partij de gestelde relatie te summier heeft onderbouwd.

34. Ten slotte wijs ik erop dat, anders dan in de in randnummer 30 genoemde zaak, de benadeelde partij slechts twee maanden voor het overlijden van [slachtoffer] op zichzelf is gaan wonen. Door en namens de benadeelde partij is ook op die omstandigheid gewezen. Twee maanden eerder kon hij zich eenvoudig beroepen op het onder e bedoelde geval, daar [slachtoffer] binnen een duurzaam gezinsverband (gedeeltelijk) de zorg over de benadeelde partij droeg. Hoewel de tekst van artikel 6:108 lid 4 sub g BW duidelijk vereist dat voor de vaststelling van de aard van de relatie het tijdstip van de gebeurtenis waardoor het slachtoffer is komen te overlijden bepalend is, neem ik bij de vraag of ’s hof oordeel begrijpelijk is toch ook in aanmerking dat de benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat de hechte persoonlijke relatie twee maanden eerder nog zou kunnen worden verondersteld en in de korte tijd nadien niet (wezenlijk) is veranderd.

35. De klachten falen. Aldus deelt het derde middel in het lot van de voorgaande middelen.

Slotsom

36. De middelen falen. De eerste twee middelen kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

37. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

38. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand