PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01464
Zitting 1 september 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 15 april 2025 door het gerechtshof Den Haag wegens "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en in verband daarmee aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader in het arrest bepaald.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het middel klaagt dat aan de verdachte niet het recht is gelaten om het (aller)laatst te spreken.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2025 en 1 april 2025 vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:
“Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij deelt mede:
Het was een zware dag en het was moeilijk voor mij. We hebben al meerdere keren navraag gedaan naar de bodycamera beelden. Steeds werd gezegd dat het niet relevant genoeg om ze te bekijken. Ik heb een vraag aan uw hof: zou u de bodycamera beelden willen bekijken over de tas? Dan kunnen jullie zelf beoordelen of de tas dicht was.
Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman mede:
Ik hoor mij cliënt een voorwaardelijk verzoek doen. Indien uw hof ervan uitgaat dat het tasje van [slachtoffer] dicht was toen het werd aangetroffen, dan is het verzoek om de bodycamera beelden van de verbalisanten te laten voegen aan het dossier.
De voorzitter deelt mee dat het onderzoek op 1 april 2025 zal worden gesloten en dat het hof alsdan voornemens is uitspraak te doen op 15 april 2025.
Desgevraagd door de voorzitter deelt de verdachte mede afstand te doen van het recht bij de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en bij de uitspraak in zijn zaak aanwezig te zijn.
Desgevraagd door de voorzitter delen de advocaat-generaal en de raadsman mee dat zij er geen bezwaar tegen hebben als het onderzoek wordt gesloten in een andere samenstelling van het hof.
De voorzitter deelt mede dat de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting als ook de voorgenomen uitspraak alsdan om 9:00 uur zullen worden gedaan.
Het gerechtshof, gehoord de verdachte, zijn raadsman en de advocaat-generaal, onderbreekt het onderzoek tot 1 april 2025 te 09:00 uur.
1 april 2025
[…]
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat uitspraak zal worden gedaan ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 april 2025 te 09.00 uur.”
Uit art. 311 lid 4 Sv volgt dat de verdachte – en ingevolge art. 331 lid 1 Sv zijn raadsman – het recht moet worden gelaten om het laatst te spreken. Daarmee wordt beoogd de verdachte, dan wel zijn raadsman in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over ‘inhoudelijke op de strafzaak tegen de verdachte betrekking hebbende argumenten’. Uit het proces-verbaal moet expliciet blijken dat de verdachte de mogelijkheid is geboden als laatste te spreken. De ratio van het laatste woord is dat ter verdediging of in het kader van persoonlijke omstandigheden alles in kan worden gebracht wat daarvoor functioneel kan zijn. Het strekt ertoe ‘dat geen onderdeel van het onderzoek hetwelk ten bezware van de verdachte zou kunnen strekken door deze onweersproken behoeft te blijven’.
Het recht om het laatst te spreken houdt niet het ongeclausuleerde recht in om als ‘allerlaatst’ te spreken. Het gaat erom dat – nadat het laatste woord door (of namens) de verdachte is gevoerd – geen inhoudelijke op de strafzaak tegen de verdachte betrekking hebbende argumenten meer voor het voetlicht worden gebracht, waarop de verdachte niet heeft kunnen reageren. In een zaak waarin de verdachte in zijn laatste woord verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis en de procureur-generaal afwijzing daarvan vorderde, zag de Hoge Raad niet in dat aan de strekking van het laatste woord tekort is gedaan doordat aan de verdachte en zijn raadsman niet andermaal de gelegenheid was gegeven om het laatst te spreken nadat de voorzitter van het hof de beslissing op het verzoek van de verdachte had meegedeeld. Ook in een zaak waarin na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting een faxbericht aan het dossier is toegevoegd, inhoudende een bevestiging van hetgeen mondeling door de A-G was medegedeeld, oordeelde de Hoge Raad dat het recht op het laatste woord niet was geschonden, nu niet gezegd kan worden dat aan het dossier informatie is toegevoegd waarop de verdediging niet reeds heeft kunnen reageren.
Het middel klaagt, zoals aangegeven, dat aan de verdachte niet het recht is gelaten om als (aller)laatst het woord te voeren. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat – aan het einde van de inhoudelijke behandeling van de zaak – de verdachte het recht is gelaten om het laatste woord te voeren. In zijn laatste woord heeft de verdachte het hof verzocht om bodycambeelden te bekijken. Naar aanleiding daarvan heeft zijn raadsman het verzoek van de verdachte geduid als voorwaardelijk verzoek om de bodycambeelden van de verbalisanten te laten voegen in het dossier, waarna het onderzoek door de voorzitter is onderbroken en op 1 april 2025 is gesloten. Na deze mededeling van de voorzitter heeft de verdachte afstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de sluitingszitting en hebben de procesdeelnemers verklaard er geen bezwaar tegen te hebben als het onderzoek wordt gesloten in een andere samenstelling dan waarin de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden.
Uit het procesverloop volgt aldus – anders dan de stellers van het middel kennelijk menen – dat aan de verdachte conform art. 311 lid 4 Sv het recht is gelaten om het laatst te spreken. Niet gezegd kan worden dat indien de raadsman van de verdachte – nadat de verdachte het laatste woord heeft gevoerd – een bij gelegenheid van dat laatste woord gedaan verzoek van de verdachte juridisch vertaalt, de verdachte andermaal in de gelegenheid moet worden gesteld het woord te voeren, te meer niet nu die toevoeging in het belang van de verdachte is gedaan. Aan de strekking van het in art. 311 lid 4 Sv neergelegde voorschrift is kortom niet tekort gedaan.
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
Het middel keert zich tegen de afwijzing van het verzoek om beelden aan het dossier toe te voegen met de klacht dat deze afwijzing niet zonder meer begrijpelijk is.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 4 oktober 2021 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] meermalen met een mes in het lichaam te steken.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 augustus 2024 houdt – voor zover als hier relevant – het volgende in:
“De raadsvrouw krijgt de gelegenheid om de onderzoekswensen nader toe te lichten en deelt mede:
[…]
Het derde verzoek betreft het toevoegen van bodycambeelden aan het dossier. Het klopt dat ik deze beelden reeds heb gezien op het politiebureau. Ik doe nu wel het verzoek om ze toe te voegen aan het dossier. Het gaat specifiek om het moment dat de tas van het slachtoffer werd geopend.
[…]
De voorzitter deelt de beslissingen van het hof mede:
[…]
Het derde verzoek, het toevoegen van bodycambeelden aan het dossier van het moment dat de tas van het slachtoffer werd geopend, wordt afgewezen nu de noodzaak daarvoor ontbreekt. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen (p. 388 van het dossier) over dit moment. Het hof ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat dit proces verbaal niet correct zou zijn.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2025 houdt – voor zover als hier relevant – het volgende in:
“Het hof beveelt dat het ter terechtzitting van 22 augustus 2024 geschorste onderzoek opnieuw wordt aangevangen, nu de samenstelling van het hof gewijzigd is.
[…]
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij deelt mede:
Het was een zware dag en het was moeilijk voor mij. We hebben al meerdere keren navraag gedaan naar de bodycamera beelden. Steeds werd gezegd dat het niet relevant genoeg om ze te bekijken. Ik heb een vraag aan uw hof: zou u de bodycamera beelden willen bekijken over de tas? Dan kunnen jullie zelf beoordelen of de tas dicht was.
Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman mede:
Ik hoor mij cliënt een voorwaardelijk verzoek doen. Indien uw hof ervan uitgaat dat het tasje van [slachtoffer] dicht was toen het werd aangetroffen, dan is het verzoek om de bodycamera beelden van de verbalisanten te laten voegen aan het dossier.”
Het hof heeft het voorwaardelijk verzoek als volgt samengevat en afgewezen:
“Voorwaardelijk verzoek voeging bodycamera beelden
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep - zakelijk en verkort weergegeven - het verzoek gedaan om de bodycamera beelden van de verbalisanten te laten voegen aan het dossier, indien het hof ervan uitgaat dat de tasje van [slachtoffer] dicht was toen het werd aangetroffen.
Het hof overweegt dat reeds tijdens de regiezitting van 22 augustus 2024, het laten voegen van de bodycamera beelden aan het dossier door de verdediging is verzocht. Het hof heeft het verzoek toen afgewezen wegens het ontbreken van noodzaak. Er zijn thans door de verdediging geen nieuwe omstandigheden naar voren gebracht die het hof nopen tot een ander standpunt. Het verzoek wordt, wegens het ontbreken van noodzaak voor het verzochte, afgewezen.”
Ingevolge art. 149a lid 2 Sv behoren tot de processtukken alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 149b Sv. Of aan dit zogenaamde relevantiecriterium is voldaan, hangt af van de concrete inhoud of betekenis van het stuk voor de desbetreffende strafzaak. Volgens de Hoge Raad is daarbij niet de aard van het stuk primair bepalend, maar de relevantie van het stuk voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen. Een stuk kan in ieder geval als relevant voor de desbetreffende strafzaak worden beschouwd wanneer het gaat om stukken die van belang kunnen zijn bij het beantwoorden van de vragen van art. 348 Sv en art. 350 Sv, zoals belastende of ontlastende stukken in het kader van het ten laste gelegde feit, stukken die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, stukken die zien op de (controle) van de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek en stukken die voor de straftoemeting relevant zijn. Ook stukken die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal of de rechtmatigheid (van de verkrijging) daarvan kunnen onder het relevantiecriterium vallen.
Het verzoek tot het voegen van de bodycambeelden aan het dossier betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv en art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. De maatstaf waaraan de rechter dergelijke verzoeken moet toetsen is of van de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij de beoordeling van beslissingen tot afwijzing van een verzoek om voeging moet het richtsnoer zijn of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.
Het verzoek tot het voegen van de bodycambeelden was al ter terechtzitting van 22 augustus 2024 gedaan. Op de terechtzitting van 20 maart 2025 is daarom opnieuw verzocht, maar nu in voorwaardelijke vorm. Het verzoek is beide keren afgewezen.
Voor zover het middel zich, gelet op de toelichting, keert tegen de op 22 augustus 2024 gegeven beslissing tot afwijzing van het verzoek van de verdediging tot voeging van de bodycambeelden, meen ik dat het faalt. Immers, na die afwijzing is het onderzoek ter terechtzitting op 20 maart 2025 opnieuw aangevangen wegens een gewijzigde samenstelling van het hof, waardoor de betreffende beslissing niet in stand is gebleven. De klacht kan daarmee niet tot cassatie leiden.
Voor zover het middel klaagt over de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek op de terechtzitting van 25 maart 2025, merk ik het volgende op. Het verzoek is door de verdachte – gesauveerd door zijn raadsman – gedaan indien het hof ervan uitgaat dat het tasje van [slachtoffer] dicht was toen het werd aangetroffen. Het hof heeft dit verzoek afgewezen op de grond dat de noodzaak voor het verzochte ontbreekt. Daartoe heeft het overwogen dat het verzoek reeds tijdens de regiezitting wegens het ontbreken van noodzaak is afgewezen en dat ter terechtzitting van 25 maart 2025 geen nieuwe omstandigheden naar voren zijn gebracht die het hof nopen tot een ander standpunt. Hiermee heeft het hof naar mijn mening beoogd tot uitdrukking te brengen dat het verzoek wordt afgewezen omdat ter terechtzitting van 25 maart 2025 geen omstandigheden zijn aangevoerd die voeging van de bodycambeelden noodzakelijk maken.
De stellers van het middel zijn van mening dat het kennelijke oordeel van het hof dat mogelijk (nog) bestaande bodycambeelden voor de door het hof te nemen beslissingen niet van belang zijn, niet zonder meer begrijpelijk is, omdat de verdachte aan de hand van bodycambeelden de feitelijke grondslag heeft willen betwisten van de in het aanvullend proces-verbaal opgenomen relaas van verbalisanten. Dit werpt om te beginnen de vraag op welke betekenis het hof bij zijn beslissingen aan het betreffende aanvullend proces-verbaal heeft toegekend.
Het hof heeft in zijn arrest het gevoerde noodweer(exces)-verweer als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat - verkort en zakelijk weergegeven - de verdachte heeft gehandeld uit noodweer (exces), wat zou moeten leiden tot een ontslag van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft - kort weergegeven - daarvoor het volgende aangevoerd.
De verdachte heeft zich moeten verweren tegen [slachtoffer] . Er was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] die, nadat hij de verdachte een klap in zijn gezicht had gegeven, een mes uit zijn schoudertas heeft gepakt en zwaaiend daarmee op de verdachte afkwam. Het was voor de verdachte een angstige en levensbedreigende situatie en hij zag zich genoodzaakt het mes af te pakken en [slachtoffer] daarmee te steken om diens aanval te stoppen. De verdachte kon zich ook redelijkerwijs niet onttrekken aan de situatie; hij werd op de galerij in het nauw gedreven en kon geen kant op. Vluchten was geen optie. Het gebruik van het mes als verdedigingsmiddel is proportioneel geweest. De raadsman heeft gewezen op een, eerst in hoger beroep door het openbaar minserie ingebracht, stuk, te weten het Verslag Forensische Intake d.d. 19 mei 2022 van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De verdediging ziet in hetgeen in dat verslag is opgenomen steun voor de verklaring van de verdachte, meer in bijzonder voor de stelling dat het letselbeeld ook bij die verklaring past.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Voor een geslaagd beroep op noodweer (exces) moet eerst worden vastgesteld dat sprake was van een noodweer- situatie in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dat is het geval als - voor zover hier van belang - de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen lijf, dan wel een dreiging daarvoor, tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
De verdachte heeft verklaard dat er op 4 oktober 2021 een ruzie is ontstaan tussen hem en [slachtoffer] . De verdachte had tijdelijk bij hem op [a-straat 1] ingewoond, maar was daar niet meer welkom. Eerder die middag had [slachtoffer] de verdachte aangezegd te vertrekken en daartoe alvast alle plastic tassen met spullen van de verdachte, op de galerij gezet.
[slachtoffer] zou boos geworden zijn toen hij zag dat de verdachte, in de avond van 4 oktober 2021, zich nog steeds ophield op de galerij voor zijn woning. De verdachte zou [slachtoffer] hebben aangesproken op het feit dat hij geld dat de verdachte toebehoorde, niet bij zijn spullen had gedaan maar zou hebben achtergehouden. De verdachte heeft verklaard dat in de ruzie die volgde er eerst boos is gescholden en geschreeuwd door de verdachte en dat hij daarna een klap kreeg van [slachtoffer] en de verdachte heeft toen op zijn beurt [slachtoffer] weggeduwd. Vervolgens zou [slachtoffer] een mes uit zijn tasje hebben gepakt, daarmee hebben gedreigd door te zwaaien in de richting van het gezicht van de verdachte. Daarna heeft de worsteling zich verplaatst naar een hoek van de galerij waar de reling een laag muurtje is. Daar zou [slachtoffer] hebben geprobeerd de verdachte over die reling te duwen waarbij de verdachte vreesde voor zijn leven. De verdachte zegt zich daartegen achtereenvolgens te hebben verweerd door die [slachtoffer] weg te duwen, de hand van [slachtoffer] waarin zich het mes bevond vast te pakken en die zodanig dubbel te klappen dat het mes aan de linkerkant in het lichaam nabij de oksel dan wel de jas van [slachtoffer] terecht kwam en bleef steken. En tenslotte zou de verdachte - staande bij die reling, terwijl [slachtoffer] probeerde de verdachte zijn enkels, althans onderbenen, te grijpen om hem over de rand te kieperen - dat mes uit de linkerzij van [slachtoffer] hebben gepakt en daarmee meerdere malen hebben gestoken teneinde [slachtoffer] van zich af te krijgen.
Overweging hof
Het hof stelt voorop dat de verdachte de enige is die kan verklaren over de steekpartij aangezien er geen getuigen aanwezig waren. Derhalve zal het hof de verklaringen van de verdachte zorgvuldig toetsen aan de overige zich in het dossier bevindende stukken. Verder merkt het hof op dat er op grond van de verklaring van de verdachte, een door de politie op de plaats delict gehouden reconstructie heeft plaatsgevonden van hetgeen op die bewuste avond zou zijn gebeurd. De camerabeelden met geluidsopname van de reconstructie maken deel uit van het procesdossier. Op die beelden is te zien dat de plaats delict een overdekte galerij is waarvan de buitenwand vanaf het plafond tot aan een lage bakstenen muur schuin loopt. In het schuine deel bevinden zich een aantal grote openingen tot op de lage bakstenen muur.
Hetgeen de verdachte heeft verklaard over de ruzie tussen hem en [slachtoffer] , waarbij er door de verdachte gescholden en geschreeuwd is en de verdachte vervolgens in het gezicht is geslagen door [slachtoffer] , vindt naar het oordeel van het hof steun in het dossier. Zo heeft de getuige [getuige 1] , die juist op dat moment telefonisch in gesprek was met de verdachte, verklaard dat zij via de telefoon hoorde dat [slachtoffer] en de verdachte ruzie aan het maken waren en dat zij vervolgens hoorde dat er ook gevochten werd. Daarnaast bevinden zich in het dossier foto's die de verdachte kort na het incident van zichzelf heeft gemaakt en waarop een verkleuring op de wang van hem te zien is. Naar het oordeel van het hof was er op dat moment sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [slachtoffer] , waartegen verdachte zich, gegeven de smalle galerij, moest verweren. Het hof constateert dat de verdachte zich heeft verdedigd door [slachtoffer] van hem weg te duwen en dat dit een gepaste en proportionele reactie was van de verdachte.
Ten aanzien van het onderdeel van de verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] , nadat hij door de verdachte was weggeduwd, een mes uit zijn tasje heeft gepakt waarmee [slachtoffer] dreigend in de richting van het gezicht van de verdachte zou hebben gezwaaid, overweegt het hof dat dit onderdeel in de verklaring van de verdachte onvoldoende wordt ondersteund door bevindingen in het dossier. De verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , die de plaats delict als eersten hebben betreden, hebben de bevindingen over het tasje van [slachtoffer] in processen verbaal vastgelegd. Zij hebben daarbij in essentie gerelateerd, ook aan de hand van de beelden van een bodycamera, dat zij op zoek zijnde naar een identiteitsbewijs van het slachtoffer, hebben geconstateerd dat het tasje middels ritssluitingen met daarover heen een flap, was afgesloten. Deze bevindingen doen naar het oordeel van het hof afbreuk aan de verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] een mes uit zijn tasje heeft gepakt. Het is immers niet aannemelijk dat degene die in gevecht is en een mes pakt, vervolgens de tijd neemt of heeft, om dat tasje af te sluiten. Voornoemde verbalisanten hebben verklaard dat zij in het tasje van het slachtoffer een gesloten klapmes hebben aangetroffen. Ook deze omstandigheid maakt het minder waarschijnlijk dat [slachtoffer] het mes uit zijn tas heeft gehaald.
Het hof acht de verklaring van de verdachte dat het mes in het lichaam van [slachtoffer] of zijn jas bleef zitten (nadat hij diens hand had dubbelgeklapt en deze als het ware zichzelf had gestoken) ongeloofwaardig.
Temeer nu het mes daar volgens de verdachte bleef zitten terwijl er sprake was van een worsteling waarbij [slachtoffer] , door de knieën gaand, zich naar voren boog om de enkels/onderbenen van de verdachte te grijpen. Overigens is er op de plaats waar het mes op dat moment het lichaam van [slachtoffer] zou hebben geraakt, geen letsel waargenomen .
De verdachte heeft verder verklaard dat hij door de worsteling met [slachtoffer] , in een hoek van de galerij terecht is gekomen op een plek waar de reling een laag muurtje is en dat [slachtoffer] hem toen over dat muurtje/die reling zou hebben geprobeerd te duwen. Om het vege lijf te redden zou verdachte toen het mes uit het lijf van [slachtoffer] hebben getrokken en die [slachtoffer] op meerdere plekken in het lichaam hebben gestoken.
Het hof acht - met de rechtbank - deze verklaring van de verdachte, die op geen enkel punt ondersteund wordt door bevindingen in het dossier, volstrekt onaannemelijk. Het is niet denkbaar dat [slachtoffer] , veel ouder, langdurig cocaïne verslaafd, van ongeveer gelijke lengte als de verdachte maar 20 kilogram lichter in lichaamsgewicht, de kracht zou hebben gehad om de verdachte op de door hem geschetste wijze over het muurtje te duwen. Forensisch onderzoek aan de broek van de verdachte levert geen steun op voor het scenario dat [slachtoffer] de verdachte bij de enkels/onderbenen zou hebben gepakt. Wat verder afbreuk doet aan de verklaring van de verdachte is de omstandigheid dat de verbalisanten die als eersten de galerij betraden hebben opgemerkt - en ook fotografisch hebben vastgelegd - dat in de hoek waar de worsteling met [slachtoffer] zou hebben plaatsgevonden en [slachtoffer] hem over het muurtje zou hebben willen gooien, diverse objecten aanwezig waren die onaangeroerd gebleven zijn. Het gaat dan om volle vuilniszakken en diverse schoonmaak artikelen, een Swiffer en ander bezems of voorwerpen met lange stelen, die allemaal nog rechtop stonden. Gelet op de zeer beperkte ruimte terplekke is het niet bestaanbaar dat die bij een worsteling aldaar niet zouden zijn omgevallen of in wanorde zouden zijn geraakt. Voorts is - net als de rechtbank - ook het hof van oordeel dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat de verdachte in het door hem geschetste scenario in staat zou zijn geweest aan [slachtoffer] de fatale letsels toe te brengen.
Als [slachtoffer] recht voor de verdachte in een voorovergebogen houding stond om aan de onderbenen te sjorren, lijkt het onmogelijk om op dat moment frontaal, diep - en dus met kracht - in de borstkas te steken.
Het door de verdediging benoemde Verslag Forensische Intake d.d. 19 mei 2022 bevat geen informatie die dwingt tot een ander oordeel. De forensisch patholoog stelt in dat verslag dat het geen zin heeft om nader onderzoek aan de steekletsels te doen omdat het letselbeeld niet onderscheidend is in het licht van beide beschouwde hypothesen en dus ook kan passen bij het door de verdachte geschetste scenario van letsel wat tijdens een worsteling is toegebracht. Hieraan kan naar oordeel van het hof niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de opvatting van de patholoog steun biedt voor de verklaring van de verdachte. Nu het hof hiervoor heeft uiteengezet dat er in het dossier geen steun is te vinden voor het, door de verdachte geschetste en bij de reconstructie uitgebeelde, noodweerscenario, gaat het hof aan deze algemene beschouwing van de patholoog voorbij.
Tenslotte overweegt het hof dat de verdachte, eerst ter zitting in hoger beroep - bijna 3,5 jaar na het doodsteken van [slachtoffer] - heeft verklaard dat hij het mes destijds heeft meegenomen toen hij de galerij en de flat verliet en dit mes vervolgens in de omgeving van de [a-straat] ergens in het water heeft gegooid. De verdachte heeft tot dan tegenover de politie, de rechter commissaris en de rechtbank stellig volgehouden dat hij niet wist waar het mes was gebleven. Het feit dat de verdachte pas in dit stadium van het proces deze verklaring heeft gedaan, tast naar het oordeel van het hof de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte verder aan. Zo is zijn bewering, dat hij na afloop van de worsteling bij het muurtje nog steeds bang was dat [slachtoffer] hem iets zou aandoen, zeer ongeloofwaardig nu vast is komen te staan dat de verdachte op dat moment in het bezit was van het mes en [slachtoffer] , zwaar gewond door de messteken die de verdachte hem had toegebracht, richting de noodtrap aan het einde van de galerij liep of vluchtte.
Het hof is gelet op al het voorgaande - in onderling verband en samenhang beschouwd - van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat na de klap door [slachtoffer] , deze een mes uit zijn tasje heeft gepakt en dat daarmee sprake is geweest van opnieuw een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, althans een dreiging daarvoor, van de verdachte door [slachtoffer] .
Het hof gaat ervan uit dat de woedende verdachte, die zijn geld niet terugkreeg van [slachtoffer] , na de klap en het wegduwen van [slachtoffer] , zelf een mes heeft gepakt en [slachtoffer] heeft gestoken waar hij hem raken kon. Daarna is de verdachte met het mes nog in zijn handen, achter [slachtoffer] aan gelopen om te kijken waar hij heen ging, om vervolgens zijn spullen te pakken en zich met spoed uit de voeten te maken met medeneming van zijn eigen mes. Er is derhalve geen sprake van een 'tweede' noodweer- situatie. Alleen al om die reden kan het beroep op noodweer niet slagen. Het verweer wordt verworpen.”
Uit al het voorgaande – in onderling verband en samenhang beschouwd – volgt dus dat er naar het oordeel van het hof in het dossier geen steun is te vinden voor het, door de verdachte geschetste en bij de reconstructie uitgebeelde, noodweerscenario. Dit geldt ook voor het onderdeel van de verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] , nadat hij door de verdachte was weggeduwd, een mes uit zijn tasje heeft gepakt waarmee [slachtoffer] dreigend in de richting van het gezicht van de verdachte zou hebben gezwaaid. Daarbij betrekt het hof het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , die de plaats delict als eersten hebben betreden en de bevindingen over het tasje van [slachtoffer] in een proces-verbaal hebben vastgelegd. Zij hebben, mede aan de hand van de beelden van een bodycamera, geconstateerd dat het aangetroffen tasje middels ritssluitingen met daarover heen een flap, was afgesloten. Ook hebben zij – op zoek zijnde naar een identiteitsbewijs van het slachtoffer – in het tasje van [slachtoffer] een gesloten klapmes hebben aangetroffen. Naar het oordeel van het hof maken beide omstandigheden het minder waarschijnlijk dat [slachtoffer] het mes uit zijn tas heeft gehaald.
De klacht van de stellers van het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat uit eventuele (andere) bodycambeelden zou blijken dat het tasje open was. Dat moge zo zijn – in het tasje is door de verbalisanten immers gezocht naar een legitimatiebewijs – maar dat brengt niet automatisch mee dat het tasje ook open was toen het werd aangetroffen en daarmee tasten die beelden de feitelijke grondslag van het proces-verbaal nog niet aan. Verder geldt dat de verwerping van het noodweer(exces)-verweer zeker niet alleen steunt op het bestreden proces-verbaal.
Mede gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, acht ik de beslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek tot voeging van bodycambeelden bij gebrek aan noodzaak dus niet onbegrijpelijk.
Het middel faalt.
4. Slotsom
De middelen falen en in ieder geval het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep op 17 april 2025. Daarmee wordt de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Als de overschrijding van de redelijke termijn kan worden beperkt tot minder dan één maand kan worden volstaan met de constatering daarvan. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep en eventuele vernietiging van de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindering daarvan vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG