ECLI:NL:PHR:2026:836

ECLI:NL:PHR:2026:836

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer 25/01450
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Rijden onder invloed en veroorzaken van gevaar op de weg. Jaddoe. Middel dat klaagt dat hof niet heeft gerespondeerd op een betrouwbaarheidsverweer faalt, omdat het hof het gevoerde verweer niet onbegrijpelijk anders heeft opgevat. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01450

Zitting 8 september 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 15 april 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens 1 primair "overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (840 microgram)" tot een geldboete van € 1.000, subsidiair 20 dagen hechtenis en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden en wegens 2 “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994” tot een geldboete van € 250, subsidiair 5 dagen hechtenis.

Namens de verdachte heeft S.A.H. Vromen, advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel klaagt dat het hof is afgeweken van een ter terechtzitting ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot vrijspraak zonder daartoe in het bijzonder de redenen op te geven.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1. primair

hij op 19 september 2021 te Enschede, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 840 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op 19 september 2021 te Enschede als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [a-straat] , het door hem, verdachte, bestuurde voertuig (personenauto) niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of (vervolgens) van die weg is geraakt en (vervolgens) tegen een langs die weg staande boom is gebotst althans daarmede in aanrijding is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg kon worden gehinderd.”

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2025 heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota het woord ter verdediging gevoerd en vrijspraak bepleit. Die pleitnota houdt – voor zover hier van belang – in:

“Op 19 september 2021 heeft er een eenzijdige aanrijding plaatsgevonden, waarbij de auto van het merk volkswagen met kenteken [kenteken 1] , op de [a-straat] te Enschede tegen een boom is gebotst.

We kunnen op basis van het summiere dossier vaststellen dat het gaat om de auto van de vader van [verdachte] . [verdachte] had op dat moment een eigen auto. Niemand heeft waargenomen dat [verdachte] tegen de boom is gereden. Objectief bewijs daarvoor ontbreekt.

De politie werd omstreeks 17:22 uur in kennis gesteld van het ongeval. Om 18:24 uur tot 18:31 uur heeft de ademanalyse plaatsgevonden. Het proces-verbaal van verhoor is op 19 september 2021 binnen 10 minuten (18:44 tot 18:54 uur), afgenomen, opgesteld en ondertekend. Ik weet niet of u ooit bij een verhoor heeft gezeten, maar dat is werkelijk vliegensvlug. Zelfs wanneer de verdachte een beroep doet op zijn zwijgrecht sta je doorgaans niet binnen 10 minuten weer buiten.

Ook de A-G zal denk ik moeten toegeven dat als we 100 strafdossiers uit de kast halen er 99 anders uitzien. Die bevatten een sociale verklaring, met relevante standaardvragen als gebruikt u veel alcohol (het is relevant of iemand verslaafd is), hebt u inkomen (kunt u een boete betalen?), bent u eerder met justitie in aanraking gekomen (is er sprake van veelvuldige recidive)? Ook bevatten die een uitgebreidere zaaksverklaring c.q. feitenonderzoek, waarin toch wel gevraagd wordt, zoals door politierechters [naam 1] en [naam 2] ter zitting wat is er nou gebeurd?

Door verbalisant [verbalisant 1] wordt één enkele zin als verklaring van [verdachte] opgenomen. Die zin staat tussen zinnen, waarvan we vast kunnen stellen dat dit standaardformuleringen zijn van de politie. We mogen denk ik wel aannemen dat [verdachte] die nimmer zelf zo geformuleerd zou hebben. Het ligt naar mijn mening voor de hand dat ook die ene zin 'ik beken dat....' door de verbalisant geformuleerd is. TerwijI die ene zin het enige is waar het openbaar ministerie [verdachte] spreekwoordelijk (natuurlijk niet letterlijk) `aan wil ophangen'.

Het hele dossier ademt: ‘teken bij het kruisje en u kunt gaan’. Dat is ook precies wat [verdachte] verklaart. Daar komt bij dat de verbalisant vastgesteld had dat [verdachte] dronken was (840 ug/l), en het voor de hand lag dat hij graag naar huis wilde. Juist dan is extra zorgvuldigheid geboden. Meestal laat je eerst iemand eerst uit zijn roes komen. De handtekening onder de verklaring lijkt inderdaad niet op die op het rijbewijs (2 juni 2018).

Die ene zin in een PV-verhoor is niet in lijn met de eisen die het openbaar ministerie in de instructie afhandeling verkeersongevallen aan een zorgvuldig onderzoek stelt, zeker niet wanneer er sprake is van drank, materiële schade en de aanwezigheid van een ambulance. Ik kan het me niet voorstellen dat je er al A-G genoegen mee zou nemen als alle onderzoeken naar verkeersongevallen er zo uit zouden zien. Dat is simpelweg niet zorgvuldig genoeg, want je geeft de rechterlijke macht behoudens die ene zin geen enkele houvast om achteraf vast te stellen wat er gebeurd is.

Ter zitting d.d. 20 december 2023 heeft [verdachte] zakelijk weergegeven het volgende verklaard:

“Ik ben niet de bestuurder van de auto. Ik zat bij mijn vader in de auto en hij heeft gereden. We zijn van de weg geraakt. Ik ben bij de auto gebleven en mijn vader is door een kameraad opgehaald. Zij zijn een auto-ambulance gaan halen. Ineens stonden er allemaal mensen bij het voertuig en voordat ik het wist, moest ik met de politie mee naar het bureau. Ik kreeg, vooral bij de agente, niet de kans om uit te leggen dat ik niet de bestuurder was. Het gesprek met haar liep niet. Met de agent was beter te communiceren. De bekennende verklaring die ik zou hebben afgelegd bij de politie klopt niet: het zijn niet mijn woorden. Ik heb bij de politie niets gezegd, niets toegegeven en niet bekend. Ik heb daarnaast mijn verklaring niet gelezen. Ik wilde snel weg. Ik heb in alle drukte een handtekening gezet, maar de handtekening onder het verhoor herken ik niet als mijn handtekening want die ziet er anders uit. Ik kan me voorstellen dat mijn handtekening anders op papier is gekomen omdat ik had gedronken. De politierechter vraagt aan verdachte of er iemand is die kan bevestigen dat zijn vader heeft gereden. De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven, het volgende. Mijn vader is begin dit jaar overleden. Mijn moeder kan wel verklaren dat mijn vader achter het stuur zat en de bestuurder van de auto was. Ik heb dat de volgende dag tegen mijn moeder gezegd, Mijn ouders zijn gescheiden, maar wellicht hebben zij wel contact met elkaar gehad en heeft mijn vader tegen mijn moeder gezegd dat hij heeft gereden.”

[naam 1] , politierechter, de raadsman [naam 3] en de officier van justitie [naam 4] twijfelden door de verklaring van [verdachte] , waardoor er aanvullend onderzoek is gedaan.

[betrokkene 1], de moeder van [verdachte], verklaart op 10 juli 2024 dat [verdachte] haar destijds, vermoedelijk nadat hij van het politiebureau kwam, heeft verteld dat zijn vader heeft gereden en niet hij. Verder geeft zij aan dat [verdachte] heeft verteld dat hij bij zijn aanhouding geen kans heeft gekregen om zijn verhaal te vertellen. Zij verklaart geen reden te hebben om aan daaraan te twijfelen.

[verdachte] zegt dat hij na het verhoor tevergeefs geprobeerd heeft om in contact te komen met de politie om nader te informeren.

De verklaring van moeder komt overeen met de verklaring die [verdachte] later ter

zitting aflegt. Hij is derhalve consequent en consistent in zijn verklaring dat hij met de

bestuurder van de auto van zijn vader was.

Verbalisant [verbalisant 1] verklaart in reactie op de mededeling dat [verdachte] op 20 december 2023 heeft verklaard dat zijn vader heeft gereden en niet hij, dat hij hierover met een collega heeft gesproken en dat deze collega tegen hem heeft gezegd, dat [verdachte] door zijn vader was opgehaald. Dit herinnerde hij zich toen wel weer.

Verbalisant [verbalisant 2] herinnert zich vooral nog de opvallende broek en dat [verdachte] is nagekeken door de ambulance.

Omdat er destijds geen uitgebreid proces-verbaal door de verbalisanten is opgemaakt, kunnen wij niet meer met zekerheid vaststellen wat er is gebeurd en welke andere mensen er aanwezig waren. Dat kan [verdachte] in mijn visie niet worden tegengeworpen.

Kort samengevat:

Niemand heeft gezien dat [verdachte] tegen de boom is gereden.

Het wettig bewijs rust enkel en alleen op 1 zin, die met een aan de zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door de verbalisant is opgesteld.

Waarbij, en op basis waarvan, we kunnen vaststellen dat het onderzoek door de verbalisanten weinig zorgvuldig en gehaast is uitgevoerd.

Rechter [naam 5] zei 25 juli 2024: ik weet het niet voor de volle 100% zeker, en dan moet ik u vrij spreken, hetgeen ik ook zal doen. De eerste officier van justitie en politierechter twijfelden ook.

Dat er op basis van dit dossier in het appelschriftuur geen enkele ruimte is voor twijfel, wil er bij mij niet in. Ik kan me voorstellen dat het openbaar ministerie zegt: ik acht de kans groter dat u reed. Maar dat is (gelukkig) niet voldoende.

[verdachte] wil deze zaak graag achter zich kunnen laten en hoopt dat u ook oordeelt dat hij in elk geval het voordeel van de twijfel dient te krijgen. [verdachte] verzoekt u derhalve om hem vrij te spreken van de tenlastegelegde feiten.”

Het hof heeft met betrekking tot het bewijs in zijn PROMIS-arrest het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

“De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen op 19 september 2021 kennis van een verkeersongeval op de [a-straat] te Enschede. Ter plaatste troffen zij een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 1] met schade en uitgeklapte airbags aan. De auto was vermoedelijk tegen een boom gereden. De verbalisanten treffen verdachte bij de auto aan en merken hem aan als verdachte van betrokkenheid bij, dan wel schuld hebben aan het ongeval.

Bij verdachte werd een voorlopige ademonderzoek afgenomen, waarbij het resultaat van de ademtest een alcoholindicatie G/F gaf.

Verdachte wordt overbracht naar het politiebureau in Enschede en krijgt het bevel medewerking te verlenen aan een ademanalyse. Het onderzoeksresultaat daarvan was dat het alcoholgehalte in zijn adem 840 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Verdachte heeft vervolgens in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij bekent onder invloed een auto te hebben bestuurd en dat hij daarmee een aanrijding heeft veroorzaakt.

Op de zitting van de politierechter op 25 juli 2024 heeft verdachte verklaard dat de auto van de weg is geraakt en een boom heeft geraakt.

Verdachte is op de terechtzitting van de politierechter van 20 december 2023 op deze verklaring teruggekomen en heeft toen verklaard dat niet hij maar zijn, inmiddels overleden, vader de auto heeft bestuurd.

Naar aanleiding van die zitting en hetgeen daar is verklaard door verdachte zijn de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en de moeder van de verdachte als getuige gehoord bij de rechter-commissaris.

De moeder van verdachte, [betrokkene 1], heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte kort na het gebeuren tegen haar heeft gezegd: “Papa heeft gereden. Ik heb niet gereden.”

Het hof hecht, gelet op het late stadium waarop verdachte is gekomen met het alternatieve scenario en mede gelet op de inhoud van de op ambtsbelofte opgestelde processen-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], en bekennende verklaring die verdachte ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1] kort na het ongeval heeft afgelegd, anders dan de politierechter, geen geloof aan deze alternatieve lezing van verdachte dat zijn vader heeft gereden en niet hij.”

Het hof heeft hetgeen namens de verdachte is aangevoerd kennelijk niet opgevat als een ‘betrouwbaarheidsverweer’, maar als een verweer inhoudende een alternatief scenario. Aan dit scenario heeft het hof gelet op beschikbare bewijsmiddelen vervolgens geen geloof gehecht. Nu het hof het verweer niet onbegrijpelijk op voormelde aan hem voorbehouden wijze heeft opgevat, faalt het middel.

3. Slotsom

Het middel faalt. Nu het middel klaagt over de bewijsvoering van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering niet voor de hand.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand